terug  begin  verderprepost
[p. 362]

XIV.
De Oorsprong van het Dierdicht.

Vóór de Rose de eigenlijke allegorie in de Fransche letterkunde invoerde, was er reeds lang eene daarmee nauw verwante dichtsoort van Oosterschen oorsprong beoefend, namelijk het zoogenaamde dierdicht 1), d.i. het verhaal, waarin geene menschen, maar dieren optraden, welke door hunne gedaante of de uitingen van hun instinct zeer geschikt waren om er typen uit de menschenwereld in te kenmerken of te hekelen.

In zoover mag het dierdicht allegorie genoemd worden, als de lezer bij de schildering van gedaante, overleggingen en lotgevallen der dieren niet zoozeer aan die dieren zelf moet denken, als wel aan de menschen, die de dichter in die dieren wil kenmerken of hekelen; doch daarvoor is het noodig, dat de dichter de dieren eenigszins vermenschelijkt en hun het vermogen toedicht om verstandig te denken en verstaanbaar te spreken, terwijl hij van den anderen kant toch weer verplicht is, de eigenaardigheden der dierenwereld zooveel mogelijk te handhaven, met dit gevolg, dat de mengeling van overeenkomst en verschil een komieken tint geeft aan hetgeen ernstig bedoeld is en dieperen zin heeft, dan de vorm oppervlakkig zou doen vermoeden. Evenmin als de eigenlijke allegorie behoeft ook het dierdicht eene didactische strekking te hebben; maar wanneer het zedelijk karakter der menschen (het ethische) de stof van een kunstwerk vormt, is het voor den zedelijken kunstenaar moeilijk, zijn eigen oordeel terug te houden, en vervalt hij dus licht min of meer in den leertoon; terwijl omgekeerd voor wie leeren of berispen wil het dierdicht juist de vorm is, waaronder hij dat op aangename, zelfs vermakelijke wijze kan doen.

De oudste dierdichten, die men kent, hebben dan ook een onmiskenbaar didactisch karakter. Het zijn de Grieksche fabels, die op naam van den Phrygischen of Lydischen Aesopus staan: korte verhaaltjes - vooral kort in hun oorspronkelijken vorm - met eene zedelijke strekking, die meestal op het eind in spreukvorm

[p. 363]

(als epimythion) wordt uitgedrukt. De oudste vorm van het groot aantal Aesopische fabels, dat wij bezitten, is de onopgesierde prozavorm. Eerst tamelijk laat, vermoedelijk in de tweede eeuw vóór Chr., zijn zij ten deele in fraaie verzen overgebracht door den Syriër Babrius, uit wiens Grieksch er in den Romeinschen keizertijd 42 door Avianus in Latijnsche verzen zijn vertaald 1). Een veel omvangrijker bundel Aesopische fabels, zonder tusschenkomst van Babrius in Latijnsche zesvoetige iamben overgebracht, is die waarvan men misschien met te weinig recht aanneemt, dat hij onder de regeering van Tiberius door Phaedrus is vervaardigd. De bundels van Avianus en Phaedrus nu bleven de hoofdbronnen, waaruit men de geheele middeleeuwen door onmiddellijk of middellijk zijne kennis van de Aesopische fabels bleef putten, ofschoon aanvankelijk ook uit Byzantium de Grieksche fabels zelf naar het Westen kunnen zijn overgekomen.

Reeds in de 6de eeuw vindt men bekendheid met de Aesopische fabel van den vos (hier de slang), die zich zóó dik gegeten heeft, dat hij niet meer kan ontvluchten door dezelfde opening, waardoor hij is binnen gekomen 2). In de 7de eeuw wordt de fabel van het hert zonder hart vermeld 3), die ook Froumond van Tegernsee omstreeks 't jaar 1000 ‘uit oude zangen,’ zooals hij zegt, geput heeft, en waarin hij den beer in plaats van den leeuw als koning der dieren doet optreden 4).

Men behoeft het dus niet vreemd te vinden, dat in de latere middeleeuwen de Aesopische fabels zeer bekend en geliefd waren. De bundel van Avianus kwam in verschillende bibliotheken voor 5), werd in proza overgebracht, meer dan eens in andere verzen om-

[p. 364]

gezet, o.a. door Alexander Neckam (geb. 1157) als Novus Avianus 1) en in Fransche verzen vertaald 2). Ook bij ons toonen Maerlant 3) en Boendale 4) Aviaen te kennen.

In de middeleeuwen schijnt daarentegen de dichtbundel van Phaedrus zelf weinig bekend geweest te zijn: des te beter kende men er verschillende omwerkingen van, in Latijnsche disticha o.a. de 60 Anonymi fabulae Aesopeae, die ten minste tweemaal in 't Fransch vertaald zijn onder den titel Ysopet 5). Denzelfden titel draagt ook eene andere Fransche fabelverzameling 6), welke eene vertaling is van 42 Aesopische fabels, door Alexander Neckam in Latijnsche disticha overgebracht onder den titel Novus Aesopus 7). Beide laatstgenoemde Latijnsche dichtbundels zijn waarschijnlijk niet regelrecht naar Phaedrus bewerkt, maar naar den Latijnschen prozavorm, waarin Phaedrus reeds tusschen de 6de en 8ste eeuw was overgebracht en die onder den naam Romulus zeer verspreid is geweest 8). Daarvan bestaan ook eene Fransch bewerking (103 fabels) van Marie de France uit de 13de eeuw 9) en twee Nederduitsche uit de 14de eeuw 10).

Ook in het Dietsch is de Romulus geheel of gedeeltelijk vertaald en van die vertaling bezitten wij nog, onder den naam Esopet,

[p. 365]

de eerste 67 fabels met een proloog 1), waarin de dichter zegt, dat hij ‘in die ere ons Heren bi beesten ende bi vogelen wille leren die nature van den lieden,’ en waarin hij zich verder tamelijk pessimistisch uitlaat over de menschen in vergelijking tot de dieren. Die vertaling munt over het algemeen door zuiverheid van taal en beknoptheid uit. Eenige noodelooze toevoegsels, vooral in de moraal, verraden eene latere hand en zouden het vermoeden kunnen wettigen, dat de vertaler zijn werk misschien onvoltooid heeft gelaten en dat een ander, die het voortzette, tevens het een en ander tusschen het reeds voltooide heeft ingevoegd. Zulk een vermoeden zou niet weinig bevestigd worden, wanneer wij mogen aannemen - en ik zie daarin geen bezwaar - dat het deze vertaling is, die Maerlant reeds in 1284 toont te kennen, die hij prijst als ‘gedicht in rime scone ende fijn,’ en waarvan hij twee personen als vervaardigers noemt, namelijk Calfstaf en Noydekijn 2), van welke beide dichters wij verder echter niets weten 3).

In onze Esopet draagt de vos den naam Reinaert, de ezel heet Boudewijn, de aap Martijn, namen die aan het Grieksche dierdicht te eenemale vreemd zijn en bewijzen, dat hier de Aesopische fabel eenigermate den invloed heeft ondervonden van een ander soort van dierdicht, dat voor onze letterkunde veel belangrijker is geworden: het zoogenaamde dierenepos. Daar dat in de middeleeuwen eerst na de Aesopische fabel optreedt, en daaraan dan ook vrij wat heeft ontleend, zou men misschien kunnen vermoeden, dat het zich ook daaruit alleen had ontwikkeld; doch dat is het geval niet geweest. Wèl is het langs allerlei omwegen en eene eeuwenlange reis, waarop het vrij wat gedaanteverwisselingen heeft ondergaan, naar West-Europa overgekomen uit hetzelfde vaderland, dat ook de Aesopische fabel heeft opgeleverd, namelijk Indië.

Dáár behoort ook de Grieksche fabel oorspronkelijk tehuis 4).

[p. 366]

De Grieken zelf wisten reeds, dat zij haar aan het Oosten te danken hadden: zij noemden Phrygië of Lydië het vaderland van den geheel ongeschiedkundigen Aesopus, wiens levensbeschrijving niet meer is dan een aardig romannetje zonder eenigen historischen grond. Sommige dieren, die eene hoofdrol in de fabel spelen, zooals de leeuw, komen dan ook niet in Griekenland voor, maar in Azië, en de eigenaardige verhouding van dienaar en raadsman, waarin de vos in de fabel menigmaal tot den leeuw staat, dwingt ons als geboorteland van de fabel streken op te zoeken, waar zulk eene verhouding inderdaad heerscht. De natuurbeoefenaars echter kunnen ons die niet aanwijzen, maar wèl hebben zij die verhouding tot den leeuw opgemerkt bij een ander dier, dat uiterlijk veel overeenkomst heeft met den vos, namelijk bij den jakhals. Deze volgt steeds het spoor van den leeuw om na te pluizen wat hij van zijn prooi slechts ten deele verslonden en achtergelaten heeft. Het gehuil van den jakhals is voor de leeuwenjagers dan ook eene waarschuwing, dat een leeuw in de nabijheid is. Jakhalzen nu kwamen in Griekenland evenmin voor als leeuwen: de Grieken hebben er zelfs geen afzonderlijk woord voor, maar duiden hem aan met denzelfden naam als den vos. Indië daarentegen kent leeuwen en jakhalzen en - wat de zaak beslist - dezelfde fabels als de Grieksche en soortgelijke komen ook in de Indische letterkunde voor en daarin vindt men den jakhals in plaats van den vos. Daar dus het Indische dierdicht meer dan het Grieksche in overeenstemming is met de werkelijkheid, moet men aannemen, dat het niet uit Griekenland naar Indië, bv. na den tijd van Alexander den Groote, maar omgekeerd uit Indië naar Griekenland is overgebracht.

