terug  begin  verderprepost

XIX.
Jacob van Maerlant als leerdichter.

Maerlant's strophische gedichten getuigen overvloedig van zijne groote en innige belangstelling in de maatschappelijke toestanden, die hem wel allerminst bevredigden, maar waaraan zijne gedachten zich toch niet konden onttrekken, omdat hij vurig verlangde ze te verbeteren. Maerlant's pessimisme was een opbouwend en vruchtbaar pessimisme en heeft daarom ook zeker veel kunnen bijdragen tot verbetering van het bestaande, te meer omdat hij met zijne denkbeelden daarover niet alleen stond, maar in overeenstemming was met den opkomenden tijdgeest, die voor allengs ontstane nieuwe toestanden nieuwe levensvormen eischte.

Vooral was het nieuwe in de Dietsche maatschappij van de 13de eeuw de opkomst van de burgerij, van den nijveren handelsstand, naast en tegenover den ouden landadel. Die burgerij verdiende in hare jonge levenskracht de meeste belangstelling en dat werd door verstandige landsheeren dan ook wel ingezien. Zelfs een Jan van Brabant, het toonbeeld van den ridder, zag dat, ondanks zijne zucht naar tornieren en zijne liefde voor minnezang en menestraudie, helder in. Dat begreep vooral ook de vriend zijner jeugd, zijn geest-

[p. 464]

verwant Floris V van Holland, die, bij dezelfde ingenomenheid met zang en ridderlijke wapenoefening, ten aanzien van de trotsche willekeur der groote heeren dezelfde gedragslijn volgde in het belang van.... zich zelf misschien, maar zeker ook van de poorters zijner goede steden, zooals van het aan het gezag van Gijsbrecht van Aemstel onttrokken Amsterdam. Moge misschien een ontuchtig liefdesavontuur tot zijn dood hebben meegewerkt, in de eerste plaats is hij toch gevallen als slachtoffer van zijn bevoorrechten der ‘keerlen’ of onadellijke vrijen, en van zijne belangstelling in den handel der Hollandsche poorters, met name den wolhandel van het tot bloei gerakende Dordrecht.

Daarbij besefte Floris, misschien meer nog dan Jan van Brabant, dat kennis grooter macht verschaft dan lichaamskracht en krijgsmoed kunnen schenken, en bleef hij dus niet alleen beschermer der menestreelen, die hunne kunst aanwendden tot verlustiging van den hofkring, maar werd hij ook bevorderaar van die populaire wetenschap, welke de meestal in stadsdienst werkzame clerken uit de kloosterbibliotheken en academische gehoorzalen overbrachten tot de beschaafde en arbeidzame gildebroeders, die wel geen Latijn verstonden, maar daarom toch kennis, vooral practische kennis, niet versmaadden.

Opdat ook leeken die kennis zouden kunnen opdoen, of ten minste zouden kunnen leeren lezen wat de clerken schreven, richtten de vorsten en stedelijke regeeringen in de 13de eeuw in de steden gemeente- of parochiescholen op, waar somtijds zelfs kosteloos onderwijs werd verstrekt 1), geheel in overeenstemming met Maerlant's woorden tot den landsheer: ‘in steden dire mogenthede mac scolen ende doe leren mede die kinder van dinen lande. Sijn si arem. vul hem die hande, doe hem hovesceit ende ere, dat elc te williker lere’ 2), want, zooals hij zegt, ‘clergie eert een conincrike’, en ‘ridderscap ward nie verheven clergie ne moester raet toe gheven’.

Had men nu in de kloosterscholen bij het eerste onderwijs in het Latijnlezen voornamelijk de Disticha Catonis 3) gebruikt, ‘een

[p. 465]

boec dat die clerken lesen als si eerst ten scolen gaen’ 1), toen men ook het Dietschlezen begon te onderwijzen, bediende men zich daarbij van eene vertaling der Distichia, bekend onder den naam van Dietsche Catoen, en in verscheidene, van elkaar in volgorde en aantal der verzen afwijkende, handschriften en oude drukken bewaard 2), welke alle bloemlezingen schijnen te zijn, getrokken uit eene volledige vertaling, die wij echter niet meer bezitten, daar er in 't geheel, behalve een proloog van 46 en een epiloog van 18 verzen, slechts 127 vierregelige zedenspreuken of vermaningen zijn overgebleven, in vier boeken verdeeld.

Ofschoon de ons onbekende vertaler daarbij de vrijheid nam twee Latijnsche verzen telkens in vier Dietsche over te brengen, heeft hij toch meestal het Latijn niet nauwkeurig weergegeven; somtijds zelfs is de vertaling bepaald onjuist of zóó vrij, dat men moeite heeft uit te maken van welk distichon hij zich voorstelt eene vertaling geleverd te hebben. Vandaar dan ook, dat zijn werkje, hoe verspreid dan ook, door andere dichters maar zelden is gebruikt. In den Floris ende Blancefloer schijnt er één distichon uit aangehaald te worden 3), waarom men dan ook mag aannemen, dat het reeds in het midden der 13de eeuw bestond. Omstreeks 1284 wordt

[p. 466]

het door Maerlant vermeld 1), Hein van Aken neemt er in zijne Rose 2), en Jan Boendale in zijn Lekenspiegel 3) één distichon uit over, maar overigens geeft Boendale er dáár de voorkeur aan, de disticha in eigene, veel betere vertaling aan te halen 4), en dat gebeurt ook in andere werken 5).

