Accumulatie, collectivering en nivellering zijn de trefwoorden waarmee de belangrijkste trends in de vermogensverhoudingen van Nederland en andere westerse nationale samenlevingen kunnen worden samengevat, tenminste voor de periode vanaf de Eerste Wereldoorlog tot in de jaren zeventig. Accumulatie: nationale vermogens in hun geheel, naar welke maatstaven ook gemeten, groeiden op langere termijn. Collectivering: van het gezamenlijke nationale vermogen kwam in de loop van de tijd relatief minder in handen van individuen, gezinnen, families, huishoudens en relatief meer in handen van organisaties waarbinnen bezitsaanspraken van individuele leden ten zeerste beperkt waren - semi-privévermogen in de vorm van aanspraken op fondsen voor pensioenen, levensverzekeringen en sociale uitkeringen, vermogen van nationale en lagere overheden, vermogen van niet-winstgevende particuliere organisaties en vermogen van naamloze vennootschappen voorzover dit niet in handen van individuele aandeelhouders was. En tenslotte nivellering: in de verhouding tussen grotere en kleinere privé-vermogens vond een zekere verschuiving ten gunste van de laatste plaats. De drie trends bij elkaar hielden in, dat zich weliswaar een bovenlaag van welgestelde tot zeer rijke privé-vermogenbezitters in westerse samenlevingen handhaafde, maar dat het overwicht van deze laag, afgemeten aan de omvang van het privé-vermogen ten opzichte van het nationaal vermogen, afnam, terwijl de persoonlijke en collectieve bezitsrechten van brede bevolkingsgroepen zich sterk uitbreidden.
Deze ontwikkeling heeft implicaties voor de klassenverhoudingen. Steeds moeilijker is het geworden een grens te trekken
tussen een klasse van ‘bezitters’ en een klasse van ‘niet-bezitters’ van de produktiemiddelen. De vroegere ‘bezitlozen’ zijn tot op zekere hoogte en in zekere opzichten ‘bezitters’ geworden, die aan hun bezit materiële zekerheid, inkomen, comfort en status ontlenen. Voor een belangrijk deel gaat het hierbij om semi-privévermogens, om rechten op pensioenen en andere uitkeringen; maar ook de persoonlijke vermogens, waaronder kapitaalbezit in de vorm van onder meer spaartegoeden, hebben zich uitgebreid. Daartegenover heeft privé-vermogen voor grote bezitters aan functies ingeboet - als bron van inkomen en materiële zekerheid, als middel tot statusverwerving, als basis van economische en ruimere maatschappelijke macht. De ‘meerwaarde’ komt niet meer alleen een kleine bovenlaag van grote kapitaalbezitters en een iets bredere middenlaag van zelfstandige ondernemers ten goede, maar verdeelt zich over, onder meer, grote groepen uitkeringstrekkers, pensioengerechtigden, verzekerden, houders van spaarrekeningen.
De marxistische vereenvoudigings-, polarisatie- of dichotomiseringsthese - volgens welke de kapitalistische maatschappij steeds scherper verdeeld zou raken in twee klassen, die van bezitters en die van niet-bezitters der produktiemiddelen - blijkt, kortom, niet op te gaan, en in de loop van de twintigste eeuw steeds minder te zijn opgegaan. Dat is vaker beweerd. Maar daarbij is bijna steeds de nadruk gelegd op de opkomst en groei van een heterogene ‘nieuwe middenklasse’, een categorie bezitlozen die niet de status en het inkomen van de traditionele bezitlozen heeft. Het feit dat de bezits- en vermogensverhoudingen zelf ten gunste van werknemers zijn veranderd, is minder opgemerkt.
De veranderingen in de bezitsverhoudingen hebben klasseverschillen echter niet doen verdwijnen, ook niet voorzover deze op bezit gebaseerd zijn. Voor de grote meerderheid van de bevolking is persoonlijk kapitaalbezit van beperkte betekenis gebleven; het ontbreekt in de meeste huishoudens niet, maar is doorgaans van betrekkelijk geringe omvang, neemt grotendeels de vorm aan van spaartegoeden, geeft daarmee geen enkele zeggenschap over de aanwending van produktie-
middelen, en dient vaak minder als bron van regelmatig inkomen dan als reserve voor grote consumptieve bestedingen. Privé-bezit in strikte zin heeft voor deze huishoudens vooral consumptieve betekenis; het bestaat grotendeels uit duurzame consumptiegoederen, soms een eigen huis en spaargelden die, zoals gezegd, vaak weer dienen als reserve voor grotere consumptieve uitgaven. Materiële zekerheid wordt voornamelijk ontleend aan semi-privévermogens en rechten op sociale uitkeringen.
Onderscheiden van deze meerderheid van werknemers is een kleinere en relatief steeds kleiner geworden klasse van zelfstandige ondernemers die over aanzienlijke maar niet tot de hoogste regionen behorende privé-vermogens beschikken, welke grotendeels in het eigen bedrijf zijn belegd en daarmee onontbeerlijk zijn voor inkomen en beroepsstatus. Gemeten naar deze criteria van inkomen en beroepsstatus, zijn de meeste zelfstandige ondernemers tot de middenstrata te rekenen, al ligt hun gemiddelde inkomen boven dat van de hele beroepsbevolking.
Op grond van de omvang en betekenis van privébezit is in moderne kapitalistische samenlevingen nog een derde klasse te onderscheiden - die van grote kapitaalbezitters.1. Van de meeste zelfstandige ondernemers onderscheiden zij zich (al is een scherpe grens niet te trekken) door de grote omvang en de daarmee gepaard gaande sterke spreiding van hun vermogen, waardoor het niet permanent en eenzijdig met specifieke beroepsactiviteiten is verbonden. Van de meeste werknemers en beroepslozen onderscheiden zij zich door de grotere betekenis die persoonlijk kapitaalbezit voor hen heeft - als bron van inkomen, van status, van zekerheid (ook met betrekking tot de nabestaanden), van keuzemogelijkheden. Van het totale nationale privé-vermogen neemt deze kleine categorie overal in de westerse wereld een nog altijd groot - zij het in de loop van deze eeuw enigermate verminderd - deel voor haar rekening. Met name het bezit van effecten is sterk bij haar geconcentreerd. Behalve door hun privé-bezit zijn leden van dit stratum ook door hun beroepsactiviteiten in sterke en zelfs toenemende mate verbonden met particuliere ondernemingen.
Op grond hiervan kunnen we spreken van een gemeenschappelijk ‘klassebelang’ van bezitters van grote privé-vermogens bij gunstige kapitaalsrendementen, hoge ondernemingswinsten en een aanzienlijke mate van autonomie van ondernemingen ten opzichte van nationale overheden.2. Consensus binnen deze klasse hieromtrent wordt bevorderd door een zekere tendens tot standsvorming, een neiging van gevestigde bezitters tot exclusiviteit in de sociale omgang (waarover voor Nederland minder bekend is dan voor sommige andere landen). En deze tendens hangt weer samen met een nog altijd vrij sterke continuïteit over verschillende generaties, die onder meer berust op de erving van privé-bezit.
Een bovenlaag van grote-vermogensbezitters, zich onderscheidend door verschillende klasse- en standskenmerken, typeert huidige westerse samenlevingen net als die van vijftig of honderd jaar geleden. Maar de maatschappelijke macht van deze bovenlaag is verminderd, wat onder meer in de vermogenscollectivering en -nivellering tot uitdrukking komt. Waar de welvaart onder brede lagen steeg, werd de rijkdom van de bovenlaag minder opvallend en ontzagwekkend. Waar het kiesrecht zich uitbreidde, massapartijen zich organiseerden en de recrutering van ambtenaren opener werd, werden politieke macht en invloed minder het voorrecht van deze bovenlaag. En waar de mobiliteit toenam en de dominantie van gevestigde bezitters afnam, vervaagden standsonderscheidingen en werden deze van minder zwaarwegende betekenis.
Men zou de ontwikkeling als geheel kunnen typeren als een van partiële democratisering of egalisering. De klasseongelijkheid is verminderd, zonder onbelangrijk te worden. Afhankelijk van voorkeuren en verwachtingen, kan men de nadruk leggen op egalisering (die kan worden opgevoerd ter legitimering van de bestaande maatschappelijke orde) of juist op de continuering van aanzienlijke ongelijkheden (die als basis van maat-schappijkritiek kan worden gebruikt). Ook de vraag naar de verklaring kan naar beide kanten gesteld worden. Hoe komt het dat klassenverschillen en in het bijzonder bezitsverschillen in de loop van deze eeuw kleiner zijn geworden? Maar ook:
hoe is het te verklaren dat ondanks de politieke democratisering, en gegeven de materiële belangen van de meerderheid van de bevolking, de bezitsongelijkheid nog altijd zo groot is en de tendenties van collectivering en nivellering zich niet in veel sterkere mate hebben doorgezet?
Deze vragen staan in dit hoofdstuk centraal. Alvorens daar uitvoerig op in te gaan, wordt echter eerst (in paragraaf 2) een probleem van meer algemene aard aan de orde gesteld: het verband tussen bezits- en klassenverhoudingen, meer in het bijzonder de mate waarin en de wijze waarop variërende en veranderende bezitsverhoudingen bepalend zouden kunnen zijn voor de zichtbaarheid van klassentegenstellingen en daarmee samenhangende conflicten. Daarna, in paragraaf 3, worden mogelijke verklaringen van de drie genoemde trends besproken, - accumulatie, collectivering en nivellering. Paragraaf 4 gaat nader in op de laatste van deze trends; algemener gezegd, op de achtergronden van veranderingen in de verdeling van privé-vermogens. Vervolgens wordt één aspect van het verklaringsprobleem centraal gesteld - de mate waarin de beschreven ontwikkelingen aan doelbewuste planning kunnen worden toegeschreven. In hoeverre zijn de ontwikkelingen te beschouwen als resultaat van gericht staatsingrijpen (paragraaf 5)? En in hoeverre is dit staatsingrijpen zelf weer te begrijpen als uitvloeisel van expliciete politieke doelstellingen, zoals bijvoorbeeld neergelegd in partijprogramma's (paragraaf 6)?
De lijn van het vervolg van dit hoofdstuk is, kortom, van algemeen naar specifiek, van een abstracte en bijna tijdloze behandeling van enkele facetten van klasse- en bezitsverhoudingen (2) via een samenvattende bespreking van trends in industrieel-kapitalistische samenlevingen (3 en ten dele 4) naar een behandeling van meer specifieke problemen die voornamelijk op de Nederlandse samenleving worden betrokken. Recente veranderingen, samen te vatten met het woord ‘crisis’, komen ter sprake in de slotparagraaf, waarin ik mij tevens een aantal normatieve uitspraken veroorloof.
Voor een goed begrip van veranderingen in de vermogensverhoudingen van industrieel-kapitalistische samenlevingen in de twintigste eeuw is het verhelderend deze te plaatsen in een ruimer kader van basisvarianten van bezits- en klassenverhoudingen. Deze vertonen een zekere chronologie en zijn dan ook tot op zekere hoogte als fasen in een maatschappelijke ontwikkeling te beschouwen. Het gaat hier om tamelijk abstracte modellen van samenhangen tussen bezitsvorm, surplusonttrekking en klassenstructuur. Deze zijn vooral gebaseerd op wat gevonden is over verschillende fasen in de lange-termijnontwikkeling van de Nederlandse samenleving.
De vereenvoudigende veronderstelling waar ik in eerste instantie van uitga, is die van een klassendichotomie: een klasse van kapitaalbezitters (bezitters van goederen die inkomen opleveren, inclusief grond) die zelf geen fysieke arbeid verrichten tegenover een klasse van producenten (mensen die fysieke arbeid verrichten) die geen kapitaal bezitten. Kapitaalbezit wordt opgevat als een machtsclaim waarmee surplus aan de arbeidende bevolking wordt onttrokken.3. De vraag is dan: hoe slagen de kapitaalbezitters erin dit surplus aan de arbeidende bevolking te onttrekken?
Het meest algemene antwoord is eerder in hoofdstuk ii geopperd: bezitters zetten hun claims kracht bij door zowel politieke als normatieve macht, door een beroep te doen op geweldsmiddelen en door legitimering van bezitsrechten. Deze legitimering gaat echter zelden of nooit zo ver dat de bezitsrechten in het geheel niet meer worden aangevochten. De kans op en de intensiteit van conflicten tussen kapitaalbezitters en producenten hangen onder meer af - zo kan bij wijze van algemene hypothese gesteld worden - van de aard van de surplusonttrekking. Hoe groter de mate en zichtbaarheid van surplusonttrekking en hoe geringer de ‘tegenprestaties’ van de bezitters voor de producenten, des te scherper en duidelijker de belangentegenstellingen, des te groter de kans op conflicten en des te kwetsbaarder - bij een gegeven machtsoverwicht
- de positie van bezitters.4. De zichtbaarheid van de surplusonttrekking wordt onder meer bepaald door de mate waarin de maatschappelijke stratificatie het model van een klassendichotomie benadert: hoe scherper de differentiatie tussen niet-producerende bezitters en niet-bezittende producenten, des te groter de tegenstellingen. Maar ook de bezitsvorm zelf en de daarmee verbonden manieren van surplusonttrekking zijn van belang: hoe directer en eenvoudiger de surplusonttrekking, des te groter de zichtbaarheid ervan en des te duidelijker de tegenstellingen.
