terug  begin  verderprepost

VI.
De Classieke Ridderromans.

Uit de Classieke Oudheid zijn in het geheele middeleeuwsche tijdvak geene helden beroemder gebleven dan Hector, Alexander de Groote en Julius Caesar. Zij behooren tot ‘de negen besten’, die ooit geleefd hadden en werden in Frankrijk telkens weder tot de helden van een ridderroman gemaakt, zoodat zij, in navolging daarvan, ook in onze letterkunde eene groote rol spelen.

Hector vertegenwoordigde den Trojaanschen oorlog en, wat misschien eenige verwondering zou kunnen wekken, niet Achilles, de held van de Ilias. Dat stond misschien in verband met den lof, waarmee Virgilius van de Trojanen had gewaagd in zijne Aeneis, het heldendicht van Aeneas, den na Troje's ondergang gevluchten Trojaan, die door hem als stichter van het Romeinsche rijk en heros eponymus van het geslacht der Julii was bezongen: een voorbeeld dat reeds vroeg in de middeleeuwen navolging vond, toen ook andere gevluchte Trojanen tot stamvaders van Westersche volken werden gemaakt, met name ook van het volk der Franken.

Vreemd is het dan ook niet, dat onze eerste Limburgsche dichter zich door de lotgevallen van Aeneas liet bezielen, en dat een der allereerste dichters, die wij in West-Nederland hebben aan te wijzen, ook weer de hand sloeg aan het vertalen van een Fransch

[p. 202]

gedicht, waarvan de Trojaansche oorlog en de latere zwerftochten der Trojaansche helden de stof uitmaakte. Die dichter was Segher Dengotgaf (dus Deodaat) 1), van wiens werk Maerlant zegt, dat het in het midden van de 13de eeuw ‘langen tijt ghedicht’ was 2), zoodat het ten minste wel uit het begin van die eeuw zal dagteekenen.

Het was een roman van Benoit de St. More, dien Segher zich ter vertaling koos, namelijk de, in 1184 vervaardigde, Roman de Troie 3). Benoit had den hoofdinhoud daarvan geput uit twee in de middeleeuwen geliefde geschriften, namelijk de Ephemeris belli Trojani van Dictys Cretensis en de veel kortere Historia de exidio Troiae van Dares Phrygius 4), die beide oorspronkelijk in 't Grieksch door ooggetuigen van den Trojaanschen oorlog heetten geschreven te zijn, het eerste door een tochtgenoot van Idomeneus, het tweede door den in de Ilias vermelden priester van Hephaestos, en uit het Grieksch in het Latijn zouden vertaald zijn, het eene door Lucius Septimius, het andere door Cornelius Nepos; maar waarvan nu gebleken is, dat zij van den aanvang af in 't Latijn geschreven zijn en wel eerst in den lateren keizerstijd en het begin der middeleeuwen 5). Dat van Dares dankte zijn roem zeker voor een niet

[p. 203]

gering deel aan de (waarschijnlijk aan Sisyphus van Kos ontleende) portretten van Grieksche en Trojaansche helden, die er in voorkomen en welke de romandichters gretig overnamen en uitwerkten.

Segher Dengotgaf heeft, naar Maerlant's getuigenis 1), slechts een klein deel van Benoit's roman vertaald als vervolg op een oorspronkelijk, althans niet aan Benoit ontleend, werkje, waarvan de proloog verloren is, maar dat zelf bewaard is gebleven onder den titel Het Prieel van Troyen en omstreeks 900 verzen lang is. Daarin wordt geschilderd, hoe, tegen net einde van een veertigdaagschen wapenstilstand in het derde jaar van Trojes belegering, op een schoonen lentedag de Trojaansche edelen en de dames van Priamus' hof na den, door spel en zang van menestreelen opgeluisterden, maaltijd, zich ‘ginghen meyen in een prieel’, waar zij onder de schaduw van bloeiende boomen en bij ‘alretieren sanc van vogelkine’ elkaar onderhouden met ‘hovesce’ liefdesverklaringen en galante gesprekken over hunne hartsgeheimen, zooals die in de middeleeuwen onder de hoogere standen mode waren geworden. Als die samenkomst geëindigd is, wekt Hector, ‘die alleene alle die sorghe hadde’, de ridders op om den volgenden dag den strijd te verkiezen boven een vergelijk, dat voorgeslagen is, en waarover Segher verder handelt in een tweede verhaal, getiteld 't Paerlement van Troyen, beginnende met ruim honderd oorspronkelijke verzen en verder bestaande uit de vrije vertaling van een paar honderd verzen van Benoit - een verhaal, waarin Achilles en Hector elkaar op echt middeleeuwsche wijze ridderlijk tot een tweekamp uitdagen, maar door hunne vrienden worden teruggehouden. Hetgeen daarop bij Benoit volgt, namelijk de beroemde episode van Troilus en Briseis, sloeg hij over, omdat ‘hy hem daeraf ontsach’, zooals Maerlant zegt, en dat wel waarschijnlijk veeleer omdat de vertaling daarvan hem te moeielijk viel, dan omdat hij den inhoud er van minder stichtelijk zou gevonden hebben. Eindelijk vertaalde hij nog ruim zeshonderd verzen van Benoit, handelend ‘van den groten strijt, daer hem her Hector ende Achilles in onderspraken’, namelijk den Sevensten strijt of het zevende tijdperk van den oorlog, zoodat hij in het geheel slechts ‘één bataelge’ van de twee-entwintig, waarin de

[p. 204]

oorlogstijd verdeeld werd, overbracht, want dáár, zegt Maerlant 1), ‘liet Segher het ende sciet hy van der jeesten’ 2).