Door middel van den Dietschen Catoen voorbereid tot het lezen van populair-wetenschappelijke werken, begonnen de beschaafde poorterszonen meer en meer belang te stellen in hetgeen de clerken hun boden; en dat die clerken, wier eenig doel het was hunne lezers te leeren en te stichten, al spoedig de verklaarde tegenstanders werden der romandichters of ‘borderers’, der ‘menestreelen ende goliarden, die favelen visieren begarden’ 6), is niet te verwonderen. De volksverlichters, die degelijke kennis trachtten te verspreiden, moesten zich nog te meer ergeren aan die verdichters van hetgeen in hun oog onzedelijke leugenverhalen waren, omdat zij reden hadden om ook aan het zedelijke karakter van de leden der ‘menestraudie’ te twijfelen, daar deze meestal pluimstrijkers en mooipraters waren en hunnen heeren ‘der ijdelre glorien cleet’ omhingen, ofschoon de lof, dien zij zoo overvloedig toezwaaiden, als sneeuw voor de zon versmolt 7), terwijl zij, ‘altoos onghestade’, van den een naar den ander overgingen en zich toelegden op het ‘conterfeiten van riddere ende papen, porters, vrouwen ende knapen’, ten einde daarom ‘scone gheplumet’ te zijn 8).

Menestreelen en clerken worden lijnrecht tegenover elkaar gesteld

[p. 467]

in de samenspraak van Scalc ende Clerc 1), een gedicht in veertig coupletten, ieder van zes verzen (rijmschema aabaab). De scalc of menestreel beweert daarin, dat wie ‘hem bi heren sal gheneren’ moet doen als hij, namelijk hoorende doof en ziende blind zijn, met alle winden draaien, aardig praten en den lachlust opwekken, allerlei kleine diensten bewijzen en vooral alles goedkeuren wat de heeren doen, haten wie zij haten en vriendelijk behandelen wie hunne vrienden zijn, want dan, zegt hij, wordt men door zijne heeren ‘een goet knecht’ genoemd, krijgt men ‘goet ende scone juweel’, wordt men gevierd, ontzien en vorstelijk onthaald. Maar deze ‘conste, die voor alle conste gaet’, eischt valschheid en vaardigheid in het bedriegen. Daarentegen houdt de clerk vol, dat de scalc door de heeren te vleien en te bedriegen de oorzaak is van hun ondergang. Dat de adel zich kenmerkt door hebzucht en geweld en hard achteruitgaat, is de schuld der scalken; maar ook die scalken zelf, allen die ‘metten kattenseel gaen leiden’, zullen de verdiende straf ontvangen, daar het lot wispelturig is, en in elk geval zal alleen wie ‘metter waerheit ommegaet’ opgenomen worden in het eeuwig rijk van God, die ‘selve die waerheit es’.

Bevreemdend is het dan ook zeker niet, dat Boendale, de wijze clerk bij uitnemendheid, de menestreelen niet meerekent, als hij van de Dietsche dichters spreekt, en den eersten wezenlijken dichter zag in Jacob van Maerlant, wien hij den eernaam schonk van ‘den vader der Dietscher dichtren algader’ 2) en dien hij ‘thooft van allen Dietschen poeten’ noemde 3). Inderdaad toch was Maerlant de eerste dichter van beteekenis, die werken van populair-wetenschappelijken aard in het licht zond en wel met het duidelijk uitgesproken

[p. 468]

doel, daarmee de waarheid te dienen en nuttige kennis te verspreiden onder zijne landgenooten.

Daartoe echter was hij eerst langzamerhand gekomen, al was zijn geest er misschien ook reeds van den aanvang af toe geneigd. Maar aan het wereldsche hof van Voorne, waar hij verkeerde, terwijl hij te Maerlant het kosterambt bekleedde, hield hij zich, zooals wij reeds hebben gezien, jaren lang ijverig bezig met het vertalen van ridderromans, die de edelen en edelvrouwen aan dat hof zeker hebben bewonderd en genoten, maar waarop hij zelf later met spijt en minachting neerzag, als op beuzelarijen, zoo al niet erger.

Die overgang tot eene ernstiger levensbeschouwing schijnt bij Maerlant samen te hangen met zijn afscheid aan Voorne en aan zijne costerie en met zijn vertrek naar Damme, waar hij (in zijne vermoedelijke geboorteplaats, althans in zijne geboortestreek, het Brugsche Vrije) het scepenambt ging bekleeden. Ten minste tusschen de vervaardiging der beide eerste ‘Martijns’, die reeds van dien omkeer in zijne levensbeschouwing getuigen, moet, zooals wij reeds zagen, zijn vertrek hebben plaats gehad.

Daarmee was hij in eene geheel andere omgeving gekomen, zooals hij ook blijkbaar zelf zal hebben gewenscht. Van het ridderlijk hof van Voorne was hij nu verplaatst naar het hartje van Europa's bloeiendste handelsstreek. Brugge toch, de hoofdstad der Vlaamsche of Londensche Hansa, was in dien tijd het middelpunt van den Europeeschen groothandel en was dat vooral geworden sinds het door de stichting van Damme in 1180 zich eene betere havenplaats aan de Schelde had verschaft, die, ofschoon van Brugge eenigszins afhankelijk en tot de smale steden van Vlaanderen behoorend, reeds vroeg een eigen schepenbank en belangrijke handelsvoorrechten bezat, reeds in 1213 door Guilielmus Britto kon geprezen worden als eene stapelplaats van uit alle oorden der wereld toegezonden koopwaren 1), en, ofschoon in denzelfden tijd door de Franschen geplunderd en verbrand, in staat was, zich spoedig glansrijk te herstellen en zich door muren tegen nieuwe aanvallen te verzekeren 2).