De meest directe en doorzichtige wijze van surplusonttrekking is die waarbij de bezitters zelf een gedeelte van de geproduceerde goederen met behulp van geweldsuitoefening en geweldsdreiging opeisen, zoals in het geval van ‘zuiver’ feodaal grondbezit. De ongelijkheid hier is scherp, omvattend en openlijk. De aangewezenheid van bezitters op eigen militaire kracht geeft hun een hoge mate van autonomie, maar maakt hen ook kwetsbaar; behalve tegenover hun onderdanen moeten zij hun bezit verdedigen tegenover eveneens gewapende concurrenten. Deze concurrentiestrijd kan ertoe leiden dat langzamerhand grotere gebieden onder één centraal gezag komen, waarin politieke macht en grondbezit meer van elkaar gedifferentieerd raken.5.
Waar een gebied onder de jurisdictie van een centrale staatsmacht is gekomen en de bezitsrechten door die staatsmacht worden afgedwongen, is de macht van de grondbezitters tegenover de grond bewerkende boeren minder omvattend. De surplusonttrekking is echter ook in deze situatie heel zichtbaar, de belangentegenstellingen zijn duidelijk, vooral als de lasten voor de boeren zwaar zijn en als de grondbezitter voor hen geen positieve functies vervult, zoals in het geval van de absentee landlord die zich beperkt tot het via tussenpersonen innen van de pacht. De door de staat afgedwongen surplusonttrekking omvat zowel inkomsten voor de staat (belastingen) als inkomsten voor de bezitters, en beide zijn niet altijd scherp van elkaar te onderscheiden; grootgrondbezit en staatsmacht worden in traditionele agrarische samenlevingen in hoge mate met elkaar geïdentificeerd. De neiging tot opstan-
digheid van kleine, uitgebuite boeren en de gevolgen daarvan hangen in dit type samenleving en (denk bijvoorbeeld aan Frankrijk, Rusland, China vóór de daar uitbrekende revoluties) behalve van de structuur van de lokale samenleving6. dan ook sterk af van de algehele politieke constellatie. Wanneer ook andere groepen in verzet komen, wanneer de staatsmacht zich kwetsbaar toont door innerlijke verdeeldheid of nederlagen in botsingen met andere staten, neemt de kans op boerenopstanden met ingrijpende gevolgen toe.7.
Minder duidelijk is de surplusonttrekking doorgaans in het geval van privé-bezit van ambachts- en handelskapitaal. Bezitters van ambachtelijke werktuigen en werkplaatsen zijn meestal zelf kleine producenten. En de winsten die in de handel gerealiseerd worden, hoe groot ook, zijn niet duidelijk aan bepaalde producenten onttrokken. Door concurrentiemechanismen - accumulatie aan de ene kant, vermogensverlies, onteigening, proletarisering aan de andere kant - neemt de bezitsongelijkheid in handels- en ambachtssteden in de loop van de tijd vaak toe.8. Maar deze ongelijkheid, zich onder meer uitend in grote verschillen in consumptie en levensstijl, wordt slechts in beperkte mate met belangentegenstellingen in de produktiesfeer in verband gebracht.9.
Handelskapitaal maakt in gunstige omstandigheden grote winsten mogelijk, maar geeft ook onzekerheden, doordat de te realiseren marktwaarde afhankelijk is van onbeheersbare en onvoorspelbare marktfluctuaties.10. Rijk geworden kooplieden - zoals die van Holland in de zeventiende en achttiende eeuw - zijn dan ook geneigd hun vermogen veiliger te gaan beleggen, in grond bijvoorbeeld, of in langlopende geldleningen tegen vaste rente. Vooral leningen aan overheden, zijn vanwege de relatief hoge betrouwbaarheid van rentebetalingen en aflossingen geliefd. Omgekeerd is het voor overheden verleidelijk om ter dekking van tekorten telkens weer geld van vermogende particulieren te lenen en zo de last van belastingen vooruit te schuiven. Grote privé-vermogens kunnen zo voor een belangrijk gedeelte uit staatsobligaties en dergelijke gaan bestaan. Bezitters van deze waardepapieren verwerven
een gedeelte van het geproduceerde surplus met behulp van de staatsmacht, die burgers dwingt tot betaling van belastingen waarvan de opbrengsten ten dele aan de bezitters worden overgeheveld. Deze surplusonttrekking is door ingewikkeldheid en indirectheid ervan weinig zichtbaar; zo de burgers zich er al van bewust zijn dat ze bepaalde belastingen betalen (bij indirecte, prijsverhogende belastingen is dat vaak niet het geval), weten ze meestal niet precies waarvoor die bestemd zijn. De hoge belastingen waaruit de rentes betaald worden kunnen weliswaar aanleiding geven tot oproeren, maar deze zijn niet primair tegen de ontvangers van deze rente gericht.11.
Waar de particuliere rijkdom in een land groot is in verhouding tot de binnenlandse produktie - gevolg van bijvoorbeeld een eerdere bloei van de handel, die daarna in verval is geraakt -, zijn vermogensbezitters geneigd in andere landen (ondernemingen en overheidsleningen) te gaan beleggen. Nederland in de achttiende en de negentiende eeuw is een duidelijk voorbeeld. Gezien de grote geografische en sociale afstanden is ook in dit geval de surplusonttrekking weinig zichtbaar. In een samenleving waarin bezitters van grotere vermogens een aanzienlijk deel van hun kapitaal belegd hebben in staatspapieren en buitenlands bezit - op een wijze dus die in het algemeen niet direct bijdraagt aan de binnenlandse produktie - is de interdependentie tussen producerende en kapitaalbezittende klassen zwak; bezitters hebben producenten voor hun inkomen, hun welstand, de instandhouding en vermeerdering van hun bezit slechts in beperkte mate nodig, - zo lijkt het althans voor de betrokkenen. Gegeven een duidelijk onderscheid tussen grote kapitaalbezitters en weinig of niets bezittende producenten (kleine ondernemers en werklieden), is de sociale afstand tussen deze klassen groot, terwijl tegelijk de mate van zichtbare uitbuiting gering is, de klassentegenstellingen in die zin niet scherp zijn, hoe groot de materiële ongelijkheid ook is.
Passief beleggen is voor de bezitters niet altijd in alle opzichten voordelig. Zo kan het zijn dat rentenierend ‘niets doen’ door grote groepen sociaal wordt afgekeurd - als in strijd met waarden van regelmatige arbeid en actief ondernemerschap -
en ook door de nietsdoeners zelf als onbevredigend wordt ervaren. Een ander, acuter probleem voor passieve beleggers doet zich voor als zij door actieve ondernemers in welstand en zelfs status en politieke macht voorbijgestreefd dreigen te worden. In tijden van economische expansie, zoals beginnende industrialisering, zijn de winst- en rendementskansen voor sommige ondernemers veel groter dan die voor passieve beleggers. De laatsten kunnen zich er dan toe geprest voelen zelf ondernemer te worden of - een minder vergaande stap - vermogen risicodragend in ondernemingen te beleggen.
Beginnende industrialisering gaat gepaard met toenemende interdependentie tussen grote kapitaalbezitters en producerende arbeidskrachten: de bezitters worden voor hun inkomsten meer en directer afhankelijk van de producenten (voorzover zij in ondernemingen gaan beleggen) en raken meer betrokken bij de organisatie van de arbeid (voorzover ze zelf ondernemer worden). Beide klassen raken meer op elkaar aangewezen in hun gemeenschappelijke afhankelijkheid van expanderende afzetmarkten. Ook door de aard van de industriële produktie wordt de onderlinge afhankelijkheid tussen ondernemers-kapitaalbezitters en arbeiders sterker; arbeiders worden aan een nieuwe, scherpere discipline onderworpen, maar krijgen tegelijk meer mogelijkheden om collectief eisen te stellen.
In het proces van beginnende industrialisering en schaalvergroting groeit de kloof tussen ondernemers en arbeiders en neemt de zichtbaarheid van de surplusonttrekking toe: kleine zelfstandigen nemen door de concurrentiedruk in aantal af, bedrijfswinsten komen meer en meer aan grote ondernemers en aandeelhouders van grote ondernemingen ten goede. De toenemende interdependentie tussen klassen gaat, met andere woorden, gepaard met een verscherping van klassentegenstellingen. En door beide, toenemende interdependentie en verscherping van tegenstellingen, wordt het besef van de noodzaak van ‘verzachtende’ maatregelen sterker, - zoals beperking van arbeidstijden, verbetering van gezondheidszorg, volkshuisvesting, pensioenregelingen en invoering van sociale verzekeringen. Door de groei van de produktie wordt het ook steeds
beter mogelijk om dergelijke maatregelen daadwerkelijk uit te voeren.
Bij verdergaande industrialisering, schaalvergroting en produktiegroei dragen dergelijke maatregelen na verloop van tijd inderdaad bij tot vermindering van klassentegenstellingen. Klassenverschillen worden minder scherp en minder zichtbaar naarmate industrieel geproduceerde consumptiegoederen voor steeds meer mensen bereikbaar worden, de inkomens van werknemers stijgen, de vorming van vermogen onder werknemers daarmee belangrijker wordt en de materiële zekerheid door middel van semi-privévermogens en sociale verzekeringen zich uitbreidt. De surplusonttrekking wordt minder zichtbaar doordat in grote naamloze vennootschappen beslissingsmacht en formele eigendom meer uiteen gaan lopen, doordat met de groei van semi-privévermogens en kleine privé-vermogens de grenzen tussen bezittende en niet-bezittende klassen vervagen, en doordat met de stijging van de arbeidsinkomens - van de laagste tot de hoogste niveaus - en de uitbreiding van collectieve financiële regelingen persoonlijk kapitaalbezit minder belangrijk wordt als bron van welstand en materiële zekerheid. Het model van een klasse van kapitaalbezitters tegenover een klasse van niet-bezittende producenten wordt daarmee minder bruikbaar.
Deze vermindering van klassentegenstellingen hoeft zich echter niet in alle opzichten onverminderd voort te zetten; integendeel, de vermindering heeft op den duur gevolgen die als een negatieve feedback verdere vermindering afremmen of zelfs tegenhouden. In de eerste plaats dreigt bij een sterke stijging van de lonen en sociale uitkeringen de rendementspositie van bedrijven zodanig te verslechteren dat het voortbestaan van bedrijven zelf in gevaar komt; de roep om ‘winstherstel’ door beperking van lonen, sociale lasten en belastingen wordt dan krachtiger. Ten tweede, naarmate kapitaalbezit al meer gecollectiviseerd en gespreid is en minder opvallende privileges oplevert, wordt de druk ‘van onderen’ tot verdere aantasting van privé-bezitsrechten minder groot en de weerstand tegen die aantasting sterker. Bovendien neemt, in de derde plaats, met de voortgaande schaalvergroting van de produktie en de
internationale economische verstrengeling de beheersing van economische processen door nationale overheden in sommige opzichten af; bestuurders van grote ondernemingen en individuele grote kapitaalbezitters slagen er beter in zich aan op nivellering gerichte maatregelen van die overheden (bijvoorbeeld op belastinggebied) te onttrekken. Met dit alles is tenminste een afvlakking van de tendens tot vermogenscollectivering en -nivellering en de daarmee samenhangende vermindering van klassenverschillen te verwachten.
De hier geponeerde samenhangen tussen bezitsvorm, surplusonttrekking en klassenverhoudingen zijn met opzet in algemene en nogal tijdloze termen omschreven, ten einde de aard van deze samenhangen in hun theoretisch meest ‘pure’ vorm naar voren. te laten komen. Uiteraard is dit een theoretische constructie. Deze is echter niet louter deductief, als een mathematisch systeem, ontwikkeld, maar aan de hand van waarneembare lange-termijnontwikkelingen in de bezitsverhoudingen van de Westeuropese en in het bijzonder de Nederlandse samenleving. De geanalyseerde bezitsverhoudingen zijn grotendeels als opeenvolgende fasen van de Nederlandse ontwikkeling herkenbaar. In dit verband zou men van ideaaltypen kunnen spreken: de verschillende fasen zijn getypeerd door de meest kenmerkende bezitsvorm eruit te lichten en, uiterst summier, de ‘logische’ consequenties daarvan voor de klassenverhoudingen te laten zien. De belangrijkste algemene conclusie die ik hieruit zou willen trekken is deze: bezitsstructuur en klassenconflicten hangen aanwijsbaar met elkaar samen, maar op ingewikkelder manieren dan in simpele marxistische schema's kan worden gevangen. Vooral de mate van zichtbaarheid van de surplusonttrekking, bepaald door de sociale en geografische afstand tussen producenten en bezitters en door het aantal intermediaire personen of instanties via welke het surplus wordt overgedragen, is cruciaal in de verklaring van klassenconflicten.
Verder heb ik geprobeerd te laten zien, hoe er een ‘logica’ in de opeenvolging van fasen zit - zonder hiermee onvermijdelijkheid of vaste wetmatigheid te willen suggereren - om
hiermee de ontwikkeling te verklaren. Deze verklaring blijft echter op een erg algemeen en abstract niveau zolang de samenhangen tussen waarneembare deelveranderingen niet nauwkeuriger zijn onderzocht. Over de achtergronden van de trends van accumulatie, collectivering en nivellering is met het hier gegeven kader wel iets, maar nog niet veel gezegd.