Had Segher dus slechts een klein gedeelte van Benoit's roman vertaald, Maerlant 3) had den moed, omstreeks 1264, het geheele uitvoerige werk van Benoit 4) over te brengen, ja zelfs het van ± 30,000 verzen te doen uitdijen tot 40,880 door er allerlei verhalen in te lasschen, die hij voornamelijk aan Papinius Statius, Ovidius en Virgilius ontleende. Zoo schonk hij ons ‘al gheheel van beghin ten eynde’ het uitvoerig verhaal van den Trojaanschen oorlog met de lotgevallen van alle helden, die dezen overleefden, tot op de stichting van Alba longa door Aeneas toe 5).

Na een proloog en uitvoerige inhoudsopgave begint Maerlant's roman met eene, door Benoit aan Dares ontleende, voorgeschiedenis,

[p. 205]

namelijk den tocht der Argonauten en de daarop gevolgde verovering van Troje op Laomedon. Er wordt uitvoerig verteld, hoe Pelias' neef Jason met behulp der tooverkunst van Medea, die doodelijk verliefd op hem geworden was, er in slaagde het gulden vlies te winnen, en hoe zij zich liet schaken door hem, die haar later ontrouw zou worden; hoe daarop de Grieken onder aanvoering van Hercules, Peleus, Telamon, Nestor, Castor en Pollux een krijgstocht ondernamen tegen Laomedon, den koning van Troje, die den Argonauten gastvrijheid had geweigerd, hoe zij Troje verwoestten en Laomedon doodden met al zijne zonen, behalve Priamus, die later in de gelegenheid werd gesteld, Troje te herbouwen, waarbij dan ‘stat, muere, saele ende huys’ uitvoerig worden beschreven.

Dan volgt het verhaal van Helena's schaking door Paris, de daarbij behoorende tempelroof ‘ende die bruloft dan daeran.’ Als Priamus' dochter Cassandra daarop voorspelt, dat die schaking Trojes ondergang ten gevolge zal hebben, wordt zij door haar vader ‘in een camere buten allen roten besloten,’ zooals Maerlant op het voetspoor van Benoit vertelt; maar daarop wijkt onze dichter van zijn origineel af en voegt hij er eene vertaling in der geheele Achilleis van Statius, waarin Achilles' jeugd, onder de leiding van den centaur Chiron, wordt verhaald met de mislukte list van zijne moeder Thetis, die hem in vrouwenkleederen steekt om te voorkomen, dat hij zal moeten deelnemen aan den wraaktocht, dien de Grieken besloten hebben tegen Troje te ondernemen. Uitvoerig wordt nu Achilles' liefdesavontuur met Deidamia behandeld en vervolgens verteld, hoe hij door Ulysses herkend en naar het Grieksche leger meegevoerd wordt. Daarna keert Maerlant tot Benoit terug en verhaalt hij, hoe Castor en Pollux bij een storm omkomen, hoe Telephus, Hercules' zoon, en Achilles een strooptocht ondernemen ‘op die van Messe’ (d.i. Mysië), en hoe Agamemnon, de aanvoerder van het Grieksche leger, zijne offerande brengt aan Diana, om niet langer door tegenwind met de vloot in de haven van Aulis te worden opgehouden.

Nu begint het eigenlijk beleg van Troje, en reeds in den tweeden strijd sneuvelt Patroclus, gedood door Hector en beweend door synen compaen’ Achilles, die hem minde levende ende doot.’ Na ‘onweder ende groet onghemac,’ na hevige gevechten, waarvan ook deelgenomen wordt door Sagittaren of Centauroenen,

[p. 206]

welker bestaan Maerlant door het gezag van den kerkvader Hiëronymus staaft, volgt Segher's Prieel en Paerlement, en daarop vinden wij de geschiedenis van Briseis, Calchas' dochter, die, zooals in het vervolg van den roman verhaald wordt, ontrouw werd aan den Trojaanschen prins Troilus, om zich in de armen van den Griekschen Diomedes te werpen 1), een verhaal beginnende, met de verzuchting, ‘onghestadich es vrouwenmoet’, en de verklaring, die Maerlant niet aan Benoit ontleende, maar er zelf aan toevoegde, dat men den vrouwen hare wuftheid moet vergeven terwille van Maria, ‘die wortel es van hovesceden, van doechden ende edelheden’. Vervolgens neemt Maerlant Segher's vertaling van den zevenden strijd over, waarna hij eene uitvoerige beschrijving geeft ‘van der cameren welgheraect, die van alabasteren was gemaect’, en waarin de Trojaansche ridders en edelvrouwen zich konden verlustigen door het gezicht van verschillende prachtige en kunstige automaten.

Nu komen wij tot den achtsten en negenden strijd, waarin het beroemde, in dezen roman jammerlijk verwaterde, afscheid van Hector en Andromache, en Hector's en Ajax' heldendaden bij de schepen voorkomen en vervolgens de beklagenswaardige dood van den moedigen Hector, die, volgens den dichter, wiens ingenomenheid met de Trojanen over het algemeen veel grooter is dan met de Grieken, door Achilles, den ‘boesen deghen,’ ‘mordelike van achter’ werd doorstoken. Op gezag van Ovidius en Virgilius heeft Maerlant hier en daar kleine bijzonderheden in Benoit's verhaal gewijzigd, dat hij daarop volgt door Priamus' droefenis over den dood zijns zoons en de heldendaden van Sarpedon te beschrijven, evenals Achilles' plotseling ontvlamde liefde tot Polyxena, de dochter van Priamus, eene liefde die hem het leven zou kosten, want nadat de Grieksche held dientengevolge zich eerst aan den strijd heeft onttrokken, en zelfs door een gezantschap van Diomedes, Nestor en Ulysses niet te bewegen is geweest, de Grieken bij te staan, maar vervolgens toch het zwaard heeft opgenomen en in den 17den strijd o.a. Troïlus heeft gedood, onderhandelt hij met den vijand over een huwelijk met Polyxena en wordt hij in een Apollotempel van het leven beroofd door Paris, die weldra ook zelf gedood wordt.