Dat zulk eene omgeving een gewichtigen invloed op Maerlant

[p. 469]

moest oefenen, spreekt van zelf. Met zijn vertrek naar Damme sloot hij gewis eene periode van zijn leven af, waarschijnlijk ongeveer terzelfder tijd, dat hij met zijne Historie van Troyen het eerste tijdvak van zijne letterkundige loopbaan besloot, om daarna eene andere richting op het gebied der dichtkunst te volgen. In zijn Rijmbijbel geeft hij dat zelf niet onduidelijk te kennen, als hij, met het oog op de romantische werken uit de eerste periode zijner letterkundige werkzaamheid, God op grond van zijne nuttige bijbelvertaling smeekt: Vergeef mij, ‘dat ic mi besmet hebbe in logenliken saken, die mi de lichtheit dede maken vander herten ende vanden zinne ende vander wereltliker minne’ 1).

In de laatste woorden beschuldigt hij zich dus van te groote wereldsgezindheid, waaronder men niet, zooals wel eens gedaan is, uitsluitend sexueele liefde mag verstaan, terwijl bovendien uit zijne werken zelf minder blijkt, dat hij zulk eene liefde gekoesterd, dan wel dat hij er belang in gesteld heeft. Zijn Alexander is het eenige werk, dat hij maakte ter wille van eene vrouw 2), wier naam hij zijn lezers te raden geeft en die vermoedelijk Gheile heette, maar ons overigens te eenemale onbekend is 3). Hij noemt haar ‘scone, edel ende bequame’, zegt, dat zij hem ‘heeft ghevaen’, dat zij hem ‘pinen doet’, en dat hare goedkeuring hem voldoende is. Hij bidt, dat ‘God haer ere ende prijs gheve’; maar dat er liefde bij hem in 't spel was, blijkt uit zijne tamelijk koele woorden niet voldoende. Er spreekt m.i. veeleer de eerbiedige genegenheid van een galanten dienaar, dan de hartstocht van een verliefde uit. Overigens treffen wij ook reeds in dit gedicht Maerlant's vereering van de ‘moeder ons heren’ aan, die hij verklaart te willen dienen, daar zij ‘meneghe siele heeft verloost’, en hare hulp ‘noit manne en ontseide, die an hare sinen hope leide’, ook al moet hij bekennen, dat hem ‘die werelt soete es’ 4).

[p. 470]

Dat Maerlant de taal der liefde verstond en zich gaarne op het gebied der galanterie bewoog, blijkt weliswaar duidelijk uit zijne eerste werken, maar zonder dat daaruit eenigszins valt op te maken, of hij ook zelf in de strikken der liefde verward is geweest. In den Torec vinden wij een minnebrief 1), in de bewoordingen der hoofsche lyriek gericht tot Miraude, wier liefde den held van den roman gelukkig maakte en hem tevens onverschillig deed zijn voor de wel wat al te onstuimige genegenheid, die de schoone Mabilie voor hem had opgevat, en waardoor zij het hem uiterst lastig maakte. Torec vraagt zich daarom in dien roman af, hoe het mogelijk kon zijn, dat dezelfde liefde, ‘daer die werelt al bi staet ende die alle hovescheit wiset’, tegelijk zoo tiranniek kon wezen om jonkvrouwen van het pad der wellevendheid en ingetogenheid af te brengen 2).

Vraagpunten, zooals dit, vielen bij Maerlant bijzonder in den smaak, gelijk verder ook blijkt uit de redewisseling in ‘die camere van wijsheiden’ 3), waar de quaestie wordt behandeld, welke liefde te verkiezen is, die van jonkvrouwen of die van gehuwde vrouwen 4), eene quaestie trouwens, die uitsluitend door wereldlingen en dan nog wel alleen in den bloeitijd van den ridderlijken liefdedienst kon gesteld worden. Wie gaarne over de liefde redeneert en belang stelt in de fijnheden der galanterie, vervalt allicht tot eene zekere minachting van het vrouwelijk geslacht, zooals de Rose, het middeleeuwsch leerboek der galanterie bij uitnemendheid, bewijst. Geen wonder dan ook, dat Maerlant niet aarzelde het Gauthier de Chastillon na te zeggen: ‘wive sijn wandelre dan die wint ende nieloper dan een kint ende wreder dan enich tirant ende harder dan een adamant’ 5) en geene aanleiding vond om uit de Historie van Troyen Benoit's uitvoerige klacht over de ongestadigheid der vrouwen weg te laten, al meende hij er dan ook nog zelf opzettelijk te moeten bijvoegen, dat hij gaarne allen vrouwen hare wuftheid vergaf ter wille van Maria, de bron van alle deugden 6), die hij in den Merlijn reeds als advocaat der menschen had voorgesteld 7).

[p. 471]

Inderdaad meende Maerlant het zoo kwaad niet met de vrouwen: van nature was hij ‘den vrouwen hout’ 1), en alleen om mee te kunnen doen met de geblaseerde hofjonkertjes, dus uit wereldsgezindheid, had hij zich in zijne romans nu en dan ongunstig over de vrouwen uitgelaten. Zoodra zijne levensbeschouwing ernstiger wordt, spreekt hij over de vrouwen met verschooning, zelfs met zekere goedhartigheid; en vandaar de beminnelijke scherts, waarmee hij lachend zich zelf plaagt, dat het ‘oyt syn doen was, dat van vrouwen sijn sermoen altoes moeste beginnen of enden’ 2).

