terug  begin  verderprepost

XX.
Jacob van Maerlant als geschiedschrijver.

Dat tot de nuttige kennis, waarvan de verspreiding nu Maerlant's levensdoel geworden was, ook, en wel in de eerste plaats, de kennis van het verledene moest behooren, spreekt van zelf. Vooral moest hij wel de kennis van al wat er in de wereld was voorgevallen belangwekkend achten, omdat hij daarin de werking Gods zag, die alles naar een vast beraamd plan juist zóó had laten gebeuren als het gebeurd was. En daarom ook was het zoo hoog noodig, dat het geheel naar waarheid werd verhaald en liefst tot in zoo kleine bijzonderheden, als men het te weten kon komen. Op uitbreiding zijner historische kennis is hij dan ook in zijn later leven steeds bedacht, en aan historische critiek op hetgeen door anderen werd meegedeeld ontbreekt het hem niet; en daardoor is hij dan ook de voornaamste geschiedschrijver geworden van alle Dietsche dichters, die ook reeds vóór of tegelijk met hem de geschiedschrijfkunst beoefenden 2).

Trouwens zelfs in zijne romans geeft hij nu en dan blijken van weetgierigheid en waarheidsliefde, die zijn lateren omkeer zeer begrijpelijk maken. Bij den Alexander was hij op dit punt nog het minst nauwgezet, zoodat hij dan ook later niet aarzelde te zeggen, dat ‘daer favelen toegeslegen’ waren 3); toch heeft hij ook reeds dáár, o.a. door het invoegen van eene geographische schets en een overzicht der Israëlietische geschiedenis, blijk gegeven van zijn

[p. 478]

streven om nuttige en ware zaken mee te deelen. In de Historie van den Grale en Merlijns boeck, waartegen hij later - zij het ook zonder het te noemen - te velde trok, omdat de hoofdinhoud er van hem onwaar gebleken was 1), heeft hij reeds het Fransch van De Borron getoetst aan de Evangeliën en andere bronnen, die hem toegankelijk waren, en juist door zijne bestrijding van het oorspronkelijke vaak deerlijk te kort gedaan aan het romantisch karakter van zijn werk 2). Tegelijk bestreed hij daarin ook een ons geheel onbekend gedicht Van ons Heren Wrake, uit het Walsch in het Dietsch vertaald door ‘een pape in Vlaenderlant’, waarvan hij maar ter nauwernood kon gelooven, dat het door een priester geschreven zou zijn, daar het door en door leugenachtig was 3). Zijne Historie van Troyen eindelijk, die later evenmin genade bij hem vond, daar hij er van zeide: ‘dat langhe gescal es met favelen doorsayet al’ 4), bewijst door de lange stukken naar het Latijn van Statius, Ovidius en Virgilius, die er in gevoegd zijn, en door de pogingen, die er gedaan worden, om het werk van Benoit naar die Latijnsche dichters te verbeteren, opnieuw, dat Maerlant ook reeds in zijn romantischen tijd meer dan andere romantische dichters voelde voor historische waarheid en uitgebreide kennis.

Hij was ook toen reeds, ondanks de romantische stof, die hij behandelde, clerk en geen menestreel. Wat dat beteekende, hebben wij reeds gezien 5) bij het bespreken van zijn leerdicht van Der Naturen Bloeme, waarin hij zijn mistrouwen ten aanzien van Fransche geschriften te kennen gaf en zijn vertrouwen op hetgeen geschreven was in het Latijn, de taal der wetenschap, In dien geest zou hij zich later nog dikwijls uitlaten door van 't ‘Romans’ te zeggen, ‘dat het selden vray es ende ghans 6), en klankspelend de woorden Walsch en valsch naast elkaar te gebruiken 7).

[p. 479]

Wij moeten echter voorzichtig zijn, daaruit geene verkeerde gevolgtrekkingen te maken en er geen haat tegen Frankrijk in te zien 1). Noemde Maerlant in zijne jonge jaren de ridderschap van Frankrijk ‘blome van al eertrike’ 2), ook op het laatst van zijn leven prees hij de Fransche ridderschap, maar voegde er toen de ‘clergie’ bij, en zeide van Frankrijk: ‘cuuscheit, eere, tucht ende vrede es daer meest inder werelt mede’ 3). en ongetwijfeld heeft hij dat ernstig gemeend. Gedurende eene lange reeks van jaren toch had hij in Frankrijk Lodewijk IX. ‘den goeden ‘die niet en wiste van overmoeden’, een ‘here van dogeden groot’, zooals hij hem noemt 4), aan het bestuur gezien, den eenigen vorst zijns tijds, die zijn leven veil had gehad voor Christus' zaak in het Oosten, en die bij de groote lauwheid, welke in andere landen heerschte, uit zijne ridderschap nog een heer van kruisvaarders had kunnen vormen; den edelen beschermer der wetenschap eindelijk, die het Speculum, de encyclopaedie der geheelen wetenschap zijns tijds, had doen vervaardigen, en gedurende wiens regeering ‘clergie so scone Vrancrike verhief’, als zij vroeger Griekenland en Rome had gedaan 5). Maerlant wist te goed, dat hij het grootste deel van zijne kennis aan Franschen had te danken, dat zijne twee hoofdwerken, Scolastica en Spiegel Historiael uit de pen van Fransche geleerden gevloeid waren, dan dat hij niet voor Frankrijk een woord van welgemeenden lof zou overgehad hebben. De rustelooze werkzaamheid van een geheel leven zou hij ijdel en nutteloos hebben moeten achten, als hij, wel verre van Fransche schrijvers te wantrouwen, hen integendeel niet had bewonderd maar...... hij deed dat niet als zij Fransch, alleen als zij Latijn schreven.