Toch zijn de oudste dierverhalen in 't Sanskrit, althans in den vorm, waarin wij ze nu nog bezitten, veel jonger dan de Aesopische fabel: het zijn de beide bundels: Pantsjatantra (d.i. de vijf stukken) 1)

[p. 367]

en het gedeeltelijk daaraan ontleende Hitopadesa (d.i. heilzame raadgeving) 1); maar Boeddhistische geschriften toonen aan, dat de Indische wijzen zich al veel vroeger gaarne van de dierfabel bediend hebben, om hunne lessen ingang te doen vinden; en van een ouder Pantsjatantra, dat omstreeks het begin onzer jaartelling onder den naam Brihatkathâ van Gunâdhya in een Indisch volks-dialect is vervaardigd, bezitten wij belangrijke uittreksels 2), die bewijzen, dat reeds zeer vroeg de Indische dierverhalen denzelfden inhoud hadden en zelfs in dezelfde volgorde voorkwamen, als waarin wij ze nu in het Pantsjatantra bezitten. Het dierdicht is dan ook in Indië veelzijdiger ontwikkeld dan in Griekenland, waar het vermakelijk epos Batrachomyomachia (Muizen- en Kikvorschen-strijd) zoo goed als het eenige dierdicht is, dat niet tot de rubriek der Aesopische fabel behoort. In de Indische werken toch zijn de korte fabels niet los naast elkaar geplaatst, maar kunstig met elkaar verbonden door, en ter juister plaatse opgenomen in een uitvoeriger verhaal, dat wij diernovelle zouden kunnen noemen en waarin dieren, die er de hoofdrol in spelen, elkander korte fabels vertellen in verband tot de gebeurtenissen in de novelle zelf. In spreukvorm of fabel bevatten die verhalen een schat van samengeperste wijsheid, vermoeiend door den overvloed, maar boeiend door den vorm. Een kenmerkend onderscheid tusschen de Grieksche fabel en de Indische diernovelle is nog, dat in de laatste de dieren soms eigennamen hebben en over het algemeen veel meer vermenschelijkt zijn.

Die Indische diernovellen nu zijn, ook buiten de classiek-Grieksche letterkunde om, en wel in meer eigenaardig Indischen vorm,

[p. 368]

naar het Westen van Europa overgekomen 1) door vertaling van een, nu in 't Sanskrit verloren, bundel, waarvan Pantsjatantra en Hitopadesa min of meer in omvang en volgorde der verhalen verschillen. Die bundel toch is in het midden der 6de eeuw overgebracht in de toenmalige Perzische taal, het Pehlevi; en ofschoon die vertaling op 't oogenblik verloren schijnt, kunnen wij haar toch tamelijk goed leeren kennen door vergelijking van twee vertalingen, die daarvan weer bestaan. De eerste is eene Syrische, die het naast bij het oorspronkelijke komt en waarvan de titel, Kalilag en Damnag, ontleend is aan en eigenlijk alleen past voor de eerste daarin voorkomende novelle 2). De tweede, veel meer verspreide, vertaling is de Arabische, getiteld Kalilah en Dimnah 3), gedurende de regeering van kalif Almansoer (754-775) vervaardigd door den tot den Islam bekeerden Pers Abdallah ibn Almokaffa, wiens werk weer in verschillende talen is overgebracht, en zoo in West-Europa is aangeland. Simeon, Seth's zoon, vertaalde het ± 1080 in 't Grieksch onder den titel Stephanites en Ichnelates 4), en zekere rabbi Joël bracht het vóór 1250 over in 't Hebreeuwsch 5), waaruit het weldra (tusschen 1263 en 1278) weer onder den titel Directorium humanae vitae vertaald werd door den bekeerden Jood Johannes van Capua 6). Nog twee andere Latijnsche vertalingen

[p. 369]

werden in de middeleeuwen van de Arabische Kalilah en Dimnah gemaakt, en wel in verzen. De eene, van Raimond van Beziers, dagteekent van 1313 en is eigenlijk bewerkt naar eene Spaansche vertaling van het Arabische werk, uit het midden van de 13de eeuw en toegeschreven aan Alfons den Wijze 1). De tweede, misschien reeds uit de 12de eeuw en dus de oudste die wij kennen, is niet meer dan eene bloemlezing van 35 fabels 2), gedeeltelijk aan de Kalilah en Dimnah ontleend door den Italiaan Baldo, en bekend onder den naam van Alter Aesopus.

Van de Arabische redactie dezer diernovellen zal ik hier enkele korte staaltjes meedeelen, die ik heb uitgekozen met het oog op de ontwikkeling van het dierdicht in West-Europa en in onze eigen letterkunde.

Laten wij van de Arabische vertaling de eerste vier hoofdstukken, die slechts inleiding zijn, ter zijde, dan vinden wij als eerste novelle van het oorspronkelijk werk de geschiedenis van den stier en den leeuw of van de beide jakhalzen Kalilah en Dimnah (in 't Skr. Karataka en Damanaka 3). Daarin wordt verteld, hoe Dimnah aan het hof van den leeuw eene invloedrijke plaats weet in te nemen door in welsprekende bewoordingen wijzen raad te geven en den stier Senzibah (Sk. Sandsjiwaka), voor wiens gebrul de koning der dieren aanvankelijk bevreesd was, ten hove te brengen, waar deze allengs 's konings gunsteling wordt ten spijt van Dimnah, die, uit vrees van zijn invloed te zullen verliezen, leeuw en stier bij elkaar verdacht maakt, vooral door den stier van eene samenzwering tegen den leeuw te betichten, en het ten slotte zóóver brengt, dat de leeuw in eene vlaag van woede, waarover hij later bitter berouw heeft, den stier doodt. Kalilah is bij dat alles Dimnah's vertrouwde, die hem voortdurend, schoon te vergeefs, waarschuwt.

Daarop volgt in het Arabisch 4), doch niet in 't Syrisch, zoodat het waarschijnlijk van Arabischen en niet van Indischen oorsprong

[p. 370]

is, een hoofdstuk, waarin Dimnah de verdiende straf ontvangt. De luipaard beschuldigt hem bij de koninginmoeder, dat hij den stier valsch heeft beticht; hij wordt voor 's konings rechterstoel gedaagd, maar weet zóó welsprekend zijne onschuld te bepleiten, dat er niet terstond eene veroordeeling kan volgen, maar hij voor-loopig gevangen gehouden wordt. Als het proces wordt hervat, houdt hij even handig zijne onschuld staande, totdat de luipaard ten slotte de zaak overtuigend bewijst en Dimnah het leven verliest. Kalilah had zich intusschen als heler van de misdaad uit verdriet over het gebeurde reeds van het leven beroofd.

In die beide novellen zijn de gesprekken der dieren gekruid met fabels, die niet zelden weer tot langere verhalen zijn uitgesponnen. Een dezer verhalen 1) vertelt, hoe een jakhals, die tusschen twee vechtende rammen insluipt om het bloed, dat zij vergieten, op te likken, zelf omkomt door hunne stooten. Een ander verhaal 2) luidt, dat een haas (of jakhals), die, volgens eene door de overige dieren met den leeuw gesloten overeenkomst om hem dagelijks één dier tot voedsel aan te wijzen, ter dood bestemd was, zich redt door den leeuw te vertellen, dat een andere voor hem bestemde haas door een anderen leeuw is geroofd. Als nu de leeuw zijn mededinger wil opzoeken, voert de haas hem naar eene bron, waarin de leeuw zich zelf en den haas ziet weerspiegelen. Wanende zijn vijand te zien, stort hij zich in de bron en verdrinkt.

In het 8ste hoofdstuk der Arabische bewerking vindt men als ingeschoven verhaal 3) de geschiedenis van den twist tusschen veldhoen en haas, welke hun pleit willen laten beslechten door een vroomheid huichelenden kater, maar hun goed vertrouwen met den dood moeten bekoopen. In het 9de hoofdstuk behoort tot de ingeschoven fabels die van den ezel zonder hart of ooren 4), die,

[p. 371]

eenmaal gelukkig aan de klauwen van den leeuw ontsnapt, toch tot hem terugkeert, en wiens hart en ooren, die den zieken leeuw tot geneesmiddel hadden moeten dienen, de jakhals gerust in stilte durft opeten, omdat de leeuw toch wel gemakkelijk zou willen gelooven, dat een zoo ezelachtige ezel immers hart noch ooren kon hebben.

Ten slotte wijs ik nog op het 13de hoofdstuk 1), waarin een brave jakhals als eerste minister van den leeuw optreedt, maar door zijne vele benijders er van wordt beschuldigd, dat hij een voor den leeuw bestemd stuk vleesch heeft achtergehouden. Daar het vleesch door de valsche beschuldigers in de woning van den jakhals is neergelegd en dáár gevonden wordt, schijnt de misdaad bewezen en beveelt de leeuw, dat men den jakhals zal ter dood brengen; maar 's leeuws moeder verhindert de uitvoering van dat vonnis, en als het daarop blijkt, dat de aanklacht valsch was, bekent de leeuw, dat hij onbillijk is geweest, en wordt de jakhals in zijn ambt hersteld.

