terug  begin  verderprepost

XVIII.
Jacob van Maerlant en zijne strophische gedichten.

Een geheel ander soort van lierdicht dan de minnezangen van Heinrich van Veldeke en Jan van Brabant, de stampîen van Lodewijc van Vaelbeke en de geestelijke minneliederen van Hadewijch zijn de ‘clausulen’. Ofschoon in den strophenvorm van het lied geschreven en ook uit het lied ontstaan, zijn de ‘clausulen’ blijkbaar niet bestemd om gezongen te worden, waardoor zij hun streng lyrisch karakter dan ook grootendeels verloren. Toch zijn zij bij geene andere dichtsoort in te deelen en van sommige gedichten in dien vorm is ook de lyrische toon niet te miskennen.

Van deze dichtsoort is Jacob van Maerlant 1) bij ons de vader, en ofschoon hij daarin verscheidene navolgers heeft gevonden, hij is steeds in deze strophische dichtsoort de onovertroffen meester gebleven. Wat meer zegt, met zijne clausulen staat Maerlant ook als lierdichter in onze middeleeuwsche letterkunde bovenaan; en al had hij ons niet nog zoo vele andere werken van de hoogste beteekenis in anderen toon en trant nagelaten, dan nog zouden alleen

[p. 444]

reeds zijne strophische gedichten hem aanspraak geven op de eereplaats onder onze middeleeuwsche dichters, 't Is immers juist in deze, dat hij als kunstenaar de grootste kunstvaardigheid vertoont en als poëet de grootste dichterlijke verheffing heeft bereikt.

Met hem zullen wij ons nu in 't bijzonder bezighouden, waarbij wij gelukkig van zijn persoon wat meer zullen kunnen meedeelen, dan ons van anderen is vergund.

Jacob van Maerlant was, volgens zijn eigen getuigenis 1), een Vlaming, allervermoedelijkst in Bruxambacht, d. i. het Brugsche Vrije, geboren 2); doch het jaar zijner geboorte is ons onbekend. Wanneer men daarvoor ± 1235 aanneemt, dan geschiedt dat in de veronderstelling, dat Maerlant nog een jong man zal geweest zijn, toen hij zijn eerste werk schreef, terwijl dat eerste werk, de Alexander, allerwaarschijnlijkst tusschen 1257 en 1260 voltooid is 3), nadat er, zooals hij zelf verklaart 4), ‘om een half jaer over dien bouc gedicht was.’

Dat de Alexander Maerlant's eerste gedicht geweest is, volgt logisch uit hetgeen wij aangaande de opeenvolging zijner werken in die werken zelf lezen of er uit kunnen opmaken 5). Zoo zegt hij

[p. 445]

in de Historie van Troyen (vs. 57 vlgg.): ‘Hier toe voren dichten hy Merlijn ende Alexander uytten Latijn, Toerecke ende dien Sompniarijs ende den corten Lapidarijs.'' Wij weten dus van Maerlant zelf 1), wat hij vóór. zijne Historie van Troyen schreef, al wordt dat dan ook niet in chronologische volgorde opgegeven. De Merlijn nu is na den Alexander gedicht, omdat die er in genoemd wordt (vs. 39), en daar de Torec in geen van beide wordt vermeld, is het hoogstwaarschijnlijk, dat hij eerst na deze beide vervaardigd is, want indien Maerlant hem daarin had willen verloochenen, waarom maakte hij er in een later werk dan weer wèl melding van? 't Is waar, taal en stijl zijn in den Torec veel slordiger dan in den Alexander, maar vooreerst is de Torec blijkbaar sterk verminkt door een omwerker, en vervolgens is het meer voorgekomen, dat het tweede of derde werk van eenig schrijver verre beneden zijn eerste werk stond. Voorloopig mogen wij dus in den Torec Maerlant's derde werk blijven zien, vermoedelijk omstreeks 1262 geschreven, daar wij bij benadering weten, wanneer Maerlant zijn tweede werk, den Merlijn, maakte. Dat gedicht toch is vervaardigd (vs. 15 vlg.) ‘te eren Heren Alabrechte, den heer van Vorne’, die den 1sten Mei 1261 voor 't eerst als heer van Voorne voorkomt en wiens vader Hendrik althans den 22sten Maart 1258 nog heer van Voorne was 2). De nu verloren Sompniarijs moet een werkje over droomuitlegging geweest zijn en de korte Lapidarijs een over de genees- en tooverkracht van gesteenten, zooals er o.a. een in 743 Latijnsche hexameters geschreven is door Marbodeus, bisschop van Rennes († 1123 3). Zelfs is er vrij wat waarschijnlijkheid, dat juist Marbodeus' Lapidarius door Maerlant vertaald zal zijn, omdat onze dichter zijn Lapidarijs later geheel of gedeeltelijk schijnt opgenomen te hebben in zijn Naturen Bloeme, waarvan het twaalfde boek over steenen handelt 4)

[p. 446]

en in dat boek eene plaats voorkomt, die alleen aan het gedicht van Marbodeus ontleend schijnt te zijn 1). Aangaande den tijd, waarop de Historie van Troyen geschreven is, ontbreekt ons elke inlichting, doch het meest waarschijnlijk is het, dat dit gedicht in of omstreeks 1264 voltooid zal zijn 2).

Op den inhoud van Maerlant's vier romans behoeven wij hier niet terug te komen 3), doch wèl behooren wij te onderzoeken, waar Maerlant woonde, toen hij die romans schreef. Van zijne Historie van Troyen zegt hij zelf uitdrukkelijk, dat hij haar te Maerlant maakte 4), en in den Merlijn (vs. 37) noemt hij zich zelf ‘Jacob die coster van Merlant’, zoodat dus ook de Torec dáár moet geschreven zijn. Van den Alexander is het ook wel te vermoeden, maar niet te bewijzen. In de mededeeling, dat hij te Maerlant koster geweest is, ligt op zich zelf niets onwaarschijnlijks. Integendeel, daardoor wordt op ongedwongen wijze verklaard, hoe hij tegelijk clerk en bestrijder der geestelijkheid kon zijn, daar het ambt van koster, in de middeleeuwen aanzienlijker dan tegenwoordig, een half geestelijk, half wereldlijk karakter droeg.

Welk Maerlant nu bedoeld wordt, kan niet meer aan twijfel onderhevig zijn 5). Stellig moet men er de Oostvoornsche parochie in zien, die later met het toenmalige dorp Brielle tot eene stad samensmolt. Immers dat onze dichter Voorne nauwkeurig kende, blijkt overtuigend uit zijne opmerking: ‘in West Vorne ne mach

[p. 447]

ghene ratte leven: dat weet hi die dit heeft bescreven’ 1). Ook is alleen uit een verblijf op Voorne zijne betrekking tot Heer Albrecht van Voorne, wien hij zijn Merlijn opdroeg, ongezocht te verklaren, en zoo ook zijne dankbare genegenheid voor ‘mijn here Niclaes van Cats’ op Noord-Beveland, die hem tot het dichten van zijn werk Naturen Bloeme aanspoorde, en wien hij het dan ook beleefd aanbood 2). Daarbij komt nog, dat ‘Grave Florens, coninc Willems sone’, hem in lateren tijd een groot werk ‘dede anevaen’, namelijk den Spiegel Historiael, dien hij daarom ook aan Floris V opdroeg in de hoop, dat deze het werk ‘danckelike wilde ontfaen’ 3), en dat juist het hof te Voorne de geschiktste plaats voor Maerlant was, om Floris te leeren kennen, daar deze gedurende zijne minderjarigheid in Zeeland verblijf hield en Albrecht van Voorne, den ‘borchgrave van Zeelant’, tot vertrouwden raadsman had, en vooral ook later bijzonder bevriend was met. Nicolaas van Cats tot aan diens dood in 1283 4). Opmerking verdient het ook nog, dat Maerlant nergens eenig bewijs geeft van aanhankelijkheid aan Guy van Vlaanderen, den heer van zijn geboorteland, maar integendeel zijne pen in dienst stelt van Guy's politieken tegenstander, Floris V, wanneer hij nadrukkelijk betoogt, dat de graven van Holland in hunne landsheerlijke rechten op Friesland behooren erkend te worden 5).

Wanneer onze dichter Voorne verlaten heeft, is niet uit te maken 6) doch allervermoedelijkst is zijn werk Der Naturen Bloeme kort na zijn vertrek geschreven, daar het, ook door het gebruik van echt Vlaamsche woorden, duidelijk de blijdschap verraadt van iemand, die kort te voren na lange afwezigheid in zijn geboorteland is teruggekeerd en zich daar geheel te huis gevoelt, al wenscht hij dan ook illerminst de vriendschapsbanden te verbreken, die hij in den

[p. 448]

vreemde heeft aangeknoopt. Ongelukkig weten wij niet, wanneer Der Naturen Bloeme is geschreven, doch in elk geval geloof ik, dat wij het gerust tusschen 1264 en 1269 mogen plaatsen 1), en in dien tijd moet Maerlant dus naar Damme verhuisd zijn. Dat hij later dáár woonde, getuigt hij zelf 2).