Maerlant's beide omvangrijkste werken, waaraan hij het laatste gedeelte van zijn leven besteedde, hebben wij reeds genoemd. Wij gaan nu tot de bespreking er van over.

Het eene is de vertaling der Historia Scolastica van Petrus

[p. 480]

Trecensis, bijgenaamd Comestor, d.i. Boekenverslinder 1). Die vertaling is later bestempeld met den naam van Rijmbijbel 2) en werd door Maerlant, volgens zijn proloog, bewerkt om ‘reyne dachcortinge ende daertoe ware leringe’ aan zijne landgenooten te verschaffen. Hij vergelijkt zelf zijne historie bij eene noot, ‘die bitter hevet buten die slume ende die scale hard,’ maar, voegt hij er bij, ‘al die soetheit esser binnen,’ want men vindt er ‘favle no boerde, no ghene truffe, no faloerde, maer vraye rijm ende ware wort.’

De Soclastica bevat dan ook den inhoud der geschiedkundige boeken van het Oude Testament, der apocriefe boeken en der vier evangeliën, met additiones en incidentia of korte verklaringen en toevoegsels, waarin met enkele woorden gelijktijdige gebeurtenissen uit de ongewijde geschiedenis worden meegedeeld ter wille van een juister inzicht in de chronologie. Niet alles heeft Maerlant letterlijk vertaald; dikwijls heeft hij ‘corten overganc’ gemaakt, soms zelfs ‘niet dat tiende deel’ overgebracht, ‘omdat te lanc waer ende te swaer,’ doch hij was steeds bereid mystieke uitleggingen van het bijbelverhaal uit te breiden en met andere te vermeerderen, grootendeels ter verheerlijking van Maria, en hetzelfde

[p. 481]

te doen ten opzichte van de zedengispingen, die dan gewoonlijk de geestelijkheid treffen.

Het werk bedraagt 27102 verzen, maar toen het voltooid was, voegde Maerlant er op verzoek van een ongenoemden vriend nog 7790 verzen bij, die bekend zijn onder den afzonderlijken titel Die Wrake van Jherusalem, en waarin hij de verwoesting van Jerusalem door de Romeinen behandelde, die hij beschouwt als straf voor Jezus' kruisiging door de Joden. Hij volgde daarbij ‘Josephus, diet selve sach, in dietschen woorden,’ maar ‘door die lancheit van der jeeste,’ zegt hij, ‘cortic die redene daer ic mach,’ zoodat wij er dan ook slechts een uittreksel uit het Bellum Judaicum van Flavius Josephus in ontvangen.

De Rijmbijbel met de Wrake is, volgens Maerlant's mededeeling aan het slot, voltooid den 25sten Maart (d. i. Nieuwejaarsdag) 1271, en ofschoon de dichter volle recht had om met voldoening op zijn arbeid terug te zien, en er zich van overtuigd mocht houden, dat hij er een nuttig werk mee verricht had, nijdige priesters duidden hem zeer euvel, ‘dat hi leeken weten dede uter Biblen die heimelichede,’ zooals hij zelf vertelt. 1). ‘Dat paepscap’ belgde zich er over en berispte hem deswege, ja in het midden van de 14de eeuw bracht Jan de Weert nog in herinnering, hoe Maerlant, die ‘die Bibele in Dietsche ontsloot, voer sijn dicht thoeft boet voer dies hadden toren’ 2), en de overlevering weet er zelfs bij te vertellen, dat hij er zich voor den paus over heeft moeten verantwoorden, maar toen in het gelijk gesteld is 3).

Misschien heeft die verantwoording plaats gehad voor den bisschop van Utrecht, toenmaals Jan van Nassau, in wiens dioecese Damme gelegen was. In elk geval is Maerlant eens te Utrecht geweest, want ‘t'Utrecht in de stede bad hem harde vriendelike broeder Alaerd’, de, vermoedelijk tweede, gardiaan van het Franciscanerklooster aldaar, om St. Franciscus' leven uit het Latijn van Bona-