De ontwikkelingen van accumulatie, collectivering en nivellering in de vermogensverhoudingen zijn uiteraard niet los van elkaar te zien, maar dat wil niet zeggen dat ze in de tijd altijd samengaan. Accumulatie van vermogen - op het niveau van steden, streken, staten, of nog grotere eenheden - is een lange-termijntrend die voor West-Europa tenminste vanaf de late Middeleeuwen duidelijk is waar te nemen. De collectiveringstendens waar het hier om gaat begint veel later; vóór 1850 kan er nog niet of nauwelijks van worden gesproken. En de nivelleringstrend waarvan hier sprake is wordt in verschillende westerse landen pas in de twintigste eeuw, omstreeks 1914, aanwijsbaar.
Ook in de mate waarin deze drie veranderingen zich hebben voorgedaan, verschillen ze van elkaar. Accumulatie van vermogen is de meest opvallende en meest omvattende verandering. Ook de verschuiving van privé-vermogens naar meer collectieve vermogens is aanzienlijk te noemen. In vergelijking daarmee is de verandering van de verdeling van privé-vermogens in de richting van nivellering vrij gering en aarzelend, al moet bedacht worden dat de collectivering gedeeltelijk weer als ‘nivellering’ te interpreteren is.
Deze paragraaf bespreekt in het kort een aantal door sociologen en historici geopperde verklaringen voor de drie trends, en voor ruimere maatschappelijke ontwikkelingen waarvan deze deel uitmaken.
De accumulatie van door mensen geproduceerde fysieke goederen is te beschouwen als een van de universals van de maatschappelijke evolutie die tot nu toe heeft plaatsgevonden, een van de ontwikkelingen op zeer lange termijn geldend voor de mensheid als geheel. Verbetering van produktietechnieken door uitvindingen en uitbreiding van kennis was hierin essentieel: nieuwe technieken vereisten in het algemeen meer ‘kapitaal’ (grotere en gecompliceerdere produktiemiddelen), leverden aan de andere kant meer produkten op. Groei van de produktie ging gepaard met groei van de bevolking, waardoor het bestand aan kapitaal- en consumptiegoederen zich verder uitbreidde.
Om ieder misverstand te voorkomen: deze ontwikkeling vond niet altijd en overal plaats. Kapitaalvernietiging op grote schaal, door oorlogen of natuurrampen, heeft zich telkens weer voorgedaan, en een toestand van stagnatie of bijnastagnatie is in veel samenlevingen gedurende langere perioden (zelfs in alle menselijke samenlevingen gedurende vele millennia vóór de uitvinding van de landbouw en veeteelt) de normale geweest.
Voorzover er wel van accumulatie van goederen, of specifieker, van kapitaal sprake was, is die in het grootste deel van de menselijke geschiedenis bijna onmerkbaar langzaam geweest. Omstreeks 1500 zette in West-Europa een versnelling van dit proces in, die uiteindelijk ingrijpende gevolgen zou hebben voor alle samenlevingen in de wereld. Zij voerde tot de industriële revolutie vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw, die een nog veel sterkere en snellere kapitaalsaccumulatie inhield. Het snelst groeide de kapitaalgoederenvoorraad in de meeste westerse landen in een heel recente periode, tussen 1950 en 1973.12.
Over de achtergronden van de versnelling in het kapitaalsaccumulatieproces in West-Europa tegen het einde van de Middeleeuwen - de overgang van feodalisme naar kapitalisme - is enorm veel geschreven, en het zou te ver voeren er in dit kader meer dan summier op in te gaan.13. Marxistische auteurs, te beginnen bij Marx zelf, hebben de nadruk gelegd op de ‘oor-
spronkelijke accumulatie’, de scheiding tussen de bezitters van de produktiemiddelen en de eigenlijke producenten; voorwaarde voor de accumulatie was de uitbuiting van de laatsten door de eersten.14. In een andere toonzetting, en meer in het voetspoor van Adam Smith, hebben D.C. North en R.P. Thomas betoogd dat de Westeuropese accumulatie te danken is geweest aan de kapitalistische eigendomsstructuur, die verzekerde dat offers ten behoeve van produktieve investeringen beloond werden en ‘sociale winst’ in het verlengde lag van ‘particuliere winst’.15. Beide visies, hoe verschillend in waardering en ideologische uitgangspunten ook, sluiten elkaar feitelijk niet uit. Beide wijzen op kenmerken van het ‘klassieke’ kapitalisme als voorwaarden voor het accumulatieproces: respectievelijk de scheiding tussen uitvoerende arbeiders en ondernemers-eigenaren, en het samengaan van de functies van kapitaalverschaffing (sparen en investeren) en organisatie van de produktie (ondernemerschap) in dezelfde personen. Geen van beide visies geeft echter een bevredigend antwoord op de vraag hoe deze kenmerken zelf te verklaren zijn; het verband met de processen die ter verklaring worden opgevoerd - de ontwikkeling der ‘produktiekrachten’ bij marxisten, de bevolkingsgroei bij North en Thomas - is niet geheel helder, evenmin als de dynamiek van deze processen zelf.
Ter beantwoording van de vraag waarom dit kapitalisme juist in West-Europa opkwam is op specifieke politieke condities gewezen: de sterke verbrokkeling in de Middeleeuwen, waardoor een betrekkelijk zelfstandige burgerklasse in ‘vrije steden’ kon opkomen (Weber); vervolgens een proces van staatsvorming dat kooplieden en andere ondernemers afhankelijker maakte van centrale regelingen, maar tevens een effectievere bescherming van privé-eigendommen mogelijk maakte en de handel begunstigde (Elias); tenslotte het uitmonden van dit proces in middelgrote, met elkaar concurrerende, intern hecht georganiseerde natie-staten in plaats van één imperium vergelijkbaar met het Chinese Rijk, waarin het surplus door de staatsbureaucratie werd afgeroomd (Wallerstein).16. Door de laatstgenoemde auteur is ook gewezen op de toenemende betekenis van handelsposten, militaire steunpunten en koloniën
buiten Europa voor de expansie van het Europese ‘wereldsysteem’ en de differentiatie binnen dit systeem tussen ‘perifere’ gebieden met gedwongen arbeid (lijfeigenschap in Oost-Europa, slavernij in Amerika) en de Westeuropese ‘kern’ zelf, gekenmerkt door formeel vrije arbeid.
Het is de vraag of hiermee het kapitalistische accumulatieproces voldoende is verklaard. Veronderstelt dit proces niet een specifieke mentaliteit, een cultuur waarin de normen van hard werken, spaarzaamheid en koele calculatie gelden? Weber, Sombart en anderen hebben die vraag bevestigend beantwoord. Probleem met deze zienswijze is niet dat een specifieke kapitalistische (of burgerlijke) mentaliteit of cultuur niet zou bestaan, maar dat deze zo moeilijk te isoleren is van de beroeps- en handelsfiguraties waarin zij zich ontwikkelde en derhalve moeilijk als autonome ‘verklaringsfactor’ is te begrijpen. Dit bezwaar is ook van toepassing op Weber's these over het verband tussen protestantisme en kapitalisme.17.
Eén variant van de Weber-these, door Merton uitgewerkt, is misschien nog het best verdedigbaar: de door protestantse kerken verkondigde leerstellingen stimuleerden met hun afwijzing van magie en geloof in wonderen tot het zoeken naar technische vernieuwingen en het doen van systematisch empirisch onderzoek. Langs die weg bevorderden ze indirect de technisch-economische ontwikkeling.18.
Hoe dit ook zij, technische vernieuwingen zijn, zoals gezegd, essentieel in het proces van kapitaalsaccumulatie. Vooral sinds de invoering van stoommachines in de produktie - het begin van de industrialisering - gingen van technische verbeteringen voortdurend impulsen tot het doen van investeringen uit. Doordat met nieuw ontwikkelde werktuigen, machines, produktiesystemen meer geproduceerd kon worden in dezelfde of minder arbeidstijd, werd het voor ondernemers lonend in de nieuwe produktiemiddelen te investeren en zo de hoeveelheid kapitaal per arbeider te vergroten. En waar sommige ondernemers ermee begonnen, konden anderen niet achterblijven.
De rol van organisator-financier-vernieuwer is echter niet altijd door particuliere ondernemers-eigenaars vervuld. Aan deze ‘schepper van nieuwe combinaties’ - onderscheiden van enerzijds de uitvoerende arbeiders die de ‘meerwaarde’ moesten opleveren, anderzijds de staat die de eigendomsrechten moest beschermen - is niet ten onrechte een sleutelrol in het kapitalistische accumulatieproces toegedacht.19. Maar ook onder het ‘klassieke’ kapitalisme waren overheidsinvesteringen (in infrastructurele werken) en door de staat geïnitieerde technische innovaties (bijvoorbeeld uit militair oogpunt) al van belang en waren de functies van kapitaalverschaffer en organisator-handelaar lang niet altijd in dezelfde persoon verenigd. In recentere fasen van de kapitalistische ontwikkeling is de rol van de staat verder toegenomen en zijn de functies van kapitaalverschaffing aan de ene kant en organisatie van de produktie en handel aan de andere kant meer van elkaar gedifferentieerd; de betekenis van de klassieke ondernemer is daarmee teruggedrongen, zonder dat de kapitaalsaccumulatie hierdoor is vertraagd. In landen die in vergelijking met de kapitalistische ‘kern’ laat - maar snel - industrialiseerden, speelde de staat als organisator en financier van de economische groei van het begin af aan een nog veel belangrijker rol: in Duitsland, Japan en - natuurlijk het meest - de Sovjetunie.20. Uit deze voorbeelden blijkt dat de wijze waarop de voor kapitaalsaccumulatie benodigde activiteiten worden ondernomen en over verschillende personen en organisaties zijn verdeeld, sterk kan variëren. Kennelijk is het verkrijgen van persoonlijke winsten niet de enige prikkel tot het doen van investeringen. Niet alleen concurrentie tussen particuliere kapitaalbezitters, ook die tussen managers van verschillende ondernemingen en tussen vertegenwoordigers van verschillende staten kan een sterke motivatie tot accumulatie inhouden.
In een eenmaal op gang gezet accumulatieproces versterken verschillende processen elkaar: investeringen, die leiden tot produktiegroei, daarmee tot hogere inkomens, daarmee tot hogere bestedingen en hogere besparingen, die weer hogere investeringen mogelijk en rendabel maken; arbeidsdeling en
specialisering, toenemende omvang van produktie-organisaties, uitbreiding van technisch-wetenschappelijke kennis en technische innovatie, die investeringen bevorderen en erdoor bevorderd worden; bevolkingsgroei, intensivering van handel over grotere afstanden, verruiming van afzetmarkten, die de vraag naar goederen doen stijgen en zo eveneens tot kapitaalsuitbreiding aanzetten. In het nemen van investeringsbeslissingen letten verschillende eigenaren, verschillende managers, verschillende staatsfunctionarissen op elkaar; het succes van sommigen bevestigt voor anderen dat ze niet kunnen achterblijven. Het duidelijkst is dit elkaar stimuleren in expansief ondernemersgedrag te zien in perioden van economische hausse. Omgekeerd bevestigen en versterken ondernemers in perioden van conjuncturele neergang elkaar niet zelden in hun pessimistische verwachtingen. Beide, hausse en baisse, zou men tot op zekere hoogte kunnen beschouwen als self-fulfilling prophecies, die, hoewel afhankelijk van subjectieve definities van de situatie, voor de betrokkenen een dwingend karakter hebben.
Behalve met conjuncturele neergang kan stagnatie in de kapitaalvorming of vermindering van het nationaal vermogen ook verband houden met politieke gebeurtenissen. Buitenlandse bezittingen van de bewoners van een land kunnen door revoluties verloren gaan. Oorlog, verovering en bezetting kunnen grootscheepse vernietiging van goederen inhouden. In Nederland, evenals elders in Europa, vond de meest drastische kapitaalvernietiging plaats in de jaren 1940-'45. Het beeld van de lange-termijnontwikkeling werd hier echter niet wezenlijk door aangetast.21.
Voorzover de kapitaalsaccumulatie gevoed wordt door een betrekkelijk kleine klasse van particuliere kapitaalbezitters, is in en door dit proces een vergroting van de vermogensongelijkheid te verwachten. In sommige expansionistische fasen van de kapitalistische ontwikkeling, zoals die van vroege industrialisering was dit inderdaad het geval.22. In latere fasen werden naast de bezittingen en besparingen van particuliere kapitaalbezitters andere investeringsbronnen belangrijk: overheidsgel-
den, onverdeelde winsten van naamloze vennootschappen, bankkredieten, leningen van pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen. Hoewel generaliseren hachelijk is (ook als we ons tot samenlevingen met overwegend kapitalistische produktieverhoudingen beperken), kunnen we de these poneren dat ná een bepaald punt de kapitaalsaccumulatie met een zodanige schaalvergroting en een zodanige inkomensgroei gepaard gaat, dat een zekere mate van collectivering (groei van staatsvermogen, onpersoonlijk vennootschapsvermogen, vermogen van stichtingen en verenigingen, semi-privévermogens) en nivellering (groei van kleinere vermogens door besparingen op arbeidsinkomens) zal optreden. Eerder besproken gegevens over ontwikkelingen in Nederland (hoofdstuk iv) en andere landen (hoofdstuk vi) bevestigen de these grotendeels.
De hierboven geopperde these over het verband tussen kapitaalsaccumulatie en vermogenscollectivering (en -nivellering) behoeft toelichting. ‘Collectivering van vermogens’ omvat echter verschillende processen - verschuivingen naar semi-privévermogens, naar staatsvermogen, naar vermogen van niet-winstgevende particuliere organisaties, naar onpersoonlijk vennootschappensvermogen - die moeilijk op één en dezelfde manier te verklaren zijn. Voor een deel hangen ze bovendien zozeer met nivellering samen, dat een poging tot afzonderlijke verklaring geforceerd zou zijn. Ik zal mij hier voornamelijk beperken tot één aspect van vermogenscollectivering: de groei van staatsvermogen.