Deze en dergelijke uit Indië door middel van het Arabisch naar West-Europa overgekomen diernovellen en fabels hebben, gemeenschappelijk met de Aesopische fabels, dáár den stoot gegeven tot het opstellen van de uitvoerige dierdichten, waarvoor zij samen in hoofdzaak ook de stof leverden, en die het Fransch-Nederlandsch dierdicht vormen. Alleen uit zulken middellijken of onmiddellijken invloed der beide stroomingen van het Indische dierdicht is de treffende overeenkomst te verklaren, die het West-Europeesche dierdicht daarmee vertoont, en die het vermoeden wettigt, dat Johannes van Capua of Baldo wel niet de eersten zullen geweest zijn, die door hunne Latijnsche vertaling den inhoud der Arabische, bewerking bekend maakten, maar dat bekendheid daarmee reeds van vroegeren tijd dagteekent, vermoedelijk reeds van den tijd, waarin Karel de Groote vriendschapsbetrekkingen aanknoopte met Haroen-al-Rasjid.

De vroeger verkondigde meening, dat eene diersage van oor-sprong echt Germaansch zou wezen en in kiem als Germaansche volkssage reeds vóór de volksverhuizing zou hebben bestaan, is

[p. 372]

meer en meer onhoudbaar gebleken 1). Van de Germanen zijn het alleen de Zuidelijke Nederlanders, die het met voorliefde beoefend hebben, terwijl het vooral ook de Noord-Franschen waren, die er zich ijverig op hebben toegelegd, het tot voertuig der satire hebben gemaakt en eigenaardig hebben ontwikkeld onder den invloed van den ridderroman. Wel verre van oorspronkelijk volksdicht of volkssage te wezen, is het ontstaan in de studiecel der geleerden. Dat blijkt uit de ons bewaard gebleven dierdichten zelf. De oudste zijn in het Latijn geschreven, en wat er oorspronkelijks (d.i. niet Aesopisch of niet Indisch) in is, is zóó weinig, dat het gerust eigen vinding van den dichter geacht mag worden.

Uit de 8ste eeuw hebben wij bewerkingen van een paar fabels door Paulus Diaconus, met name die van den vos, welke verzuimd heeft den zieken leeuw, zijn heer, te bezoeken, zooals de andere dieren gedaan hadden, en, daarom door den beer van allerlei kwaad beschuldigd en reeds ter dood veroordeeld, zich wreekt door zijne afwezigheid te verk aren uit ijverige studie der geneeskunde en dan op grond daarvan aan te raden, den leeuw te genezen door hem te hullen in eene berenhuid, zooals ook geschiedt 2). Niet veel jonger is het gedichtje van Alcuinus De Gallo 3), de fabel van den slimmen

[p. 373]

haan, die, door de ijdelheid te streelen van den wolf, in wiens macht hij zich bevindt, aan een wissen dood weet te ontkomen. Hetzelfde onderwerp werd in de 9de eeuw ook in vers gebracht door Theodulfus, bij wien echter de vos de plaats van den wolf inneemt 1).

Het eerste uitvoerige Latijnsche dierenepos is de Ecbasis Captivi 2), een half episch, half dialogisch gedicht van 1175 (of met de later ingeschoven verzen mee 1229) hexameters met middenrijm, in de abdij St. Evre bij Toul (vgl. vs. 124, 465 vlg.) kort na 't jaar 936, waarin de abt Archembald eene gestrengere kloosterregeling invoerde, door een ons onbekenden Luxemburger geschreven als bewijs van berouw over zijn te voren ergerlijk gedrag en als middel om ontslagen te worden uit den kloosterkerker, waarin hij was opgesloten, omdat hij geen ordelijk monniksleven had willen leiden en zelfs in baloorigheid uit het klooster ontvlucht, maar met geweld naar de abdij teruggevoerd was.

Onder den vorm van een verdicht verhaal (eene ‘vana fabella, mendosa carta’, zegt hij) vertelt hij daarin zijn eigen leven (‘per tropologiam’, zooals hij het noemt). Een eenzaam in den stal achtergebleven kalf, zoo luidt het verhaal, is ontsnapt aan zijne banden, maar ontmoet in het woud een wolf, die het meevoert naar zijne burcht, waar hij van de wereld teruggetrokken leeft met de twee eenige, hem getrouw gebleven, vazallen, Otter en Egel. Reeds zeven jaar heeft hij zich van alle vleeschspijzen onthouden; nu echter vervalt hij weer tot zijne oude zonden en wil hij het kalf verslinden. Te vergeefs wordt hij gewaarschuwd in een droom, dien de vreedzame Otter hem uitlegt. Intusschen heeft men in den stal het kalf gemist en is de geheele gehoornde kudde opgetrokken om den wolf zijne prooi te ontrukken. Deze zegt, dat hij niemand vreest behalve den vos, en vertelt nu uitvoerig aan Otter en Egel de geschiedenis van een zijner voorvaderen met een der voorvaderen van den vos, een verhaal, dat het grootste gedeelte van het gedicht inneemt 3). Nadat hij heeft uitgesproken, ziet hij den vos inderdaad bij het leger zijner aanvallers, en deze slaagt er in, door listige vleitaal den wolf uit zijne schuilplaats te lokken, waarna de stier hem

[p. 374]

terstond op de hoorns neemt. Het kalf wordt nu bevrijd en aan zijne ouders teruggegeven.

Naast dit, vermoedelijk alleen door de persoonlijke ervaring van den dichter aan de hand gedaan, hoofdverhaal staat het veel belangrijker ingevoegd vertelsel van vos en wolf, dat in 't kort hierop neerkomt: De leeuw lijdt aan eene nierziekte, alle dieren komen hem bezoeken en tevens de tienden brengen, die de wolf als zijn schatmeester in ontvangst neemt. Alleen de vos is afwezig en wordt nu door den wolf van zware misdaden beschuldigd, zoodat de leeuw hem vogelvrij verklaart en er reeds eene galg voor hem wordt opgericht. Hij is echter onschuldig en daarom krijgt de panter medelijden met hem: hij gaat hem waarschuwen en na een goed ontbijt gaan panter en vos samen naar het hof. Onderweg zingen zij psalmen en nemen elkaar de biecht af. Deemoedig plaatst zich daarop de vos voor den koning en verklaart zijne afwezigheid door eene reis, die hij naar Italië gedaan heeft om een geneesmiddel tegen de kwaal des leeuws te zoeken, dat hij dan ook inderdaad gevonden had. Hij tart alle dieren, de tegen hem ingebrachte beschuldigingen te bewijzen, maar geen van hen durft er een woord van reppen, integendeel, zij trachten den leeuw tot begenadiging te bewegen, en deze laat zich tevreden stellen. Nu is de vos zeker van zijne zaak, en, om zich te wreken, vertelt hij, dat alleen eene versche wolfshuid den leeuw kan genezen en dat de wolf die moet afstaan. Terwijl dat geschiedt, verwijt de vos den dieren hunne onrechtvaardigheid: onverhoord hadden zij hem veroordeeld, terwijl zij hem ten minste volgens recht en bllijkheid vooraf driemaal hadden moeten dagen. Sinds dien tijd is de vos de gunsteling van den leeuw: hij beschikt over alle hofambten tot genoegen van alle dieren, behalve van den egel, die er daarom nog slechter afkomt, dan aanvankelijk het geval was. Een luisterrijk feestmaal wordt gehouden, waarop verschillende vogels schoone en stichtelijke liederen aanheffen; en ten slotte weet de vos den leeuw voor het kluizenaarsleven te winnen. Terwijl de leeuw zich naar het Oosten, bet Schwarzwald begeeft, volgt de panter hem in 't Westen op; de zwaan regeert in 't Noorden over de Denen, de papagaai in 't Zuiden over de Indiërs. De vos neemt eindelijk het leen van den intusschen gestorven wolf in bezit.

Bijna onmogelijk is het, dat den dichter bij dat verhaal het bovenvermelde gedicht van Paulus Diaconus niet voor den geest zou

[p. 375]

gestaan hebben. Zeer waarschijnlijk is het m.i. ook, dat hij het verhaal van Kalilah en Dimnah, of in elk geval dat van den braven jakhals uit dezelfde verzameling gekend heeft. Ook is het denkbeeld om eene diernovelle in den mond te leggen van een der dieren uit het hoofdverhaal zoo eigenaardig Oostersch, dat wij ook daarom het vermoeden van Arabischen oorsprong niet kunnen terughouden. Bovendien heeft de dichter sommige bijzonderheden geput uit de eene of andere Latijnsche redactie van den in de middeleeuwen veel gebruikten Physiologus 1), een natuurkundig werk, vermoedelijk reeds in de 2de eeuw na Chr. te Alexandrië geschreven, maar waarschijnlijk althans gedeeltelijk van Oosterschen oorsprong, waarin de eigenschappen der dieren in geestelijken zin worden uitgelegd en wordt aangewezen, hoe men in de dieren verschillende symbolen kan zien. Overigens is de Ecbasis Captivi allesbehalve een volksdicht, maar met studie en inspanning ineengezet. Niet alleen hebben allerlei boeken, vooral de bijbel, de orderegels der Benedictijnen en de Aesopische fabels een groot deel van de stof verschaft, maar bovendien zijn allerlei uitdrukkingen, ja geheele zinnen uit tal van Latijnsche dichtwerken, vooral van Prudentius en Horatius, bijeengezocht. Aan den laatste heeft de dichter niet minder dan 250 heele en halve versregels ontstolen.