[p. 482]

ventura te vertalen 1). Hij deed dat gaarne, al kon hij ook niet verwachten vele lezers te zullen vinden, want, zegt hij, ‘cume es hi van mi bekint die nu leest ende waerheit mint, maer Tristam ende Lanceloot, Percheval ende Galehoot, ghevensde namen ende ongeboren, hieraf willen de lieden horen; truffe van minne ende van stride leest men dor de werelt wide; die ewangelie es ons te zwaer, omdat soe recht seit ende waer’ 2). St. Franciscus' leven 3), dat in het oorspronkelijke van 1261 dagteekent, wordt waarschijnlijk terecht na den Rijmbijbel gesteld, maar moet dan al zeer spoedig daarna vertaald zijn en wel vóór 1274, het sterfjaar van Bonaventura, die anders wel als overledene zou vermeld zijn, ja zelfs vóór 1273, toen Bonaventura, die door Maerlant eenvoudig ‘broeder’ wordt genoemd, den kardinaalshoed ontving. Blijkbaar was onze dichter zeer ingenomen met de Franciscanerorde, want vroeger had hij reeds eene vertaling geleverd van het leven van St. Clara, de bekende leerlinge van St. Franciscus, die naar het voorbeeld van de Fransciscanerorde de vrouwenorde der Clarissen stichtte, welke o.a. ook te Maerlant een klooster bezat. Hij zelf getuigt: ‘die hare vite gerne hoort van mi vint hise in dietschen woort’ 4), doch die vertaling is nog niet teruggevonden.

Maerlant's hoofdwerk is de Spiegel Historiael 5), bewerkt naar

[p. 483]

het Speculum Historiale, dat met het Speculum Naturale en het Speculum Doctrinale het omvangrijke, in 1256 voltooide Speculum Majus uitmaakt, samengesteld ‘uut vele bouken, diemen verre dede souken,’ door broeder Vincentius van Beauvais, ‘een Jacopijn, een Predicare,’ voorlezer, raadsman en bibliothecaris van Lodewijk IX, en waarschijnlijk in 1264 overleden 1).

Het Speculum Historiale behandelt in 31 boeken de wereldgeschiedenis van de schepping af tot het jaar 1250, en is door Maerlant, ten deele verkort, ten deele uitgebreid, vertaald op verzoek van Floris V, tot wien hij in den proloog zegt: ‘Grave Florens, coninc Willems sone, ontfaet dit werc! Ghi waert deghone, die mi dit dede anevaen’. Hij verdeelde het werk in vier partieën en begon, waarschijnlijk in 1283 2), met de eerste partie, die boek I-VIII van Vincentius omvat, ± 33,000 verzen groot is en de geschiedenis tot den dood van keizer Claudius behelst. De tweede partie sloeg hij over; de derde, die in ± 40,000 verzen boek XVII-XXIV van Vincentius bevat of de geschiedenis van 381 tot 802, begon hij in 1284 en voltooide hij in 1286 3). De vierde partie, waaraan hij ten minste nog in 1288 bezig was 4), is niet door hem voltooid. Toen hij er ± 18,000 verzen van gereed had, en in het XXVIIste boek van Vincentius tot het jaar 1113 genaderd was, legde hij de pen neder. Hij wilde, zooals hij zelf zegt, ‘rusten van der vierder paertijen’ en wachten tot God hem zou vergunnen het vervolg te dichten 5), doch dat mocht niet gebeuren, want, zooals Velthem zegt, ‘in die vierde (partie) hi sijns levens faelierde’ 6).

Het reuzenwerk, dat Maerlant in de vertaling van het Speculum Historiale ondernam en dat hij slechts gedeeltelijk - zij het dan

[p. 484]

ook voor een groot deel - mocht ten einde brengen, maakt, dat wij in de eerste plaats in hem den geschiedschrijver zien. Op dien naam mag hij te eer aanspraak maken, omdat hij bij dezen arbeid zich niet eenvoudig bij vertalen hield, maar ook meermalen zelfstandig, zelfs critisch, te werk ging. Natuurlijk was zijne critiek nog in menig opzicht gebrekkig en nam hij veel als onomstootelijk waar aan, wat nu onhistorisch gebleken is, maar in dat opzicht staat hij toch niet beneden de geleerden zijns tijds. In elk geval paste hij, in navolging van Vincentius, en ook nu en dan op Vincentius zelf, dezelfde grondbeginselen der historische critiek toe, die tegenwoordig nog gelden: hij streefde zooveel mogelijk naar volledige berichten en toetste de betrouwbaarheid der bronnen aan de eischen der innerlijke waarschijnlijkheid, al spreekt het dan ook van zelf, dat hij wonderen en al wat er verder bovennatuurlijks vermeld werd, niet onwaarschijnlijk kon achten; hij beoordeelde de meerdere of mindere geloofwaardigheid zijner zegslieden en ging na, of zij onpartijdig genoeg waren, om de waarheid te willen zeggen, en genoeg op de hoogte, om de waarheid te kunnen weten. Ooggetuigen hadden ook bij hem het meeste gezag. Slechts in één opzicht ademt zijne critiek een anderen geest dan de onze: hij was namelijk wat al te geneigd zedelijke en stichtelijke verhalen alleen op grond van den godvruchtigen inhoud als waar aan te nemen en andere te verwerpen alleen omdat zij den held er van, vooral wanneer het Karel de Groote of Artur was, in een minder gunstig daglicht stelden. Vandaar dat hij zoo heftig te velde trok tegen de romandichters, en dat hij een geheel hoofdstuk 1) heeft gewijd aan ‘tscelden jegen die borderers’, de schrijvers van ‘walsche boeken, die werdich sijn grotere vloeke’, die ‘vraye ystorien vermorden’, daar zij ‘meer rimen dan si weten’, en dan b.v. ‘groten Karle beliegen vele in sconen worden, in bispele’, of ‘den cost so groot ane tGrael leggen, an Lanceloot’. Dat hij daarbij ook zijne eigene romans niet spaarde, hebben wij reeds gezien 2). In zijn werk daarentegen moest men ‘waerheit vinden ende menech wonder, wijsheit ende scone leringhe, ende reine dachcortinghe’ 3).