Trok het vrouwelijke Maerlant bijzonder aan en is daaruit zijne devote vereering van de Moedermaagd te verklaren, die op hare beurt bij hem de genegenheid voor de vrouwen in het algemeen nog versterkte, met de wereldsgezindheid, waarvan hij zich in zijn Rijmbijbel beschuldigde, stond die genegenheid zeker niet in eenig bijzonder verband.

Die wereldsgezindheid bestond naar zijne meening veeleer in een welgevallen aan het tijdelijke, het voorbijgaande en dus het kleine, in eene zekere luchthartigheid, die het hem met de waarheid minder nauw deed nemen, en in een verwaarloozen van het wezenlijk belangrijke, het eeuwige, het, naar zijne overtuiging, waarachtig ware. En daaraan was het, dat hij zich nu verder, ook als dichter, uitsluitend wilde wijden. Zoo werd Jacob van Maerlant, na de romantische periode in zijn leven te hebben afgesloten, leerdichter in de eerste plaats. Nuttige werken te schrijven ter ontwikkeling van zijn volk werd nu zijn hoofddoel.

Dat komt reeds onmiddellijk uit in zijne eerste leerdichten, de Hiemelijcheit der Heimelijcheden (misschien in 1266 geschreven) en Der Naturen Bloeme (tusschen 1264 en 1269 vertaald).

In dat laatste werk wil hij, zooals hij zelf zegt 3), ‘nutscap ende waer’ bieden aan hen, ‘wien favelen vernoyen ende onnutte loghene moyen’, en dat wel ter eere van God, ‘die wonderlijc es in sinen maken’. Wel was het hem niet onbekend, dat er reeds een soortgelijk werk, een Bestiaris, in het Dietsch bestond, dien ‘Willem Utenhove’, een priester van goeden love van Aerdenburch’, maakte 4), maar deze ‘wasser in ontraect’, zooals hij zegt, ‘want

[p. 472]

hine uten Walschen dichte: so ward hi ontleet te lichte ende heeft dat ware begheven’ 1).

Vermoedelijk was dat nu verloren 2) werk dus eene vertaling van den Bestiaire van Philippe de Thaun uit het begin der 12de of van dien van Guillaume li Clers uit het begin der 13deeeuw, in welke beide gedichten de natuurlijke historie niet de eerste plaats inneemt, maar de beschrijving van aard en gewoonten der dieren voornamelijk dient als middel om zedekundige waarheden (‘moralité’) te leeren, terwijl Maerlant juist omgekeerd met zijn werk in de eerste plaats kennis der natuur wilde verspreiden en de nuttige zedelessen slechts als toegift, en ook niets meer, wilde beschouwd zien.

Opmerkelijk is het, dat Maerlant reeds hier de onbetrouwbaarheid vaststelt van wat in het Fransch is geschreven en dus reeds hier een scherp onderscheid maakt tusschen hetgeen de menestreelen tot vermaak schreven in de Fransche taal, dus de zoogenaamd populaire lectuur, en hetgeen de clerken tot leering schreven in het Latijn, de taal der wetenschap. Hatelijkheid tegen de Franschen hebben wij hierin volstrekt niet te zien. Willem Utenhove had zijns inziens gerust het werk van een Franschman mogen vertalen, als het maar in het Latijn geschreven was.

Het oorspronkelijke nu van Maerlant's Naturen Bloeme 3), namelijk De Naturis rerum, was in het Latijn geschreven, maar niet, zooals hij meende 4), door ‘broeder Alebrecht van Coelne’ (Albertus Magnus). De werkelijke schrijver was diens leerling Thomas van Cantimpré (geb. 1201 † ± 1270), die het vermoedelijk vóór of in 1244 voltooide 5). Bij zijne vertaling volgde Maerlant het oorspronkelijke meestal op den voet, doch niet zonder bekorting, ofschoon zijn in dertien boeken verdeeld werk toch nog uit ± 16660

[p. 473]

verzen bestaat 1). De grootste afwijking veroorlooft onze schrijver zich bij de zedekundige opmerkingen, die Thomas soms aan zijne natuurbeschouwingen vastknoopt, en die door Maerlant niet zelden gewijzigd, uitgebreid, door andere vervangen en meermalen ook met eigene beschouwingen vermeerderd worden, welke voor een deel uit berispingen van de dwingelandij der edelen bestaan. Bovendien schijnt Maerlant ook enkele malen het Speculum Naturale van Vincentius geraadpleegd te hebben en tevens, voor het twaalfde boek, ook zijn eigen Lapidarijs of de bron daarvan 2). Na een proloog, waarin Maerlant zijn werk aan heer Nyclaes van Cats opdraagt en eene reeks van bronnen opgeeft door Thomas gebruikt 3), handelt hij in het eerste boek over den mensch, den ‘coninc der creaturen’, en wel over de verschillende leeftijden, en over ‘volc van vreemder manieren’, meestal fabelachtige of mythologische wezens, reeds bij de schrijvers der Oudheid vermeld en daarom door de middeleeuwers ook nog als werkelijk bestaande wezens aangenomen. In de volgende boeken wordt achtereenvolgens gehandeld over de ‘gaende of viervoete beesten,’ de vogelen, de zeemonsters, de visschen, de serpenten, de wormen (d.i. insecten), de boomen, de specerijen, de geneeskruiden, de bronnen, de steenen (ook de gesneden steenen met hunne tooverkrachten) en de metalen. Daarbij wordt ‘die ordine van A. B. C.’ gevolgd, waarbij de Latijnsche namen der natuurvoorwerpen ten grondslag gelegd worden. Hoofdzaak is (want de zedekundige bespiegelingen nemen in betrekking tot het geheel slechts eene zeer geringe plaats in) de beschrijving van de gedaante der natuurvoorwerpen, en bij de dieren ook hunne leefwijze en andere eigenaardigheden; maar verder wordt ook vooral gelet op de waarde, die zij geheel of gedeeltelijk als voedsel hebben, en op het gebruik:, dat ‘elc apotecaris’ er van kan maken. Daar ook de toebereiding wordt opgegeven, zou men uit Der Naturen Bloeme eene geheele middeleeuwsche pharmacopoea kunnen samenstellen en voor de genezing van