[p. 207]

Als zoovele helden gesneuveld zijn en Troje onneembaar schijnt, raadt Calchas aan, het Palladium, waaraan Trojes behoud verbonden was, uit de stad te rooven, hetgeen Diomedes en Ulysses samen ten uitvoer brengen, zooals Maerlant vertelt in aansluiting aan Ovidius en in strijd met Benoit, die het had voorgesteld alsof de Trojaan Antenor zijn vaderland zou hebben verraden door zelf het Palladium aan Ulysses te brengen. Aan de Metamorphosen van Ovidius heeft Maerlant vervolgens ook een belangrijk stuk ontleend, namelijk het pleit van Ulysses en Ajax om de wapenen van Achilles, die aan Ulysses ten deel vallen, zoodat Ajax zich uit gekrenkten trots van het leven berooft, evenals Ovidius aan Maerlant ook de stof leverde voor de geschiedenis van den strijd tusschen de Centauren en de Lapithen, uitgebarsten op de bruiloft van Pirithoüs en Hippodamia, welke hij vertelt naar aanleiding van de beelden op Achilles' graf. Zeer uitvoerig is de uitweiding die kort daarna in den roman volgt, namelijk een geographisch overzicht van de geheele wereld (ruim 1000 verzen), door Maerlant reeds vroeger voor zijn Alexander gemaakt en nu weer in dezen roman opgenomen ter vervanging van de ruim 200 verzen, die Benoit aan hetzelfde onderwerp had gewijd. Tot Benoit teruggekeerd, verhaalt de dichter nu onder meer den 21sten en 22sten strijd van Pyrrhus, den zoon van Achilles en Deidamia, met de Amazonenkoningin Pentesilea, die aan de Trojanen te hulp is gekomen, maar sneuvelt; en dan volgt hij verder de Aeneis van Virgilius van het begin tot het einde, aanvankelijk ter verbetering, later onafhankelijk van Benoit; doch als de inneming van Troje uitvoerig is verhaald en naar het Fransch de verdere lotgevallen der Grieken, vooral van Ulysses, zijn medegedeeld, wordt van den verderen inhoud der Aeneis slechts een beknopt overzicht gegeven, vooral kort, waar de geschiedenis van Dido verteld wordt, daar men die immers bij Veldeke uitvoerig kon vinden, en wat meer in bijzonderheden, waar het den strijd van Turnus en Aeneas geldt en de stichting van het Romeinsche rijk door de Trojanen, van wie alle Romeinsche keizers afstamden.

Wie het waagt de Historie van Troje met de Ilias te vergelijken, moet wel den indruk krijgen alsof hij kinderwerk naast reuzenwerk geplaatst ziet, en dat is ook geen wonder. De inhoud der Homerische poëzie moest gedurende de meer dan twintig eeuwen, waarin zij door allerlei oudheidvorschers en broodschrijvers behandeld was

[p. 208]

geworden, wel die frischheid en natuurlijkheid verliezen, die hare grootste aantrekkelijkheid nu weer voor ons uitmaakt. Daarbij komt nog eene, aan alle middeleeuwsche gedichten in meerdere of mindere mate eigene, breedsprakigheid, die de Homerische verre overtreft en niet wordt goedgemaakt door den Griekschen eenvoud in den verhaaltrant. Ook maken voor ons die heldentypen der Oudheid eene wonderlijke vertooning in hun maskeradepak der middeleeuwsche ridders, met hunne hoffelijke galanterie en hun joesteeren als op het tornooiveld. Dat onder Benoit's en Maerlant's handen de locale kleur te eenemale verloren is gegaan, zoodat b.v. Achilles een ‘Spaens ors van prise’ berijdt (vs. 15557) en het zelfs van Pollicetes, als hij door Hector gedood wordt, heet, dat ‘hy moeste syn biecht ontfaen’ (vs. 19434), moge ons, zonen der 20ste eeuw, met onzen historischen zin een oogenblik hinderen, van den anderen kant daarentegen moeten wij niet vergeten, dat juist daaraan het gedicht weer eene betrekkelijke waarde ontleent, als nationaal gedenkteeken der middeleeuwsche beschaving.

Als zoodanig behoort het ook in de eerste plaats beschouwd te worden, evenals een ander werk uit den kring der classieken, dat ook door Maerlant 1), tusschen 1257 en 1260, voor de Nederlandsche letterkunde is veroverd, namelijk de Alexandreis van Gauthier de Chastillon 2), vertaald onder den titel van Alexanders Geesten 3), en werk van ongeveer 14,300 verzen, verdeeld in tien boeken, evenals het Latijnsche gedicht, dat in hexameters door een scholaster van Chastillon (vermoedelijk de plaats aan de Marne), namelijk Gauthier (± 1140 in of bij Rijsel geboren) werd gedicht, in 1177 of 1178 voltooid, maar eerst na 1180 in 't licht gegeven en opgedragen aan Guillermus II, aartsbisschop van Reims, die den dichter later tot kanunnik te Amiens maakte. Die Alexandreis was grooten-

[p. 209]

deels geput uit het werk van Quintus Curtius, De rebus gestis Alexandri magni libri octo, waarbij slechts nu en dan andere classieke schrijvers als hulpbronnen werden gebruikt, en had de strekking allerlei onhistorische Alexanderromans te verdringen door een, naar 's dichters meening getrouw, tafereel op te hangen van Alexander's leven en heldendaden. Welk een opgang het werk maakte, blijkt niet alleen hieruit, dat Gauthier's tijdgenoot en bewonderaar Gilles de Corbeil met eene Caroleis hetzelfde voor de Karelsagen ondernam, maar ook uit de aanbeveling, waarvan de Parijsche hoogeschool het voorzag en de talrijke handschriften, die er van bestaan en rijk voorzien zijn van kantteekeningen 1).

