De geschiedkundige richting, die Maerlant tegenover de romanschrijvers aanwees, werd al spoedig door velen onder zijne jongere tijdgenooten gevolgd. Nederlandsche vorsten en edelen, die zich aan het hoofd der partij van den vooruitgang stelden, wilden de geschiedenis van hun eigen volk in de eerste plaats kennen, maar vervolgens ook die van andere volken, en er deden zich clerken
genoeg op, om in hunne behoefte aan geschiedwerken te voorzien.
Hoe groot de belangstelling in betrouwbare geschiedenis binnen korten tijd was geworden, blijkt duidelijk uit den spoed, waarmee het door Maerlant begonnen, maar onvoltooid gebleven reuzenwerk, de Spiegel Historiael, werd voortgezet en afgemaakt. Het eerst sloeg zekere Philip Utenbroeke van Damme 1) de hand aan het werk, doch hij stierf reeds nadat hij nog maar alleen de tweede partie van den Spiegel 2) in een tamelijk West-Vlaamsch gekleurd, maar overigens vrij zuiver Dietsch had overgebracht, waarbij hij niet meer dan middelmatige kennis van het Latijn ten toon spreidde, zelfs hier en daar bewees, dat hij het Latijn niet voldoende verstond. Over het algemeen volgde hij Vincentius op den voet, niet zelden bekortte hij het oorspronkelijke met recht aanmerkelijk, maar nooit voegde hij er, zooals Maerlant meermalen deed, de uitkomsten van eigen studie aan toe, behalve eenmaal, toen hij de Acta Silvestri zelf vertaalde 1), in plaats van tevreden te zijn met het uittreksel, dat Vincentius er van gegeven had. Na een gebed tot God in twee clausulen van 13 verzen en een proloog in 13 monorimen behandelde hij dus in zijn werk de geschiedenis van Nero tot Gratianus, en stelde hij dus, zooals hij zelf zegt, vooral in het licht, ‘hoe de heilege kerke began dyen bi der heilegher conflorien van der martelaren partien’.
Het tweede gedeelte der vierde partie, waarvan Maerlant de vertaling had moeten afbreken, was nu nog maar het eenige, wat op een vertaler wachtte; maar dat zou niet lang behoeven te duren. Eene aanzienlijke Antwerpsche edelvrouw, Maria van Berlaer, stelde belang in het werk en droeg aan Lodewijc van Velthem
op, ook de laatste vijf boeken der vierde partie in het Dietsch over te brengen, en ‘van daert Jacob liet terstont so heeft hijt vort gemaect cont’ tot op het jaar 1256 1). Hij was er mee gereed op St. Stevensdag, d.i. 3 Aug. 1315 2) en heeft er zeker niet lang over gearbeid, want ofschoon hij beweert, dat hij gaarne voor zijne beschermster het werk alleen uit eerbied en genegenheid zou vertaald hebben, ‘al ware hi niet daertoe gemiet’ 3), de uiterst slordige wijze, waarop hij vertaalde, bewijst dat hij niet de geringste liefde voor het werk koesterde en het alleen afknoeide om den broode. Wij hebben er betrekkelijk weinig, omstreeks 8000 verzen, van over 4).
Toen Velthem de vierde partie vertaalde, had hij zich reeds voorgenomen er nog eene vijfde partie bij te voegen; ja, misschien was hij daar toen reeds aan begonnen 5). Zekere Jan Visier 6), dienstman van den heer van Voorne 7), had hem daartoe aange-
spoord en hem het uitzicht geopend op de gunst van zijn heer, aan wien Velthem, ook nog vóór hij persoonlijk kennis met hem gemaakt had, zijn werk in een epiloog opdroeg in de hoop, zooals hij zelf zegt, ‘sijn pape te wesene hierna’ 1). In dat werk nu wilde hij ‘selsenheden ende nuttelijcheden, die in LX jare sijn gesciet’ 2), behandelen; en daar de vierde partie door hem tot het jaar 1256 was voortgezet, moest de vijfde de geschiedenis tot en met 1316 behelzen, zooals dan ook inderdaad het geval is.
Omstreeks 30,000 verzen zijn aan die geschiedenis besteed 3), en daarvoor heeft Velthem van alle kanten zijne stof verzameld. Meestal waren het Latijnsche bronnen, die hij raadpleegde 4), excerpeerde of vertaalde; maar voor de geschiedenis van de laatste vijftien jaar heeft hij niet uitsluitend uit het Latijn geput, maar ‘som uten Latine ende som so eest oec na den raet van dien lieden, die mi bedieden die dinge nadien dat si gescieden ende die daer waren in allen tijt daer men gehat heeft den strijt’, zegt hij 5). Hij raadpleegde dus meermalen ooggetuigen 6), en was soms ook zelf ooggetuige 7), en daaraan ontleent zijne kroniek, bij al de slordigheid in het gebruik van de bronnen, eene levendigheid van voorstelling, welke haar tot de beste der berijmde geschiedwerken doet behooren. Als voorbeeld van levendigen verhaaltrant kunnen wij b.v. reeds dadelijk in het eerste der acht boeken, waarin het werk verdeeld is, wijzen op de vermakelijke vertelling van den
Leuvenschen kampvechter 1), en op het grappig verhaaltje ‘Van enen scoemakere’ en Albertus Magnus 2).