Deze groei is te zien als onderdeel van het proces van uitbreiding van staatsfuncties, dat in verschillende Westeuropese landen in de tweede helft van de negentiende eeuw duidelijk waarneembaar werd, - getuige de uitbreiding van wettelijke regelingen op diverse terreinen, de expansie van het ambtenarenapparaat en de stijging van de overheidsuitgaven in verhouding tot het nationaal inkomen. Deze ontwikkeling is op verschillende manieren verklaard. In het kort kunnen de volgende - ter wille van de duidelijkheid zo scherp mogelijk onderscheiden - opvattingen worden genoemd:
| 1. | De uitbreiding van staatsfuncties weerspiegelt de functionele vereisten van een zich steeds verder differentiërende en complexer wordende samenleving, waarin één centrale organisatie steeds meer coördinerende en regulerende taken op zich moet nemen. Behalve door functionalistische sociologen is deze opvatting - in wat andere termen - ook door sommige economen verdedigd.23. |
| 2. | De uitbreiding van staatsfuncties weerspiegelt de belangen van de heersende klasse, die vanwege de dynamiek van het kapitalistische produktiestelsel steeds meer staatsingrijpen van node heeft om dit stelsel en daarmee zichzelf in stand te houden. Deze marxistische opvatting is verwant aan de hiervoor genoemde functionalistische.24. |
| 3. | De uitbreiding van staatsfuncties weerspiegelt de belangen van de ‘lagere’ klassen, die aan macht gewonnen hebben en er via hun organisaties in geslaagd zijn verbeteringen in hun positie tot stand te brengen. Deze opvatting is, vaak nogal impliciet, te vinden bij reformistisch-socialistische auteurs, die de staat beschouwen als het instrument bij uitstek om hervormingen in egalitaire richting te bewerkstelligen (zie paragraaf 6). |
| 4. | De uitbreiding van staatsfuncties weerspiegelt de belangen van degenen die het staatsapparaat bemannen (bureaucraten), die voor hun inkomen van de staat afhankelijk zijn (beroepsbeoefenaren in de ‘kwartaire sector’), of die gezien hun hogere opleiding de beste beroepskansen in de kwartaire sector hebben (leden van de ‘nieuwe klasse’). Deze opvatting is in meer of minder uitgewerkte vorm bij diverse sociologen, politicologen en ideologen aan te treffen.25. |
Deze opvattingen zijn niet de enig mogelijke. Sommige theorieën behelzen een combinatie van de hier onderscheiden posities.26.
De eerstgenoemde opvatting heeft als bezwaar dat niet duidelijk is hoe functionele vereisten zouden moeten worden bepaald, noch hoe die zouden leiden tot bepaalde overheidsmaatregelen, - tenzij wordt uitgegaan van een algemeen of nationaal belang, of althans een wijdverbreide consensus daar-omtrent, en van inzicht van de politieke besluitvormers in de
wijze waarop dat belang het beste kan worden gediend. Deze veronderstellingen zijn niet altijd volledig ongegrond, maar kunnen moeilijk op politieke beslissingen in het algemeen van toepassing worden verklaard; het feit dat deze beslissingen voorwerp zijn van botsende meningen en belangenconflicten, wordt hiermee immers verregaand veronachtzaamd. Voor de andere verklaringen geldt dit bezwaar niet, maar deze hebben alle als nadeel dat de politieke macht nogal eenzijdig bij één belangengroep wordt gelegd.
Tussen verschillende interdependente groepen bestaat een variërende machtsbalans, zo kunnen we als algemeen uitgangspunt stellen; afhankelijk van de mate van eenzijdigheid van die balans zullen relevante politieke beslissingen de belangen en oriëntaties van deze of gene groep weerspiegelen, - alleen in extreme gevallen echter zodanig dat van één numerieke minderheidsgroep zonder veel overdrijving gezegd kan worden dat hij ‘de’ macht in handen heeft. Ook met de belangen en oriëntaties van groepen die niet rechtstreeks aan politieke beslissingen deel hebben, moeten de besluitvormers doorgaans rekening houden, willen zij hun eigen positie niet in gevaar brengen; zo'n groep kan bijvoorbeeld bestaan uit ondernemers of kapitaalbezitters, die op hun onwelgevallige maatregelen kunnen reageren met verplaatsing van kapitaal naar het buitenland, of uit arbeiders, die door stakingen of andere acties de produktie in het ongerede kunnen brengen. Niet minder dan klassen, beroepsgroepen etcetera zijn nationale staten in hun geheel belangengroepen, die met elkaar wisselende machtsbalansen vormen, en waarvan de vertegenwoordigers voortdurend rekening houden met elkaar.27.
De uitbreiding van staatsfuncties vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw - in Nederland en andere westerse nationale samenlevingen - kan nu met de volgende veranderingen in verband worden gebracht:
- Voor het stimuleren van de produktie in de richting van grootschaligheid en mechanisering werden infrastructurele voorzieningen belangrijker: kanalen, spoorwegen, havenwerken, later elektriciteit, autowegen, etcetera. Dergelijke ‘collec-
tieve goederen’ waren commercieel niet of moeilijk exploitabel, zodat het voor de hand lag dat ze door de overheid zouden worden geleverd. Tot zover lijkt de functionalistische verklaring goed te werken. In werkelijkheid echter was niet zonder meer duidelijk welke voorzieningen voor de groei van produktie en handel ‘noodzakelijk’ waren, noch welke van deze voorzieningen aan de overheid in plaats van aan particulieren moesten worden overgelaten.28. Om soortgelijke redenen is de marxistische interpretatie niet toereikend. De politici en functionarissen die zich voor dergelijke voorzieningen verantwoordelijk stelden, identificeerden zich bovendien eerder met een nationaal belang - het eigen land mocht niet achterblijven in de internationale concurrentie - dan met een kapitalistisch of burgerlijk belang.
- Technische vernieuwingen en nieuwe medische inzichten enerzijds, bevolkingsgroei en verstedelijking anderzijds (die met industrialisering samenhingen) maakten het treffen van verscheidene algemene voorzieningen ten behoeve van het comfort en de gezondheid van burgers mogelijk en gewenst: waterleiding, riolering, gas, elektriciteit, telefoon, straatverlichting, openbaar vervoer (het zal bij deze voorbeelden duidelijk zijn dat de grens met voorzieningen ten behoeve van produktie en transport niet scherp te trekken is, en ook nooit scherp getrokken werd). De meeste van deze voorzieningen konden het meest efficiënt worden aangebracht als ze voor iedereen - in een bepaalde streek, stad of stadswijk - gingen gelden, en het lag voor de hand dat overheden - veelal lokale overheden - deze monopolistische functie op zich gingen nemen. Verhoging van het produktie- en inkomenspeil maakte het ook steeds beter mogelijk de hiervoor benodigde gelden te verkrijgen. Ook hier is de functionalistische verklaring voor de hand liggend, maar niet geheel toereikend; is het onjuist te spreken van een objectief gegeven ‘functionele noodzaak’ in plaats van de wensen en behoeften van verschillende individuen en groepen, die meer of minder in staat zijn deze tot gelding te brengen.
- Veranderingen in de machts- en afhankelijkheidsverhoudingen tussen groepen mensen binnen de nationale staat en in het bijzonder in de verhoudingen tussen sociale klassen - veranderingen die in de vorige punten al enigermate geïmpliceerd zijn - droegen nog op een specifieke manier bij tot de uitbreiding van staatsfuncties, en wel met name tot uitbreiding van de staatszorg voor ‘lagere’ groepen. Door industrialisering, intensivering van handel en transport, arbeidsdeling en toenemende mobiliteit werden mensen over grotere geografische en sociale afstanden meer van elkaar afhankelijk: bewoners van verschillende streken, maar ook leden van verschillende sociale klassen. Ondernemers organiseerden de arbeid van steeds grotere aantallen werknemers en onderwierpen deze aan een scherpere controle; kapitaalbezitters werden als aandeelhouders van grote ondernemingen meer afhankelijk van de produktieve prestaties van werknemers; en leden van hogere strata en middenstrata in het algemeen werden in toenemende mate geconfronteerd met concentraties van arbeiders in woonwijken en op werkplaatsen. Persoonlijke zorg van ‘hoog’ voor ‘laag’ werd met de verstedelijking, de toenemende mobiliteit en de groeiende omvang van de produktie-organisaties minder goed mogelijk; tegelijk werden zorg en controle met de toenemende interdependentie tussen klassen en de verscherping van de klassentegenstellingen urgenter dan ooit. Geformaliseerde, aan wettelijke regels gebonden en door overheden georganiseerde verzorging breidde zich uit, zoals op het gebied van onderwijs, huisvesting, medische voorzieningen en maatschappelijk werk. Arbeidswetten gaven een zekere bescherming tegen uitbuiting, sociale-zekerheidswetten boden werknemers een minimum aan sociale zekerheid.
Dergelijke maatregelen zouden functionalistisch verklaard kunnen worden als noodzakelijk voor het voortbestaan van een complexe, sterk gedifferentieerde maatschappij, of marxistisch als noodzakelijk voor de instandhouding van de kapitalistische produktieverhoudingen. Geen van beide interpretaties slaagt er - nogmaals - in aan te geven wat precies ‘noodzakelijk’ is voor de instandhouding van het sociale systeem; geen van beide laat zien hoe de veronderstelde objectieve
noodzaak zou gaan corresponderen met de ideeën en handelingen van de betrokken personen en groepen.
De machtswinst van ‘lagere’ groepen kwam niet alleen voort uit onbedoelde verschuivingen in interdependenties, maar had ook te maken met de toenemende mogelijkheden voor die groepen (met de vermindering van armoede, de uitbreiding van het onderwijs, de verbetering van transport- en communicatiemiddelen, etcetera) om zich te organiseren, om eisen te stellen en die eisen kracht bij te zetten. Onder druk van arbeidersorganisaties - politieke partijen en vakbonden - werden verzorgingsarrangementen verder uitgebreid en door de staat georganiseerd, gereguleerd en gefinancierd. Maar nergens slaagden deze organisaties erin de idealen die ze voorstonden te verwezenlijken. Socialisatie van de produktiemiddelen bleef grotendeels achterwege, medezeggenschap in bedrijven bleef beperkt, inkomens en vermogens bleven zeer ongelijk verdeeld. Wat gerealiseerd werd was, zou men kunnen zeggen, een klasse-compromis, waarin de zwakkere partij haar positie verbeterde maar niettemin de zwakkere partij bleef.
In de bespreking van veranderende klassenverhoudingen in verband met de uitbreiding van staatsfuncties mogen twee elkaar overlappende sociale categorieën niet ongenoemd blijven: overheidsfunctionarissen en hoger opgeleiden (of intelligentsia, of intellectuelen). In de negentiende eeuw waren in de meeste westeuropese staten de leidinggevende politici en staatsfunctionarissen overwegend afkomstig uit een aristocratische of althans aristocratisch angehauchte bovenlaag (zoals in Nederland de adellijke en patricische ‘aanzienlijken’), waarvan de leden wel bezitsbelangen maar geen directe ondernemersbelangen te verdedigen hadden. Tegenover ondernemers en arbeiders vormden zij een derde partij, die in veel gevallen geneigd was de van macht en bezit verstokenen enige steun te geven, - niet om de maatschappelijke orde ingrijpend te veranderen, maar om hem beter te laten functioneren.
In de twintigste eeuw werd opleiding steeds belangrijker als bepalend criterium voor het verkrijgen van functies in vooral de uitdijende overheidsbureaucratieën. Leidinggevende overheidsfunctionarissen werden in toenemende mate uit de rijen
van hoger opgeleiden - juristen, ingenieurs, doctorandussen van verschillende richtingen - gerecruteerd. Net als de negentiende-eeuwse aristocraten, konden deze twintigste-eeuwse ‘intellectuelen’ de klassenstrijd tussen ondernemers en arbeiders veelal van enige afstand bezien en met morele maatstaven beoordelen. Sommigen van hen gingen daarin een bemiddelende rol spelen. Anderen - een kleine minderheid - wierpen zich op als woordvoerders van de arbeidersbeweging, terwijl weer anderen carrière maakten in het bedrijfsleven. Gezien deze heterogeniteit van beroepsposities en daarmee samenhangende oriëntaties kan de categorie van hoger opgeleiden moeilijk een klasse met duidelijk aanwijsbare gemeenschappelijke belangen worden genoemd.29.
Duidelijker is het gemeenschappelijke belang - althans in de sfeer van inkomen en werk - van degenen die in de overheid of, ruimer, de publieke of quartaire sector werkzaam zijn, de sector waarbinnen hoger opgeleiden zo'n belangrijke plaats zijn gaan innemen. Met de uitbreiding van de overheid en daaraan gelieerde organisaties zijn de functionarissen in deze sector alleen al door hun aantal meer gewicht in de schaal gaan leggen bij het streven naar verdere uitbreiding. Maar ‘de macht van de bureaucratie’ kan gemakkelijk overschat worden. De staatsbureaucratie is niet een monolitisch geheel, en bureaucraten vormen zelden of nooit een eenheid. Het zijn veeleer afzonderlijke groepen functionarissen geweest - van een bepaalde dienst of afdeling, van een bepaalde professie - die partiële uitbreiding hebben weten te bewerkstellingen, waarbij ze steeds afhankelijk waren van de steun van bredere groepen. Ook in het bieden van weerstand tegen inkrimping van delen van het staatsapparaat in tijden van economische achteruitgang vormen de functionarissen die in dat apparaat werkzaam zijn een machtsfactor van betekenis.