In dien tijd moet het dan ook geweest zijn, dat Maerlant zijne eerste strophische gedichten schreef, zijne drie samenspraken van Jacob en Martijn of de drie Martijns 3). Daar Martijn in de tweede zegt, dat hij te Utrecht woont en Jacob in den Dam en zij dus gescheiden zijn, schijnt men de eerste te mogen stellen in den tijd, toen zij beiden nog te Maerlant woonden; doch voor 't overige bezitten wij voor de tijdsbepaling der gedichten niet de geringste

[p. 449]

aanwijzing 1). De Martijns zijn geschreven in den kunstigen strophenvorm der clausulen, d. w. z. in coupletten van dertien verzen met slechts twee rijmen, het eene staand, het andere slepend. Telkens wordt een distichon met den eersten rijmklank gevolgd door een korteren regel met den tweeden rijmklank, dien men ook wel den staart noemde, zoodat dan ook de geheele versvorm wel eens den naam droeg van staartrijm (rime couée of rhythmus caudatus). De dertiende regel echter rijmt weer op den twaalfden en sluit dus de strophe, die daarom clausule heette, en alzoo is het rijmschema: aabaabaabaabb 2). Bij Martijn I en II zijn de a-rijmen staand, de b-rijmen slepend; maar in Martijn III is het omgekeerde het geval. Deze vorm van clausulen schijnt Maerlant's eigen vinding te zijn; men heeft dien ten minste nog nergens in eenige andere litteratuur aangetroffen. Mogelijk heeft hij hem ontwikkeld uit de zesregelige dubbelstrophe, die hem ook van elders bekend kon zijn. De heerschappij, die Maerlant in zijne clausulen over rijm en maat ten toon spreidt, mag terecht op onze bewondering aanspraak maken, vooral wanneer wij er de verzen van anderen, die later in denzelfden strophenvorm schreven, mee vergelijken.

Wat den inhoud betreft, is de Eerste Martijn een bont mengelmoes, eene levendige, meermalen van schalk vernuft getuigende behandeling van tien los opgeworpen quaesties of guodlibets, zooals

[p. 450]

men ze in de middeleeuwen gewoonlijk noemde. Veel samenhang tusschen de verschillende onderwerpen is er niet, maar alle worden op dezelfde wijze besproken: na de vraag volgt het antwoord en daarop eene toestemming en nadere bevestiging. ‘Wapene Martijn!’ zoo leidt Maerlant het gesprek in, ‘helaas, Martijn! zal het nog lang zóó op de wereld kunnen blijven, dat vleiers in aanzien zijn en ‘recht man onderspit delvet!’ In den oudsten tijd heeft ‘Vrouwe Ere’ den dorper achteraf gezet en, wie trouw en deugd bezat, heer gemaakt, hoe komt het, zoo luidt de eerste vraag (vs. 53-130), dat het nu zoo geheel anders geworden is? 1) De scalken zijn er de de schuld van, is het antwoord: zij bederven den adel door liegen de hoogste wijsheid te noemen, allen ernst te verbannen en neen tot ja en ja tot neen om te goochelen, als het maar voordeel geeft, zoodat zelfs op de gezegelde oorkonden der heeren niet meer staat is te maken, dan of ‘een wilt Sas oft een Vriese se bescreven hadt’. Hoe komt het, is de tweede vraag (vs. 131-195), dat een rechtvaardig God de boozen kan laten gedijen ten koste van de goeden? ‘Die blinde aventure’ bestuurt toch niet alles? Neen, is het antwoord: ‘al dat es in elke stat, dat behoet God’ en daarom zal ook de booze zijne straf niet ontgaan, want ‘so hi hogere sit upt rat, so hoger val, so meerre plat; die rechtste wech ter hellenwaert entie alrecortste vaert toch is geluc in sonden’. In de hel moet hij boeten en ‘sine kindere gaen te quiste gelijc enen miste’. Eene derde vraag (vs. 196-234) is deze, waarom God de boozen eeuwig straft voor hetgeen zij slechts gedurende hun kortstondig leven misdaan hebben. De straf schijnt in verhouding tot de misdaad veel te zwaar. Zij is het niet, luidt het antwoord, want niet de misdaad zelf wordt gestraft, maar de wil om te zondigen, die bij zondaars, zoo dom als koeien, hen eeuwig zou doen blijven zondigen, als de dood niet tusschen beiden kwam. Zou het waar zijn, is Maerlant's vierde vraag (vs. 235-312), dat aalmoezen en lichaamskastijding hem niet baten, die zich aan hoofdzonden heeft schuldig gemaakt? en het antwoord luidt: menigeen maakt noodeloos de menschen beangst door schriftuurverdraaiing en vertoon van geleerdheid, alsof men kon ‘gegronden saen die wort, daer die wortele ave staen geplant in hemelrike’. God zou zonder genade zijn, als hij bij zijn oordeel de goede werken der menschen niet in aanmerking nam. Zijne recht-

[p. 451]

vaardigheid en genade is één, maar door de priesters moet men zich niet van het spoor laten leiden, want ‘hets menich onbesceden swijn te priesterscap geresen’ 1). Nu wordt een vijfde vraagpunt gesteld (vs. 313-455). ‘Die minne es blint’, zegt het spreekwoord, en moet dus wel leed berokkenen; en toch is God uit liefde mensch geworden. Hoe is dat te rijmen? Zeer gemakkelijk, als men maar drie soorten van liefde onderscheidt. ‘Deerste es caritate’ en deze bracht God op aarde, want God is de liefde zelf. Wie deze liefde kent, is nooit ongelukkig, zelfs niet te midden van de grootste ellende. De tweede is eene wereldsche liefde: zij openbaart zich als eerzucht om in tornooien prijs te behalen en als onverzadelijke geldzucht en voert ten verderve, als men haar niet weet te beheerschen; doch wie er eene eer in stelt Gods wil te doen en zijn geld goed besteedt, is te prijzen. De derde liefde eischt ‘die bloyende jaer’. Is zij eerbaar en trouw dan is zij ‘'t edelste delijt’; zij is eene ‘cracht, die twee herten tsamen bint in één reine wanen’, maar toch is het juist deze liefde, die menigeen blind noemt, omdat er even weinig trouwe minnaars zijn, als zwarte zwanen, en de meesten de liefde wel in den mond hebben, maar niet in het hart. Belangrijker nog is het zesde vraagpunt (vs. 456-585), in den mond gelegd van Martijn, die nu aan Jacob begint te vragen, zooals Jacob het in de eerste vijf quodlibets aan Martijn had gedaan: stammen alle menschen van Adam af, waarom is dan ‘deen edel, dander vri, die derde eygijn man?’ Waarom ‘segt men ten dorpre: fi, ganc wech, God onnere di! du best der werelt scame!’ terwijl ‘die edele al tgecri hevet?’ Het antwoord luidt: dat ‘tfolc eyghijn’ van Cain of Cham zou afstammen, zooals sommigen meenen, is onwaar. Volgens ‘die Duutsce loy’ (de Saksenspiegel) kwam ‘eygendoem van onrechter gewelt’. Krijgsgevangenen waren de eerste lijfeigenen, maar de ondervinding leert, ‘dat een geslachte nedergaet ende een ander riset’. De ware edelman is, onverschillig ‘wiene droech of wan’, hij die trouw, deugdzaam en rein van zeden is 2). ‘Edelheit began uter reinre herten’, en wie ‘ter edelheit climmen’ wil, moet ‘nerachtich, erachtich ende werachtich’ zijn. Wel zegt Alanus ab Insulis