[p. 474]

zieke jachtvogels vindt men er dan ook eene kant en klaar in 1). Maerlant zelf verklaart, dat in zijn werk te vinden zijn ‘medicine ende dachcortinghe, scone reden ende leringhe’ 2), en meer moet men er dan ook niet in zoeken, vooral niets dichterlijks. Het is eenvoudig een handboek der natuurlijke historie op rijm.

Een ander handboek op rijm, en wel over de regeerkunst, is de Heimlicheit der Heimlicheden 3), vertaald door Maerlant 4) naar een in de middeleeuwen zeer verspreid Latijnsch geschrift, Secreta Secretorum van den nog altijd niet voldoende geïdentifiëerden Philippus Tripolitanus 5), die het vertaalde uit het Arabische werk Sirr-al-Asrân, dat zelf zich uitgeeft voor de vertaling van een Grieksch werk, door Aristoteles voor zijn leerling Alexander den Groote geschreven, wat ook door iedereen in de middeleeuwen, en dus ook door Maerlant 6) werd geloofd. Toch is dat ongetwijfeld onjuist, daar het werk voor een groot deel geheel met den Aristotelischen geest in strijd is. Behooren Grieksche tractaten misschien tot de bronnen van de tien tractaten, waaruit het Arabische werk bestaat, dan moet men die zoeken in de alchimistische school, waarvan Hermes Trismegistus, die er meermalen in genoemd wordt, de stichter heet. Grootendeels echter schijnt het ontleend te zijn aan de groote Encylopaedie van de godsdienstig-wijsgeerige secte der ‘Trouwe Broeders van Basra’ uit de 10de eeuw, die weder hunne wijsheid hadden geput, behalve uit Grieksche natuurphilosophische

[p. 475]

werken, uit de gnostische geschriften van Plotinos en andere Neoplatonici en van de Neopythagorici met hunne getallensymboliek 1). Voor de gezondheidsleer, die er eene belangrijke plaats in inneemt, waren ook andere Arabische medische geschriften de bron, misschien die van den grooten Arabischen geneesheer Avicenna en, als het werk eerst uit de 12de eeuw mocht dagteekenen, misschien ook het ‘Regimen Sanitatis’ van de medische school te Salerno 2).

Maerlant vertaalde naar de volledige Latijnsche vertaling van Philippus Tripolitanus (want er bestaat ook eene bekortende vertaling van Johannes Hispalensis) tamelijk letterlijk, maar liet, na vrij getrouw de beide eerste tractaten te hebben overgebracht, later uit de andere veel weg, ja zelfs een paar tractaten in hun geheel blijkbaar, omdat hij er al te veel wonderlijks in vond, wat hij niet kon gelooven, waardoor zijn werk dan ook over het algemeen een verstandigen indruk maakt en geen trouw beeld geeft van het in vele opzichten fantastische origineel. Na vs. 2090 wordt zijne vertaling veel vrijer en schijnt hij door voortdurende bekorting naar het einde te jagen. Van zich zelf voegde hij er slechts enkele malen iets bij. Het niet gemakkelijk Latijn heeft hij doorgaans goed verstaan.

In Maerlant's vertaling vervalt het werk, dat uit 22 hoofdstukken bestaat, samen 2158 verzen uitmakend, in drie deelen. Het eerste deel (vs. 1-838) handelt, na een korten proloog, over de gulden middelmaat tusschen ‘miltheit ende vrecheit,’ die een vorst moet betrachten, over de voorzichtigheid, waarmee hij zijne gunsten moet bewijzen, en de verderfelijkheid van het opleggen van te zware belastingen; vervolgens over het bezit ‘van goeder name’ als de eenige bron van geluk. Daarna wordt den vorst op het hart gedrukt, dat hij zich steeds door wijze raadslieden moet laten omringen en onwaardigen uit zijne omgeving moet bannen, terwijl hem een matig leven wordt aanbevolen en hij gewaarschuwd wordt tegen de heerschappij der zinnelijke lusten. Door een onberispelijk leven toch, door verstandige vrijgevigheid en door bemind en ontzien te zijn bij het volk bewijst een vorst zijn recht op den