- Economische groei als zodanig maakte het beter mogelijk dat het streven van staatsfunctionarissen en andere groepen naar uitbreiding van overheidsdiensten gehonoreerd werd; naarmate inkomens stegen, konden grotere bedragen in de vorm van belastingen en sociale premies worden afgeroomd
en bestemd worden voor overheidsdiensten en sociale uitkeringen.30. Specifieker: in perioden van produktiegroei waren de weerstanden tegen de stijging van overheidsuitgaven en belastingen gering, voorzover die althans de stijging van de inkomens in het algemeen niet overtroffen; in perioden van laagconjunctuur en inkomensachteruitgang daarentegen waren de weerstanden tegen evenredige inkrimping van overheidstaken sterk - mede omdat juist in die perioden de noodzaak van staatsingrijpen op verschillende terreinen als urgenter dan voorheen ervaren werd -, zodat de overheidsuitgaven relatief stegen.31.
In de loop van de economische ontwikkeling zijn overheidsdiensten relatief duurder geworden vanwege het verschil in produktiviteitsontwikkeling tussen de agrarische en de industriële sector enerzijds en de dienstensector anderzijds.32. Indien de overheid in verhouding tot de agrarische en industriële produktie dezelfde hoeveelheid diensten blijft voortbrengen, moet zij - gegeven die ontwikkeling - een steeds groter deel van het nationaal inkomen voor haar rekening nemen en in de salarissen van een steeds groter deel van de beroepsbevolking voorzien. Omgekeerd, indien de overheidsuitgaven een constant percentage van het nationaal inkomen blijven bestrijken, zal op den duur een kloof tussen ‘particuliere overvloed’ en ‘publieke armoede’ te signaleren zijn. Over de feitelijke ontwikkeling zegt dit nog niet zo veel; maar waar deze kloof gesignaleerd wordt, kan dit voor sommige politici een argument vormen om uitbreiding van overheidstaken na te streven.33.
- Tenslotte hebben ook internationale spanningen tot de uitbreiding van staatsfuncties bijgedragen. Vooral in oorlogen - waarvoor in de twintigste eeuw veel meer dan in eeuwen daar-vóór de massale inzet van de bevolking werd geëist - werden staatsfuncties versterkt, niet alleen zuiver militair, maar ook in de regulering van produktie en consumptie en de zorg voor met name de armere bevolkingsgroepen. De interdependentie tussen klassen was in tijden van oorlog sterker dan ooit, hetgeen kan verklaren waarom juist in die perioden de consensus omtrent de wenselijkheid van uitbreiding van de staatszorg toenam.34.
Uitbreiding van staatsfuncties houdt niet automatisch groei van het staatsvermogen in, maar de eerste maakt de tweede wel waarschijnlijk. Voorzover uitbreiding van de staatsfuncties opvoering van de overheidsbestedingen vereist, voorzover deze bestedingen overheidsinvesteringen inhouden en voorzover deze investeringen niet door leningen (althans niet door permanente leningen) bekostigd worden, is de groei van het staatsvermogen het resultaat.
Andere vormen van vermogenscollectivering zijn deels op overeenkomstige wijze te verklaren, omdat zij eveneens met de uitbreiding van staatsfuncties samenhangen. Zo is de groei van de vermogens van niet-commerciële particuliere organisaties - zoals van woningbouwverenigingen, kerken, bijzondere scholen en ziekenhuizen - in belangrijke mate door overheids-regulering bevorderd, soms ook rechtstreeks door subsidies en leningen van overheidswege gefinancierd (hoofdstuk iv, par. 5.4). Ook de toenemende omvang van de semi-privévermogens is ten dele een afgeleide van de uitbreiding van staatsfuncties, namelijk voorzover het de groei van sociale-verzekeringsfondsen en ambtenaren-pensioenfondsen betreft. Daarnaast hangen uitbreiding van staatsfuncties en groei van semi-privévermogens in die zin samen dat dezelfde ontwikkelingen er aan ten grondslag liggen: economische veranderingen die stijging van inkomens en veranderingen in de aard van klasseninterdependenties met zich meebrachten, als gevolg waarvan onder meer regelingen ten behoeve van materiële zekerheid (pensioenen en levensverzekeringen naast wettelijk geregelde sociale uitkeringen) zich sterk uitbreidden.
De groei van onpersoonlijk vennootschapsvermogens tenslotte (hierover in hoofdstuk iv, par. 5.5) kan eveneens met hierboven genoemde ontwikkelingen - zoals schaalvergroting en verschuiving in klassenverhoudingen - in verband worden gebracht, zij het op een weer wat andere manier. Met de schaalvergroting en de toenemende kapitaalsintensiteit van de produktie en de dynamiek van de kapitalistische concurrentie werd de produktie steeds meer gedomineerd door grote naamloze vennootschappen waarin bestuurders (managers) en eigenaren (aandeelhouders) van elkaar waren gedifferentieerd en
het eigen vermogen van de onderneming sterker expandeerde dan het aandelenvermogen volgens de marktwaarde.35.
Nivellering, democratisering, egalisering, afbraak van standsverschillen, groei naar gelijkheid: het zijn enkele van de min of meer synonieme uitdrukkingen waarmee verscheidene sociale denkers - van Tocqueville tot en met hedendaagse sociologen als Lipset, Lenski en Elias - de ontwikkeling van Westeuropese samenlevingen in de afgelopen paar eeuwen hebben gekarakteriseerd.36. Deze nivellerings- of democratiseringsthese is inderdaad goed verdedigbaar, zeker als we ons richten op de laatste honderd à honderdvijftig jaar. In materiële welstand en materiële zekerheid, in mogelijkheden van vrijetijds-besteding, in gezondheid en levensverwachting (‘levenskansen’ in de meest letterlijke zin), in kansen om kennis te verwerven, om ‘rechten’ te verdedigen, om politieke macht en invloed uit te oefenen zijn de ongelijkheden tussen ‘hogere’ en ‘lagere’ strata onmiskenbaar verminderd. Ook de omgangsvormen zijn ‘democratischer’ geworden, evenals de gangbare opvattingen over wat normaal en rechtvaardig is.37. In al die opzichten is de Nederlandse samenleving van nu een meer egalitaire samenleving dan die van vijftig of honderd jaar geleden, en hetzelfde kan van andere Westeuropese samenlevingen gezegd worden.
In verklaringen van die ontwikkeling is soms de nadruk gelegd op een democratische mentaliteit, een gelijkheidsideaal of gelijkheidsethos dat met toenemend succes gezorgd zou hebben voor de afbraak van verschillen in rang en stand. Dat gelijkheidsideaal is op zijn beurt wel herleid op het christelijke idee van de gelijkheid van alle zielen voor God, dat na de Middeleeuwen steeds meer op het aardse leven zelf zou zijn geprojecteerd, of op de verbreiding van technisch-wetenschappelijke kennis, die traditionele legitimeringen van ongelijkheid zou hebben ondermijnd.38. Dergelijke ‘idealistische’ interpretaties hebben als bezwaar, dat ze er ten onrechte van uitgaan dat mensen zich in hun gedrag consequent door bepaalde algemene ideeën of principes laten leiden, in plaats van dat ze hun ideeën afstemmen op de omstandigheden waarin ze zich
bevinden en de ervaringen die ze daarin opdoen. Specifieker: of mensen democratische denkbeelden ontlenen aan hun (al dan niet geseculariseerd) christelijk geloof of hun wetenschappelijke inzichten, welke de aard van die denkbeelden dan precies is en welke consequenties ze daaraan voor hun gedrag verbinden, - dit alles hangt in hoge mate van hun maatschappelijke ervaringen af.
Een meer sociologische, zij het ook nog enigszins idealistisch getinte verklaring is die waarin egalitarisme in verband wordt gebracht met economische rationaliteit, - de burgerlijke handelsrationaliteit die het beoordelen van andere mensen op grond van strikt zakelijke overwegingen, los van rang of stand, inhoudt. Het universalisme van de markt is verbonden met het principe van de formele gelijkheid voor de wet.39. Als verklaring van democratisering van sociale verhoudingen is deze opvatting niet onzinnig, maar beperkt. Zuiver rationeel economisch gedrag was meer een in economische verhandelingen gebruikt model dan werkelijkheid, en voorzover het in de praktijk werd gebracht, bleef het voornamelijk beperkt tot de economische sfeer van handel en bedrijfsvoering (en kon het bijvoorbeeld heel goed samengaan met het standsparticularisme in de sfeer van vriendschappelijke en familiale betrekkingen). Commercialisering, monetarisering, expansie van markten leidden bovendien tot nieuwe ongelijkheden, zoals onteigening van kleine boeren en ambachtslieden ten gunste van grote grond- en kapitaalbezitters. Eén vorm van particularisme bleef daarbij als vanzelfsprekend gehandhaafd: het familiaal particularisme dat in de erfbaarheid van privé-bezit besloten lag.
Sinds Tocqueville40. is een andere verklaring van nivellering in verschillende versies opgevoerd: de ontwikkeling naar toenemende gelijkheid hangt samen met politieke centralisering, met staats- en natievorming. De uitdijende staatsbureaucratie rekent af met lokale en standsgebonden particularismen die ongelijkheid in stand houden, creëert uniforme wettelijke regels waarvoor iedereen gelijk is en geeft een steeds ruimere inhoud aan de rechten van individuen als staatsburgers. Hier wordt dus, niet zonder goede argumenten, een paradoxale sa-
menhang geponeerd tussen centralisatie en concentratie van macht aan de ene kant en vermindering van machtsverschillen tussen klassen, standen of strata aan de andere kant.
In een weer andere verklaring wordt nivellering direct in verband gebracht met de economische ontwikkeling. Volgens één interpretatie van dit verband komen er met de groei van de produktie eenvoudigweg meer goederen beschikbaar voor armere bevolkingsgroepen, in de vorm van lonen, sociale uitkeringen en collectieve voorzieningen.41. In een iets andere variant wordt gewezen op het verband tussen de economische ontwikkeling en de groei van de middenklassen, waardoor de tegenstellingen tussen arm en rijk zwakker worden en steeds grotere groepen invloed verwerven in de nationale politiek.42. Economische theorieën die nivellerende veranderingen in de inkomensstructuur proberen te verklaren leggen soms eveneens een verband met aspecten van de economische ontwikkeling; zo zou de verschuiving van kapitaal- naar arbeidsinkomens te verklaren zijn uit de verminderende schaarste aan kapitaal, - ik kom daar nog op terug.
Uitbreiding van staatsfuncties en economische groei als achtergronden van nivellering sluiten elkaar niet uit, hangen integendeel nauw met elkaar samen, zoals hierboven herhaalde malen ter sprake kwam. Beide ontwikkelingen in hun onderlinge samenhang kunnen, op een globaal niveau, de tendens van vermindering van sociale ongelijkheid voor een belangrijk deel verklaren. De verbanden blijven echter onduidelijk zolang ze niet geïnterpreteerd worden in termen van veranderende machts- en afhankelijkheidsverhoudingen. Hierboven is al enkele malen een poging hiertoe gedaan; in het besluit van deze paragraaf (3.4) zullen collectiverings- en nivelleringstendenties nader vanuit dit perspectief worden bezien.
Nivellering is een globale term voor verschillende processen, die niet altijd parallel hoeven te lopen. Zo vonden in Nederland in de laatste decennia van de negentiende eeuw veranderingen plaats die onder de noemer van ‘nivellering’ of ‘democratisering’ gerangschikt zouden kunnen worden - zoals de uitbreiding van het kiesrecht, absolute en relatieve stijging van
de lonen van industrie-arbeiders, vermindering van de arbeidstijden van grote groepen werknemers, begin van sociale wetgeving - terwijl de ongelijkheid in de verdeling van privé-vermogens in de jaren vóór 1914 nog eerder toe- dan afnam. Ook bleef de mate van nivellering in die verdeling gedurende de jaren na 1914 beperkt; de ongelijkheid in dit opzicht bleef groot in vergelijking met andere aspecten van sociale ongelijkheid.
Nivelleringstendenties in de verdeling van privé-vermogens kunnen derhalve niet bevredigend verklaard worden door te blijven staan bij het niveau van nivellerings- of democratise-ringsprocessen in het algemeen. Veranderingen in die verdeling behoeven een meer specifieke verklaring, zeker waar ze mede bepaald worden door relatief autonome marktkrachten. In paragraaf 4 zal hiertoe een poging worden ondernomen.
Beslissend voor de ontwikkeling van de vermogensverhoudingen in de richting van collectivering en nivellering was de overgang - in Nederland vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw - naar industriële, grootschaliger, technisch en organisatorisch ingewikkelder, meer kapitaal vereisende en tot grotere output en hogere inkomens leidende produktiewijzen. Meer mensen werden over grotere geografische en sociale afstanden - wonend in verschillende streken, behorend tot verschillende sociale klassen - van elkaar afhankelijk. Bezitters van grote privé-vermogens raakten meer bij de produktie betrokken - als beleggers, als ondernemers, als politicibestuurders - en werden zo meer afhankelijk van ‘bezitloze’ werknemers, die ten behoeve van produktie en ‘meerwaarde’-vorming gecontroleerd, gedisciplineerd en gemotiveerd moesten worden. Dat laatste betekende voor grote groepen werknemers onderschikking en onvrijheid in het werk, maar tegelijk ook een zeker machtspotentieel; want door de hiërarchische controle te ontwijken en te weerstaan, door gebrek aan inzet en discipline en door doelbewuste acties zoals stakingen en sabotage, konden zij de produktie in het ongerede brengen.
