terug  begin  prepost
[p. 559]

Stellingen

bij dissertatie van N. Wilterdink, Vermogensverhoudingen in Nederland. Ontwikkelingen sinds de negentiende eeuw

1

Bij de grote publieke aandacht voor verdelingsvraagstukken in Nederland is het opmerkelijk hoe beperkt - ook in vergelijking met andere landen - de door overheidsinstanties verstrekte en toegankelijk gemaakte informatie over de verdeling van vermogens is.

2

De bewering van Pen en Tinbergen dat ‘de egalisatie van geldinkomens in Nederland tussen 1938 en 1976 bijna 50% is geweest’ suggereert een veel grotere exactheid dan op grond van de door de auteurs zelf aangevoerde gegevens en schattingen kan worden gerechtvaardigd.

J. Pen en J. Tinbergen: Naar een rechtvaardiger inkomensverdeling, Amsterdam 1977, p. 50.

3

H. van Dijks opmerking over Nederland in de jaren dertig dat: ‘Economic depression and stagnation led to greater economic, (and often also social) inequality’, is behalve ongelukkig geformuleerd ook in strijd met de beschikbare inkomens- en vermogensgegevens.

H. van Dijk: Wealth and property in the Netherlands in modern times, Rotterdam 1980, p. 9.

4

De conclusie van Somermeyer dat van de variantie van personele inkomens in Nederland in 1958 hooguit een-vierde deel aan kapitaalinkomens kan worden toegeschreven en tenminste drie-vierde deel aan arbeidsinkomens, berust op onjuiste vooronderstellingen.

W.H. Somermeyer: Inkomensongelijkheid; een analyse van spreiding en scheefheid van inkomensverdelingen in Nederland. 's-Gravenhage 1965.

[p. 560]

5

De aanbeveling van Goudsblom om even zorgvuldig met woorden als met cijfers om te gaan getuigt van een wat al te rooskleurig beeld van de wijze waarop beoefenaren van de maatschappijwetenschappen in het algemeen cijfermatige gegevens gebruiken.

J. Goudsblom: Balans van de sociologie. Utrecht/Antwerpen 1974, pp. 85-86.

6

De theorie van sociale rechtvaardigheid van John Rawls staat evenals andere filosofische contract-theorieën op gespannen voet met elementaire sociologische inzichten en is zowel uit theoretisch als uit praktisch oogpunt weinig vruchtbaar.

John Rawls: A Theory of Justice, London etc. 1971.

7

In een algemene theorie van menselijk sociaal gedrag zijn idealiter de grenzen tussen verschillende wetenschappelijke disciplines weggevallen: sociologie, antropologie, psychologie en ethologie vallen op dit niveau samen.

8

De in de jaren zeventig sterk gegroeide belangstelling van sociologen voor de geschiedenis van hun vak is te interpreteren als een reactie op dreigend identiteitsverlies ten gevolge van toenemende theoretische onenigheid, empirische specialisatie en vervaging van grenzen met verwante disciplines.

9

Zowel voor de jaren dertig als de jaren tachtig valt, althans in Nederland, een paradoxale maar verklaarbare samenhang op te merken tussen ernstige crisisverschijnselen in de kapitalistische economie en een betrekkelijk grote gematigdheid en voorzichtigheid van bewegingen die zich traditioneel tegen het kapitalisme keren.

10

De wettelijke erkenning van ‘adeldom’ is in het huidige Nederlandse recht een merkwaardig anachronisme.

[p. 561]

11

De keuze voor een systeem van ‘gewogen loting’ als methode om kandidaten voor studierichtingen te selecteren is vergelijkbaar met de keuze van iemand die, aarzelend tussen bier en karnemelk, tenslotte kiest voor een mengsel van beide.

prepostterug  begin