Behalve de Ecbasis Captivi bezitten wij nog enkele kleinere Latijnsche dierdichten 2). Het eerste, De Lupo, in 54 rijmende disticha, is omstreeks 1100 aan den beneden-Loire vervaardigd 3) en verhaalt ons, hoe de wolf zich monnik laat maken om zoo te ontkomen aan de wraak van den herder, die hem gevangen had, en dan onder het vroom gewaad van den kloosterling zijn vroeger leven gemakkelijk te kunnen voortzetten. Het tweede, Brunellus (d.i. bruintje of grauwtje) - ook Poenitentiarius of Asinarius genoemd - in 205 disticha, is vermoedelijk omstreeks 1200 in Fransch-Vlaanderen vervaardigd door een tamelijk geleerd dichter, die

[p. 376]

vooral Ovidius vlijtig gebruikt heeft. Wij hooren daarin wolf, vos en ezel hunne zonden biechten. Die van den wolf zijn verschrikkelijk, maar worden door den vos vergoelijkt, zoodat den misdadiger de absolutie niet wordt onthouden. In ruil daarvoor geeft dan ook de wolf den vos gaarne absolutie voor het vele kwaad, dat hij gedaan heeft. De ezel heeft slechts zeer weinig misdreven, maar als hij dat openhartig en met diep berouw heeft bekend, wordt hij door de beide anderen voor een afschuwelijken booswicht uitgekreten en tot straf voor zijne zonden verscheurd. Een derde gedicht in 112 leoninische hexameters, omstreeks denzelfden tijd door een Britschen Benedictijn gemaakt en De Teberto mistico getiteld, leert dat het monnikskleed de natuur van den mensch niet verandert.

Men ziet in het laatste gedicht aan den kater den eigennaam toegekend, dien hij gewoonlijk in het dierenepos draagt, namelijk Tibert, den verlatiniseerden vorm van het Germaansche Theodobercht (= de schitterende onder het volk), een overouden persoonsnaam, dien de schrijvers der dierdichten aan den kater hebben gegeven zonder daarbij aan de eigenlijke beteekenis, zoo zij die al wisten, te denken. Het denkbeeld om de dieren van eigennamen te voorzien is misschien aan de Kalilah en Dimnah ontleend en wel voor het eerst door den een of anderen Nederlander omstreeks het begin van de 12de eeuw. De eerst voorkomende eigennaam is Isengrîm (d.i. de man met het ijzeren helmmasker), die, volgens Guibert van Nogent 1), omstreeks 1112 in Picardië door sommigen aan den wolf werd gegeven. Tot de oudste en meest bekende namen behooren verder: Reinard, d.i. Reginhard (d.i. de zeer sterke of de door de goden gesterkte) voor den vos, en Balduinus of Boudewijn (d.i. de vriend der dapperen) voor den ezel, evenals Tibert en Isengrim gewone persoonsnamen, waarvan de oorspronkelijke beteekenis niets te maken heeft met het karakter of de eigenschappen der dieren. Sprekende namen daarentegen zijn: Bruno (de bruine) voor den beer en Rufanus (de rosse) voor den leeuw, die echter later gewoonlijk Nobel heet. Naarmate het dierdicht zich ontwikkelde, vooral sinds men daarvoor de Fransche taal begon te gebruiken, nam het aantal sprekende namen toe.

Het oudste gedicht, waarin de dieren eigennamen bezitten,

[p. 377]

is tevens het uitvoerigste en bekendste Latijnsche dierenepos, naar den hoofdpersoon Ysengrimus geheeten 1) en omstreeks 1151 vervaardigd door zekeren magister Nivardus, vermoedelijk eerst monnik in het klooster Blandinium te Gent, later scholaster aan de kerk van St. Pharahilde aldaar, en vriend van Walter, abt van Egmond (1130-1161) en Balduinus, abt van Liesborn (1131-1161). In zeven boeken (samen 3287 disticha) behelst het twaalf diernovellen, die maar zeer los met elkaar verbonden zijn, waarin meer samenspraak dan verhaal voorkomt en waarin de satire eene belangrijke plaats inneemt. De hoofdinhoud van bijna alle verhalen is òf in de eene of andere Aesopische fabel òf in eene Oostersche diernovelle terug te vinden, terwijl de meeste ook weer in gewijzigden vorm voorkomen in de eene of andere branche van de Fransche dierdichten, die, van het eind der 12de tot in de 14de eeuw vervaardigd, samengevat worden onder den naam van Roman de Renart 2), en ook, maar in veel beknopter vorm, in het Middelhoogduitsche gedicht Isengrînes Nôt door den Elzasser Heinrich der Glîchesaere, die, blijkens sommige diernamen, als Bertin, Pinte en Schanteclêr (= Chanteclers) en den naam van Reinaert's kasteel Uebelloch als vertaling van Maupertuis, Fransche voorbeelden gevolgd heeft en wel bepaaldelijk door verschillende Fransche branches in regelmatig verkortende, slechts nu en dan

[p. 378]

eenigszins uitbreidende vertaling te verbinden 1) een dierverhaal gemaakt heeft, dat niet, zooals de Fransche gedichten, ten doel heeft hekelend te vermaken, maar de bepaalde strekking vertoont, ernstig te waarschuwen tegen brutale bedriegers, waarvan Beinhart de verpersoonlijking is 2).

Slechts drie van de twaalf verhalen, waaruit de Ysengrimus bestaat, worden niet in eene Fransche branche teruggevonden, namelijk het negende 3), dat verhaalt, hoe Isengrim deerlijk gewond wordt door den ram Joseph, die hem in den geopenden muil springt; het elfde 4), waarin wij lezen, hoe de wolf in de klem gelokt wordt onder voorwendsel, dat hij zijn recht op des ezels huid op eene reliquiekist moet bezweren; en het twaalfde 5), dat Isengrim's dood door eene zwijnenkudde behandelt.

Een kort overzicht van de negen andere verhalen mag niet achterwege blijven, daar de Ysengrimus, ofschoon in 't Latijn geschreven, als het werk van een Nederlander ten volle onze belangstelling verdient, en wij daardoor ook eenigermate den inhoud van verschillende Fransche branches en gedeeltelijk ook dien van het Middelhoogduitsche gedicht leeren kennen.

In het eerste verhaal van den Ysengrimus 6) lezen wij, hoe Reinaert Isengrim's wraakzucht weet te stillen door voor hem eene zijde spek op een boer buit te maken, maar dan ook rustig moet aanzien, dat de wolf alles verslindt en hem niets anders dan het af-

[p. 379]

gekloven touw overlaat. In het tweede 1) wordt verteld, hoe Reinaert Isengrim overhaalt om monnik te worden en hem dan wijsmaakt, dat hij visschen kan vangen wanneer hij zijn staart maar in 't water laat neerhangen, met dit gevolg, dat 's wolfs staart daar vastvriest en het arme dier dien verliest in den strijd tegen de boeren, die op hem losstormen. Het derde 2) schijnt ontleend aan een soortgelijk verhaal uit de Kalilah en Dimnah 3) en vermeldt, hoe Reinaert Isengrim aanspoort een twist tusschen vier rammen over een stuk land als landmeter te beslechten, maar hoe de wolf allerjammerlijkst gestooten wordt door de rammen, die ieder van een verschillenden kant op den, midden in 't veld geplaatsten, wolf toerennen. Op het vierde, dat voor ons het belangrijkste is, komen wij beneden terug. Het vijfde 4) is het verhaal yan den door de geit Bertiliana en hare gezellinnen ondernomen pelgrimstocht, waarop Isengrim, onder den schijn van haar gast te willen zijn, voorneemt haar te overvallen, maar, doodelijk verschrikt door de list van Reinaert, die den gast een wolfskop doet voorzetten, het hazenpad kiest, en ook later, als hij met vele andere wolven teruggekeerd is om zich te wreken, door ijdelen schrik bevangen, op de vlucht gaat. Het zesde 5) doet aan Alcuinus' fabel 6) denken: de vergeefsche poging van Reinaert om Sprotinus, den haan, tot een pelgrimstocht over te halen en hem door een gewaanden brief, waarin 's konings vrede afgekondigd zou zijn, vertrouwen in te boezemen, nadat hij hem reeds eenmaal gegrepen maar weer losgelaten had. In het zevende 7) scheert Reinaert den

[p. 380]

wolf eene kruin, en verleidt hij hem, monnik te Blandinium te worden, schoon hij daar niets dan slagen oploopt, terwijl Reinaert intusschen zijne kinderen mishandelt en zijne vrouw schoffeert. In het achtste 1) vinden wij eene bekende Aesopische fabel in gewijzigden vorm terug; de wolf tracht den ruin Corvigarus (de Ravenzwarte) te verschalken, maar krijgt een hoefslag die hem doet duizelen. Het tiende eindelijk 2) bevat de bekende geschiedenis, der buitverdeeling door Reinaert, die, wijs geworden door de aan zijn oom Isengrim uitgedeelde straf, aan den leeuw en zijn gezin alles toewijst.