Men houde ons ten goede, dat wij den inhoud van Maerlant's Alexander niet trachten te vertellen, want dat zou, bij de beknoptheid, die wij daarbij in acht zouden moeten nemen, op niet veel meer dan op een kort overzicht der aan iedereen bekende geschiedenis van Alexander den Groote neerkomen, althans als wij buiten rekening lieten wat Maerlant van elders in Gauthier's werk heeft ingevoegd. Alleen is het wel noodig even te wijzen op de allegorische uitweiding in het vierde boek: het bezoek van den Slaap aan de godin Victoria, waarbij Maerlant wat uitvoeriger is dan zijn origineel, zooals ook elders wel het geval is, bv. wanneer het oorspronkelijke wat gewrongen en daardoor minder duidelijk is, of wanneer hij zelf de eene of andere opmerking heeft te maken, hetgeen hij inzonderheid doet om met meer nadruk, dan Gauthier deed, te wijzen op de vergankelijkheid van alle aardsche grootheid. Overigens volgt Maerlant het Latijn op den voet, zoodat gewoonlijk door hem één hexameter in twee versregels wordt weergegeven. Slechts vereenvoudigt hij Gauthier's hoogdravenden stijl nu en dan en wijzigt hij de mythologische voorstellingen ten einde aan het gedicht het heidensch karakter zooveel mogelijk te ontnemen.

De inlasschingen, die Maerlant zich in het werk van Gauthier veroorloofde, zijn van verschillenden aard 2). Vooreerst vinden wij

[p. 210]

er een uitvoerig geographisch overzicht der geheele wereld 1), geput uit eene in Frankrijk of Vlaanderen wat omgewerkte aardrijks-beschrijving, die in haar oorspronkelijken vorm ook de hoofdbron was geweest voor Honorius Augustodunensis bij het schrijven van zijn, in de middeleeuwen zeer bekend, werk De imagine mundi. Zeer dikwijls heeft Maerlant bij zijne uitbreidingen den Bijbel geraadpleegd, ja zelfs geeft hij een tamelijk uitvoerig overzicht der geheele Bijbelsche geschiedenis, die hij voorstelt als door Apelles afgebeeld op het graf der Perzische koningin Telico 2). Een bekend vriendschapsverhaal van twee kooplieden uit Bagdad en Aegypte 3), schijnt Maerlant aan het derde hoofdstuk der gedeeltelijk uit het Arabisch geputte Disciplina Clericalis van Petrus Alfonsus (12de eeuw) ontleend te hebben, terwijl overleveringen aangaande den Aegyptischen koning en toovenaar Neptabanus, die als de eigenlijke vader van Alexander voorkomt 4), het wondervol verhaal van Alexander's tocht in Indië 5) en verscheidene kortere invoegsels misschien door onzen dichter geput zijn uit de kantteekeningen in het door hem gebruikte exemplaar van Gauthier's gedicht.

Die kantteekeningen schijnen bijeengebracht te zijn uit verschillende werken, en wel juist die, welke Gauthier door zijne Alexandreis had willen verdringen, en waaraan de meeste Fransche Alexanderromans hunne stof te danken hadden. 't Zijn namelijk de werken vol fabelen en wonderverhalen, voor welke als hoofdbron de Pseudo-Kallisthenes 6) kan worden aangewezen, een Grieksch werk, te Alexandrië omstreeks 200 n. Chr. geschreven, volgens de overlevering door Favorinus (of Aesopus), misschien met gebruikmaking van het nu verloren geschiedwerk van Alexander's veldheer Kallisthenes,

[p. 211]

maar in elk geval doorvlochten met allerlei fantastische en zinnebeeldige verhalen van Oosterschen oorsprong. Behalve eene Syrische vertaling, en eene Armenische uit de 5de of 6de eeuw, bestaan er twee Latijnsche bewerkingen van, waardoor de middeleeuwsche schrijvers het leerden kennen. De eerste werd in het begin der 4de eeuw gemaakt door Julius Valerius onder den titel Res gestae Alexandri Macedonis translatae ex Aesopo Graeco; en van die vertaling werd sinds de 9de eeuw een Epitome of uittreksel veelvuldig gebruikt, terwijl zij ook geraadpleegd werd door den schrijver van het omstreeks 340 grootendeels uit Arrianus' geschiedwerk geput Itinerarium Alexandri Magni 1). De tweede vertaling of liever vrije bewerking van den Pseudo-Kallisthenes is de, in handschriften en oude drukken bewaard gebleven, Historia de Proeliis 2), die de aartspriester Leo in 't midden der 10de eeuw vervaardigde op last van hertog Jan van Campanië. In deze vertalingen, vooral in het Epitome uit de eerste, werd de Pseudo-Kallisthenes in de middeleeuwen veel gelezen 3). Daarnaast las men tevens een hoogst fantastisch werkje van Joodschen oorsprong, getiteld Alexandri Magni iter ad Paradisum 4); maar daarmee zijn de bronnen der middeleeuwsche Alexandersage nog lang niet alle genoemd. Ik wijs nog slechts even op de Epistola Alexandri Magni de situ Indiae, die aan Aristoteles gericht en door Cornelius Nepos vertaald zou zijn, en

[p. 212]

op de briefwisseling van Alexander met Dindimus, den koning der Brachmanen 1).