[p. 452]

in zijne Cyclopaedia Anticlaudiani, dat de adel uit vroegeren rijkdom is voortgekomen, maar te onrechte. ‘Die edelheit mach men afdwaen’, terwijl ware ‘edelheit’ eene gave is, die God den mensch op zijn gebed schenkt en waarvan niemand hem kan berooven. Om den communistischen geest verbaast ons het antwoord op de zevende vraag (vs. 586-650): als alle menschen broeders zijn, waarom haten en vermoorden zij dan elkaar? ‘Hovaerde ende nijt entie alre eerste strijt begonste in hemelrike’, zegt Maerlant, en wel door Lucifer, die, na ‘in den helscen bijt’ gevallen te zijn, ‘dat venijn van giericheden’ in de wereld zond. Algemeene vrede zou er heerschen: ‘het ware al vri, niemen eygijn, over see noch upten Rijn soude men niemen ontliven’, als er niet twee woorden, ‘mijn ende dijn’, bestonden. God, die alles verstandig heeft ingericht, ‘gaf dit wandel aertsce goet der menscheit gemene’ 1), maar de begeerlijkheid drijft menigeen aan ‘om al te hebbene allene’, en vandaar dat er kasteelen worden gebouwd en zooveel bloed wordt vergoten 2). Van veel subtieler aard is de achtste vraag (vs. 651-767): als men waarlijk lief heeft, komt dat dan voort uit het hart of is het oog daarvan de oorzaak? Oog en hart (verpersoonlijking van buiten- en binnenwereld) toch zijn het daarover eeuwig met elkaar oneens en worden hier zelf sprekende ingevoerd 3); maar hun twist wordt door Vrouwe Redene aldus beslecht: beiden hebben schuld, maar het hart meer dan het oog, want dat is ‘voget ende vrouwe’, terwijl het oog slechts de aanleidende oorzaak is, waartegen het hart op zijne hoede behoort te zijn. Als negende vraag (vs. 768-871) wordt gesteld: wat is veiliger ‘rijcheit of aermoede?’ 't is waar, ‘aermoede prijst men menichfout’, maar niettemin is ieder ‘gadergout’. Hoe staat het dus daarmee? Het antwoord luidt: ‘Die geleerde, die op Moyses stoel sitten’, leven wel is waar gewoonlijk niet naar hunne leer, maar daarom is die leer nog niet te verwerpen; en er zijn er toch ook, ‘al sijn si selsiene, die den aertscen goede ontgaen’, en dat is ook het veiligst. God leerde ons toch door zijn voorbeeld, ‘dat aermoede is een pat, die dor den hemel

[p. 453]

maect een gat’. Wel ‘sent rijcheit die siel niet’ onvoorwaardelijk ‘in den torment’, als men er maar een nuttig gebruik van maakt, maar zij verblindt den mensch en dus is het beter den engen en steilen weg te kiezen, ‘daer Jhesus bi te hemele vlooch’, den weg van ‘passie ende aermoede’ 1). Eindelijk wordt de vraag behandeld (vs. 872-975), of de vrouwen de oorzaak van alle kwaad zijn, daar Eva het eerst heeft gezondigd. Het antwoord is: wie te water gaat, heeft het aan zich zelf te wijten als hij verdrinkt; vrouwen zijn niet als magneten: men kan zich aan haar invloed onttrekken. ‘Vrouwen sijn bi naturen goet: si slachten den wine enter gloet, die de werelt verbliden’, men moet echter oppassen zich niet te branden of te veel te drinken. Van de wuftheid der vrouwen is de laffe hofmakerij der mannen de oorzaak, en groote zonde doet hij, ‘die valsce worde vrouwen toesint’. Ten slotte: dat Adam op Eva's verzoek gezondigd heeft, is juist een geluk geweest, want daardoor is God mensch geworden in den schoot der heilige maagd. Moge Eva de zonde in de wereld gebracht hebben, daartegenover staat, dat ‘Maria genas den val van mensceliken diede’, zoodat men ‘omme die Vrouwe hoge’ allen vrouwen moet vergeven wat zij misdaan hebben.

De Eerste Martijn is zeker het belangrijkste van al Maerlant's gedichten: het bevat de kern der beginselen, die wij ook in zijne andere werken hier en daar uitgesproken vinden, en teekent geheel en al zijne wijsgeerige, maar kloeke persoonlijkheid. Daarom meende ik er hier wat uitvoerig over te mogen handelen 2). Ten opzichte van de andere strophische gedichten kunnen wij korter zijn.

In Dander Martijn, die 338 verzen lang is, wekt Maerlant zich zelf ‘alse een stotel ram’ op, om nog eens weer eene samenspraak te maken. Hij wilde niet versuffen in de weelde, noch een tegenzin krijgen in het dichten, omdat hij daarvan ‘bate noch nie vernam’ 3). Hij stelt nu de volgende quaestie: eene vrouw heeft mij

[p. 454]

eene vurige liefde ingeboezemd, maar zij behandelt mij met minachting; eene andere, de ‘bloeme van allen vrouwen’, mint mij boven alles, maar mijn hart blijft geheel onverschillig voor haar. Als zij nu beiden in levensgevaar verkeerden en ik slechts ééne van deze vrouwen kon redden, welke zou ik dan moeten redden? Martijn antwoordt: de eerste, want van nature gevoelt het hart zich getrokken tot wie het gewond heeft, getuige de geschiedenis van Narcissus en die van Medea. ‘Wille helt den roeder,’ de rede moet wel zwijgen. Jacob noemt dat eenvoudig de knoop doorhakken in plaats van die te ontwarren. Zonder het verstand te laten meespreken kan men geene quaestie oplossen. De dwaze liefde in ‘truffen ende poetrien’ heeft niets te maken met de ernstige liefde, die hij bedoelt. Beter ware het te wijzen op ‘toude ende tnieuwe testament,’ bv. op Abraham tegenover Sara en Hagar. Daaruit blijkt, dat ‘geen edel man can minnen sonder redene.’ Martijn kan voor zijne meening ook wel bewijzen uit den bijbel aanhalen: Adam, Simson, David en Salomo, en zich beroepen op Zorobabel 1). Bovendien, de letters van het woord amor zelf bewijzen het 2). Jacob spot met den ‘ruden grammarien’ en merkt op, dat afschrikwekkende voorbeelden uit den bijbel alleen als zoodanig mogen aangehaald worden; en nu lost hij zelf de vraag op deze wijze op: God is de liefde zelf: niemand haat Hij, zelfs Lucifer niet. Deze kwam ten val door zijne hoovaardigheid, doch wie ‘thovet in den scoet leggen’ en God dienen, dien ‘gevet hi tlange leven,’ en dat voorbeeld moet de mensch volgen, 't Is duidelijk, dat Maerlant hier een abstract, in de werkelijkheid zelden of nooit voorkomend geval heeft gekozen, om eene algemeene waarheid, die zich veel verder dan sexueele liefde uitstrekt, in het licht te stellen. Misschien zelfs moet men onder de eene vrouw de Wereld verstaan, die ons bekoort maar die zelf ons niet lief heeft, en onder de andere de Kerk of Maria, voor wie wij onverschillig zijn, al heeft zij ons nog zoo lief.

De Derde Martijn, ook met afzonderlijken titel Van der Drievoudichede geheeten, is eene dichterlijke behandeling in 507 verzen

[p. 455]

van het Symbolum Pseudo-Athanasianum 1), eene volledige geloofsbelijdenis, waarin antwoord wordt gegeven op de vragen, wie God is, hoe God de Zoon mensch werd en wat men te gelooven hebbe aangaande den H. Geest. In dit gedicht waagde Maerlant zich aan het verhevenste onderwerp, dat ooit door hem behandeld werd. ‘Hoger dinc en es geen’, zegt hij zelf, zoodat hij begrijpt verre beneden zijn onderwerp gebleven te zijn, daar eene waardige behandeling er van eene vlucht ‘boven der ingle vloge’ vereischt. Hij is er diep van overtuigd, dat om deze dingen te doorgronden de rede niet toereikend is en ‘gelove ende minne ons upwaert moeten trecken ter hemelscer poert.’ Wie dat geloof bestrijdt, verdient ‘thelsce vier’ na op aarde als ketter verbrand te zijn. ‘Hets daer ic mi omme liet ontliven eer icker sciede van,’ zegt Maerlant, en daarom waarschuwt hij allen, die zijn gedicht ‘sullen lesen ofte scriven,’ dat ‘sire niet in en driven lettre, wort, af no an.’

Door geene gedichten werd Maerlant meer beroemd dan door zijne Martijns. Zij werden nagevolgd 2), aangehaald 3) en vertaald

[p. 456]

in 't Latijn 1) en in 't Fransch 2).

Behandelde Maerlant in zijn Derden Martijn den grondslag der Christelijke dogmatiek en toonde hij daarin, evenals in zijne andere werken, dat hij zuiver in de leer was, in die mate zelfs dat hij reeds eene lans brak voor het eerst onder Paus Pius IX kerkelijk aangenomen leerstuk der onbevlekte ontvangenis van Maria 3), over het algemeen helde hij, zonder tot de eigenlijke mystici te behooren, meer tot mystieke contemplatie en mystieke allegorie over dan tot scholastisch redeneeren over de leerstellingen der kerk 4). Dat bewijzen vooral drie andere strophische gedichten, die men gewoonlijk, en vermoedelijk terecht, aan Maerlant toekent, al wordt alleen in het laatste (vs. 533) zijn naam genoemd: ik bedoel de beide uit het Latijn vertaalde gedichten Van ons Heren wonden (120 verzen) en Van den V vrouden (72 verzen), d.i. de vijf zaligste oogenblikken in Maria's leven, namelijk bij de ontvangenis, bij Jezus' geboorte, opstanding en hemelvaart en bij hare eigene verheffing ten hemel; en Die Clausule van der bible (545 verzen) 5). In het laatste gedicht wordt eerst, op voorbeeld van Johannes Damascenus (die ook genoemd wordt vs. 404), van St. Bernardus,

[p. 457]

Bonaventura, Albertus Magnus en anderen, Maria's maagdelijk moederschap verheerlijkt, vooral door de allegorisch-mystische voorstelling van allerlei verhalen en mededeelingen uit het Oude Testament als typen of zinnebeelden van bijzonderheden uit Maria's geschiedenis en met name van Jezus' onbevlekte ontvangenis 1). Daarna wordt uitvoerig hare schoonheid afgeschilderd en vervolgens in 't kort hare levensgeschiedenis verhaald, maar in zuiver lyrischen vorm, die, tegenover de dialogische ‘Martijns’, dit gedicht wel in het bijzonder kenmerkt.