[p. 476]

hoogen rang, dien hij bekleedt; zulk een vorst is eene weldaad voor zijn land en onontbeerlijk. Verder betaamt het een vorst de armen te ondersteunen, een rechtvaardig, maar geen wreedaardig rechter te zijn, trouw te blijven aan het eens gegeven woord, en wijsheid te vergaderen door zich ‘geesten van dat hier voren es overleden’ te laten voorlezen. Vooral moet hij ook de wetenschap in eere houden en de ontwikkeling van het volk bevorderen. Verder moet hij op zijne hoede zijn tegen de lagen, die men hem zou kunnen leggen, en inzonderheid zorg dragen voor de gezondheid van zijn lichaam. Het tweede gedeelte (vs. 839-1450) van het gedicht bevat verder allerlei leefregels voor de verschillende jaargetijden, die met elkaar eene middeleeuwsche gezondheidsleer vormen, niet alleen voor een vorst, maar voor ieder mensch, en die berust op het toen nog algemeen aangenomen stelsel van Galenus, het temperament van de vier ‘humeuren’, in overeenstemming met de vier elementen en de vier jaargetijden, en in betrekking tot de ‘viere leden principale’ van den mensch: ‘thovet, die oghen, die borst en die manlichede’. In het laatste gedeelte keert de dichter, zooals hij zelf ook aanduidt (vs. 1439-1450), tot het begin, de regeerkunst, terug, maar vervalt daarbij niet zelden in dezelfde onderwerpen als hij reeds in dat eerste deel behandelde. Er wordt nu vooral hierop gewezen, dat de landsheer rechtvaardigheid moet betrachten, zijne ‘ondersaten moet beschermen van der edelinghen onmate’, enz. Tegen het eind vindt men (vs. 1933-2090) het bekende verhaal van den edelen Oosterschen wijze en den hardvochtigen ondankbaren Jood, eene parabel, waarin de voortreffelijkheid van menschlievende vrijzinnigheid boven bekrompen onverdraagzaamheid treffend uitkomt.

Wanneer Maerlant dit werk heeft vertaald, weten wij niet. De ons onbekende persoon, aan wien de dichter het opdraagt, wordt als ‘lieve neve’ (d.i. kleinzoon) toegesproken, eene uitdrukking, die op zich zelf niets voor familiebetrekking behoeft te bewijzen, maar zeer goed dezelfde kracht kan gehad hebben, als ons ‘mijn zoon’ in den mond van den leermeester tot den leering. Daar nu het werk blijkbaar bestemd is voor een jeugdigen vorst bij het aanvaarden der regeering en Floris V in 1266 op twaalfjarigen leeftijd officiëel het bewind aanvaardde, is de gissing, dat Maerlant, die aan het hof te Voorne den jeugdigen Floris had leeren kennen, het omstreeks dien tijd voor den jongen vorstentelg zou gemaakt hebben,

[p. 477]

niet onwaarschijnlijk. Ter nadere bevestiging zou men nog kunnen opmerken, dat het gedicht vóór Der Naturen Bloeme schijnt vervaardigd te zijn 1). Ook zullen wij Maerlant in later tijd met Floris V in aanraking zien, wanneer hij wel diens geschiedschrijver zou mogen genoemd worden.