Uit deze en andere Latijnsche, ten deele ook Oostersche bronnen putten nu weder de Fransche romanschrijvers, niet zonder er allerlei wonderlijke en ridderlijk-avontuurlijke verhalen aan toe te voegen. De Pseudo-Kallisthenes met het een en ander uit Justinus en Orosius diende tot bron voor den, op een klein deel na verloren, Alexanderroman van Albéric de Briançon (of Besançon), die in de letterkundige geschiedenis eene groote rol speelt, omdat Pfaffe Lamprecht, de dichter van den Middelhoogduitschen Alexander 2), er zich als bron op beroept. Waarschijnlijk echter kende deze het Fransche werk alleen bij name en putte hij alleen uit de vertaling van Julius Valerius of uit die van Leo 3).

Andere, ook hier te lande bekende, ofschoon misschien niet vertaalde, Alexanderromans zijn Li roman d' Alixandre van Lambert li Tors en Alexandre de Bernay 4) en La Vengeance de la mort d' Alexandre van Guy de Cambrai met een vervolg van Jehan le Venelais 5). Guy de Cambrai raadpleegde voor zijn werk grootendeels zijne verbeelding, maar Alexandre de Bernay gebruikte naast den Pseudo-Kallisthenes ook Quintus Curtius. Een derde roman, Les Voeux du Paon ou le roman de Cassamus van Jacques de Longuyon, is werkelijk bij ons, maar eerst in de 14de eeuw, waarin hij geschreven werd, vertaald, vermoedelijk echter niet met de beide vervolgen, die er op bestaan, namelijk Le Parfait du Paon en Le Restor du Paon. Die vertaling is bekend onder den naam van Roman van Cassamus 6), maar de ruim 3900 verzen van het oorspronkelijke zijn er ingekrompen tot 1890, ten deele door bekorting, ten deele

[p. 213]

zelfs door weglating van geheele episoden. 't Is echter waarschijnlijk, dat er aanvankelijk eene nauwkeurige vertaling van het Fransch heeft bestaan, want van zulk eene vertaling zijn fragmenten over 1), en dat de roman, zooals wij dien nu bezitten, daarvan een verkort afschrift is. Door die bekorting moge het verhaal nu eigenlijk wel geen behoorlijk slot hebben, toch is de roman niet onaardig, vooral in het tweede gedeelte, dat rijk is aan hoofsche en bevallige scherts. Cassamus, een honderdjarige ‘vieliart’ (vs. 621), is het type van een vriendelijk en blijmoedig oud heer en tevens het toonbeeld van een fijn beschaafd ridder. Hij treedt op als edelmoedig beschermer van zijne nicht Phesonie, die beoorloogd wordt door den grijzen Claerwijs, wiens huwelijksaanzoek zij heeft afgeslagen, en wordt in den strijd gesteund door Alexander den Groote. Phesonie's broeders Gadifier en Bettijs staan hem dapper ter zijde, terwijl Bettijs als galant ridder verklaart, dat Alexander tevreden over hem zal zijn, want deze, zegt hij, ‘sal verstaen ant dobbeleren van minen slagen, dat ic hoge minne drage’ (vs. 520 vlgg.). De strijd wordt dan ook in zooverre met goed gevolg gevoerd, dat een der voornaamste vijandelijke ridders, Casseel van Baudre, krijgsgevangen gemaakt wordt door Cassamus, die hem zijne gevangenschap zoo aangenaam mogelijk wil maken. Daarom brengt hij hem in gezelschap van zijne nicht en van hare vriendin Edea, van wie Cassamus zelf vóór den strijd een ‘vingerlijn’ ontvangen had, en tot wier eere hij moedig gekampt heeft, maar die hij nu, onder verklaring dat hij zelf ‘te oud is om joncfrouwen te helsen ende te cussen’ (vs. 1230 vlg.), schertsend aan Casseel afstaat. Onder de jongelieden organiseert hij nu een ‘conincspel’ 2), waarin iemand, die tot koning gekozen is, aan de andere leden van het gezelschap allerlei vragen, hoofdzakelijk over ‘de minne’, mag richten, maar dan ook ten laatste op zijne beurt de vragen van alle anderen moet beantwoorden. Na afloop van dat spel doet hij Casseel en Phesonie aan het schaakbord plaats nemen, waar zij elkaar met fijne zetten, ook in woorden, bestrijden, totdat Cassamus de nederlaag van zijn gevangene verhoedt

[p. 214]

door de schaakstukken om te gooien en beiden mat te verklaren 1).

Voor de romantische behandeling van Caesar en van de Romeinen in en kort na zijn tijd hebben wij slechts enkele fragmenten te vermelden, die zonder te ver van de geschiedenis af te wijken toch, b.v. door de samenspraken en de min of meer aanschouwelijke voorstelling van gebeurtenissen, meer aan een roman, dan aan een geschiedboek in verzen doen denken. Als bron of origineel er van mag misschien beschouwd worden het zeer verbreide Fransche prozawerk Faits des Romains uit de 13de eeuw, dat voornamelijk zijne stof uit de ‘Pharsalia’ van Lucanus putte 2).