Slechts ongeveer de helft van hetgeen hij bij Vincentius vond heeft Maerlant vertaald. Behalve dat hij dikwijls bekortte wat te

[p. 485]

uitgebreid beschreven was, liet hij ook alles weg wat hij zelf reeds vroeger in de Scolastica had behandeld en verder nog, zooals hij zelf zegt, ‘die clergie, diere vele in es gesayt’, en die hij, uit vrees van opnieuw berispt te zullen worden, nu maar liever aan ‘dat paepscap’ overliet 1). Daarentegen vindt men in zijn werk toch ook weer omstreeks 10,000 verzen, die niet aan Vincentius ontleend, maar grootendeels ter aanvulling van het verhaal uit verschillende geschiedboeken geput zijn 2). Maerlant heeft daarbij ook niet verzuimd de geschiedenis van Brabant, Vlaanderen en Holland, die door Vincentius zeer stiefmoederlijk behandeld was, vrij wat uit te breiden, en putte voor de geschiedenis der Hollandsche graven uit het Chronicon Egmundanum, waarvan hij ongetwijfeld ook de vertaling kende, die Melis Stoke er toen reeds voor Floris V van gemaakt had 3). Opmerking verdient het vooral, dat Maerlant met behulp van de Historia Hierosolymitanae expeditionis van Albertus Aquensis de geschiedenis van den eersten kruistocht zeer belangrijk heeft uitgebreid. Als hij daartoe genaderd is, zegt hij, dat ‘hier ene ghuldine tijt angaet, daer verlossenesse ende toeverlaet den lande af quame van Overmere’ 4).

Maerlant dweepte met de kruisvaart, zooals wij reeds zagen en ons ook niet bevreemden kan in een mystiek man als hij was, die wel een heiligen eerbied moest gevoelen voor den grond, waarop Christus zijne voeten had gezet en waarop het kruis der verlossing was opgericht. Reeds in zijn eerste werk wees hij, naar aanleiding van Alexander's veroveringen in Palestina, nu en dan op de veroveringen of - en daar was meer reden voor - de verliezen der kruisvaarders; en terwijl hij voor zijn Spiegel Historiael de geschiedenis van den eersten kruistocht in bijzonderheden bestudeerde, heeft hij gewis hoopvol uitgezien naar de vruchten van schijnbaar nieuwe belangstelling in den heiligen strijd, waarvan het in 1274 te Lyon gehouden concilie getuigde. Hoe hij daarom te moede was,

[p. 486]

toen het verpletterend bericht hem bereikte, dat St. Jean d'Acre, het laatste bolwerk der Christenen in het Oosten, was bezweken, hebben wij reeds uit zijne jammerklacht Van den Lande van Oversee gezien. Toen hij nu op het punt stond in zijn Spiegel Historiael ook den tweeden kruistocht te beschrijven, waarvoor hij misschien ook reeds, evenals voor den eersten, bijzondere studiën gemaakt had, zal een hartstochtelijk man als hij zoo ontroerd geweest zijn, dat hij niet meer in staat was met belangstelling te schrijven van een strijd, die nu door de flauwhartigheid en onverschilligheid der Christenen zoo jammerlijk verloren was.

Daaraan nu schrijf ik het afbreken, zonder opgave van redenen, van zijn geschiedwerk in de eerste plaats toe, ofschoon ook ziekte voor hem het beletsel kan geweest zijn. In elk geval heeft hij het gestaakte werk niet weer mogen opvatten. Wanneer hij gestorven is, is echter onzeker. Na zijn zwanenzang Van den Lande van Oversee in 1291 kan hij nog wel eenige jaren hebben geleefd. Hoogstens kunnen wij zeggen, dat hij in 1299 wel reeds niet meer tot de levenden zal behoord hebben, omdat toen de dichter van den Vierden Martijn hem sprekende invoerde. Meer zekerheid zouden wij hebben, als het afschrift van een gedicht op zijn grafsteen duidelijker en betrouwbaarder was 1), want dan zouden wij mogen aannemen,

[p. 487]

dat hij in het zesde jubeljaar na het hoogste getal, dus in 1300, overleden was.