Kan men, zooals wij reeds opmerkten, van de verhalen in den Ysengrimus bijna altijd de bron in de Aesopische fabels of in de Indische diernovellen aanwijzen, hetzelfde is het geval met de Fransche branches, die niet in den Ysengrimus vertegenwoordigd worden, zooals bv. met het bekende verhaal ‘conme Renart conchia le corbel du froumage’ 3), en met eene variant der fabel van den haas en den leeuw uit de Kalilah en Dimnah 4), waarin verteld wordt, hoe de vos, door in een putemmer te gaan zitten, bij ongeluk in een put is geraakt en, om weer boven te kunnen komen, den wolf in den anderen putemmer wil doen plaatsnemen, waartoe deze zich laat verlokken, omdat hij, zijn eigen spiegelbeeld in het water bemerkende, dat voor de wolvin aanziet, die hij van ongeoorloofde liefdesbetrekking met Reinart verdenkt 5). De branche van den geelgeverfden vos, ‘conme Renart fu tainturier’ 6), moet op de eene of andere wijze samenhangen met een verhaal in het Pantsjatantra 7), van een jakhals, die, door honden vervolgd, bij een blauwverver in een vat met indigo valt en er sinds dien tijd als een geheel onbekend dier uitziet, zoodat hij aan alle andere

[p. 381]

dieren ontzag inboezemt en zelfs door hen tot koning verkozen wordt, maar zich ten slotte verraadt door mee te huilen, wanneer hij van verre een troep jakhalzen hoort.

Nu komen wij tot het derde boek van den Ysengrimus, dat het belangrijkste van alle daarin voorkomende dierverhalen, het vierde, behelst. In hoofdzaak komt het overeen met het eerste gedeelte (vs. 392-564) van het ingeschoven verhaal in de Ecbasis Captivi, waarvan wij reeds opmerkten, dat het ontleend is aan een gedicht van Paulus Diaconus, en ook den invloed ondervonden schijnt te hebben van twee novellen in den Kalilah en Dimnah. Alleen worden alle bijzonderheden in den Ysengrimus zeer in de schaduw gesteld door de uitvoerige behandeling van de geneeswijze, die de wolf op Rufanus, den leeuw, toepast, en vooral van die, welke Reinaert te Salerno geleerd heeft en waardoor hij inderdaad den leeuw doet herstellen.

Hetzelfde verhaal, misschien nog eer aan de Ecbasis dan aan den Ysengrimus ontleend, is ook verreweg het hoofdverhaal in het gedicht van Heinrich der Glîchesaere 1); doch daarin wordt als oorzaak van de ziekte opgegeven, dat de mierenkoning den leeuw in het oor is gekropen. Verder vindt men daar de tegen Reinhart ingebrachte beschuldigingen vrij wat meer uitgewerkt. Ook de haan Schanteclêr komt daar met zijne vrouw Pinte klagen over den moord van hunne dochter, wier lijk zij op eene baar medebrengen. Alleen Krimel verdedigt Reinhart. Verwijt de vos in de Ecbasis den dieren, dat zij hem niet driemaal hebben doen dagen vóór hem te veroordeelen, hier wordt hij inderdaad driemaal gedaagd: het eerst door Brûn, den beer, dien hij met honig, vervolgens door Diepreht, den kater, dien hij met muizen deerlijk beet neemt, en eindelijk door Krimel, die hem ten hove brengt, waar hij als geneesheer optreedt en niet alleen de huid van den wolf, maar ook die van den beer en den kater eischt, en, door den leeuw te genezen, almachtig wordt, zoodat hij al zijne vijanden benadeelt en aan zijne vrienden ambten en leenen verschaft, waarvan het bezit hun echter slecht bekomt. Wat overdreven is het, dat hij eindigt met den leeuw te vergiftigen.

Der Glîchesaere heeft zijn verhaal aan twee verschillende Fransche branches ontleend. Van de eene komt het tweede gedeelte 2) in

[p. 382]

hoofdzaak overeen met het vierde verhaal van den Ysengrimus en wel ongeveer in denzelfden vorm, waarin Der Glîchesaere het behandeld heeft: het bevat dus de genezing van den leeuw door den vos en de daarop door den vos op zijne vijanden genomen wraak, evenwel zonder het uitdeelen van leenen aan zijne vrienden en zonder de dwaze vergiftiging van den leeuw. Het eerste gedeelte van die branche bevat eene navolging, naar 't schijnt, van hetgeen reeds in de eerste helft van eene andere branche 1) behandeld was, en dáár wel bijna geheel in overeenstemming met het gedicht van Der Glîchesaere. Dáár toch vinden wij de tegen Reinaert ingebrachte beschuldigingen, den optocht van Chantecler en de drie indagingen van den vos met zijn listig bedrog van Brune en Tybert. Alleen is het daar niet Krimel, maar de das Grimbert, die Reinaert ten hove brengt en hem onderweg de biecht afneemt, waarvan reeds in de Ecbasis sprake is. Verder is er in 't Fransch nog bijgevoegd, hoe Reinaert zich te vergeefs verdedigt, veroordeeld wordt, maar verlof krijgt zijne zonden uit te wisschen door eene bedevaart, die hij niet onderneemt, daar hij zich naar zijn kasteel Maupertuis begeeft, na onderweg nog eene poging gedaan te hebben, om Coart, den haas, in zijne macht te krijgen 2).

Na al het aangevoerde kan het moeielijk meer betwijfeld worden, of het dierdicht, zooals wij dat in de Fransche letterkunde zoo rijk ontwikkeld zien, en ook in onze eigene letterkunde mogen genieten, heeft zijne stof geput uit de Latijnsche litteratuur, die er zich van den Romeinschen keizertijd af de geheele middeleeuwen door mee heeft bezig gehouden en zelf uit twee bronnen is voortgevloeid, eene Grieksche in den keizertijd en eene Arabische in de middeleeuwen, die beide van Indische herkomst zijn, maar in twee ver van elkaar verwijderde perioden daaruit naar het Westen

[p. 383]

zijn gekomen. In Noord-Frankrijk moet het dierdicht dus eerst door geleerden in de studeerkamer, door monniken in de studiezaal der kloosters hebben gebloeid, vóór de ‘jogleors’ het daar vonden en in hun Fransch er een meer populairen vorm aan gaven. Dat zij het in hun Latijn vonden, kan ons tegenwoordig nog te minder bevreemden, nu ook van den ridderroman is aangetoond, dat Latijnsche geschriften daarvan veel meer de bronnen geweest zijn, dan men vroeger wel wilde gelooven.

De oudere voorstelling van Jacob Grimm kan te minder houdbaar geacht worden, omdat er niets is, wat voor een Duitschen oorsprong van het dierdicht zou kunnen pleiten, en omdat het in Duitschland zelf ook in de verte zoo populair niet geweest is, als in Noord-Frankrijk en daardoor in de, onder Noordfranschen invloed staande, Nederlanden. Alleen doordat eene jongere Nederduitsche vertaling van den Nederlandschen Reinaertroman een tijdlang voor oorspronkelijk Duitsch kon doorgaan en in eene Nieuwhoogduitsche bewerking van een genie als Goethe zooveel bekendheid verwierf, konden de Duitschers aan den oorsprong gelooven van wat zij voor eene oorspronkelijk Germaansche diersage hielden.

Dat men tegenwoordig ook in Duitschland uit eigen beweging Grimm's fantastische theorie heeft prijsgegeven, was zeker ten deele wel het gevolg van den nieuwen geest, die ook dáár de beoefening der letterkunde was gaan bezielen, sinds men had ingezien, dat de voorstelling der geleidelijke ontwikkeling van goed gestaafde feiten (die trouwens ook Grimm zelf van overal had bijeengezocht) alleen een getrouw beeld van de werkelijkheid kon geven en romantische verbeelding, waardoor Grimm zich, als zoon der romantiek, nog al te veel liet leiden, wel eene boeiende, maar daarom nog geene ware voorstelling kon geven van hetgeen er inderdaad op letterkundig gebied had plaats gehad.

Romantisch nu was, ook bij hem nog, het geloof aan het bestaan van een volk, dat dichten kon, ofscheen ‘het volk’ een abstract collectief begrip is, en het geloof aan de werkzaamheid van abstracte begrippen ons buiten de wetenschap en op het gevaarlijk gebied der mystiek voert. Volksdichten kunnen dus nooit door ‘het volk’ gemaakt zijn, maar door enkelingen uit het volk, die hun werk onder het volk populair wisten te maken. Zoo beschouwd, waren de Fransche ‘jogleors’ de oudste ons bekende volksdichters

[p. 384]

wat het dierdicht aangaat; maar zij waren de leerlingen van Latijnsche kunstdichters en geleerden.

Natuurlijk is het niet onmogelijk, dat zij, behalve hunne verbeelding te raadplegen, ook onder het volk reeds gangbare verhalen van dieren aantroffen, waarvan zij partij trokken, want zulke verhalen of anecdotes kan men ook nu nog in groot aantal onder het volk aantreffen 1); maar dat sommige van die verhalen ook in onze romans worden teruggevonden, zonder dat men daarvoor bewijzen van ontleening aan geleerde bron kan aanvoeren, pleit op zich zelf nog niet tegen zulk eene ontleening, en wel allerminst als die volksverhalen bij Duitschers of Scandinaviërs worden gevonden, bij wie de romandichters ze zeker niet hebben leeren kennen, terwijl zij omgekeerd, bij de groote verspreiding der Fransche letterkunde, daaruit licht onder Duitschers en Scandinaviërs tot volkssprookjes kunnen geworden zijn.