Het getuigt van de groote vereering, die Maerlant voor Maria had, zooals trouwens ook bijna al zijne gedichten, zij het dan ook slechts als terloops doen, want het schijnt wel, of hij van haar nooit heeft kunnen zwijgen. Dat hij een geheelen bundel Mariamirakelen bijeenbracht, merkten wij vroeger reeds op 2). Met deze vereering stond in nauw verband zijne ingenomenheid met ‘das Ewig-Weibliche’, die ook Goethe kenmerkte en die een eenigszins mystieken tint heeft.

Lyrisch van karakter zijn ook drie andere strophische gedichten van Maerlant, die wij nog te vermelden hebben en die tevens wegens de groote ingenomenheid met de kruisvaart, die er uit spreekt, ondubbelzinnig getuigen van groote liefde voor het Heilige land, eenmaal betreden door Christus, die er geleerd en geleden had. Bovendien ook keert Maerlant in deze gedichten, door verontwaardiging geprikkeld, terug tot den hekeltoon, die vroeger reeds

[p. 458]

bij hem ons tegenklonk uit menige strophe van zijn eersten ‘Martijn’ en dien hij ook in zijne andere werken niet altijd heeft kunnen onderdrukken.

Diep bedroefd is hij over den, naar zijne meening aan het verval van Kerk en Maatschappij te wijten, ondergang van de Christenheid in het Heilige land, dat nu weer bijna geheel in handen was van de heidenen. Pogingen, op het concilie van Lyon in 1274 aangewend, om door een nieuwen kruistocht nog te redden wat er te redden viel, hadden niet mogen baten. Wel werd daartoe besloten, van geestelijken en kloosterlingen gedurende zes jaar tienden te heffen om eene nieuwe kruisvaart te bekostigen, en inderdaad, zegt Maerlant, ‘die Kerke hevet tiende gegeven’, maar, voegt hij er bij, en zijn verwijt zal wel in de eerste plaats den elect-bisschop van Utrecht, Jan van Nassau, getroffen hebben, 't waren tienden ‘daer si noyt af te haren doene profijt gecreech van enen boetoene dat sijt weet of heeft beseven’ 1).

't Is nu in drie zijner strophische gedichten, dat Maerlant, vol gloed en bezieling, klaagt over den treurigen toestand der Christenheid, die niets scheen over te hebben voor de heilige zaak van Christus in het Oosten.

Het eerste is getiteld Disputacie van Onser Vrouwen ende van den heiligen Cruce 2), en bestaat uit 46 clausulen, ieder van 13 verzen. Het geheele gedicht, waarin het vraagstuk wordt behandeld, wat voor het bewerken van 's menschen zaligheid van het meeste belang was: Gods menschwording of zijn kruisdood, vervalt in drie gedeelten. In het eerste beantwoordt het Kruis de klacht der Maagd, die het bejammert, dat de vrucht van haar schoot onverdiend aan het schandhout moest hangen, door te zeggen, dat uit dien dood juist het ware leven voortsproot, zooals de vrucht van den wijngaard eerst ‘int persoer’ tot bezielenden wijn wordt 3). Het

[p. 459]

tweede gedeelte bevat ‘mijns heren Jhesus geclach up dat kerstinhede,’ want ‘hets al verloren, o wi, o wach! dat heilige lant daer hi in lach begraven na menscelichede!’ Is dat de dank, dien gij mij verschuldigd zijt voor al wat ik om uwentwil heb geleden? vraagt Jezus: alles staat naar aardsche goederen en de geestelijkheid niet het minst. Om kostbare kleederen, kostelijke spijzen en fijnen wijn bekommeren zich de prelaten, die door symonie tot hunne waardigheden gekomen zijn, en ik, die zooveel voor hen overhad, ik sta daar ‘naect buter compaengië,’ ‘ic doge honger ende leet, ic roepe dat mi die storte sweet: broet, voor haren ogen,’ want mijne arme schapen zijn zonder herders en mijn land is in handen van mijne vijanden. Doch, zoo besluit Jezus, 't is niet ter wille van mij zelf, dat ik klaag, ik, die heer van hemel en aarde ben, 't is ter wille van u, die den ‘langen doet’ te gemoet gaat. Gij kunt u nog redden, want ik open voor u mijne armen, wanneer gij slechts mijn teeken aanneemt en naar Syrië trekt, waar u de overwinning wacht.’ Na deze inderdaad aangrijpend dichterlijke strophen treedt de dichter zelf 1) op, om, in aansluiting aan het eerste gedeelte der disputacie, te vragen, aan wie de mensch het meest te danken heeft, aan de Maagd of aan het Kruis; en als hij het met zich zelf niet eens kan worden, wendt hij zich tot Ontfarmicheit, die aldus de zaak uitmaakt: beiden moet men huldigen, ‘elc sondare bidde der Maget vul eren, dat si verbidde sine scout, ende diene den Cruce omme sout, dies men niet mach ontberen,’ of, m.a.w.: het hoofdbeginsel van het Christendom is: door lijden tot heerlijkheid, en daarom, wie Maria wil vereeren, moet zich haar niet voorstellen in hare hoogste glorie als gelukkige moeder van den Zoon des Oneindigen, maar haar zoeken, zooals zij, weenende om het lijden van haar geliefd kind, ligt neergeknield als mater dolorosa aan den voet van het kruis.

Wijt Maerlant in dit gedicht den achteruitgang der Christenen in het Heilige land aan den treurigen toestand der Kerk, over dien toestand klaagt hij in een ander gedicht van 18 clausulen, ieder

[p. 460]

van 13 verzen, dat ons zonder titel is overgeleverd, maar aan vs. 209 den naam van Der Kerken Claghe te danken heeft 1). Het is eene klacht, zooals er in dien tijd in verschillende talen verscheidene werden aangeheven, zooals er ons o.a. twee van den bekenden Franschen dichter Rustebuef, Maerlant's ouderen tijdgenoot, bewaard gebleven zijn, waarvan de inhoud tot in kleinigheden toe zoozeer met dien van Maerlant's gedicht overeenstemt, dat zij onzen dichter wel kunnen hebben opgewekt om zulk eene klacht te schrijven, al is de zijne er dan ook geene vertaling van 2). De klacht komt voornamelijk hierop neer, dat het priesterambt, waaraan weinig wereldsche eer en voordeel behoorde verbonden te zijn, alleen als middel wordt gebruikt, om geld en genot te verwerven, en dat alzoo de vruchten verloren gaan van het door Christus uitgestrooide zaad, dat de hebzuchtige en genotzoekende priesters een slecht voorbeeld geven aan de leeken, zoodat ‘bi quaden herden die scape verloren bliven.’ Deze toch zijn doof voor de klachten der armen; de leden van Christus'kerk laten zij hongerig en dorstig, naakt en dakloos; maar zelf rijden zij schitterend uitgedost op hooge paarden, als de ridders, wier wereldsch leven zij volgen. Aan niets anders denken zij, zegt Maerlant, dan aan uiterlijke praal, aan ‘diere spise van goeden smake ende waer men coopt den besten wijn;’ hoe Jezus geleefd heeft, vergeten zij. Van het geld, dat voor de armen bestemd is, leven zij weelderig: zij plukken de rijpe druiven ‘in Gods wijngaert,’ ofschoon zij het recht om daarin te arbeiden niet verdiend hebben door hun vlijt, maar alleen door de groote heeren te vleien en met deze goeden sier te maken, voor wier verkeerdheden zij dan, na goed met hen getafeld te hebben, wel de oogen moeten sluiten. Lekker slapen

[p. 461]

na den beerlijken maaltijd is het eenige wat zij dan nog kunnen doen. Maar de straf zal niet uitblijven: hunne ‘hoecheit sal noch sijn gelaget,’ want de duivel ‘jaecht altoes in sine warande’ en behoeft hier niet veel moeite te doen om zijne prooi te vinden 1).