Maar al was Maerlant overleden, zijn geest leefde voort in zijne volgelingen, in de ijverige aanhangers der door hem gestichte school. Dat Maerlant een man van groote beteekenis geweest is, valt niet te ontkennen en moet, na hetgeen wij over hem gezegd hebben, voldoende gebleken zijn. 't Is echter wel eens betwijfeld, of hem die beteekenis juist op het gebied der poëzie mag worden toegekend, of hij niet bijna uitsluitend als volksverlichter verdient geprezen te worden, en of het, om hem een groot dichter te noemen, voor ons wel voldoende mag zijn, dat hij geheel en al voldoet aan de eischen, die Boendale wat later voor de dichters stelde. Daarover nog een enkel woord.

Maerlant heeft in drie dichtsoorten (het didactisch lierdicht, den ridderroman en het gewone leerdicht) zeer omvangrijke werken geleverd, samen omstreeks 230,000 verzen uitmakende: eene werkzaamheid, die zelden geëvenaard is. Voor iedere dichtsoort kan onze lof hem niet in gelijke mate geschonken worden, doch hadde hij niets anders geleverd dan zijne strophische gedichten, dan zouden wij reeds kunnen zeggen, dat hij zich daarin als oorspronkelijk dichter van bijna al zijne vertalende Dietsche tijdgenooten in het oog vallend onderscheidt, en dat geen onzer middeleeuwsche dichters zooveel gloed heeft ten toon gespreid als ons daaruit tegenschittert, of zooveel meesterschap over den vorm heeft geopenbaard als wij daarin bewonderen.

De ridderroman daarentegen vond in hem een minder gelukkig beoefenaar. Ofschoon Alexander en Historie van Troyen de vergelijking met de meeste andere Dietsche romans kunnen doorstaan, zij verheffen zich niet boven het gewone peil, behooren in elk geval niet tot het beste, wat onze middeleeuwsche letterkunde op dit gebied heeft aan te wijzen. Dat hij bij zijne vertaling met wat meer zelfstandigheid te werk ging dan anderen, moge hem op zich zelf tot lof verstrekken, aan de dichterlijke waarde zijner romans heeft het misschien meer kwaad dan goed gedaan; maar van de werken in eene dichtsoort, die hij later zelf veroordeelde, mag ons oordeel over hem wel allerminst afhangen.

En nu zijne leerdichten? Zij behooren eer tot de nuttige dan tot

[p. 488]

de fraaie letteren en zouden alleen gewis niet in staat zijn Maerlant tot den eersten dichter onzer middeleeuwsche letterkunde te maken. De verdiensten, die zij op het gebied van taalvorming, stijl en versbouw bezitten, en die hoofdzakelijk te waardeeren zijn, omdat Maerlant daar grootendeels onderwerpen behandelde, die vóór hem nog ter nauwernood in het Nederlandsch onder woorden gebracht waren, zijn alleen niet voldoende om ze tot meesterwerken op het gebied der poëzie te stempelen. Ik ga zelfs verder en erken gaarne, dat men, in die werken bladerend, maar zelden iets zal aantreffen, wat den naam van poëzie verdient. En toch, heeft men den moed gehad ze alle binnen een niet al te lang tijdsverloop in hun geheel door te lezen, en daarbij verbeelding genoeg, om zich in den aard van Maerlant's werkzaamheid in verband tot zijn tijd te verplaatsen, dan verbaast men er zich niet langer over, dat de dichter van het lied Van den Lande van Oversee ook een Spiegel Historiael, ja zelfs een werk als Der Naturen Bloeme kon schrijven, dan voelt men overal het tintelen van denzelfden gloed, maar door een machtigen geest in toom gehouden, dan is het niet meer in de eerste plaats de geleerde, dien men in Maerlant ziet, de eenvoudige verteller van geschiedkundige feiten, die met een streng logisch verstand alles ordent en schift; maar dan klinkt ons zelfs uit de meest prozaïsche woorden de stem van den dichter tegen, wiens hart zich uitstortte in zijn werk, die niet alleen zijne partes kende, maar ook door geestdrift voor het ideëele, voor waarheid en deugd bovenal, was bezield. De vorm moge prozaïsch zijn, artistiek opgevat, zooals de inhoud van een deel zijner strophische gedichten, moge de inhoud dezer leerdichten geenszins zijn, wie oog heeft voor poëzie, ook al ligt zij verscholen onder een weinig dichterlijken vorm, wordt er, naarmate hij meer met Maerlant's werken vertrouwd raakt, meer en meer van doordrongen, dat zij de gewrochten van een waarachtig dichter zijn, wiens ‘verbeelding’ door waarheidsliefde wordt belemmerd eene hooge vlucht te nemen, maar die de beide andere eigenschappen, welke Da Costa in den dichter vordert, ‘gevoel en heldenmoed’ in hooge mate bezit. Dat was het ook juist wat Boendale en anderen in hem bewonderden: heldenmoed, die hem dreef de waarheid te zeggen en niets dan de waarheid, en onafhankelijkheïd, die hem het tegenbeeld maakte van den alleen uit eer- en gewinzucht dichtenden menestreel. Maerlant was dichter van nature; van hem kon gezegd worden, wat Boendale van den

[p. 489]

waren dichter zegt, ‘al waer hi in enen woude, dat hi nemmermeer en soude van dichtene hebben danc, nochtan soude hi herde onlanc sonder dichten daer gheduren, want het hoort te sire naturen, hi en mochts niet laten, al woude hi’ 1). Al was Maerlant er van overtuigd, dat hij de vruchten van zijn werk niet zou plukken, al wist hij, dat hij menigmaal aan 't zeestrand ploegde en zaaide en dus zelfs zijn doel, de menschheid te verbeteren, niet bereikte, ‘al pijnde hi al te sire onbaten, nochtan en con hijt niet gelaten’ 2), het was zijne natuur.