Nog altijd toch zijn menschen met romantischen aanleg geneigd, al wat volkssprookje is niet alleen als gewrocht van ‘het volk’ aan te zien, maar ook er een hoogen ouderdom aan toe te kennen, terwijl er toch inderdaad nauwelijks eene halve eeuw noodig is om in gewijzigden en voor het eenvoudige volk geschikten vorm om te gieten, wat als kunstverhaal was ontstaan. Schoolmeesters en pastoors zullen aan zulke kunstverhalen dan in hun volkskring het eerst toegang hebben verschaft; kinderen hebben ze verder verspreid; maar vaster vorm en duurzaamheid verkregen zij eerst in den mond van die oude moedertjes, die er de hoogste wijsheid in belichaamd vonden en er hunne kleinkinderen met open mond naar deden luisteren. Zooals de ooievaar de kinderen bracht, zoo bracht de ‘grauwe gans’ de kindersprookjes, waarvan niemand onder het volk meer den oorsprong kende, maar waarin wij over het algemeen veeleer de verminking van oudere kunstpoëzie mogen zien, dan de stof voor kunstdichters, die zelf nog niet, als vele jongere kunstdichters van onzen tijd, met zulke sprookjes dweepten.

[p. 385]

In elk geval moet men met het aannemen van die volksverhalen als bron voor de scheppingen onzer dichters uiterst voorzichtig wezen, daar men er meestal geen chronologisch houvast aan heeft en zeer goed van jongen datum kan zijn, wat, vooral als de verbeelding het eerst aanvult en verklaart, overoud heet. Om die reden zullen wij dan ook verstandig doen, met den oorsprong van een groot deel dier volksverhalen over dieren in West- en Noord-Europa in de eerste plaats te zoeken in de volksboeken, die van Reinaert overal zijn verspreid, zooals wij ook bekendheid met helden van den ridderroman onder het volk zullen toeschrijven aan de volksboeken, waarin zij verwerkt zijn, en niet licht zullen gelooven, dat wat het volk van hen vertelt nu eigenlijk de oudste overlevering is en de stof voor de romandichters is geweest.