1)Zie daarover Dr. W. Moll, Kerkgeschiedenis van Nederland vóór de hervorming II2 (1867) bl. 250-259, en vgl. mijn Maerlant's Werken beschouwd als spiegel van de 13de eeuw, 2 dr. Gent-'s-Grav. 1892 bl. 321-325.
2)Maerlant's Heiml. der Heiml. vs. 731-748.
3)Over dit werkje uit den Romeinschen keizertijd zie men vooral Fr. Zarncke, Deutsche Cato, Leipzig 1852, en de inleidingen op de vele andere uitgaven, waarvan de voornaamste zijn die van O. Arntzenius (Traj. ad Rhenum 1735, Amst. 1754, met eene dissertatio etc. van M.Z. Boxhorn en twee van J.H. Witnof), die van Hauthal (Berolini 1870) en die van Aem. Baehrens (in de Poetae Latini minores III - Lipsiae 1881 - p. 205-242). Over de drie verschillende redacties, die er van de Disticha of, beter, Dicta Catonis bestaan, zie men M. Boas, Het Latijnsche origineel der Mnl. Cato-bewerking, in Tijdschrift XXIX (1910) bl. 182-206.
1)Dietsche Catoen, prol. vs. 24 vlg.
2)De Dietsche Catoen is naar het Comburgsche HS. (296 verzen bevattend) uitg. in E. Kausler's Denkmäler II (Tübingen 1844) p. 600-610; vgl. III (Leipzig 1866) p. 346-355, en, met gebruikmaking van dit HS., naar een Antwerpschen druk van Henrick Eekert van Homberch (284 verzen) door W.J.A. Jonckbloet, Die Dietsche Catoen, Leiden 1845, waarachter hij ook voor 't eerst uitgaf Les Distiques de Caton par Jehan Lefèvre naar een HS. op de Kon. Bibl. te 's-Gravenhage. Naar een HS. te Oudenaarden (393 verzen bevattend) werden zij uitg. door D.J. van der Meersch, De boec van Catone, Gent 1846 (Maatsch. der VI. Bibliophilen II No. 8). Een fragment van 72 verzen op de Bibl. van de Maatsch. der Ned. Lett. te Leiden (HS. No. 221) is, in de werken dier Maatsch. N. R. VII (1852) bl. 155-159, uitg. door L. Ph. C. van den Bergh. Naar een HS uit de 15de eeuw (254 verzen) liet J.H. Halbertsma ze drukken in De Jager's Nieuw Archief 1855-1856 bl. 237-258. Naar twee Antwerpsche drukken van Baghijnken van Parijs, 1605 en z. j. bij Pauwels Stroobant, waarachter 204 verzen der disticha voorkomen, gaf C.P. Serrure ze nog eens in 1860 voor de VI. Bibliophilen uit als Baghijnken van Parijs, enz. Verder zijn er nog 232 verzen in een HS. te München, en bevat een Berlijnsch HS. 263 verzen, een ander Berlijnsch HS. 108 verzen. Naar al die HSS. en drukken zijn de disticha eindelijk volledig uitg. door A. Beets, De Disticha Catonis in het Middelnederlandsch, Groningen 1885.
3)Vgl. Floris ende Blancefloer vs. 2821 vlgg. met Dietsche Catoen I 27.
1)Sp. Hist. I5 73 vs. 51 vlgg.: ‘Catho screef enen bouc van seden: dien vint men in vele steden in Dietsch gemaect.’
2)Vgl. Rose 12031 vlg. met Dietsche Catoen IV 8.
3)Vgl. Lekenspiegel III 3 vs. 135-140 met Dietsche Catoen I 17. Voor andere disticha bij Boendale kan ik den invloed van onze vertaling niet aannemen.
4)Groot is het aantal disticha, die Boendale in zijn Lekenspiegel heeft opgenomen, en dikwijls vermeldt hij Cato ook, namelijk Lsp. III 3 vs. 162, 170, 224, 314; 10 vs. 256; 13 vs. 76; 15 vs. 233, 245; 20 vs. 44; IV prol. vs. 18. Al wat Boendale in het derde boek van zijn Lekenspiegel, cap. 2 en 3 aan Cato heeft ontleend is aangewezen door M. Boas, De IV virtutibus cardinalibus, een middeleeuwsche benaming voor de Disticha Catonis, in Tijdschrift XXXII (1913) bl. 101-138.
5)Zie Boendale's Teesteye vs. 69, 3109, en den Melibeus vs. 786 vlgg., 1024 vlgg. (ook vs. 1340 vlgg.), 2281, 3241. In de Dietsche Doctrinale komen ook vele disticha voor; vgl. I vs. 27, 134, 222, II vs. 177, 406, 704, 741, 788, 803, 1275, 1647, 1932, 2104, 2309, 2424, 2755, 2844, 3130, 3251, III vs. 566, 1099, 1107, 1427, 1624, 1713; zoo ook in den Spiegel der Jongers van Lambertus Goetman van 1488. Zie nog Rose vs. 6578-6583, X Plaghe vs. 662 vlgg. en Stoke, ed. Brill I bl. 268, ed. Huydecoper II bl. 265.
6)Maerlant, Sp. Hist. III5 48 vs. 69 vlg.; vgl. Sp. Hist. IV1 cap. 29.
7)Maerlant, Eerste Martijn vs. 385-390; vgl. Sp. Hist. I8 52 vs. 19-22.
8)Maerlant, Der Naturen Bloemen III vs. 2133-2150. Zie verder mijn Maerlant's Werken, 2 dr. bl. 367-369, 492-495.
1)Naar een HS. in de Bibl. der Maatsch. der Ned. Lett. te Leiden (No 208) uitg. door M. de Vries in de Nieuwe Werken dier Maatsch. VI (1844) bl. 123-186. J. van Vloten heeft op zijne gewone onbeschofte manier herhaaldelijk zijne uiterst subjectieve meening verkondigd, dat Maerlant er de dichter van zou zijn, daar vs. 199 vlg. luiden: ‘sal uwe costerie bliven staen, ghi moet te tide seggen Amen’, en Maerlant koster geweest is en dat misschien later niet meer was. Hij heeft daarom ook het geheele gedicht vaker dan noodig was uitg., namelijk in zijne Kleine Gedichten van Jacob van Maerlant, Haarlem 1878 bl. 70-81 en in zijne Merlijn-uitgave, Leiden 1880 bl. XIII-XVI. Dat die gissing op geen enkelen grond berust en dus eigenlijk geene weerlegging verdiende, werd betoogd door E. Verwijs, Van enen manne die gherne cnollen vercoopt ene goede boerde, 's-Grav. 1878 bl. 62-68. De dichter der samenspraak kende blijkbaar Maerlant's strophische gedichten zeer goed, ontleende er woorden en uitdrukkingen aan, maar verraadt zich als navolger door eene houterigheid en onbeholpenheid, waarvan Maerlant's gedichten vrij zijn.
2)Jan van Boendale, Lekenspiegel II 15 vs. 119 vlg.
3)Jan van Boendale, Lekenspiegel II 35 vs. 17 vlg.