Dat ook maakt zijne werken in tegenstelling tot de ridderromans zoo echt nationaal, maakt ze tot den spiegel, waarin zijn tijd zich weerkaatst en waarin de eigenaardigheden van zijn volk zich zoo duidelijk vertoonen. Inwendig vurige, maar nauwelijks bespeurbare geestdrift, uitwendig schijnbaar koele zelfbeheersching, zekere minachting voor de bloempjes des levens, de kinderen der luchthartigheid, en vrije uitstorting van het gemoed slechts in oogenblikken van onmannelijke zwakheid of van gloeiende verontwaardiging, bedaarde, maar onafgebroken krachtsinspanning ter bereiking van een zelden geprezen, soms bijna verloochend, maar inwendig met onwankelbare trouw geliefd ideaal - dat zijn de voornaamste kenmerken van het Nederlandsche volk en dat zijn ook de kenmerken van Maerlant's poëzie. Daarom dan ook was het den geletterden van Noord- en Zuid-Nederland alsof zij een oud vriend hadden teruggevonden, toen zij tegen het midden der 19de eeuw zijne bijna in vergetelheid geraakte werken weder hadden leeren kennen, en daarom ook kon hunne ingenomenheid met den kloeken Vlaming al spoedig zóó groot worden, dat zij reeds in September 1860 te Damme een standbeeld voor hem oprichtten.