1)Dat de Rose zelf het dierdicht ook in den jongeren vorm kent, blijkt uit vs. 10435 vlgg., waar gesproken wordt van den wolf in 't schaapsvel, en die wolf Ysengrime heet.
1)Zie daarover en over het volgende Léopold Hervieux, Les Fabulistes latins depuis le siècle d' Auguste jusqu'à la fin du moyen-âge Paris 1884.
2)Bij Gregorius Turonensis, Historia Francorum IV 9 (ed. W. Arndt et Br. Krusch, Hannov. 1884 p. 146). Deze fabel komt, behalve bij Babrius en in andere bundels, ook voor bij Horatius, Epist. I 7 vs. 29-33.
3)Bij Fredegarius, Chronicon III 8. 't Is de 95ste fabel van Babrius, de 30ste van Avianus. Hiermee stemt eene Oostersche fabel van den ezel zonder hart en ooren overeen, waarop wij beneden terugkomen.
4)Deze plaats uit zijne Historia fundationis monasterii Tegernseeënsis cap. 5 heeft dikwijls, op gezag van J. Grimm, dienst gedaan als bewijs, dat de beer oorspr. bij de Germanen de koning der dieren zou geweest zijn, maar bewijst alleen, dat Froumond de uitheemsche fabel heeft trachten te germaniseeren.
5)Drie HSS. er van bevonden zich in de 11de eeuw in het klooster te St. Evre bij Toul. Zie den Catal. van dat klooster bij Docen, Neuer. Litter. Anzeiger 1807 p. 65. Omstreeks 1100 bezat de abdij van Egmond een Avianus, en in 1250 glossen daarop. Zie H. van Wijn, Huiszittend Leeven I (1802) bl. 322, 330.
1)Gedeeltelijk uitg. door Edélestand du Méril, Poésies inédites du moyen âge, précédées d'une histoire de la fable Esopique (welke zeer belangrijk is voor de geschiedenis der fabels gedurende de middeleeuwen), Paris 1854 p. 260-276.
2)Uitg. door A.G.M. Robert in zijne Fables inédites des XIIe, XIIIe en XIVe siècle et Fables de la Fontaine, précédées d'une notice sur les fabulistes, Paris 1825.
3)Sp. Hist. I3, 3 vs 5.
4)Lekenspiegel III 15 vs. 183.
5)'t Meest bekend is de uitg. van I. N. Neveletus, Mythologia Aesopica, Francofurti 1610. 't Laatst zijn zij naar een afwijkend HS. afgedrukt door Wendelin Foerster op p. 96-137 zijner uitgave van eene der beide Fransche vertalingen, Lyoner Tsopet, altfranz. übersetzung des XIII Jahrhs., Heilbronn 1882. De andere Fransche vertaling vindt men als Ysopet I in 't aangehaalde werk van Robert.
6)Opgenomen als Ysopet II in het aangehaalde werk van Robert.
7)Uitg. door Edélestand du Méril, Poésies inédites du moyen âge, Paris 1854, p. 169-212.
8)Er bestaan verscheidene van elkaar in omvang, volgorde en redactie afwijkende HSS. en uitgaven van. Het vermoedelijk oudste HS., de Burneianus van het Britsch Museum, is uitg. door Hermann Oesterley, Romulus, die Paraphrasen des Phaedrus und die Aesopische Fabel im Mittelalter, Berlin 1870. Zie verder over den Romulus: L. Roth, Die mittelalterlichen Sammlungen lateinischer Thierfabeln, in den Philologus I (1846) p. 523-546.
9)Uitg. door B. de Roquefort, Poésies de Marie de France, Paris 1832 II p. 59-402.
10)De eene is nog niet volledig uitg.; de andere, die te onrechte aan Gerhard von Minden werd toegeschreven, is uitg. door W. Seelmann, Gerhard von Minden, Norden und Leipzig, 1882.
1)Zij zijn naar het eenig HS. der Leidsche Maatsch der Ned. Lett. No. 191 bl. 85-94 het eerst uitg. door J. A. Clignett in zijne Bijdragen tot de oude Nederl. Letterkunde, 's-Grav. 1819; daarna door mij met inleiding en woordenlijst te Groningen in 1881.
2)Sp. Hist. I3, 3 vs. 1-12.
3)Zes tamelijk allegorische gedichtjes van zekeren Noydekijn, die in een HS. (No. 721) van de Kon. Bibl. te 's-Grav. voorkomen, nam ik in mijne Esopet-uitgave bl. 6-15 op, maar toonde tevens aan, dat zij uit de 14de eeuw moeten dagteekenen en dus niet aan den vertaler van den Esopet mogen toegekend worden.
4)Reeds Loiseleur Deslongchamps, Chr. Lassen en A. Wagener hadden dat betoogd, maar onomstootelijk is het bewezen door Otto Keiler, Untersuchungen über die Geschichte der Griechischen Fabel in Fleckeisen's Jahrbücher für Classische Philologie, 4ter Suppl. Leipzig 1861-1867 p. 307-418.
1)Pantschatantrum sive Quinquepartitum edidit J.G.L. Kosegarten, Bonnae 1848-1859 in twee redacties: eene beknoptere en eene uitgebreidere. Eene andere uitgaaf van het Pantsjatantra (in de Bombay Sanskrit Series) danken wij aan F. Kielhorn (I, 5 ed. Bombay 1885) en aan G. Bühler (II-V 3 ed. Bombay 1885-86). De oudste, ook eenvoudigste redactie van het werk is de zoogenaamde Zuidelijke tekst, het eerst uitg. door Michael Haberlandt, Zur Geschichte des Pañcatantra I Text der südlichen Recension, Wien 1834 (Band CVII des Sitzungsberichten d. K. Akad. der Wiss.). Eene minder nauwkeurige Fransche vertaling leverde Dubois, Le Panchatantra ou les cinq ruses, Paris 1826, eene uitstekende Duitsche vertaling Theod. Benfey, Pantschatantra. Fünf Bücher indischer Fabeln aus dem Sanskrit übersetzt, Leipzig 1859. Het tweede deel daarvan bevat de vertaling, het eerste eene allerbelangrijkste in leiding. In het Ned. is het Pantsjatantra vertaald door H. G. van der Waals, Leiden 1895-97, III dln.
1)Uitg. door A.W. von Schlegel en Chr. Lassen, Hitopadesa, id est Institutio Salutaris, Bonnae 1829, en door Max Müller, Hitopadesa, with interlinear translation, gramm. analysis and English translation, London 1854 en Peter Peterson, Hitopadesa by Nârâyana, Bombay 1887. Vooraf had Max Müller uitg. Hitopadesa eine alte indische Fabelsammlung aus dem Sanskrit zum ersten Mal in das Deutsche übersetzt, Leipzig 1844. Er bestaat ook eene Fransche vertaling van Edouard Lancereau, Hitopadesa ou l' Instruction utile, Paris 1855 en eene Ned. door H.G. van der Waals, in het Maandblad ‘Theosophia’, 1907-10.
2)Zij werden in de 11de eeuw gemaakt door Kshemendra (uitg. door Leo von Mankowski, Der Auszug aus dem Pañcatantra, Leipzig 1892) en onafhankelijk van dezen een weinig later ook door Somadeva in zijn Kathâsaritsâgara, eene reusachtige encyclopaedie van sprookjes en vertelsels, uitg. met Duitsche vertaling door Hermann Brockhaus, Leipzig 1839-1843 en door Pandit Durgâprasâd en Kâsinâth Pândurang, Bombay 1889.
1)De weg, waarlangs dat gebeurde, is duidelijk aangewezen door Max Müller, On the migration of fables (1870) in zijne Selected Essays I (London 1881) p. 500-576. Meer bijzonderheden vindt men ruimschoots in Benfey's aangehaalde inleiding op het Pantschatantra.
2)Zie Kalilag und Damnag, Alte Syrische Uebersetzung des Indischen Fürstenspiegels. Text und deutsche Uebersetzung von Gustav Bickel, mit einer Einleitung von Theodor Benfey, Leipzig 1876. Van de 10 novellen dier vertaling stemmen No. 1, 2, 3, 4 en 6 overeen met Pantsjatantra 1, 2, 4, 5 en 3; verder beantwoorden No. 5, 7 en 8 aan stukken uit Mahâbhârata.
3)Uitg. door Silvestre de Sacy, Calila et Dimna ou fables de Bidpai en Arabe. Paris 1816. Eene Engelsche vertaling daarvan leverde W. Knatchbull, Bidpai, Kalila and Dimna, Oxford 1819, eene Hoogduitsche Wolff, Das Buch des Weisen, etc. Stuttgart 1839.
4)Uitg. met Latijnsche vertaling door Seb. Godfr. Stark, Specimen sapientiae' Indorum veterum, i. e. liber ethico-politicus pervetustus, dictus arabice Kylile et Dimne, graece Stephanites et Ichnelates, Berol. 1697, herdrukt te Athene, 1851.
5)In het eenig HS., dat daarvan te Parijs berust, is het slechts gedeeltelijk bewaard gebleven en uitg. door Joseph Derenbourg, Paris 1881 met eene andere Hebreeuwsche vertaling.
6)Het werk van Johannes van Capua is voor 't eerst omstreeks 1483 gedrukt, later uitg. door Joseph Derenbourg, Johannis de Capua Directorium vitae humanae, alias parabola antiquorum sapientium, version latine du livre de Kalilah et Dimnah, Paris 1887. Het werd tegen het eind van de middeleeuwen en later weer in verschillende Europeesche talen overgebracht, 't eerst, naar 't schijnt, in 1480 in 't Hoogduitsch door Heinrich Steinhöwel. Bij ons verscheen te Amsterdam in 1623 (en later meer dan eens herdrukt) Voorbeelsels der oude wijzen: handelende van.... wt d'Indische sprake in d'Arab., Hebr., ende Lat. overgheset ende nu in de Duytsche vertaelt.... door Zacharias Heyns.
1)De Spaansche vertaling is uitg. door Pascual de Gayangos in het 51ste deel der Biblioteca de Autores Espanoles, etc. Madrid 1860.
2)Van die fabels vindt men er 28 met een proloog bij Edélestand du Méril, Poésies inédites du moyen âge, Paris 1854 p. 213-259.
3)In de Arab. red. cap. V, bij Joh. van Capua cap. II, in de Syrische red. cap. I (van Bickel's vertaling p. 1-33), in het Pantsjatantra lib. I (van Benfey's vertaling p. 1-155) en bij Kshemendra I vs. 1-132 (bij Mankowski p. 1-14, 33-45).
4)Zie in 't Arab. cap. VI, bij Joh. van Capua cap. III.
1)In Wolff's vertaling van 't Arab. p. 29, bij Joh. van Capua II c 1 a, in Bickel's vert. van 't Syrisch p. 9, in het Pantsjatantra I 4 (Benfey's vertaling p. 37) en in de Zuidelijke redactie, I 3.
2)In Wolff's vert. van 't Arab. p. 46, bij Joh. van Capua II c 5 b., bij Baldo 14 (waar de vos de plaats van den haas inneemt, evenals in de Disciplina Clericalis van Petrus Alfonsus XXIV), in Bickel's vert. van 't Syrisch p. 14, in het Pantsjatantra I 8 (Benfey's vert. p. 62-67), in de Zuidelijke Pantsjatantra-redactie, I 6 en bij Kshemendra I 5 vs. 38b-47a (bij Mankowski, p. 5 vlg., 36 vlg.)
3)In Wolff's vert. van 't Arab. p. 197, bij Joh. van Capua V h 6 b; bij Baldo 20, in Bickel's vert. van 't Syrisch p. 65 vlg., in het Pantsjatantra III 2 (Benfey's vert. p. 231-236), in de Zuidelijke redactie III 3 en bij Kshemendra III 3 vs. 25-28 (bij Mankowski, p. 21 vlg., 51 vlg.).
4)In Wolff's vert. van 't Arab. p. 242, bij Joh. van Capua VI k. 2 b., bij Baldo 13, in Bickel's vert. van 't Syrisch p. 51 vlg., in het Pantsjatantra IV 2 (Benfey's vert. p. 295-299), in de Zuidelijke redactie IV 1 en bij Kshemendra IV 2 vs. 10-19 (bij Mankowski, p. 29, 58 vlg.).
1)Evenals in 't Arab. ook bij Joh. van Capua cap. XIII, in Bickel's vert. van 't Syrisch p. 84-92. In het Pantsjatantra komt het niet voor, wèl in Mahâbhârata XII 4084 vlgg.