De toenemende interdependentie tussen sociale klassen
ging gepaard met een verscherping van klassentegenstellingen. Met de groter wordende omvang van bedrijven groeide de sociale afstand tussen ondernemingsleiding en arbeiders. De concentratie van grote aantallen arbeiders in stadswijken en op werkplaatsen maakte de klassenverschillen zichtbaarder en droeg bij tot ‘klassebewustzijn’, zoals dit zich manifesteerde in de vorming van vakbonden, in stakingsacties en de verbreiding van socialistische ideeën. Deels gericht op de produktie zelf, deels op ruimere maatschappelijke integratie - de oplossing van de ‘sociale kwestie’ -, voerden overheden en ondernemingen maatregelen ten gunste van arbeiders en andere ‘lagere’ groeperingen door. Ook de uitbreiding van het kiesrecht moet in dit verband worden genoemd. Deze was weer een basis van machtsvorming van ‘lagere’ groepen, die daarmee meer invloed kregen op de politiek van overheden en bijdroegen tot de uitbreiding van overheidszorg.
Deze ontwikkeling hield echter nog niet direct meer egalitaire vermogensverhoudingen in. Voorzover valt na te gaan, ging vroege industrialisatie in het algemeen juist gepaard met een vergroting van de vermogensongelijkheid, doordat kleine ambachtelijke bedrijfjes werden weggeconcurreerd en hun eigenaren tot de rijen van bezitloze arbeiders toetraden, terwijl daartegenover een klein aantal succesvolle ondernemers van de concurrentievoordelen van grootschaligheid profiteerde.
Pas in een volgende fase van industriële ontwikkeling werden andere veranderingen zo belangrijk dat zij het ongelijkheid bevorderende effect van de uitschakeling van steeds meer zelfstandige ondernemers meer dan compenseerden. Drie trends met name waren voor de beginnende en zich doorzettende egalisering van vermogensverhoudingen - de vermindering in de ongelijkheid van persoonlijke vermogens en de verschuiving van persoonlijke naar meer collectieve vermogens - van belang:
| 1. | de opkomst, groei en veronpersoonlijking van naamloze vennootschappen, waardoor concentratie van ondernemingskapitaal niet gepaard hoefde te gaan met concentratie van persoonlijk kapitaalbezit, investeren door middel van onverdeelde winsten, dus zonder tussenkomst van privé-eigenaren |
| mogelijk werd, en de groei van persoonlijk aandelenbezit op den duur achterbleef bij die van ondernemingskapitaal; | |
| 2. | een zodanige stijging van lonen en salarissen - in reële bedragen en in verhouding tot bezitsinkomens - dat deze een belangrijke bron van besparingen, dus van vermogensvorming werden; |
| 3. | uitbreiding van collectieve regelingen ten behoeve van materiële zekerheid, daarmee een sterke groei van de omvang van semi-privévermogens. |
Hoewel het voor de hand liggend en verdedigbaar is om in de verklaring van veranderingen in de vermogensverhoudingen een zekere causale prioriteit toe te kennen aan economische ontwikkelingen - veranderingen in de produktiesfeer -, zou het al te eenvoudig zijn de te verklaren veranderingen daar helemaal toe te herleiden. Met name aan politieke processen - veranderingen in politieke machtsverhoudingen, politieke tradities, wetgeving, overheidsbeleid - moet in dit verband een belangrijke rol worden toegekend, al zijn zij evenmin scherp af te bakenen en autonoom als economische processen.
Zo werd de industrialisatie met al haar consequenties in diverse staten - in hoofdstuk iii is er voor Nederland op gewezen - voorafgegaan en bevorderd door op modernisering gerichte overheidsmaatregelen. Een motief tot deze en andere maatregelen lag in de toenemende identificatie van politieke elites met de eigen natie en de verscherping van de internationale concurrentie sinds de laatste decennia van de negentiende eeuw. Waar leden van politieke elites de industriële ontwikkeling steeds meer gingen beschouwen als voorwaarde voor nationale macht en onafhankelijkheid, trachtten zij die ontwikkeling naar vermogen te bevorderen. En waar de internationale concurrentiestrijd deels militaire vormen ging aannemen, breidde het staatsingrijpen, vaak gepaard met een zekere democratisering, zich verder uit.43.
De wijze waarop economische processen politieke structuren en activiteiten beïnvloedden hing bovendien af van eerder gevestigde politieke tradities. Industrialisering droeg bij tot uitbreiding van het kiesrecht, en tot vorming van massapar-
tijen en min of meer zelfstandige vakbonden in die landen die al langer een parlementaire en liberale politieke traditie kenden.44.
Mede door deze democratisering ging de overheid in Nederland en andere westerse landen in de twintigste eeuw een belangrijke rol in de vermogensverhoudingen spelen. Op verschillende manieren droeg zij - grotendeels onbedoeld - tot collectivering en nivellering in de vermogensverhoudingen bij: door de vorming van eigen vermogen, door sociale wetten die de vorming van semi-privévermogens inhielden, door het invoeren van spaarfaciliteiten, het subsidiëren van uiteenlopende instellingen, het opleggen van progressieve belastingen, door het beperken van huur- en pachtverhogingen, door uniformering van lonen (paragraaf 5 gaat hier verder op in).
De toegenomen macht van de overheid en van andere grote organisaties, zoals vakbonden, helpt ook de eerder gesignaleerde paradox te verklaren, dat juist in perioden van crisis en economische stagnatie de tendenties van vermogenscollectivering en -nivellering in het algemeen het sterkst waren. Gedemocratiseerde politieke structuren, sterke vakbonden, machtige massapartijen en een mede op de belangen van ‘lagere’ groepen gerichte overheidspolitiek, ontstaan onder invloed van economische modernisering en economische groei, verdwenen in perioden van economische crisis niet zomaar en bepaalden in hoge mate hoe op crises werd gereageerd en welke consequenties deze voor de vermogensverhoudingen hadden. Vakbonden boden weerstand tegen al te drastische loonsverlagingen, overheden boden steun (hoe minimaal naar huidige maatstaven ook) aan werklozen en aan bedreigde zelfstandigen, de belastingen voor de gegoeden werden niet verlicht. Deze opmerkingen gelden bijvoorbeeld voor Nederland in de jaren dertig, ondanks het feit dat de politiek van de verantwoordelijke regeringen voor tamelijk ‘hard’ en ‘rechts’ doorging.45.
Aan de mogelijkheden van een nationale overheid om - al dan niet opzettelijk - bij te dragen tot de collectivering en nivellering van vermogens binnen de nationale samenleving zijn echter grenzen gesteld, grenzen die vooral gelegen zijn in het
feit dat die samenleving deel uitmaakt van een veel grotere figuratie van staatssamenlevingen. Tegen een nationale politiek gericht op drastische collectivering en nivellering hebben particuliere kapitaalbezitters en ondernemers verschillende sancties ter beschikking: het op grote schaal ontwijken en ontduiken van mede op nivellering gerichte belastingen, het omzeilen van andere overheidsvoorschriften, het onttrekken van kapitaal aan binnenlandse ondernemingen (indien de winstver-wachtingen laag zijn), het beleggen in zaken die niet bijdragen tot de binnenlandse produktie maar hogere winsten beloven, het verplaatsen van ondernemingen naar het buitenland, het opgeven van ondernemersactiviteiten en het emigreren naar elders. Ook als ondernemers en kapitaalbezitters zich nauwelijks rechtstreeks met ‘de politiek’ bemoeien, hebben zij zo politieke macht, omdat regeringen voor de nationale welvaart in hoge mate van hun investeringen, inzet, ervaring en handelscontacten afhankelijk zijn.
Alleen in perioden van grote nationale nood - oorlogen vooral - kan een zodanig beroep op de onderlinge solidariteit worden gedaan dat een politiek van sterke uitbreiding van de staatsmacht en drastische nivellering tot de mogelijkheden behoort. Ook door de vergaande blokkering van het internationale verkeer van mensen, kapitaal en goederen is in oorlogen meer dan in andere perioden een ingrijpende herverdelingspolitiek realiseerbaar.
Naar de mate echter waarin mensen, kapitaal en goederen zich vrij over nationale grenzen heen verplaatsen, is de greep van de nationale overheid op economische processen en in het bijzonder op de activiteiten van particuliere ondernemers en kapitaalbezitters beperkt. Terwijl de economieën van westerse landen in de twintigste eeuw gedurende een aantal decennia meer gesloten leken te worden - in verband met de beide wereldoorlogen en daartussen de Grote Depressie -, nam na de Tweede Wereldoorlog de internationale mobiliteit van mensen, kapitaal en goederen in enorme mate toe, - met de verbetering van transport- en communicatiemiddelen, de dekolonisatie, het hernieuwde streven naar vrijhandel, de hoogconjunctuur van de jaren vijftig en zestig die het succes
van dit streven leek te bevestigen, en de internationalisering van grote ondernemingen. Terwijl overheidsbureaucratieën zich uitbreidden, werd hun beheersing van economische processen in sommige opzichten minder groot. En terwijl de ‘collectieve sector’ groeide, werden de weerstanden tegen verdere groei krachtiger.
Vooral sinds het einde van de jaren zeventig is het verzet tegen verdere collectivering en nivellering van inkomens en vermogens in verschillende westerse landen, waaronder Nederland, toegenomen, zowel op het niveau van individuele handelwijzen als politiek en ideologisch. Waar de economische crisis van de jaren dertig stimuleerde tot uitbreiding van de staatsregulering en staatszorg, is de meest opvallende reactie op de huidige crisis de roep om deregulering, inkrimping van staatszorg, privatisering en denivellering. De uitgangssituatie is ook heel verschillend: thans een veel hogere welvaart, een verdergaande graad van collectivering, een minder grote materiële ongelijkheid. Het is dan ook niet gezegd dat de lange-termijntendenties van collectivering en nivellering van vermogens zich in de nabije toekomst zullen voortzetten.
Privé-vermogens veranderen bijna onophoudelijk van omvang en samenstelling, deels door doelbewuste handelingen van bezitters zelf, deels door staatsingrijpen, deels ook door processen waar noch de individuele bezitters noch regulerende instanties erg veel greep op hebben, - veranderingen in prijzen en rendementen. In kapitalistische samenlevingen hangen veranderingen in de privé-vermogens in hoge mate af van marktprocessen die de uitkomst zijn van de activiteiten van talrijke individuen en organisaties en relatief autonoom zijn ten opzichte van zowel individuele intenties als van politieke doelen. Bezitters maken winsten of lijden verliezen, sparen of teren in, bezittingen stijgen of dalen in waarde, vermogens worden bij overdracht opgesplitst of samengevoegd, en door al deze processen verandert de vermogensverdeling in een samenle-
ving in de loop van de tijd. De vraag is of hierin regelmatigheden zijn te onderkennen op basis waarvan veranderingen in de verdeling verklaard kunnen worden. In deze paragraaf worden eerst algemene mechanismen van verandering van privé-vermogensverhoudingen in een kapitalistische samenleving behandeld (4.1). Vervolgens komt de vraag aan de orde, in hoeverre op basis van deze mechanismen lange-termijntrends en korte-termijnfluctuaties in de Nederlandse privé-vermogensverhoudingen te verklaren zijn (4.2), waarna ingegaan wordt op het probleem hoe deze verklaring zich verhoudt tot de betekenis van specifieke historische gebeurtenissen voor de vermogensverdeling (4.3 en 4.4).
Uitgaande van de vermogens van individuen, kunnen we veranderingen in de verdeling van deze vermogens in eerste instantie toeschrijven aan a. variaties in kansen op individuele vermogensvermeerdering en -vermindering en b. variaties in de erfelijke overdracht van vermogens.
ad. a. Veranderingen in de omvang van de vermogens van individuen worden - afgezien van diefstal, roof, gewelddadige vernietiging of usurpatie door de staat - bepaald door de mate waarin individuen sparen of ontsparen, die sterk afhankelijk is van de hoogte van hun inkomen, en door veranderingen in de waarde van de bezittingen waaruit hun vermogen is opgebouwd. De kansen op vermogensvermeerdering zijn met andere woorden het grootst bij een hoog inkomen, een sterke spaarneiging en belegging in goederen die ten opzichte van andere goederen in waarde stijgen.46. Een hoog inkomen en hoge besparingen zijn op hun beurt waarschijnlijker naarmate het vermogen groter is (zie hoofdstuk v, par. 4). Er is dus sprake van een positieve feedback van vermogen via inkomen naar meer vermogen, nog versterkt door het feit dat de waardering van vermogensbestanddelen mede afhangt van het inkomen dat ermee verworven wordt.