Toen in Europa de mare verspreid was, dat, tengevolge van de onverschilligheid der Christenen, den 18den Mei 1291 St. Jean d'Acre, het laatste bolwerk der Christenen in het Oosten, bezweken was, zong Maerlant zijn schoonste lied, waarschijnlijk zijn zwanenzang, het lied Van den Lande van Oversee 2). In 19 strophen, ieder van 13 verzen, behelst het eene klacht en eene opwekking tevens, die in dichterlijken gloed uitmunt boven de drie gedichten, waarin Rustebuef een, twintigtal jaren vroeger geklaagd had over den treurigen toestand in het Oosten 3) en die aan Maerlant vermoedelijk wel niet onbekend zullen gebleven zijn. ‘Kerstenman, wats di gheschiet?’ zoo vangt het aan, ‘slaepstu?’ Weet gij niet, dat het land, waar Christus zijn bloed vergoot, verloren gaat? Trekt gij u dat in het geheel niet aan? ‘Satanas kinder’ zijn meester van het erfgoed der Christenen, die zelf, ‘in weelden versmoert,’ zich niet bekommeren ‘om die moert, die tot Akers in die poert wrochten die Gods viande’ door, na bij de ‘vermaledide porte’ de stad binnengedrongen te zijn, kloosters te plunderen, nonnen te onteeren en het crucifix langs de straten te sleuren. ‘Kerke van Rome, trec dijn swaert,’ en is het vol schaarden, smeed dan een ander! Maar ach! de hoofden der Kerk zijn verbasterd, en zoo is de Kerk bedorven van het hoofd tot de voeten, ‘keiser, coninc ende prelaet,’ alles ‘is mids der gierichede ontkeert van goeden seden.’ Wat baatte het, of men al streed ‘in Tunes, in Arragoene,’ men moest

[p. 462]

naar het Heilige Land zelf zijn heengetrokken; maar neen, als er in kerken en kapittels prelaatschappen openvallen, ‘daerwaert spoedet metter vaert,’ daar vertoont zich de symonie onbeschaamd, en komen zij vooruit, die het hart vol ‘reinardien’ hebben. Van het goed der armen leven de priesters in weelde en wellust, zooals de ‘amyen’ der geestelijkheid kunnen bewijzen 1), maar echte ‘diviniteit gaet om haer broet.’ En nu wendt Maerlant zich tot de vorsten. Gij, die elkander beoorloogt, zegt hij, sluit vrede en bestrijdt de vijanden Gods. Verheft ‘den scilt van sabel ende van goude, den scilt van lasuren’ 2), wapent u met het bloedroode schild, dat Christus op den Goeden Vrijdag droeg, zooals uw voorgeslacht deed, mannen als Godefroit van Bulgoene en Karel de Groote of - doet gij het niet - noemt u dan niet langer Christenen, want dien naam hebt gij dan verbeurd.

Onze middeleeuwsche letterkunde weet geen enkel gedicht aan te wijzen, dat in dichterlijken gloed het lied Van den Lande van Oversee ook maar eenigszins nabijkomt. Trouwens van al Maerlant's strophische gedichten mag men zeggen, dat zij tintelen van een gloed, die in onze middeleeuwsche poëzie zich maar zeer zelden zoo sterk doet gevoelen als bij hem, en gaarne herhaal ik hier dan ook ten slotte nog wat ik elders daarover geschreven heb 3):

‘Maerlant's strophen verdienen niet alleen kunstig genoemd te worden, maar ook schoon en doeltreffend. De bouw dier strophen met haar weelderigen rijmrijkdom versterkt den indruk van het gedicht in hooge mate. Het aanhoudend terugslaan van den eenen regel op den anderen, dat ons bij het hooren in eene telkens toenemende kunstspanning doet verkeeren, maar in zijne eentonigheid ter juister tijd, doch slechts voor een oogenblik, wordt afgebroken, geeft ons denzelfden indruk van grootschheid, die op ons wordt gemaakt, wanneer wij aan het strand der zee de golven elkaar zonder ophouden zien volgen en verdringen, en er ons over verbazen, dat iedere golf, die op het strand wordt gebroken, altijd door opnieuw door eene andere wordt gevolgd, zonder dat aan die eeuwige wisseling

[p. 463]

een einde schijnt te komen. Aan de clausule echter komt wel een einde, en heeft men de beide slotregels gehoord, die dat einde aankondigden, dan is men in staat de samenstelling der clausule te overzien en te genieten van de keurigheid en regelmaat, waarmee de rijmen elkander te gelijk afwisselen en schijnen te zoeken, voor een oogenblik wijken om dan elkander opnieuw te omsluiten. Bij het lezen van Maerlant's clausulen bewonderen wij de macht van den dichter, die de kunst verstond ook dan ‘uit één stuk’ te snijden, wanneer dat stuk zooveel meer dan de gewone afmeting had, en dat zonder veel ‘bijlijmen’ en aanhangen van losse stukjes. Maerlant's strophen bewijzen het, dat eene vaste regelmaat en eene gebondenheid aan strenge wetten van maat en rijm, wel verre van het dichtvuur uit te blusschen, integendeel voor den meester in de kunst juist een prikkel zijn om het hoogste te leveren. Maar dan ook moet men vol zijn van zijne stof, en de waarheid en beteekenis er van innig gevoelen. En dat nu was bij Maerlant steeds het geval’.