Daartoe behooren bij ons 248 verzen, die (met eenige gapingen in de fragmenten) zeer uitvoerig den strijd van Caesar en Pompeius behandelen, waarbij ook Fulgentius, ‘die hertoghe Carbelioen, here van Macedone’ en ‘coninc Fiscoen’ optreden 3). Misschien behooren tot hetzelfde gedicht ook nog eenige kleine fragmenten (samen 302 eenigszins verminkte verzen), die de geschiedenis der Romeinen na Caesar's dood voortzetten door o.a. den slag bij Actium en vervolgens de heldendaden van Tiberius en Drusus, van den laatsten als wreker der legioenen van Varus, min of meer uitvoerig te verhalen 4).

Ook Keizer Octavianus of Augustus is de held van een roman geworden. In de Fransche letterkunde treedt hij op in den roman Florent et Octavien, zooals zijne beide zonen daar heeten, en in den daaruit wat verkorten roman van Othevien, empereor de Rome 5). Niet onwaarschijnlijk is het dat Maerlant op eene (nu verloren) Nederlandsche vertaling daarvan doelt 6), wanneer hij den spot drijft met het lange leven van dien keizer, die in den roman wordt

[p. 215]

voorgesteld als tijdgenoot van de Frankische koningen Lothar en Dagobert, terwijl Maerlant zeer goed wist, dat de historische Octavianus vele eeuwen vroeger had geleefd. Zooals Maerlant waren er velen, en zoo is het dan niet vreemd, dat van Caesar en het Juli-aansche keizershuis, dat men zoo goed kende uit veelgelezen Latijnsche geschiedschrijvers, minder romantische verhalen in omloop kwamen, dan van andere heldenkoningen der Oudheid.