2)Uitvoeriger schreef ik over Maerlant als geschiedschrijver in mijn Maerlant's Werken, 2 dr. bl. 361-426.
3)Sp. Hist. I3 56 vs. 51.
1)Hoe hij over dien roman in den Sp. Hist. oordeelde, heb ik in bijzonderheden aangewezen in het Tijdschrift voor Ned. taal en lett. I (Leiden 1881) bl. 355-363.
2)De geheele polemiek ging ik na in het Tijdschrift I bl. 332-342.
3)Zie Merlijn vs. 26 vlg., 224 vlgg., 589 vlgg. Het ongegrond vermoeden van J. Franck, dat hier wel geen Dietsch werk zal bedoeld zijn, is reeds weerlegd door Jonckbloet. Het bedoelde gedicht bezitten wij niet meer, maar wèl een daarmee misschien verwant volksboek: De Historie van de deerlijke destructie en ondergang der stad Jerusalem door den keizer Vespasianus, waarvan slechts vrij jonge uitgaven schijnen te bestaan. Ik handelde er over in het Tijdschrift I bl. 342-347.
4)Sp. Hist. I2 14 vs. 51 vlg.
5)Boven, bl. 471 vlg.
6)Sp. Hist. III5, 31 vs. 72.
7)Sp. Hist. IV1 29 vs. 27.
1)Dat doet o.a. Jonckbloet, Geschied, der Ned. Lett. 3 dr. II bl. 17, wien wel duidelijk zou geworden zijn, wat ik in mijn Maerlant's Werken, bl. 339 (2e dr. 395 vlg.) bedoelde, als hij bij de door hem aangehaalde zinsnede ook het onmiddellijk volgende had gelezen.
2)Alexander VII vs. 1799 vlg., als vertaling van Gauthier.
3)Sp. Hist. IV1, 30 vs. 67-70, niet vertaald uit Vincentius.
4)Sp. Hist. III1 8 vs. 35-39. Ook deze lofspraak is oorspronkelijk van Maerlant.
5)Naar Maerlant's, niet uit het oorspr. vertaalde, woorden in de Heiml. der Heiml. vs. 743 vlgg.
1)Petrus Comestor was te Troyes in Champagne eerst canonicus scholaster, later, in 1147, deken der hoofdkerk en werd in 1164 cancellarius van de hoofdkerk te Parijs. Hij schreef zijne Historia Scolastica omstreeks 1150, en al spoedig werd dat werk het gewone handboek der bijbelsche geschiedenis voor de studenten in de theologie. Zie over hem Dom. M.J.J. Brial in de Histoire Litt. de la France XIV (Paris 1817) p. 12-17.
2)Maerlant zelf noemt zijn werk nooit anders dan Scolastica: zie Sp. Hist. I1 12 vs. 5; 46 vs. 31; I2 2 vs. 7; 6 vs. 41; 25 vs. 40; 48 vs. 14; I3 10 vs. 43; 32 vs. 17; I5 76 vs. 13; I6 49 vs. 14, waar hij er naar verwijst. Vgl. nog Boendale's Lekenspiegel II 35 vs. 10 en 37 vs 94, waar Maerlant's Scolastica wordt aangehaald. Het werk is uitg. door J. David onder den titel Rijmbijbel van Jacob van Maerlant, enz. Brussel 1858-1859, III deelen. Daarvoor zijn zes HSS. geraadpleegd: A. op de Kon. Bibl. te Berlijn, B en C op de Bourg. Bibl. te Brussel, D.E. en F ('t laatste in afschrift van Bilderdijk) op de Kon. Bibl. te 's-Gravenhage. Nog berust er een HS. op de Bibl. v. d. Maatsch. der Ned. Lett. te Leiden (HS. No. 168), een ander (het Zutfensche) op de Acad. Bibl. te Groningen, en twee op het British Museum te Londen (het eene van 1393 en het tweede, waaraan het slot ontbreekt, ook uit de 14de eeuw), terwijl er nog van minstens acht andere HSS. melding gemaakt wordt, waarbij tal van fragmenten te voegen zijn. Zie I. le Long, Boekzaal der Nederd. Bijbels, Amst. 1732, bl. 155-222, F.J. Mone, Uebersicht der Nied. Volksliteratur, Tübingen 1838 p. 92-94; W.J.A. Jonckbloet en M. de Vries, Versl. en Berigten der Vereen, voor oud e Ned. Lett. III (Leiden 1846) bl. 15 vlg., J. Verdam, Tijdschrift XXI (1902) bl. 30 (over een Schwerinsch fragment van 90 verzen) en Nap. de Pauw, Mnl Gedichten en Fragmenten II (Gent 1903), bl. 117-152, waar belangrijke fragmenten zijn meegedeeld uit de Bibl. der Kon. Vlaamsche Akad. te Gent, het staatsarchief te Gent, de Univ.-bibl. te Gent en het staatsarchief te Mechelen.
1)Sp. Hist. I1 prol. vs. 83-86.
2)Zie Jan de Weert's Wapene Rogier vs. 70-74.
3)Men vindt dat bij Usserius, Historia Dogmatica, Londini 1689 p. 165: ‘Auditum est a Germano quodam fide digno olim Belgam, cui nomen erat Jacobus Merland, integram bibliam belgice vertisse. Propterea interpres magno a quibusdam odio habitus, sese coram Papa judicandum sistere jussus est; liberque examine submissus; qui tandem magnopere approbatus, illi in manus remissus est ad inimicorum confusionem’. Vandaar misschien de verklaring in zijn grafschrift (waarover later), dat ‘eum laus dictandi rhytmos, proverbia fandi, transalpinavit.’
1)Zie St. Franciscus vs. 74-86, en vgl. Dr. J.H. Gallee in De Gids XIX (Amst. 1881) III bl. 324-339, waar eene Utrechtsche borgstelling wordt vermeld van Jacob van den Damme, die misschien Jacob van Maerlant zou kunnen zijn.
2)St. Franciscus, vs. 31-40.
3)Wij behandelden het reeds boven bl. 416 vlg.
4)St. Franciscus vs. 1785 vlg.
5)Er bestaat van den Sp. Hist. maar één volledig HS., namelijk in de Bibl. der Kon. Acad. te Amsterdam; doch bovendien bezit men nog tal van grootere en kleinere fragmenten. Zie daarover de Inleiding bl. LXXXIX-XCVI op de tweede uitgave van Jacob van Maerlant's Spiegel Historiael door M. de Vries en E. Verwijs, Leiden 1857-1863, in drie deelen. Waardeloos werd daardoor de vroegere uitgave, waarvan het eerste en tweede deel in 1784 en 1785 door J.A. Clignet en J. Steenwinkel, het derde deel in 1812 door J. Steenwinkel en W. Bilderdijk, en het vierde in 1849 door de Tweede Klasse van het Kon. Ned. Instituut (met Aanteekeningen van J.H. Halbertsma, Deventer 1851) werd bezorgd. Na de uitgaaf van De Vries en Verwijs werden nog zeer uitvoerige fragmenten ontdekt, o.a. het Thorpe-HS. op de Kon. Bibl. te Brussel (zie Verslagen en Mededeel, der Kon. Vlaamsche Acad. te Gent, 1888 bl. 241-243), dat de geheele eerste partie bevat, zooals ook het geval is met het Cheltenhamsche HS (U) op de Acad. bibl. te Leiden (Zie J. Verdam, Verslagen en Mededeel. der Kon. Akad. van Wet. Afd. Lett. 3 R. VI (1889) bl. 83-135 en VIII (1891), bl. 14 vlgg. Groote nieuw ontdekte fragmenten met een uitstekend overzicht van al de tot nog toe gevondene gaf Nap. de Pauw, Mnl. Gedichten en Fragmenten, II (Gent 1903), bl. 153-259. Nu is deze opgaaf weer aan te vullen met de mededeeling door D.H.G. Bellaard van groote fragmenten op het Rijksarchief te 's-Hertogenbosch, in Tijdschrift XXIV (1905), bl. 104-158, en van Mainzer-fragmenten, meegedeeld door C.G.N. de Vooys in Tijdschrift XXXI (1912) bl. 49-76.
1)Zie over Vincentius: P.C.F. Daunou in de Histoire Littéraire de la France XVIII (Paris 1835) p. 449-519, en Bourgeat, Etudes sur Vincent de Beauvais, Paris 1856.
2)Maerlant zelf zegt in het begin, Sp. Hist. I1 12 vs. 1-6, dat hij ‘der bybelen jeesten’ maar met een enkel woord zou vermelden, omdat hij die ‘leden es wel XIII jaer dichte in Scolastica’. Telt men nu 13 op bij het jaar, waarin de Wrake, dus het vervolg der Scolastica, voltooid werd, namelijk 1271, dan krijgt men 1284; maar ik zou liever denken aan den tijd, toen hij den Rijmbijbel begon, d.i. 1269 of 1270, omdat Maerlant met de derde partie reeds een aanvang genaakt heeft in 1284, volgens Sp. Hist. III1 8 vs. 37-44, waar de uitgevers echter door, m.i. noodeloos, XIII in XIIII te veranderen, tot 1285 komen.
3)Zie Sp. Hist. III8 89 vs. 221-226.
4)Zie Sp. Hist. IV3 28 vs. 28: ‘Jan, die Limborch nu heeft gewonnen’, d.i. na den slag bij Woeringen in 1288.
5)Zie Sp. Hist. IV3 34 vs. 32-38.
6)Zie Sp. Hist. IV8 51 vs. 45 vlg.
1)Sp. Hist. IV1 cap. 29.
2)Boven bl. 478.
3)Sp. Hist. I1 prol. vs. 62 vlgg.
1)Sp. Hist. I1 prol. vs. 76-86.
2)De voornaamste zijn Hormesta Mundi van Orosius, De origine et rebus gestis Getarum van Jornandes, Historia Miscella van Paulus Diaconus, Historia Britonum van Godfried van Monmouth, Chronicon Summorum Pontificum atque Imper. Rom. van Martinus Polonus, benevens twee zedekundige werken van Martinus van Bracara, die door Maerlant voor het werk van Seneca werden gehouden. Zie over die toevoegsels vooral de Inleiding der tweede uitgave, bl. VIII-XXXII.
3)Zie mijn Maerlant's Werken 2 dr. bl. 373-377, waar ik de gronden opgaf voor dat vermoeden.
4)Sp. Hist. IV2 88 vs. 79 vlgg.
1)De zerk, die minstens honderd jaar na Maerlant's dood op zijn graf onder den kerktoren te Damme geplaatst werd en in 1829 door steenhouwers verhakt is, was in 1584 reeds zoozeer afgesleten, dat het grafschrift toen nog slechts met moeite en gissenderwijze kon gelezen worden door J.B. van Belle, die er een, aldus luidend, afschrift van nam (zie J.F. Willems in 't Belg. Museum II, Gent 1838, bl. 451-464, en C.A. Serrure, Lett. Gesch. van Vlaanderen, Gent 1872, bl. 222-232):
 