1)Over zijn leven en zijne werken is natuurlijk veel geschreven, van Van Wijn af, die het eerst zijne groote beteekenis, ook als strophisch dichter, in het licht stelde; maar ik bepaal er mij toe - onder nadere verwijzing naar de Geschiedenissen onzer Letterkunde en de Inleidingen op de uitgaven zijner werken - de aan hem gewijde monographieën te vermelden, namelijk van C.A. Serrure, Jacob van Maerlant en zijne werkrn, Gent 1861, 2e dr. 1867; van Karel Versnaeyen, Jacob van Maerlant en zijne werken, Gent. -'s-Grav. 1861; en mijn eigen werk Maerlant's werken beschouwd als spiegel van de dertiende eeuw, Leiden 1877, 2 dr. Gent. -'s-Grav. 1892.
1)St. Franciscus vs. 125. Dat het Vlaamsch Maerlant's moedertaal was, blijkt uit de Vlaamsche diernamen, die hij nevens de Dietsche opgeeft: Naturen Bloeme II 1769 vlg., 1943, V 635 vlgg.; vgl. nog II 357 vlgg., 2109-2112, III 293 vlg. en 310 vlgg., V 337 vlgg.
2)Dat zou volgen uit Alexander I 1904-1098, als men in die corrupte plaats voor maer mocht lezen Maerlant, of in elk geval mocht aannemen, dat Maerlant daar van zich zelf spreekt, en ik geloof, dat wij tot het laatste althans wel het recht hebben.
3)Uit Alexander VII 657 vlgg. volgt, dat Frederik II († 13 Dec. 1250) en Innocentius IV († 7 Dec. 1254) reeds overleden waren toen Maerlant zijn werk schreef. In Alexander V 1223-1228 wordt blijkbaar te kennen gegeven, dat Lodewijk IX, die in 1254 uit het Oosten was teruggekeerd, een nieuwen kruistocht moest ondernemen, en in Alexander V 1229-1234 wordt stellig gedoeld op Hendrik III († 12 Febr. 1261) en vermoedelijk op een verdrag van 13 Oct. 1256 aangaande eene tol te Rupelmonde, zooals terecht is aangewezen door Jonckbloet, Gesch. der Ned. Lett. 3de dr. II bl. 27-34.
4)Alexander X 1530 vlg.
5)Jonckbloet vindt in den proloog van den Alexander aanleiding om te vermoeden, dat Maerlant vroeger reeds iets anders moet geschreven hebben, doch zonder voldoenden grond, vgl. E. Verwijs, Van enen manne die gherne cnollen vercoopt, bl. 64 vlg. Maerlant toch kon zeer goed, zonder het zelf bij ondervinding te hebben, weten, dat ‘het costume es ende sede’ uit ‘nidechede iet nieuwes te lachterne’ en alles wat men niet begrijpt ‘ten archsten te keerene’. Het is in de middeleeuwen bovendien zeer gewoon, bijna mode, dat schrijvers de aanvallen van nijdige recensenten, die nog niet openlijk recenseeren en dus niet openlijk beantwoord kunnen worden, reeds bij voorbaat trachten onschadelijk te maken. Maerlant's woorden zijn dan ook niet oorspronkelijk, maar vertaald uit het Latijn. Dat hij in den Alexander niet naar de Historie van Troyen verwijst, zooals Jonckbloet vroeger meende, is overtuigend aangetoond door J. Verdam in diens uitgave der Historie van Troyen, Inl. bl. 4-9.
1)Eenige andere ernstige reden, dan dat zij in zijn systeem niet pasten, kon Jonckbloet Gesch. der Ned. Lett. II bl. 82) m.i. niet hebben, om deze regels in den proloog van de Hist. van Troyen aan Maerlant te ontzeggen, te minder daar hij ze nu en dan wel als bewijs laat gelden, bv. als hij den Torec, schoon schoorvoetend, Maerlant's werk noemt en zelfs op grond daarvan aan den dichter eene geheel gefantaseerde liefdesgeschiedenis toedicht (aldaar bl. 55 vlg.) en bv. ook als hij niet aarzelt Sompniarijs en Lapidarijs aan Maerlant toe te kennen (aldaar bl. 42), waarvan wij het voormalig bestaan toch alleen uit de Hist. van Troyen kennen.
2)Zie M. de Vries, Taal- en Letterbode III Haarlem 1872) bl. 159 vlg.
3)Vgl. daarover G. Ph. F. Groshans, Taal- en Letterbode III bl. 319 vlg.
4)Men leest namelijk, Naturen Bloeme III vs. 2087: ‘Lapidaris ende Jacob seghet’, en kort daarop vindt men aangaande hetzelfde onderwerp, vs. 2097: ‘in der steene boec hiernaer hoert sine cracht.’ Eindelijk wordt, Naturen Bloeme VII vs. 339, verwezen naar het twaalfde boek onder den naam van ‘Lapidaris hiernaer.’
1)Nat. Bloeme XII vs. 417-432 is noch in Vincentius' Speculum Naturale noch in Thomas' De naturis rerum zóó te vinden, maar uitsluitend in Marbodeus' Lapidarius. Zie W.H. van de Sande Bakhuysen in het Tijdschrift voor Ned. taal- en letterkunde II (Leiden 1882) bl. 110 vlg.
2)Sinds het gebleken is, dat slechts een vierde gedeelte van hetgeen het HS. van den Merlijn bevat, Maerlant's werk is, behoef t men niet meer aan te nemen, dat de dichter er bijzonder lang over gewerkt zal hebben, doch stellig heeft hij geruimen tijd aan de Historie van Troyen besteed, en op grond daarvan geloof ik de voltooiing van dat werk niet vroeger dan 1264 of uiterlijk 1263 te mogen stellen.
3)Zie daarover boven, bl. 204-210, 275-279 en 307-313.
4)Sp. Hist. I2 16 vs. 26. Ook elders verwijst hij naar zijne Hist. van Troyen namelijk Sp. Hist. I2 14 vs. 35-52 en Rijmbijbel vs. 7778 vlgg., 7915 vlgg. en 7923 vlgg.
5)Reeds H. van Wijn, Hist. en Lett. Avondstonden, Amst. 1800 blz. 290 vlg. wees het aan. Het door C.A. Serrure, Lett. Gesch. van Vlaanderen bl. 215-218, van K. Versnaeyen overgenomen gevoelen, dat een Marlant in Zuwenkerke (in 't Brugsche Vrije), vermeld in een giftbrief van 1262, de woonplaats van onzen dichter zou geweest zijn, is te minder waarschijnlijk, omdat men niet weet, of dat Marlant wel ooit een dorp of zelfs een gehucht geweest is.
1)Nat. Bloeme II vs. 2952 vlgg. Als hij Nat. Bloeme III vs. 3489 vlgg. zegt, dat de Vanellus ‘kivit heet in Oostlant’, bedoelt hij vermoedelijk Oosterland bij Brielle.
2)Nat. Bloeme, prol vs. 147-151, waar uit Maerlant's woorden ‘omdat mi ghebreect scats’ misschien mag worden afgeleid, dat hij aan Nicolaas van Cats geld schuldig was.
3)Sp. Hist. I1 prol. vs. 93-100.
4)Vandaar dat sommige schrijvers Nicolaas van Cats zelfs voogd van Floris V hebben genoemd, doch te onrechte. Zie E. Verwijs, Verslagen en Mededeel. der Kon, Acad. van wetensch. Afd. Lett. 2de Reeks VIII bl. 6-21, en Inl. op de Naturen Bloeme, bl. XL-XLVI.
5)Zie Sp. Hist. III8 93 vs. 115-222 over het zoogenaamde Friesche privilegie.
6)Te onrechte bleef Jonckbloet zijn, louter op fantasie berustend, vermoeden, dat Maerlant even na 1261 zou vertrokken zijn, ook nog handhaven nadat het reeds weerlegd was door E. Verwijs in diens uitgave der Naturen Bloeme Inl. bl. XXXIX.
1)Men mag het werk vóór 1272 stellen, daar Nicolaas van Cats eerst in dat jaar ridder werd en hij waarschijnlijk bedoeld wordt, als de dichter (Naturen Bloeme III vs. 2654 vlgg.) een ‘edel jonghelinc’ toespreekt, want ook in dezen heeft Verwijs, dunkt mij, juister gezien dan Jonckbloet, volgens wien ‘in 't oog springt, dat niet de Heer van Cats maar elk jongeling bedoeld is.’ De Rijmbijbel nu is voltooid in 1271 en een werk van grooten omvang; waarom wij Naturen Bloeme dus wel niet na 1269 mogen plaatsen; en evenmin werd het voltooid vóór de Historie van Troyen, dus waarschijnlijk niet vóór 1264.
2)Dander Martijn vs. 14: Jacob, du woens in den Dam ende ic te Utrecht, dies ben ic gram, dat wi dus sijn versceden’. Met C.A. Serrure, Vad. Museum II (Gent, 1858) bl. 129-131, die in Martijn den bisschop van Utrecht wil zien, Jan van Nassau of Willem Berthout, kan ik, ook na het nader betoog van J.J.A.A. Frantzen, Tijdschrift XXXV (1916) blz. 95-103, niet meegaan. Voor Jan van Nassau moet Maerlant groote minachting gevoeld hebben en Willem Berthout werd eerst bisschop in 1296.