1)Die meening is met betooverend talent verkondigd door Jacob Grimm in zijn, van rijke kennis en stoute verbeelding getuigend, werk Reinhart Fuchs, Berlin 1834, en vond al spoedig bij alle Duitsche geleerden bijval. Ik noem slechts Gervinus en Wilhelm Wackernagel, welke laatste een duidelijk en nog steeds zeer lezenswaardig overzicht over de meeste onderdeelen van dit onderwerp gaf in zijne verhandeling Von der Thiersage und den Dichtungen aus der Thiersage (1867) in zijne Kleinere Schriften II (Leipzig 1873) p. 234-326. In Frankrijk was het alleen Fauriel, die bij zijne behandeling van den Roman du Renart in de Hist. Littéraire de la France XXII (Paris 1852) p. 889-946 Grimm's voorstelling, schoon met een enkel voorbehoud, overnam, terwijl bij ons, naast J.F. Willems, ook Jonckbloet er zich in verschillende degelijke werken ('t eerst in zijne Gesch. der Mnl. Dichtkunst 1851) bij aansloot en er zelfs (in zijne Etude sur le Roman de Renard, Gron. 1863) eene lans voor brak tegen Paulin Paris, die haar had bestreden in zijn werk Les aventures de Maîre Renart mises en nouveau langage, Paris 1861, evenals Ch. Potvin, Le Roman du Renard mis en vers, précédé d'une introduction et d'une bibliographie, 1861. Geruimen tijd scheen het, of onwillekeurige invloed van het nationaliteitsgevoel Duitschers en Franschen hier zou blijven scheiden, toen, reeds eenigermate door Otto Keiler voorgegaan, Karl Müllenhoff in een kort, maar zaakrijk en overtuigend stuk Ueber Reinhart Fuchs (Zeitschrift für deutsches Alterthum XXVIII Berlin 1875 p. 1-9) ook in Duitschland Grimm's al te dichterlijke voorstelling als onjuist kenmerkte, weldra gevolgd door mannen als Wilhelm Scherer en Ernst Voigt.
2)Poetae Latini aevi Carolini, ed. Ernestus Dümmler, I (Berol. 1881) p. 62-64. Eene Arabische variant daarvan, waarin het geneesmiddel, dat de vos voorschrijft, een knobbeltje in de dij van den wolf is, werd aangewezen door M.J. de Goeje in de Hand. en Mededeel. van de Maatsch. der Ned. Lett. 1870; bL 177.
3)Poetae Latini, etc. I p. 262.
1)Poetae Latini, etc. I p. 650.
2)'t Eerst ontdekt en uitg. door Jacob Grimm en Andreas Schmeller, Lateinische Gedichten des X und XIten Jahrhunderts. Gött. 1838 p. 241-330 en later door Ernst Voigt, Ecbasis Captivi, das älteste Thierepos des Mittelalters, Strassburg 1875. Vgl. daarover nog Ernst Voigt, Untersuchungen über den Ursprung der Ecb. Capt. Progr. des Fried.-gymn. Berlin 1874.
3)Namelijk vs. 392-1009 en 1016-1097.
1)Zie Friedrich Lauchert, Geschichte des Physiologus, Strassburg 1889, waarin ook de Grieksche tekst van het werk is opgenomen. Deze Physiologus werd de bron van verschillende Bestiaires in alle Europeesche talen en meest in verzen.
2)De twee voornaamste, De lupo en Brunellus, vindt men in J. Grimm's Reinhart Fuchs (Berlin 1834) p. 397-416. Alle met elkaar en met nog eenige fabels in proza, o.a. van Meester Odo de Ciringtonia (d.i. Sherrington) werden uitg. door Ernst Voigt, Kleine Lateinische Denkmäler der Thiersage aus dem XII bis XIV Jahrhundert, Strassburg 1878.
3)Twee omwerkingen er van, bekend als Ovidius de lupo, in 96, en Luparius descendens in Avernum, in 94 disticha, zijn in de 14de eeuw in de Nederlanden gemaakt en opgenomen in de aangehaalde werken van Grimm en Voigt.
1)Zie zijn geschrift: De Vita sua III 8 (Opera, ed. A. d'Achéry p. 507): ‘Solebat autem episcopus (sc. Renulfus) eum (sc. Ingelrannum) Isengrinum irridendo vocare propter lupinam scilicet speciem; sic enim aliqui solent appellare lupos.’
1)'t Is het eerst uitg., doch onder een onjuisten titel, door F.J. Mone als Reinardus Vulpes, carmen epicum saeculis IX et XII conscriptum, Stuttgart en Tübingen 1832, en later op voortreffelijke wijze door Ernst Voigt, Ysengrimus, Halle 1884, in welke uitgaaf, Einl. p. CXXIX-CXXXIX, bewezen wordt, dat een, vroeger gewoonlijk Ysengrimus genoemd, gedicht (uitg. door J. Grimm in Reinhart Fuchs p. 1-24), in hoofdzaak overeenstemmend met het 3de en de eerste helft van het 4de boek van den grooten Ysengrimus, niet, zooals Grimm meende, een fragment is van een ouder gedicht, dat aan den grooten Ysengrimus tot voorbeeld zou gediend hebben, maar integendeel daarvan eene latere gedeeltelijke bekorting is, die met recht den naam van Ysengrimus abbreviatus mag dragen en dus voor de geschiedenis van het dierdicht van weinig of geene beteekenis is.
2)Twee-en-dertig branches, samen 30362 verzen, zijn uitg. door Mart. Méon, Le Roman du Renart, Paris 1826, waarop P. Chabaille in 1835 nog een Supplément leverde. Het grootste gedeelte van deze branches, met enkele vermeerderd, werd opnieuw critisch naar verschillende HSS., waardoor het getal op 27 werd gebracht (samen 30440 verzen) uitg. door Ernest Martin, Le Roman de Renart, Strassbourg 1882-1886, gevolgd door diens Observations sur le Roman de Renart, Strassburg 1887, en voorafgegaan door zijn Examen critique des manuscrits du Roman de Renart, Bâle 1872, en nog vroeger door A. Rothe, Les Romans du Renard examinés, analysés et comparés, Paris 1845. Later verscheen nog Hermann Büttner, Die Ueberlieferung des Roman de Renart und die Handschrift O, Strassburg 1891.
1)Glichesaere vs. 11-216 = Renart II 23-664 bij Martin, Glich. vs. 217- 312 = Ren. II 914-1024, Glich. vs. 313-384 = Ren. II 720-842, Glich. vs. 385-442 = Ren. II 1027-1097, Glich. 443-498 = Ren. V 61-133, Glich. 499-550 = Ren. VI 704-730, Glich. 551-562 = Ren. VIII 172 vlgg., Glich. 563-634 = Ren. II 1151-1206, Glich. 635-822 = Ren. III 179-510, Glich 823-1060 = Ren IV 149 vlgg., Glich. 1061-1153 = Ren. V ....-481, Glich. 1154-1238 = Ren. II 1211 vlgg., Glich. 1239-1812 = Ren. I 11-1212 en Glich. 1813-2094 = Ren. X 1359-1676.
2)In eene jongere redactie bestaat het nog bijna geheel (2266 verzen) en is het uitg. door J. Grimm, Reinhart Fuchs (Berlin 1834) p. 25-103. In oudere redactie bestaan er slechts fragmenten van, die uitg. zijn door J. Grimm in zijn Sendschreiben an Karl Lachmann über Reinhart Fuchs, Berlin 1840. Eene nieuwe uitg. bezorgde Reissenberger, Reinhart Fuchs, Halle 1886. Zie nog Wilhelm Wackernagel, Heinrich der Gleissner (1848) in zijne Kleinere Schriften II (Leipzig 1873) p. 212-233, en Hermann Büttner, Der Reinhart Fuchs und seine franz. Quelle, Strassburg 1891.
3)Ysengrimus VI 1-132.
4)Ysengrimus VI 349-550.
5)Ysengrimus VII.
6)Ysengrimus I 1-528 = Renart XVIII (vs. 7611-8220) bij Meon, V 1-246 bij Martin, Glîchesaere vs. 449-498. Korte vermelding vindt men ook in onzen Reinaert I 209-226 (uitg. J. W. Muller).
1)Ysengrimus I 529-1064, II 1-158 = Renart II-IV (vs. 749-1264) bij Méon, III bij Martin, Glîchesaere vs. 635-819. Vgl. over deze branche Léop. Sudre, Romania XVII (1888) p. 1-21. Dat in Scandinavische volksverhalen het visschen met den staart door den beer en niet door den wolf geschiedt, is zeker eene jongere wijziging, aangebracht ter verklaring waarom beren zulk een korten staart hebben. Zie Gaston Paris, Journal des Savants 1894 p. 719 vlgg. Het eerste gedeelte van de Fransche branche, den diefstal van de pladisen, die in den Ysengrimus niet voorkomt, vindt men vermeld in onzen Reinaert I 200-208, het tweede gedeelte, eenigszins gewijzigd, Reinaert I 1500-1504, II 6269-6340.
2)Ysengrimus II 159-688 = Renart XII (vs. 6361-6454) bij Mëon, XX bij Martin.
3)Zie boven bladz. 370.
4)Ysengrimus IV 1-181, eenigermate te vergelijken met Renart XXIII (vs. 12987-13464) bij Méon, VIII bij Martin.
5)Ysengrimus IV 811-1044, V 1-316 = Renart V-VI (vs. 1267-1928) bij Méon, II 1-664 bij Martin; Glîchesaere vs. 11-216; vgl. ook in onzen Reinaert I 316-384.
6)Zie boven bladz. 372.
7)Ysengrimus V 317-1122 = Renart I (vs. 337-748) bij Méon, II vs. 1027-1396 bij Martin; Glîchesaere vs. 1154-1238; ook in onzen Reinaert I vs. 72-78, 1479-1499, 1644-1651.
1)Ysengrimus V 1131-1320 = Renart XVII (vs. 7521-7610) bij Méon, XIX bij Martin, en gewijzigd ook in onzen Reinaert II 3988-4114.
2)Ysengrimus VI 133-348 = Renart XI (vs. 5575-6360) bij Méon, XVI vs. 721-1506 bij Martin; vgl. onzen Reinaert II 6043-6143.
3)Renart XV (vs. 7187-7382) bij Méon, II vs. 843-1026 bij Martin; Glîchesaere vs. 217-284.
4)Zie boven bladz. 370.
5)Renart XIII (vs. 6455-7026) bij Méon, IV bij Martin; Glîchesaere vs. 820-1060; ook eenigszins gewijzigd, zoodat zelfs het spiegelbeeld geheel verdwenen is, in onzen Reinaert II vs. 6409-6450.
6)Renart XXI (vs. 11959-12508) bij Méon, I vs. 2205-2742 bij Martin.
7)Zie Pantsjatantra I 10 (Benfey's vertaling p. 73-75); ook Hitopadesa III 8, en bij Kshemendra I 7 vs. 57 -62a (bij Mankowski, p. 7, 38 vlg.).
1)Het neemt daar vs. 1239-2248 in.
2)Renart XXVI (vs. 19111-19768) bij Méon, X vs. 1153-1704 bij Martin. Dezelfde geschiedenis wordt beknopt verteld van Reinaert's vader in onzen Reinaert II 5932-6042.
1)Renart XX (vs. 9649-11368) bij Méon, I vs. 1-1620 bij Martin.
2)Dat beide laatstgenoemde gedeelten fragmenten zouden zijn van twee veel uitvoeriger gedichten, door eene bepaalde rangschikking van verschillende bekende branches of onderdeelen daarvan weder samen te stellen en dan als Les Aventures de Renart en Le Plaid in de 13de eeuw vervaardigd door Pierres (Perroz) de St. Cloud, werd indertijd met veel vernuft betoogd door W. J. A. Jonckbloet, Etude sur le Roman de Renart, Gron. 1863. Door zijn onderzoek naar samenstelling, taal en stijl der handschriften van de verschillende Fransche branches heeft E. Martin echter kunnen aantoonen, dat die voorstelling onjuist was en Pierres de St. Cloud alleen van een bij ons niet vertaalde branche de dichter was, al schijnt de dichter van branche I ook wel het werk van Pierres de St. Cloud te hebben gekend.
1)Daarop is m.i. al te veel nadruk gelegd ter verklaring van den oorsprong der dierdichten door Léop. Sudre, Les sources du Roman de Renart, Paris 1893. Zie daarover o.a. J.W. Müller, De oorsprong van den Roman de Renart in Taal en Letteren, 1895. Voor den oorsprong der Reinaert-romans uit ‘Tiermärchen’ is later nog gepleit door Voretzsch, Jakob Grimms Tiersage und die moderne Forschung in Preussische Jahrbücher LXXX (1895), p. 417 vlgg. en door Georg Silcher, Tierfabel, Tiermärchen und Tierepos, mit besonderer Berücksichtigung des Roman de Renart, Reutlingen, 1905.
prepostterug  begin  verder