1)Men kent zijn naam en den omvang van zijn werk uit Maerlant's Historie van Troyen, waar hij òf Segher Dengotgaf (vs. 12) òf Segher Diegotgaf òf Segher Dieregotgaf (vs. 374, evenals Sp. Hist. I2 14 vs. 48) òf alleen Segher (vs. 357, 366) heet. Vgl. M. de Vries, Taal- en Letterbode III (1872) bl. 155-164.
2)Zie Maerlant's Historie van Troyen vs. 15.
3)Uitg. door A. Joly, Paris 1870.
4)Beide o.a. uitg. door A. Dederich, Bonn 1837, en door Meister, Breslau 1871, 1873.
5)Het bestaan van een Grieksch origineel werd nog aangenomen door H. Dunger, Die Sage vom trojan. Kriege in den Bearbeitungen des Mittelalters und ihren antiken Quellen, Leipzig 1869; door Meister, Ueber Dares von Phrygien: De excidio Troiae Historia, Breslau 1871; door A. Joly, Benoît de Sainte More et le roman de Troie (in de Mémoires de la société des antiquaires de Normandie XXVII p. 683 vlgg.) en door Gustav Körting, Dictys und Dares, ein Beitrag zur Geschichte der Trojasage, Halle 1874; doch Wagener en Hermann Haupt, Philologus XXXVIII p. 110 vlgg. en XL (1881) p. 107-121, hebben overtuigend bewezen, dat het werk van Dares oorspr. in het Latijn is geschreven; en hetzelfde is van Dictys aangetoond door H. Dunger, Dictys-Septimius, über die urspr. Abfassung und die Quellen des Ephemeris belli Trojani, Dresden 1878 (Gymn. Progr.). Later heeft G. Brunnert, Sallust und Dictys, Erfurt 1883, dat nog nader betoogd door Sallustiaansche taal- en stijleigenaardigheden bij Dictys aan te wijzen op het voetspoor van H. Pratje, Quaestiones Sallustianae ad L. Septimium et Sulpicium Severum spectantes, Gött. 1874. Vgl. nog E. Collilieux, Etude sur Dictys de Crète et Darès de Phrygie, Grenoble 1886, waar wordt betoogd, dat de schrijvers van beide werkjes waarschijnlijk Christenen waren, en dat het origineel van beide Latijn was, al zou dan ook dat van Dictys geschreven zijn door een Cypriër.
1)Zie Maerlant's Hist. van Troyen vs. 7 en 12-16, Sp. Hist. I2 14 vs. 48-50.
1)Maerlant's Hist. van Troyen vs. 17501 vlg.
2)Van Segher bezitten wij in 't geheel 2312 verzen, waarvan ± 1280 vertaald zijn uit het Fransch, en wel vs. ± 13049-13234 en 13831-14472 van Benoit. Het eerst is Segher's werk uitg. door Ph. Blommaert, Oud Vlaemsche Gedichten I (Gent 1838) bl. 1-26, en later naar het volledig HS. van Maerlant's Historie van Troyen, waarin het opgenomen is, door J. Verdam, Episodes uit Maerlant's Historie van Troyen, Gron. 1874, aldaar als vs. 2771-4060 en 4288-5309. Verder vindt men het Paerlement van Troyen nog naar een Utrechtsch HS. medegedeeld door J.H. Gallée, Tijdschrift voor Ned. taal en lett II (Leiden 1882) bl. 118-132, en ten slotte zijn Segher's verzen weer opgenomen in de uitgave van Maerlant's geheele vertaling door N. de Pauw, en E. Gailliard, Dit is die Istory van Troyen van Jacob van Maerlant, Gent 1889-1892 IV dln Daar is Segher's werk vs 14591-15502 en 16493-17500
3)Dat Maerlant de vertaler was, zie men Historie van Troyen vs. 53 vlg., 1927, 1932, 6579, 27736, Rijmb. 7778 vlg., 7915-26 en Sp. Hist. I2 16 vs. 21 vlgg.
4)Dat hij Benoit, ofschoon met afwijkingen, volgt, zegt hij zelf, Hist. van Troyen vs. 50, 437, 1925, 4779, 5364, 6516, 6576, 17936 enz. en Sp. Hist. I2 14 vs. 38 vlgg.
5)Wij bezitten van het gedicht vooreerst verscheidene fragmenten, die alle, nadat er reeds een paar door W.C. Ackersdijck in de N. Werken van de Maatsch. der Ned. Letterkunde I (1824) bl. 201-286 waren meegedeeld, zijn uitg. door Ph. Blommaert, Oud Vlaemsche Gedichten I (Gent 1838) bl. 1-26 (Segher's werk) en 27-56, II (Gent 1841) bl. 73-100 en Theophilus gevolgd door negen andere gedichten, Gent 1858 bl. 56-74, waarbij nog te voegen zijn het door J. Feifalik in den Anz. für Kunde der deutschen Vorzeit N. F. IV (1856) p. 199 vlg. meegedeeld fragment en de te Antwerpen gevonden en in 1870 voor 't eerst door P. Weemaes uitg. fragmenten. Al die fragmenten nu, met nog enkele andere stukken vermeerderd, (in 't geheel 11071 verzen) zijn samen naar het volledig, eenigszins in Kleefsch dialect geschreven, HS. van ± 1400, toebehoorende aan Graaf Von Loë te Wissen, met belangrijke inleiding uitg. door J. Verdam, onder den titel Episodes uit Maerlant's Historie van Troyen, Groningen 1874. Later vermeldde S. Daems nog een fragment van 112 verzen in de Verslagen en Mededeel, der Kon. Vlaamsche Academie 1891 bl. 343-348, dat, evenals vijftien andere fragmenten gedrukt werd als Deel IV, waarmee de volledige uitgaaf van het HS. te Wissen besloten werd, bezorgd. door N. de Pauw en Ed. Gailliard, Dit is die Istorie van Troyen van Jacob van Maerlant, Gent 1889-92 IV dln.
1)Deze episode is beroemd geworden door Guido de Columna, die in 1287 Benoit's roman in Latijnsch proza vertaalde.
1)Maerlant noemt zich zelf den dichter in Alexander VII vs. 694, X vs. 1526; Merlijn vs. 37-39; Hist. van Troyen vs. 53-58 (en elders, zie J. Verdam, Inl. bl. 3); Rijmbijbel vs. 18440-18443; Sp. Hist. I3 56 vs. 48 vlg.
2)Maerlant noemt Meester Wouter van Castelioen zijne bron, Alexander V vs. 921, VII vs. 696.
3)Behalve enkele kleine fragmenten heeft men van den Alexander een volledig doch wat verduitscht HS. uit de 14de eeuw te München, 't eerst diplomatisch uitg. door F.A. Snellaert, Alexanders Geesten van Jacob van Maerlant, Brussel 1860 en 1861, daarna beter, met inleiding en critisch (schoon wel wat hypercritisch, vgl. mijne beoordeeling Literaturblatt für germ. und roman. Philologie V. (1884) p. 95-99) door Johannes Franck, Alexanders Geesten van Jacob van Maerlant, Gron. 1882. Twee fragmenten van een HS. op de Bibl. van Donaueschingen (VII vs. 1014-1310 en X vs. 170-468) zijn daarna nog uitg. door N. de Pauw, Mnl. Gedichten en Fragmenten, II (Gent 1903) bl. 1-19.