3)Van de Martyns bestaan de volgende HSS.: 1o. het Comburgsche HS. te Stuttgart, 2o. het Haagsche HS. op de Kon. Bibl., 3o. het Zutfensche HS. op de Acad. Bibl. te Groningen, Van Martyn I en III, 4o. het HS. van Heber op de Univ. bibl. te Gent, 5o. het HS. van Clignett uit de 15de eeuw, nu op de Kon. Bibl. te 's-Grav. No. 6, 261, 6o. het Weener HS. van den Derden Martyn (zie Maerlant's Sp. Hist. Tweede Partie, Inl. bl. VIII), 7o. de Heidelbergsche fragmenten, uitg. door F.J. Mone, Anzeiger zur Kunde Teutscher Vorzeit VII p. 244-258, 8o. HS. O op de Bodl. bibl. te Oxford, 9o. de tweede strophe van Dander Martyn op de Kon. Bibl. te 's-Grav., meegedeeld door F.H.G. van Iterson, Stemmen uit den voortijd, Leiden 1857 bl. 187. Ook berust op de Kon. Bibl. te 's-Grav. een exemplaar van een druk van 1496 te Antwerpen bij Hendrick die lettersnider. De Eerste Martyn werd het eerst uitg. (naar het Zutfensche HS.) door A.C.W. Staring en M. Siegenbeek, Nieuwe Werken der Maatsch. der Ned. Lett. III 2 (Dordrecht 1834) bl. 81-225, Dander Martyn het eerst (naar het Haagsche HS.) door M. Siegenbeek, Nieuwe Werken der M. der Ned. Lett. V 2 (Dordrecht 1841) bl. 125-153; de Derde Martyn 't eerst (naar het Zutfensche HS.) door G.J. Meijer, Nalezingen op het leven van Jezus, Groningen 1838 bl. 119-152. Naar het Comburgsche HS. werden zij later alle uitg. door E. Kausler, Denkmäler altnied. Sprache und Litteratur II (Tübingen 1844) p. 611-676, en naar alle toen bekende HSS. door E. Verwijs, Jacob van Maerlant's Wapene Martyn met de vervolgen, Deventer 1857 en in diens uitgave van Jacob van Maerlant's Strophische Gedichten, Groningen 1880 bl. 1-76, waarvan Joh. Franck en J. Verdam, Gron. 1898 eene 2de uitgave, en P. Leenderts Jr. en J. Verdam, Leiden, 1918 een 3en druk bezorgden.
1)Ik kan namelijk in Eerste Martyn vs. 619 vlg.: ‘Over see noch upten Rijn soude men niemen ontliven’ geene reden zien, om met C.A. Serrure (Lett. geschiedenis van Vlaanderen bl. 312 vlg.) aan het tijdvak 1283-1288 te denken. In den lande van Overzee toch werd onophoudelijk gestreden en aan den Rijn pleegden de roofridders reeds lang vóór 1283 hunne geweldenarijen, zoodat daarbij juist niet aan den strijd van Jan I om Limburg behoeft gedacht te worden.
2)Bijna al Maerlant's strophische gedichten zijn op dezelfde wijze gebouwd; alleen bezitten de gedichten Der Kerken Claghe en Van den Lande van Oversee niet die regelmatige afwisseling van staand en slepend rijm, en zijn de b-verzen ook niet korter dan de a-verzen, wat evenmin het geval is in Die Clausule van der bible met alleen slepende rijmen, terwijl in dat gedicht ook de 41ste strophe uit 12 rijmregels op onden en de 42ste uit 13 verzen op are bestaat. Eene andere proeve van monorimen leverde Maerlant in den proloog zijner Maria-mirakelen, die 14 regels op oude bevat (Sp. Hist. I7 47 vs. 1-14). Voor den proloog van den Rijmbijbel en een deel van den Alexander (IV vs. 391-1082) bediende hij zich van kruisrijmen, die hij zelf overslaghende rimen noemde. In de Historie van Troyen maken vs. 16055-60 een couplet van zes regels, ieder met twee klemtonen, uit volgens het rijmschema aabaab, en de gedichten Van den V vrouden en Ons heren wonden bestaan uit zesregelige dubbelstrophen, rijmschema: aabaabaabaab. Ze wegens afwijking van Maerlant's gewonen strophenbouw aan hem te ontzeggen, gaat niet aan, nog te minder, omdat de Latijnsche gedichten, waarnaar zij vertaald zijn, ook uit zesregelige dubbelstrophen bestaan. Verder heeft Maerlant al zijne werken in de gewone, paar aan paar rijmende versregels der romanpoëzie geschreven.
1)Zie klachten over den achteruitgang der wereld ook Torec vs. 2418-2435 en St. Franc. vs. 1-10, en vgl. mijn Maerlant's Werken, 2 dr. bl. 242-261.
1)Vgl. ook Der Kerken Claghe vs. 23 vlgg.: ‘Al heeft een sot opt hoeft gescoren ene breede crune toten oren, hines te vroeder niet een saet.’
2)Vgl. ook Alexander I vs. 543-564 met het slot: ‘die ghone es edel allene, die hovesch van zeden es ende rene’, en zie ook Rijmbijbel vs. 24872-24876 en Heiml. der Heiml. vs, 1825-1836. Over de bevrijding der lijfeigenen in de 13de eeuw zie men verder mijn Maerlant's Werken, 2 dr. bl. 287-297.
1)Vgl. Sp. Hist. I1 11 vs. 9-14, III3 16 vs. 6-12, en mijn Maerlant's Werken 2 dr. bl. 298-304.
2)Herhaaldelijk klaagt Maerlant over de roofzucht der edelen, bv. Nat. Bloeme II vs. 1295-1300, 2329-2332, III vs. 1479-1488, 2383 vlgg. IV vs. 193-204.
3)De redetwist tusschen hart en oog is door Maerlant van elders ontleend en eene vrij getrouwe navolging van de ‘Disputatio inter cor et oculum’, een gedicht van Wouter Mapes, althans als zoodanig opgenomen bij Th. Wright, The latin poems, commonly attributed to Walter Mapes, London 1841, p. 93 vlgg.
1)Vgl. daarover ook Alexander IV vs. 1485-1488 (voor ‘maect werringhe’ leze men aldaar ‘weet coringhe’), Alex. VII vs. 605-626, 667-684, St. Franc. vs. 13-30, 1851-1864, Sp. Hist. I4 32 vs. 29 vlgg. III3 16 vs. 59-66 en mijn Maerlant's Werken 2 dr. bl. 168-182.
2)Te eer deed ik dat, omdat er vroeger nergens (behalve in Lulofs' Handboek bl. 70 vlg.) duidelijk op gewezen werd, dat het eigenlijk in tien hoofdstukken zou kunnen verdeeld worden, en nergens nauwkeurig werd opgegeven, hoe de hier gestelde vragen eigenlijk luiden, en waarin het zwaartepunt der redeneering telkens gelegen is.
3)Deze woorden, vs. 17-26, worden wel aan Martijn in den mond gelegd, maar drukken natuurlijk Maerlant's eigene gedachten uit.
1)De parabel, waardoor deze bewijst, dat de vrouw grooter macht heeft, dan iets ter wereld, behalve de waarheid, vindt men, naar Flavius Josephus, Antiquit. Jud. XI 3, in den Rijmbijbel vs. 17801-17833 en den Sp. Hist. I3 15 vs. 23-72; vgl. ook Lekenspiegel I 32 vs. 31-90.
2)Martijn komt hier, vs. 235-247, met eene in de middeleeuwen zeer gewone vernuftsspeling aan. Hij bedoelt, zooals Verwijs terecht opmerkt: Amor = animi motus obstans Rationi, of, zooals hij het vertaalt: ‘Porringe, die den Sin ontiet entie redenne gemoetene pliet.’
1)Men vindt het daarmee vergeleken in mijn Maerlant's Werken 2 dr. bl. 102-108. E. Verwijs, Strophische Gedichten, bl. 150-152 haalt als mogelijke bron nog een Latijnsch gedicht De Sancta Trinitate aan, voorkomend bij F.J. Mone, Lat. Hymnen des Mittelalters I p. 14 vlgg. Ook kende Maerlant vermoedelijk twee werken van Vincentius: De Sancta Trinitate en De Dei Filio, mundi Redemptore, welke gedeeltelijk ook zijn opgenomen in Vincentius' Speculum Naturale.
2)In het gedicht van Scalc ende Clerc, in den Vierden Martijn (vooral vs. 1-3 en 743) en in de Wapene Rogier van Jan de Weert (zie vooral vs. 40-78), terwijl wij in een fragment van den Verkeerden Martijn (104 verzen) eene parodie op het begin van den Eersten Martyn bezitten met dezelfde rijmwoorden. Zedelijk onmogelijk is het, dat Maerlant zelf die parodie zou hebben kunnen maken, zooals wel eens beweerd is. De Verkeerde Martijn, die alleen in het Zutfensche HS. voorkomt, is 't eerst uitg. door M. Siegenbeek, Nieuwe Werken der Maatsch. der Ned. Lett. III2 (Dordrecht 1834) bl. 68-80 en later door E. Verwijs, Jacob van Maerlant's Wapene Martijn, Dev. 1857 bl. 88-91 en Strophische Gedichten, Gron. 1880 blz. 77-79. Hij werd ook opgenomen in den 2 dr. Gron. 1898 en 3 dr. Leiden 1918.
3)In Boendale's Jans Teesteye vindt men voortdurend toespelingen op en aanhalingen uit de Martijns. Men vergelijke Teesteye 866-886 met -Martijn I 66-104, Teesteye 1629 vlgg. met Martijn I 145 vlgg., Teesteye 1942-1979 met Martijn I 469-481, 521-533, Teesteye 1994-2055 met Martijn I 547-559, 573-585, Teesteye 2415-2480 (aldaar vs. 2424: ‘ic spreke als Jacob sprac’) met Martijn I 235-299, Teesteye 3613-3623 (aldaar vs. 3622 vlg: ‘Alse Jacob, die dichter hoghe, spreect in sijn dyaloge’) met Martijn I 781-793. Bovendien is Teesteye 1454-1601 blijkbaar geheel onder den invloed van den Derden Martijn geschreven, en met ‘den alderbesten clerc, die gheboren wert ter werelt ye’ (vs. 1468 vlg.) wordt blijkbaar Maerlant bedoeld. Vgl. ook Martijn I vs. 170-172 met Lekenspiegel III 3 vs. 576 vlg. en Martijn 1 vs. 469-480, 547-585 met Lekensp. 1 24 vs. 65-80. Hoe druk de Martijns gelezen werden, blijkt o.a. hieruit, dat een exemplaar er van in 1353 in bezit was van den handschoenmaker Jan de Beere en zijne vrouw Margriete van Wachtbeke te Gent, en een ander in 1388 door Jan Wasselins te Gent werd nagelaten. Zie N. de Pauw, Bijdr. tot de Gesch. der Mnl. Lett. in Vlaanderen, in 't Ned. Museum, Gent 1879 II bl. 147, 169.