1)Zie Guilielmus Britto, Philippides IX vs. 380-392, bij Dom. M.J.J. Brial, Recueil des Hist. de France XVII p. 234.
2)Zie de geschiedenis van Damme bij Warnkoenig Flandrische Staats- und Rechtsgeschichte II2 p. 1-24 en vooral L. Macquet, Histoire de la ville de Damme, Bruges 1856.
1)Rijmbijbel vs. 64-72.
2)De plaatsen, waar hij van haar spreekt, zijn Alexander I vs. 23-25, IV vs. 1715-1721, V vs. 1236 vlg. en vooral X vs. 1513-1520, waar gezegd wordt, dat ‘die eerste littere van ses bouken segghen hare name’, welke met G. begint, en daarmee worden de eerste zes boeken bedoeld. Het is trouwens eene navolging van Gauthier de Chatillon, die ieder zijner boeken deed aanvangen met eene letter van den naam Guillermus, den aartsbisschop van Reims, aan wien hij zijn gedicht opdroeg.
3)Met C.A. Serrure aan eene Ver Gheile te denken, wier zoons volgens een charter van 1243 in Zuwenkerke land bezaten, gaat wegens het groote tijdsverschil niet aan.
4)Alexander X vs. 1535-1546.
1)Torec vs. 3227-3266.
2)Torec vs. 939-999 en 1224-1286. De zonderlinge gevolgtrekking, die Jonckbloet, Geschiedenis der Ned. Lett. II bl. 56, hieruit maakt ten opzichte van Maerlant's eigen levensgeschiedenis, zou ons bijna doen vermoeden, dat hij Miraude en Mabilie met elkaar verward heeft.
3)Zie boven, bl. 310.
4)Torec vs. 2532-2591.
5)Alexander VI vs. 563-566.
6)Hist. van Troyen vs. 16046-16117.
7)Zie boven, bl. 277.
1)Eerste Martijn vs. 963.
2)Dander Martijn vs. 40 vlgg.
3)Nat. Bloeme, Prol. vs. 85 vlgg.
4)Van dezen Willem is ons niets bekend, doch Nap. de Pauw heeft Ned. Museum, Gent 1879, bl. 100 en 150, beloofd te bewijzen, dat hij in 1244 (of ‘rond 1246’) gestorven is.
1)Nat. Bloeme, Prol. vs. 101-111.
2)Men verwarre het niet met de fragmenten eener vertaling van een Bestiaire d'amour, uitg. door J.H. Bormans in de Bulletins de l'Acad. Royale de Belgique, XXVII p. 488-505.
3)Behalve tal van fragmenten (o.a. de Schwerinsche en Weener, zie J. Verdam, Tijdschrift XXI, bl. 22-30) bestaan er volledige HSS. van Der Naturen Bloeme op de Acad. Bibl. te Leiden, op de Kon. Bibl. te 's-Gravenhage, op de Bibl. der Kon. Akad. te Amsterdam, op de Bourgond. Bibl. te Brussel, op het Britsch Museum te Londen, en verder op de Bibl. te Berlijn, te Hamburg en te Detmold. De eerste vier boeken zijn uitg. door J.H. Bormans, Der Naturen Bloeme van Jacob van Maerlant, Brussel 1857, het geheele werk door E. Verwijs, Jacob van Maerlant's Naturen Bloeme, Groningen 1878. II dln., waarbij echter ongelukkig een der slechtste HSS. het Leidsche, ten grondslag is gelegd.
4)Nat. Bloeme, Prol. vs. 14, 113 vlg.
5)Zie over hem Verwijs, Inl. op zijne uitgave bl. XIII-XXII.
1)Het eerste boek bij Maerlant bestaat uit het slot van het eerste en het ge heele derde boek van Thomas; maar het grootste gedeelte van het eerste en het geheele tweede boek van Thomas, evenals de laatste drie boeken, sloeg Maerlant over. Boek II-XIII bij hem beantwoorden aan boek IV-XVII van Thomas.
2)Zie boven, bl. 445.
3)Zie daarover mijn Maerlant's Werken, 2 dr. bl. 349 vlg. en vgl. Ch. V. Langlois, La connaissance de la Nature et du Monde au moyen-âge, Paris 1911.
1)Naturen Bloeme III vs. 1513-1730.
2)Naturen Bloeme, Prol. vs. 145 vlg.
3)Naar een niet geheel volledig HS. op de Bibl. der Maatsch. der Ned. Lett. te Leiden (HS. No 169 bl. 21-26) en een volledig HS. op de Kon. Bibl. te 's-Gravenhage is het uitg. door J. Clarisse als vierde deel der Nieuwe Werken van de M. der Ned. Lett., Dordrecht 1838. Naar het Comburgsche HS. te Stuttgart werd het uitg. door E. Kausler in diens Denkmäler altnied. Sprache und Litt. II (Tübingen 1844) p. 483-556, die er in het derde deel, (Leipzig 1866) p. 289-330, eene doorloopende vergelijking met het Latijn bijvoegde. Naar alle drie genoemde HSS. en een fragment, voorkomend in een HS. op de Kon. Bibl. te Brussel, is het gedicht met belangwekkende inleiding en aanteekeningen nog eens uitg. door A.A. Verdenius, Jacob van Maerlant's Heimelijkheid der Heimelijkheden, Amst. 1917.
4)Zie Heiml. vs. 9. Dat Maerlant's naam in het Leidsche HS. ontbreekt, is geene reden genoeg om het werk aan hem te ontzeggen, te minder omdat Sp. Hist. I4 56 vs. 41-52, dat niet bij Vincentius voorkomt, Maerlant's bekendheid met de Secreta Secretorum bewijst, en te vergelijken is met Heiml. vs. 1541-1586, en ook met vs. 1712 vlgg. Ook is er groote overeenkomst van Heiml. vs. 769-782 met Alex. I vs. 1139-1186.
5)Behalve in een onnoemelijk aantal HSS. is het ons in verscheidene drukken uit de 16de eeuw overgeleverd en ook in vertalingen in de meeste Europeesche talen.
6)Zie Heiml. vs. 11 en 20, Sp. Hist. I4 56 vs. 43.
1)Zie Fr. Dieterici, Die Philosophie der Araber im X Jahrhundert, Leipzig 1876-79, II dln.
2)Zie over den oorsprong van het origineel in bijzonderheden A.A. Verdenius in de Inleiding op zijne uitgaaf van Jacob van Maerlant's Heimelijkheid der Heimelijkheden, Amst. 1917.
1)Ik vermoed dat op grond hiervan, dat de gezondheidsleer, de Ordo vivendi philosophice secundum Aristotelem, die bij Thomas van Cantimpré in het eerste boek voorkomt en eenvoudig uit de Secreta secretorum door hem is overgenomen, door Maerlant geheel onvertaald is gelaten, en zooiets zeer begrijpelijk is, wanneer men aanneemt, dat Maerlant hetzelfde reeds vooraf in zijne Heimelycheit vertaald had.
prepostterug  begin  verder