1)Het Latijnsche gedicht is o a. uitg. door W Müldener, Philippi Gualtheri ab Insulis dicti de Castellione Alexandreis, Lipsiae 1863. Vgl. verder over den dichter en zijn werk W. Müldener, De vita Gualtheri ab Insulis, Gött. 1854, R Peiper, Programm des Breslauer Maria-Magdalenen Gymnasiums, Breslau 1869 en W. Toischer in de Sitzungsberichte der K. Akad. von Wiss. zu Wien, 1881, p. 4 vlg.: Ueber die Alexandreis Ulrichs von Eschenbach, die op het eind van de 13de eeuw eene Middelhoogd. bewerking van Gauthier's gedicht vervaardigde.
2)Zie daarover J. Franck, Alexanders Geesten, Inl. bl. XIX-LII
1)Alexander VII vs. 837-1776.
2)Alexander IV vs. 391-1080.
3)Alexander VI vs. 613-781.
4)Alexander I vs. 71-410. Maerlant vertelt die, doch zonder er zelf aan te gelooven.
5)Alexander IX vs. 1193-1348.
6)Geheel ongeschonden is de Pseudo-Kallisthenes ons niet bewaard gebleven. De oudste redactie levert ons een HS. te Parijs, van de 11de eeuw, (HS. A); in andere HSS. is veel veranderd en ook veel bijgevoegd, vooral in een HS. van 1567 te Parijs (HS. C.). Naar deze beide HSS. en HS. B. te Parijs gaf Carolus Müller het eerst den Pseudo-Callisthenes te Parijs in 1846 uit. Naar een Leidsch HS., met gedeeltelijke collatie van vier Oxfordsche HSS., schonk H. Meusel eene nieuwe uitgaaf in de Jahrbücher für Classische Philologie V'er Supp.-band, Leipzig 1871 p. 701-816. Eene Duitsche vertaling er van leverde Heinrich Weismann in zijne uitgaaf van den Middelhoogd. Alexander von Pfaffen Lamprecht, Frankf. a. M. 1860.
1)Het werk van Julius Valerius is met het Itinerarium het eerst uitg. door Angelo Mai te Milaan in 1817, daarna te Rome in 1835. Ook nam Carolus Müller beide op in zijne uitgave van Pseudo-Callisthenes, Parijs 1846. Vgl. verder Karl Kluge's werkje De itinerario Alexandri Magni, Vratislaviae 1861. Het Epitome werd voor het eerst gedrukt door Julius Zacher, Halle 1867.
2)Uitg. door Gustav Landgraf, Die Vita Alexandri Magni des Archipresbyters Leo, Erlangen 1885.
3)Voor de bewerkingen van Pseudo-Kallisthenes raadplege men, behalve de inleidingen op de aangehaalde uitgaven, Jules Berger de Xivrey, Notice de la plupart des manuscrits Grecs, Latins et en vieux Français, contenant l'histoire fabuleuse d' Alexandre le Grand, connue sous le nom de Pseudo-Callisthène (in de Notices et Extraits des Manuscrits XIII2, Paris 1838, p. 162-306); Guillaume Favre, Recherches sur les histoires fabuleuses d' Alexandre le Grand (in de Mélanges d'histoire littéraire, II Genève 1856 p. 1-184); en Julius Zacher, Pseudocallisthenes, Forschungen zur Kritik und Geschichte der ältesten Aufzeichnung der Alexandersage, Halle 1867, waarvan een verslag is gegeven door Dr. H.E. Moltzer, Bijdrage tot de Gesch. der Alexandersage in de Dietsche Warande VIII (Amst. 1869) bl. 464-476. Het hoofdwerk daarover is nu Paul Meyer, Alexandre le Grand dans la littérature française du moyen-âge, Paris 1886 II dln.
4)Naar een HS. te Parijs en een te Wolfenbüttel uitg. door Julius Zacher, Regimonti 1859. Vgl. daarover Heinemann Vogelstein, Adnotationes quaedam ex litteris orientalibus petitae ad fabulas, quae de Alexandro Magno circumferuntur, Vratisl. 1865.
1)Eene verkorte vertaling dezer brieven vindt men, ontleend aan Vincentius' Speculum, in Maerlant's Sp. Hist. I4 57-62. Zie daarover H. Becker, Zur Alexandersage, Der Brief über die Wunder Indiens, 1892, 1894.
2)Het Fransche fragment is te vinden bij Paul Meyer a.w. I p. 1-16. Het gedicht van Pfaffe Lamprecht is uitg. door H. Weismann, Frankf. a. M. 1860 en door K. Kinzel, Halle 1884.
3)Zoo oordeelt althans Paul Meyer, a.w. I p. 271-274.
4)'t Eerst uitg. door H. Michelant in deel XIII der Werke des Litter. Vereins in Stuttgart, 1846; later Lambert le Court et Alexandre de Bernay, Alexandriade, éd. Le Court de la Villethasser et Eugène Talbot, Dinant 1861. Maerlant, Sp. Hist. I4 56 vs. 1-10 doelt op dezen roman als hij van ‘dat Romans’ spreekt en wel op vs. 528-550 met het opschrift ‘Regrets des XII Pers’.
5)Dit werk zal Maerlant wel bedoeld hebben, als hij zegt, Sp. Hist. I5, 1 vs. 17 vlg.: ‘Dat Walsch maect grote sprake van sconinx Alexanders wrake’.
6)De Roman van Cassamus is uitg. door Eelco Verwijs, Groningen 1869 naar een Amsterdamsch HS., voorkomende in het Amst. HS. van de Rose.
1)Een fragment van 177 verzen, in 't bezit van M. de Vries, is gedrukt in de uitg. van E. Verwijs Inl. bl. XV-XX; een ander fragment van 140 verzen, van de Bourgondische bibl. te Brussel, is meegedeeld door Alfons Willems in den Taal- en Letterbode II (Haarlem 1871) bl. 158-166.
2)Cassamus vs. 1368-1676. Zulk een conincspel, in 't Fransch genoemd de jeu du roi qui ne ment, komt in verschillende romans voor, o.a. ook in den roman van Limborch XI vs. 110-1068.
1)De eigenlijke Voeux du Paon met de vervulling der geloften komen eerst voor in de, bij ons waarschijnlijk niet vertaalde, vervolgen, waar alle ridders van Alexander's hof, benevens Casseel en de later evenals deze gevangen Porus allerlei geloften doen bij het opdragen van een gebraden pauw, en wel den door Porus doodgeschoten pauw van Phesonie.
2)Zie daarover Histoire littéraire de la France XIX (1838) p. 681-686 en Parodi, Li storia di Cesare in studj di filologia romana IV (1889) p. 237 vlgg.
3)Naar een HS. op de Univ.-bibl. te Gent uitg. door N. de Pauw, Mnl. Gedichten en Fragmenten I (Gent 1897) bl. 530-542.
4)Deze fragmenten waren, deels naar een HS. op de Kon. Bibl. te Brussel door J. F. Willems, deels naar een nu verloren HS. door F. J. Mone, deels naar een Gentsch HS. door W. de Vreese (Tijdschrift XV bl. 73-78) gedrukt, maar werden later (naar 't schijnt in verkeerde volgorde) herdrukt door N. de Pauw, Mnl. Gedichten en Fragmenten I (Gent 1897) bl. 543-549, 723-728.
5)Uitg. door Karl Vollmöller, Octavian, Heilbronn 1883.
6)Maerlant, Alexander V vs. 1215 vlg. Zie ook Boendale, Lekenspiegel III 15 vs. 157-176.
prepostterug  begin  verder