Deze cumulatieve wisselwerking tussen inkomen en vermogen ligt ten grondslag aan een algemeen kenmerk van de
vermogensverdeling van kapitalistische samenlevingen: de sterke concentratie aan de top, de uitloop van de verdeling in een lange staart (om weer een iets andere metafoor te gebruiken) van kleine aantallen zeer grote vermogens, die met elkaar een aanzienlijk deel van het totale vermogen in beslag nemen. Typerend voor de carrière van de meest succesvolle ondernemers in deze samenlevingen is het verkrijgen van een beslissend voordeel dat grote winstkansen oplevert (bijvoorbeeld een octrooi, toegang tot schaarse energiebronnen, een centrale positie in een handelsnetwerk, efficiënte produktietech-nieken waarmee concurrenten uit de markt kunnen worden geprijsd), winsten die vervolgens voor een groot deel geherin-vesteerd worden en die tegelijk leiden tot sterke opwaardering van de goederen waarmee de winsten worden gemaakt.47. Deze individuele kansen op spectaculaire vermogensvermeerdering bestaan bij de gratie van het feit dat ze door weinigen gerealiseerd worden; het succes van de weinigen sluit dat van vele anderen uit.
Individuele mobiliteit zegt nog niet veel over veranderingen in de vermogensverdeling. Gegeven een positieve wisselwerking tussen inkomen en vermogen ligt het voor de hand te concluderen dat de kansen op vermogensvermeerdering, uitgedrukt in absolute bedragen, groter zijn naarmate het vermogen groter is. Dat is zowel het geval vanwege het gemiddeld hogere inkomen bij een groter vermogen (zoals door statistische gegevens bevestigd) als vanwege de (eveneens empirisch geconstateerde) hogere spaarquote bij een hoger inkomen. De absolute vermogensverschillen zullen groter worden, tenzij andere invloeden dit doorkruisen.
Toch behoeft deze generalisatie over het verband tussen vermogensomvang en vermogensvermeerdering enige historische en sociologische relativering. In de eerste plaats is geen rekening gehouden met vermogenswinsten en -verliezen ten gevolge van waardestijgingen en -dalingen. Deze zijn vaak relatief gunstig voor bezitters van grote vermogens, maar kunnen ook relatief ongunstig zijn. Dat laatste is vooral te verwachten in tijden van economische neergang, waarin de vermogens gemiddeld dalen; het is dan waarschijnlijk dat de grote vermo-
gens in absolute bedragen meer dalen dan de kleinere, zodat de absolute verschillen afnemen.
In de tweede plaats kunnen grote vermogens ook tot vermogensverlies leiden vanwege enerzijds de verleidelijkheid of de sociale druk tot hoge consumptieve uitgaven en anderzijds de geringe noodzaak tot maximalisering van het inkomen. De kans op en mate van intering ten gevolge van overmatige bestedingen variëren per groepering, en daarmee variëren de kansen op vermogensvermeerdering en -vermindering, afhankelijk van maatschappelijke situatie en culturele oriëntatie. Relatief ongunstig zijn - in een kapitalistische samenleving waarin de geïnstitutionaliseerde corruptie betrekkelijk gering is - de kansen van ‘aristocratische’ groepen, die zich verre houden van ondernemersactiviteiten, gehecht zijn aan bezittingen met een laag rendement (grond bijvoorbeeld) en tegelijk de druk ondervinden tot het doen van hoge uitgaven ter wille van stand, politieke invloed, soms ook het vervullen van een politiek ambt.48. Vooral in perioden van economische expansie kunnen dergelijke groepen ingehaald en voorbijgestreefd worden door bezitters die een ‘burgerlijk’ patroon volgen, gekenmerkt door actief ondernemerschap en grote spaarzaamheid. De gevolgen hiervan voor de vermogensverdeling als geheel staan niet bij voorbaat vast; de bedreigde ‘aristocraten’ zullen de ontwikkeling waarschijnlijk als egalisering ervaren, terwijl het heel goed mogelijk is dat de vermogensongelijkheid naar de gebruikelijke maatstaven toeneemt.
Voor de verklaring van veranderingen in de vermogensverhoudingen gaat het niet zozeer om de absolute als wel de relatieve vermogensvermeerdering of -vermindering, uitgedrukt als percentage van het vermogen aan het begin van de beschouwde periode. Op voorhand is niet te zeggen of grotere dan wel kleinere vermogensbezitters de meeste kansen op relatieve vermogensvermeerdering hebben. Voor kleine bezitters, die hun inkomen meestal voornamelijk aan arbeid ontlenen, vormen besparingen op het arbeidsinkomen (inclusief sociale uitkeringen) verreweg de belangrijkste bron van vermogensvermeerdering. Voor bezitters van grote vermogens daarentegen hangt de vermogensgroei vooral af van wat Atkinson
en Harrison de ‘interne accumulatiegraad’ hebben genoemd, de mate waarin vermogen via inkomen uit vermogen (inclusief vermogenswinst) cumuleert. Behalve van de spaarquote is deze afhankelijk van de vermogensrendementen en van waar-deveranderingen. De verhouding tussen arbeidsinkomens aan de ene kant en kapitaalinkomens en vermogenswinsten aan de andere kant is, gegeven het nauwe verband tussen vermogensomvang en type inkomen, in hoge mate bepalend voor de ontwikkeling van de vermogensverhoudingen. Naarmate de arbeidsinkomens absoluut en relatief hoger zijn, is eerder een verandering van de vermogensverhoudingen in de richting van nivellering te verwachten; naarmate de reële vermogensrendementen en vermogenswinsten gunstiger zijn, eerder denivellering.49.
De verhouding tussen arbeidsinkomens en vermogensrendementen en -winsten - die op zichzelf natuurlijk weer nader te verklaren is - is niet de enige belangrijke factor in dit verband. Van betekenis zijn ook de verdeling van de arbeidsinkomens, de mate waarin de spaarquotes van grotere en kleinere vermogens van elkaar verschillen en variaties in vermogensrendementen, vermogenswinsten en belastingdruk. Naarmate de arbeidsinkomens zelf ongelijker verdeeld zijn, is het nivellerende effect van een verschuiving in de richting van arbeidsinkomens geringer. Naarmate de spaarquotes van grotere en kleinere bezitters meer van elkaar verschillen - in eerste instantie afhankelijk van de mate waarin vermogens en inkomens met elkaar correleren en de mate waarin de spaarquote met het inkomen varieert -, is eerder een denivellering te verwachten. Vermogensrendementen en -winsten kunnen systematisch ten gunste van grote-vermogensbezitters variëren, onder meer omdat ze voor hun beleggingen over meer informatie, betere contacten en deskundiger assistentie kunnen beschikken. De belastingen treffen verschillende categorieën bezitters in verschillende mate - bepaald door zowel de mate van formele belastingprogressie als verschillen in mogelijkheden om belastingbetaling te ontgaan - en beïnvloeden daarmee de samenhang tussen vermogensomvang en netto vermogensrendementen en - winsten. Van invloed op die samenhang,
en daarmee op veranderingen in de vermogensverdeling in de richting van nivellering of denivellering, is verder de differentiële samenstelling van vermogens. Wanneer goederen die relatief sterk bij grote-vermogensbezitters geconcentreerd zijn ten opzichte van andere goederen in waarde stijgen, is denivellering te verwachten; wanneer dergelijke goederen relatief in waarde dalen, is, althans op korte termijn, nivellering het waarschijnlijke resultaat.
ad. b. De erfelijke overdracht van vermogens, waartoe in ruime zin ook overdracht door schenkingen en via huwelijken is te rekenen, is niet alleen een mechanisme dat vermogensverhoudingen over verschillende generaties continueert, maar ook een bron van veranderingen in die verhoudingen. De mate waarin privé-vermogens bij deze overdracht intact blijven dan wel over verschillende personen en instanties verdeeld worden, hangt van de volgende factoren af:50.
| 1. | het erfenispatroon: hoe meer aan andere familieleden dan de eigen kinderen, met name de echtgenoot of echtgenote, wordt overgedragen, des te groter de kans op vermogens-verlies (gegeven de aanwezigheid van kinderen en de regel dat kinderen in elk geval een gedeelte van de nalatenschap erven); en hoe gelijker de verdeling tussen de kinderen, des te sterker de opdeling van het oorspronkelijke vermogen; |
| 2. | het aantal kinderen: hoe meer kinderen, des te sterker de opdeling (tenzij dit door bijzondere erfenisregels voorkomen wordt - zie hieronder); |
| 3. | het huwelijkspatroon: hoe groter de klasse-endogamie, des te geringer het vermogensverlies, des te groter de accumulatiekansen voor hen die al veel bezitten; |
| 4. | de belastingdruk: hoe hoger de belasting bij erfelijke overdracht (successierechten, schenkingsrechten), des te meer vermogensverlies; |
| 5. | schenkingen aan niet-familieleden: hoe meer wordt weggeschonken en nagelaten aan organisaties en personen buiten de eigen familie, des te groter het vermogensverlies. |
Deze factoren zijn op hun beurt verbonden met verschillende, onderling samenhangende kenmerken van de samenle-
ving waarin de vermogensoverdracht plaatsvindt, zoals de nationale wetgeving - in het bijzonder het erfrecht en de belastingwetten -, sociale conventies, gezins- en familieverhoudingen en klasse- en standsverhoudingen. Een enigszins naar volledigheid strevende verklaring van veranderingen in de erfelijke overdracht van privé-bezit zou dan ook een uitvoerige sociologische analyse vereisen, uitvoeriger dan in dit kader kan worden uitgevoerd.
Naarmate privé-vermogens in en door erfelijke overdracht in sterkere mate aangetast worden, is eerder een tendens tot nivellering te verwachten, aangezien erving vooral voor de instandhouding van grote vermogens van belang is. Daarnaast wordt de waarschijnlijkheid van nivellering of denivellering mede bepaald door de verschillen in vermogensverlies of vermogenstoename bij erfelijke overdracht tussen verschillende categorieën vermogensbezitters, en deze verschillen hangen weer af van systematische variaties in de bovengenoemde vijf factoren. Zien we af van de laatste twee (belastingen komen nog ter sprake, liefdadige schenkingen zijn in het algemeen vrij onbelangrijk51.), dan gaat het om de gezamenlijke invloed van variërende combinaties van erfenispatroon, kindertal en huwelijkspatroon op veranderingen in de vermogensongelijkheid.
Om een indruk te geven van de aard van die invloed in verschillende gevallen, ga ik uit van het volgende model: de samenleving is verdeeld in twee klassen, een numerieke minderheid van bezitters van grote privé-vermogens en een numerieke meerderheid van bezitters van kleine privé-vermogens; tijdens hun leven vermeerderen of verminderen alle bezitters hun vermogen in proportioneel dezelfde mate, zodat veranderingen in de vermogensverhoudingen uitsluitend het gevolg zijn van variaties in erfelijke overdracht (inclusief, nog steeds, overdracht via huwelijken); bij overlijden wordt het vermogen aan een of meer van de kinderen (indien aanwezig) nagelaten; en de bevolking als geheel groeit in de loop van de tijd. De volgende polaire mogelijkheden worden, ter wille van de overzichtelijkheid, onderscheiden:
| 1. | erfenispatroon: primogenituur (oudste zoon erft alles) of gelijke verdeling tussen de kinderen; |
| 2. | aantal kinderen: in de klasse van bezitters van grote vermogens worden minder kinderen, evenveel kinderen, of meer kinderen geboren als in de klasse van bezitters van kleine vermogens; |
| 3. | huwelijkspatroon: volledige klasse-endogamie (rijk trouwt met rijk) of volledige openheid (de keuze van de huwelijkspartner is onafhankelijk van diens vermogenspositie). |
Combinatie van deze mogelijkheden levert twaalf varianten op, die elk de privé-vermogensverhoudingen in de richting van concentratie, stabiliteit of nivellering beïnvloeden. Hieronder wordt het effect van alle twaalf varianten systematisch aangegeven.
| erfenispatroon | aantal kinderen | huwelijkspatroon | effect |
|---|---|---|---|
| primogenituur | minder kinderen | endogamie | concentratie |
| primogenituur | minder kinderen | openheid | concentratie |
| primogenituur | evenveel kinderen | endogamie | concentratie |
| primogenituur | evenveel kinderen | openheid | concentratie |
| primogenituur | meer kinderen | endogamie | concentratie |
| primogenituur | meer kinderen | openheid | concentratie |
| gelijke verdeling | minder kinderen | endogamie | concentratie |
| gelijke verdeling | minder kinderen | openheid | ws. nivellering |
| gelijke verdeling | evenveel kinderen | endogamie | stabiliteit |
| gelijke verdeling | evenveel kinderen | openheid | nivellering |
| gelijke verdeling | meer kinderen | endogamie | nivellering |
| gelijke verdeling | meer kinderen | openheid | nivellering |
In deze opsomming treft de grote betekenis van het erfenispatroon: in het geval van primogenituur is er, gegeven de veronderstellingen van het model, altijd sprake van toename van ongelijkheid in de vermogensverdeling, ongeacht het aantal kinderen per gezin per klasse en de keuzes van de huwelijkspartner. Dat is begrijpelijk als men bedenkt dat de regel van primogenituur erop gericht is het familievermogen zoveel mogelijk intact te houden door het onafhankelijk te maken van zulke grilligheden als de rijkdom van de huwelijkspartner en het aantal kinderen. De vermogensongelijkheid neemt in dit geval toe doordat de klasse der rijken zich niet uitbreidt, terwijl de bevolking als geheel groeit; een klasse die een steeds kleiner deel van de bevolking gaat vormen, behoudt daarmee
hetzelfde aandeel in het totaal van de privé-vermogens. (Dit alles nog steeds volgens de uitgangspunten van het model. In feite zou het consequent volgen van de regel van primogenituur de interne accumulatiegraad van vermogens negatief kunnen beïnvloeden doordat ‘bezitlozen’ van welgestelde komaf onderhouden worden door bezittende familieleden en zo een aanslag vormen op het familiekapitaal.)