‘Hic recubat Jacobus a Mellant ingeniosus,
 
Trans homines gnarus, rhetor, astuque disertus,
 
Quem laus dictandi rhytmos, proverbia fandi
 
Transalpinavit, famaque perenne donavit.
 
Huic - miserere Deus cujus (l. ejus)! - sextus jubilaeus
 
Post summum nomen numeri, proh! abstulit (l. attulit) omen.
Van Belle's afschrift werd overgenomen door Foppens, Bibliotheca Belgica, Brux. 1639 I p. 526 en door Paquot, Mémoires pour servir à l'histoire littéraire II (Louvain 1768) p. 98. Minder nauwkeurig is het grafschrift bij Zweertius, Athenae Belgicae, Antv. 1628, p. 367. Nog eene eenigszins andere lezing van het grafschrift is naar een Triersch handschrift meegedeeld door J.W. Muller, Tijdschrift XXVIII (1909) bl. 278-292, maar om op gezag van een handschrift uit het eind der 15de eeuw, waarvan de schrijver blijkbaar over Maerlant niet juist is ingelicht, aan te nemen, dat hij ook nog een gedicht van ‘Den negen besten’ zou hebben geschreven, zooals Muller niet onmogelijk acht, zou ik lichtgelooviger moeten zijn, dan Maerlant zelf was. Nog wordt zonder voldoende grond een gedicht van 147 verzen, De profetie van Bulscamp, aan Maerlant toegeschreven. Deze is uitg. naar een Brusselsch HS. door C.P. Serrure, Vaderl. Museum III (1860) bl. 423-430 en naar dit en een Stockholmsch HS door Nap. de Pauw, Mnl. Gedichten en Fragmenten, II (Gent 1914) bl. 453-482. Het zou mij niet verwonderen, als nog eens bleek, dat Lodewijc van Velthem er de dichter van was.
1)Boendale, Lekenspiegel III 15 vs. 335-341.
2)Sp. Hist. IV1 prol. vs. 1-13.
prepostterug  begin  verder