1)De Latijnsche vertaling van zekeren priester Jan Bukelare is geschreven in den strophenvorm van het oorspronkelijke, maar vermeerderd met twee regels, die het staartrijm voortzetten en den inhoud der strophe beknopt samenvatten. Te Bergen in Henegouwen berust er een HS. van, geschreven in 1453 door Meester Jan van der Loe, geestelijke aan de St. Jacobskerk te Gent, en uitg. door C.P. Serrure in het Vaderl. Museum I (1855) bl. 116-199 en ook afzonderlijk te Gent in 1855. In een der vele ‘prohemia’, die aan de vertaling voorafgaan, leest men: prosam metrum leoninum quidam coepere, sed opus non composuere’, als bewijs dat reeds vóór Bukelare de vertaling in 't Latijn was beproefd. Een tweede HS. bevindt zich op de Bodleiaansche bibl. te Oxford.
2)De Fransche vertaling, in den strophenvorm van het oorspr., is ± 1480 te Brugge gedrukt, doch uit het eenig exemplaar, flat er vroeger van bestond op het Brugsch archief, deelde J.W. Holtrop slechts de vertaling van Dander Martijn vs. 118-130 en 144-156 mede, later overgenomen door Paul Frédéricq, Tijdschrift voor Ned. taal en lett. IV (Leiden 1884) bl, 275-291, die daarin ook de fragmenten liet overdrukken, welke toen nog slechts van dat exemplaar op het Brugsch archief over waren, namelijk de vertaling van Martijn I vs. 1-208 en vs. 313-520. Nog later gevonden nieuwe fragmenten, nl. van den Eersten Martijn vr. 209-312, van Dander Martijn vs. 65-117, 131-143, 157-182 (doch zeer geschonden), 235-273 (zeer geschonden) en 326-338, en van den Derden Martijn, vs. 1-143, zijn uitg. door Paul Frédéricq, Tijdschrift XVII (1898) bl 33-35.
3)Zie over Maerlant's zuiverheid in de leer mijn Maerlant's Werken, 2 dr., bl. 79-123.
4)Zie over Maerlant's mystiek mijn Maerlant's Werken 2 dr. bl. 124-152.
5)Zij komen voor in het Zutfensche HS. te Groningen en zijn het eerst uitg. door L. Ph. C. van den Bergh in de Nieuwe Werken der Maatsch. der Ned. Lett. V 2 (Dordrecht 1841) bl. 47-83; daarna door J. van Vloten, Kleine Gedichten van Jacob van Maerlant, Haarlem 1878 bl. 41-69, eindelijk door E. Verwijs, Strophische Gedichten, Gron. 1880 bl. 100-123, waar, bl. 158-169, het oorspr. Latijnsche gedicht, waarvan Ons Heren wonden de vertaling is, wordt meegedeeld als ‘Rigmi de passione Domini, vexillo crucis et vulneribus Christi’, ook te vinden in F.J. Mone, Lat. Hymni des Mittelalters, I p. 159 vlgg. (zie ook J. Verdam, Tijdschrift XIV (1895), bl. 102-108). In den tweeden druk (door J. Franck en J. Verdam, Gron. 1898) en den derden (door P. Leendertz Jr. en J. Verdam, Leiden 1918) der Strophische Gedichten vindt men ook het origineel van Van den V Vrouden, nl. ‘De Gaudiis beatae Mariae virginis’, naar Dreves, Analecta Hymnica medii aevi, XV p. 95 vlg. Voor de latere uitgaven kon ook gebruik worden gemaakt van nieuw gevonden HSS. Van Ons Heren wonden, nl. een Utrechtsch, uitg. door H.E. Moltzer, Tijdschrift VIII (1889) bl. 1-6, een Brugsch, uitg. door K. de Gheldere, Tijdschrfft XIII (1894) bl. 130-135) en een Haagsch, uitg. door J. Verdam, Tijdschrift XIV (1895) bl. 94-110, waar ter vergelijking ook nog een ander gedicht van ons Heren wonden in paar aan paar rijmende versregels wordt meegedeeld.
1)Hetzelfde deed Maerlant ook in zijn Rijmbijbel, die er bijna doorloopend bij te vergelijken is. Zie mijn Maerlant's Werken, 2 dr. bl. 137-144.
2)Boven, bl. 401 vlg.
1)Van den Lande van Oversee, vs. 120-123.
2)Naar het Zutfensche HS. te Groningen is het uitg. door L. Ph. C. van den Bergh in de Nieuwe Werken der Maatsch. der Ned. Lett. V 2 (Dordrecht 1841) bl. 17-46, en daarna door J. van Vloten, Kleine Gedichten van Jacob van Maerlant. Haarlem 1878, bl. 19-40; naar het veel betere Comburgsche HS. te Stuttgart door E. Kausler, Denkmäler altnied. Sprache und Litteratur II (Tübingen 1844) p. 677-698. Naar beide HSS. werd het ten slotte uitg. door E. Verwijs, Strophische Gedichten, Gron. 1880, bl. 80-99, 2 dr. door J. Franck en J. Verdam, Gron. 1898, 3 dr. door P. Leendertz. Jr. en J. Verdam, Leiden 1918.
3)Dat eerste gedeelte, str. 2-14 vs. 14-182 is gebleken eene vrij getrouwe vertaling te zijn van twee Latijnsche gedichten: ‘Lamentatio beatae Mariae ad Crucem’ en ‘Responsio Crucis ad beatam Virginem’ (uitg. door Peiper, Archiv. für Litteraturgeschichte VII p. 418 vlgg.). Zie J. Verdam. Verslagen en Mededeel. der Kon. Akad. van Wet. Afd. Lett. 1896, bl. 133 vlgg. Men vindt het ook in den 2 en 3 druk der Strophische Gedichten, evenals het Latijnsche origineel, dat Maerlant in het middelste gedeelte, Jezus' Kruisklacht, zeer heeft uitgebreid, zoodat alleen vrij vertaald zijn strophe 17, 18, 21-30 of vs. 209-234 en vs. 261-390.
1)Het laatste gedeelte, beginnend met str. 33, vs. 417, schijnt eerst onmiddelijk bij v. 195, het slot van het eerste, te hebben aangesloten, maar er later van gescheiden te zijn. Een orgineel er van is nog niet aangewezen, doch dat het, evenals het overige, vertaling zal zijn, is wel waarschijnlijk.
1)Naar het HS. van Heber, nu op de Univ. bibl. te Gent, is het voor het eerst uitg. door J.F. Willems, Mengelingen van historisch-vaderlandschen inhoud I (Antw. 1827), bl. 45-58; daarna door L.G. Visscher, Bijdragen tot de Oude Lett. der Ned., Utrecht 1835 bl. 156-164, door J.F.J. Heremans, Van den Lande van Over-See en Der Kercken Claghe, Gent 1870; door J. van Vloten. Kleine Gedichten van Jacob van Maerlant, Haarlem 1878 bl. 92-100, en tweemaal door E. Verwijs, Bloemlezing van Mnl. Dichters II (Zutfen 1860) bl. 93-100, en Strophische Gedichten, Groningen 1880 bl. 132-138, en daarna ook in den 2 dr. Gron. 1898 en den 3 dr. Leiden 1918. Alleen in het opschrift wordt Maerlant's naam vermeld.
2)Het eene, getiteld ‘De Sainte Eglise’ is geschreven in denzelfden strophenvorm als Maerlant's gedicht, maar mist den laatsten, dertienden regel van iedere strophe. Het andere, ‘getiteld: De la Vie dou monde ou c'est la complainte de Sainte Eglise’ bestaat uit vierregelige éénrijmige strophen. Men vindt ze bij A. Jubinal, Oeuvres Complètes de Rutebeuf I (Paris 1839) p. 245-249, 232-244, en bij Adolf Kressner, Rustebuef's Gedichte nach den Handschriften der Pariser National Bibliotheek., Wolfenbüttel 1885, p. 178-186.
1)Men vgl. over het leven der geestelijken in Maerlant's tijd mijn Maerlant's Werken, 2 dr. bl. 183-242.
2)Er bestaat slechts één HS. van, het Zutfensche, op de Acad. Bibl. te Groningen. Naar een afschrift van Le Long te Leiden werd het voor het eerst uitg. door H. van Wijn, Huiszittend Leeven II (Den Haag 1812) bl. 306-322. Latere uitgaven zijn van L.G. Visscher, Bijdragen, enz. Utrecht 1835, bl. 146-155, van J.F.J. Heremans, Van den Lande van Over-See en Der Kercken Claghe, Gent 1870, van J. van Vloten, Kleine Gedichten van Jacob van Maerlant, Haarlem 1878, bl. 82-91, en van E. Verwijs, Bloemlezing van Mnl. Dichters II (Zutfen 1860) bl. 100-107, en Strophische Gedichten, Groningen 1880 blz. 124-131, ook in 2 dr. Gron. 1898 en 3 dr. Leiden, 1918. In de laatste strophe noemt Maerlant zich zelf als den dichter.
3)Rustebuef's drie gedichten, 1o. La Complainte d'Outre-mer, 2o. La Complainte de Constantinoble, en 3o. La novele Complainte d'Outre-mer, zijn te vinden bij A. Jubinal, Oeuvres Complètes de Rutebeuf I (Paris 1839) p. 91-123 en bij Adolf Kressner, Rustebuef's Gedichte nach den HSS. der Pariser Nat. Bibl. Wolfenbüttel 1885 p. 19-35.
1)Terecht vindt Van Wijn het opmerkelijk, dat juist in 1291 de toenmalige bisschop van Utrecht, Jan van Zirik, een gestreng verbod tegen het concubinaat der geestelijken uitvaardigde.
2)Het wapenschild van Vlaanderen (vgl. Vlaamsche Rijmkroniek vs. 4984) of van Brabant en dat van Frankrijk.
3)In mijn Maerlant's Werken, 2 dr. bl. 474 vlg.
prepostterug  begin  verder