Waar de nalatenschappen gelijk over de kinderen worden verdeeld, zijn gemiddeld kindertal en huwelijkspatroon wel van invloed op de aard van de verandering in de vermogensongelijkheid. Uiteraard zijn in werkelijkheid talloze andere varianten mogelijk, die tussen de gegeven uitersten inliggen, - ongelijke verdeling tussen de kinderen zonder dat één alles krijgt, gedeeltelijke klasse-endogamie, etcetera. Het model geeft slechts aan in welke richting naar samenhangen gezocht moet worden. Het laat ook, bij alle vereenvoudiging, zien hoe ingewikkeld het proces van continuering en verandering van vermogensverhoudingen over verschillende generaties verloopt. Veranderingen in erfenisregels, in geboortencijfers in verschillende strata, in huwelijkspatronen hebben er alle invloed op, en zijn op hun beurt alleen te verklaren door ze met ruimere maatschappelijke ontwikkelingen in verband te brengen. Dat de ontwikkeling van de vermogensverdeling in hoge mate ongepland verloopt, laat zich hieruit afleiden.
Kunnen de hier theoretisch geponeerde mechanismen van verandering van vermogensverdeling feitelijke veranderingen in de ongelijkheid van privé-vermogens in Nederland gedurende deze eeuw verklaren? Deze vraag kan positief beantwoord worden voorzover aannemelijk te maken valt dat in deze eeuw nivelleringsbevorderende mechanismen de overhand hebben gekregen boven mechanismen die leiden tot vergroting van ongelijkheid. Een toetssteen voor de verklaringskracht van verschillende mechanismen is ook gelegen in de mate waarin ze met korte-termijnfluctuaties in de vermogensongelijkheid in verband kunnen worden gebracht.
Als belangrijkste verklaringsgrond voor de tendens tot vermindering van de vermogensongelijkheid dringt zich de eerder beschreven verschuiving van kapitaal- naar arbeidsinkomen op (hoofdstuk iv, paragraaf 7). Rente-inkomsten, dividenden, huren, pachten en tenslotte - sinds de jaren zestig - ook winsten daalden als percentage van het nationaal inkomen, waartegenover arbeidsinkomens. stegen. De grootste verandering deed zich in en kort na de Tweede Wereldoorlog voor, toen de ‘passieve’ vermogensinkomsten volgens officiële gegevens daalden van 21% van het nationaal inkomen in 1939 tot 5% in 1948. Het was in diezelfde periode dat de ongelijkheid van privé-vermogens het sterkst verminderde, - volgens eerder gegeven schattingen daalde het aandeel van de rijkste 1% van de bevolking in het totale privé-vermogen van 45% in 1939 tot 34% in 1951. Ook in andere perioden ging vermindering van de vermogensongelijkheid gepaard met een relatieve daling van de kapitaalinkomens, zoals in de jaren dertig, toen de winsten scherp terugliepen en de vermogensinkomsten in lichte mate afnamen, en de jaren zestig en zeventig, toen de winsten eveneens een relatieve daling ondergingen. In de jaren vijftig daarentegen waren de winsten hoog, namen de vermogensinkomsten enigszins toe - en werd de ongelijkheid van privé-vermogens groter.52.
Met de verschuiving van kapitaal- naar arbeidsinkomens nam de ‘interne accumulatiegraad’ van vermogen af, werd daarentegen de vermogensvorming door besparingen op arbeidsinkomens belangrijker. Het werd moeilijker om op basis van een gegeven vermogen een bepaald inkomen te verwerven, om zich met dat inkomen positief te onderscheiden van ‘gewone’ werknemers, om het vermogen in stand te houden (zeker waar bezittingen veel onderhoud, dus steeds hogere personeelskosten vergden), om vermogen te accumuleren. De prijs van kapitaal in de vorm van rendementen nam af ten opzichte van de prijs van arbeid in de vorm van lonen en salarissen. Vooral in perioden van inflatie, zoals in en kort na de beide wereldoorlogen en in de jaren rond 1970, werd de reële rentevoet sterk aangetast, kon deze zelfs negatief worden; het waren tevens perioden van vermindering van vermogensongelijk-
heid.53. Ook de verzwaring van de belastingdruk tastte de netto vermogensrendementen aan.
Behalve de verschuiving van kapitaal- naar arbeidsinkomens heeft ook de vermindering van ongelijkheid van arbeidsinkomens - tenminste sinds het einde van de jaren dertig - tot vermogensnivellering bijgedragen. Terwijl functiehiërarchieën in organisaties met daaraan gekoppelde inkomens gehandhaafd bleven, werden de netto inkomensverschillen grosso modo kleiner, - tussen ongeschoolden en geschoolden, tussen geschoolden en hoger opgeleiden.54.
Een ander complex van factoren die tot vermindering van de ongelijkheid van privé-vermogens hebben bijgedragen, is gelegen in veranderingen in de aard van de erfelijke overdracht van vermogens binnen families, - veranderingen in erfenis-, huwelijks- en geboortepatronen. Door wijzigingen van erfrecht en erfpraktijken is van nagelaten vermogen in de loop van de tijd relatief minder gaan toevallen aan directe afstammelingen en relatief meer aan overblijvende echtgenoten (zie hoofdstuk v, par. 5), hetgeen een zekere aantasting van familiekapitalen in de hand kan hebben gewerkt. Gelijke verdeling van nagelaten vermogen tussen de kinderen was in Nederland - in tegenstelling tot bijvoorbeeld Groot-Brittannië - van oudsher al in sterke mate wet en praktijk, en veranderingen in dit opzicht hebben vermoedelijk dan ook weinig te betekenen gehad, al is het niet ondenkbaar dat met het verminderend belang van instandhouding van het familiekapitaal voor bijvoorbeeld de voortzetting van een bedrijf en met de grotere gelijkheid tussen mannen en vrouwen het principe van gelijke verdeling steeds consequenter is gevolgd. Des te belangrijker zijn de verschillen in aantallen kinderen per gezin tussen verschillende vermogenslagen; het voordeel dat voor gezinnen in hogere lagen gelegen was in het krijgen van minder kinderen - een factor van denivellering - verminderde in de loop van deze eeuw en verdween tenslotte geheel; met de stijging van de welvaart, de uitbreiding van sociale voorzieningen, de expansie van het onderwijs en de stijgingskansen via dat onderwijs werd het ‘moderne’ geboortepatroon dat hogere en
middenlagen typeerde kenmerkend voor de Nederlandse samenleving als geheel.55. Processen die vermindering van sociale ongelijkheid inhielden brachten dus demografische veranderingen voort die op hun beurt weer bijdroegen tot vermindering van vermogensongelijkheid. Iets dergelijks kan ook van veranderingen in huwelijkspatroon worden gezegd: met de toename van mobiliteit en de afnemende sociale betekenis van standsonderscheidingen werden, ook in de hogere vermogenslagen, huwelijken buiten de ‘eigen kring’ waarschijnlijk minder ongebruikelijk, een ontwikkeling die spreiding van vermogens bevorderde.56.
Vermogensverlies bij erfelijke overdracht treedt ook op door de successiebelasting, die in de loop van de tijd zwaarder werd. De feitelijke consequenties hiervan zijn moeilijk te schatten; waarschijnlijk zijn deze niet erg groot geweest, ten eerste doordat de tariefsverhogingen voor directe nakomelingen vrij gering zijn gebleven, ten tweede doordat de verhogingen ook op dit gebied vermoedelijk steeds meer weerstanden hebben opgeroepen, - reacties in de vorm van giften inter vivos en andere vermijdingsstrategieën.57.
Tenslotte hebben ook prijsveranderingen wijzigingen in de vermogensverdeling met zich meegebracht. Hierboven is gewezen op de nadelige gevolgen van inflatie voor trekkers van vaste rente-inkomsten, die de waarde van hun bezit en hun bezitsinkomen reëel zien verminderen. Maar inflatie kan vermogensbezitters ook begunstigen, - bezitters van goederen die snel in waarde stijgen (bijvoorbeeld aandelen, grond, huizen) en ondernemers die de prijzen van hun produkten sterk kunnen opvoeren. Voorzover verschillende soorten goederen niet evenredig over verschillende vermogenslagen gespreid zijn, houdt differentiële waardestijging of -daling van die goederen veranderingen in de vermogensongelijkheid in.
Het duidelijkst is dit te zien aan de gevolgen van schommelingen in de aandelenkoersen voor de vermogensverdeling. Daar aandelen van oudsher nog meer dan andere goederen in de hoogste vermogenslagen geconcentreerd zijn, vertaalt een koersstijging ten opzichte van andere prijzen zich in vermo-
gensconcentratie, een koersdaling zich in vermogensnivellering. De daling van de gemiddelde waarde van beursaandelen in de jaren 1921-1925, de stijging in de periode 1925-1929, de scherpe daling van 1929-1933, de stijging in de jaren 1935-1937, de reële daling (ten opzichte van het algemene prijsniveau) in de periode 1939-1952, de sterke stijging in de jaren 1952-1961, tenslotte de slechts door enkele opflakkeringen onderbroken tendens van reële daling in de jaren zestig en zeventig,- al die fluctuaties corresponderen met gelijkgerichte veranderingen in het beslag van de rijkste 0,1%, 0,5%, 1% etcetera op het totale privé-vermogen. Ook in de schommelingen van jaar tot jaar blijken aandelenkoersen en vermogensongelijkheid volgens deze maatstaf nauw te correleren.58.
Bij alle fluctuaties kan voor de hele beschouwde periode van een tendens tot daling van de reële waarde van vrij verhandelbare aandelen worden gesproken.59. Deze ontwikkeling is des te opmerkelijker als men bedenkt hoe sterk de Nederlandse kapitaalgoederenvoorraad in deze periode is gegroeid, mede door investeringen uit onverdeelde vennootschapswinsten. Merkwaardig is in het licht van eerdere historische ervaringen vooral de ontwikkeling na 1961, wanneer een ongekend sterke economische groei samengaat met daling in de waarde van de aandelen ten opzichte van het algemene prijspeil.
De tendens op langere termijn van daling van de reële waarde van aandelen is in verband te brengen met de tendens tot relatieve daling van rendementen en meer specifiek van dividenden; en deze relatieve rendementsdaling heeft direct te maken met de verschuiving van kapitaal- naar arbeidsinkomens en de verzwaring van de belasting- en premiedruk, ontwikkelingen die op zichzelf weer tot nivellering en collectivering van vermogens hebben bijgedragen. Zo grijpen verschillende processen die met de ontwikkeling van de vermogensverhoudingen samenhangen in elkaar.
Verschuiving van kapitaal- naar arbeidsinkomens, stijging en vermindering van de ongelijkheid van arbeidsinkomens, verhoging van belastingen, daling van de reële waarde van aande-
len, veranderingen in erfenis-, huwelijks- en geboortepatronen, - deze ontwikkelingen met elkaar kunnen in eerste instantie de vermindering van de ongelijkheid van privé-vermogens in Nederland in de loop van deze eeuw verklaren. Op hun beurt kunnen deze ontwikkelingen in verband worden gebracht met ruimere, onderling verbonden maatschappelijke ontwikkelingen: economische groei in de zin van verhoging van de nationale produktie en stijging van de reële inkomens; schaalvergroting, toenemende omvang en gedeeltelijke veronpersoonlijking van produktie-organisaties; toenemende interdependentie tussen sociale klassen met als consequentie een relatieve machtsvermeerdering voor ‘lagere’ klassen, in het bijzonder werknemers; en uitbreiding van de staatsmacht.
Economische groei maakte een zodanige stijging van arbeidsinkomens mogelijk, dat deze een belangrijke bron van vorming van privé-vermogens werden, met name voor de uitdijende categorie van middelbare en hogere employés. Toenemende omvang en veronpersoonlijking van produktie-organisaties bracht met zich mee, dat kapitaalsaccumulatie steeds meer buiten persoonlijke eigenaren om ging verlopen. Stijging van arbeidsinkomens ten opzichte van kapitaalinkomens weerspiegelde ten dele een machtsverschuiving ten gunste van ‘lagere’ klassen - met name werknemers -, die zelf weer een functie was van veranderingen in de produktieverhoudingen en politieke verhoudingen. Tot de veranderingen in de politieke verhoudingen behoorden de uitbreiding van de staatsmacht, die verandering van de privé-vermogensver-houdingen in egaliserende richting beïnvloedde via bevordering van de groei van arbeidsinkomens (onder andere door uitbreiding van ambtenarensalarissen) en verzwaring van de belastingdruk.60.
De hier gegeven verklaring van vermindering van vermogensongelijkheid verwijst dus naar een aantal specifieke processen zoals de verschuiving van kapitaal- naar arbeidsinkomens, die vervolgens met ruimere en onderling samenhangende maatschappelijke ontwikkelingen in verband worden gebracht. Die ontwikkeling zou men weer onder één noemer kunnen bren-
gen: die van toenemende interdependentie van grotere aantallen mensen over grotere gebieden. Het betreft hier niet een causaal model, waarin de laatstgenoemde ontwikkeling de uiteindelijke verklaringsgrond zou zijn; veeleer gaat het om processen van verschillende graad van algemeenheid en omvattendheid waarvan het ene als onderdeel van het andere kan worden beschouwd. Men zou de tendens van vermogensnivellering direct in verband kunnen brengen met het omvattende proces van toenemende interdependentie, maar daarmee is op zichzelf nog weinig gezegd. Het gaat er juist om te laten zien welke specifieke processen als onderdelen van dat