In dat eerste boek vindt men verder verscheidene hoofdstukken over den toestand van den lande van Overzee tijdens Paus Innocentius IV, die aan het laatste gedeelte van Vincentius' Speculum ontleend zijn en in de vierde partie door Velthem onvertaald gelaten waren 3). Ook leest men daar de geschiedenis van Willem II van Holland, die eigenlijk chronologisch nog in de vierde partie te huis behoorde, en treft men er ‘bloemen’ uit de werken van Albrecht van Keulen en broeder Ysewijn aan, terwijl er vooral uitvoerig naar Latijnsche bronnen gehandeld wordt over de geschiedenis van Eduard I van Engeland, welke in het tweede en derde boek wordt voortgezet met een uitgebreid verhaal van de luisterrijke feesten bij Eduard's bruiloft en zijne verovering van het prinsdom Wales. Beknopt is in die boeken de geschiedenis van het Duitsche keizerrijk; daarentegen wordt de geschiedenis van Brabant onder Jan I en vooral de slag bij Woeringen tot in kleine bijzonderheden toe behandeld in de eerste drie boeken, waarin Velthem het geheele gedicht van Jan van Heelu over dat onderwerp deels woordelijk, deels min of meer bekort opnam 4), doch zóó slordig, dat hij zich meermalen den tijd niet gunde om den waren zin van het oorspronkelijke weer te geven 5). In het derde boek deelt Velthem verder tamelijk uitvoerig mee, wat hem ‘die Hollanders cont’ maakten 6) aangaande de gevangenneming en den moord van Floris V, en zoo levert hij door berichten uit den mond van ooggetuigen eene welkome aanvulling tot het verhaal, dat Melis Stoke ons naliet en dat blijkens allerlei afwijkingen door Velthem niet gebruikt en gerust mogen wij er daarom ook bijvoegen: niet gekend is. Het vierde boek wordt bijna geheel ingenomen door de geschiedenis van Vlaan-
deren en Brabant, door den strijd der clauwaerts en leliaerts en den beroemden sporenslag, grootendeels naar mededeelingen van ooggetuigen verhaald. In het vijfde boek vindt men bijna uitsluitend een uitvoerig verhaal van den tocht naar Rome door keizer Hendrik VII van Luxemburg, dien Velthem evenzeer bewonderde als Dante deed 1), en voor wiens geschiedenis hij zich op ‘een Willem van Aken’ als zijn zegsman beroept 2). Het zesde boek, dat grootendeels Nederlandsche geschiedenis bevat, bewijst nog meer dan de andere door de in het oog vallende belangstelling, waarmee Velthem daarin over monsters, mirakelen, tempeesten, onheilspellende kometen, hongersnood en pestziekte handelt, dat hij niet alleen krijgsdaden en staatkundige gebeurtenissen, maar ook verschijnselen in de natuur tot de geschiedenis rekent, als zij maar invloed hebben of heeten te hebben op het lot der menschen.
Met het zesde boek is het eigenlijk geschiedverhaal ten einde. De beide laatste boeken behelzen alleen voorspellingen aangaande de komende tijden tot den jongsten dag toe. Het zevende boek begint met profetieën van Daniël, eene verklaring daarvan door Hieronymus en eene er bij passende aanhaling uit de profetieën van Merlijn 3). Dan volgt hetgeen Daniël, St. Jan en St. Hildegaerde voorspelden aangaande een tijd, waarin de ‘cleine dierkijn’ de groote zullen overwinnen, maar vervolgens weder door de groote heimelijk zullen ten onder gebracht worden. Daar dat moet plaats hebben vóór 1335 en er ‘tempeeste groet ende sterfte mede’ in dien tijd zal zijn, herkent Velthem er zijn eigen tijd in. Onder de ‘cleine dierkijn’ verstaat hij ‘die gemeinte’, terwijl z. i. ‘die grote diere sijn sonder waen die rike liede, die die gemeinte selen doen onder so heymelike dat elken wonder sal hebben’ 4). Verscheidene volgende hoofdstukken heeft Velthem verder vertaald uit den Spiegel van comende tide (Speculum futurorum temporum), door Gebeno, prior van het klooster te Eberbach, samengesteld uit drie werken van St. Hildegaerde, abdis van het St.-Rupertusklooster te Bingen, namelijk de Scivias, de Werke des Heren (Divina Opera) en het Epistelboec (Epistolae) 5). Als Velthem deze voorspellingen
begint te vertalen, zegt hij, ‘dat papen tot nu toe 't hebben bedect’, maar dat het niets helpt, of men al verheelt ‘die dinc, die ember moet gescien’, en dat hij het dus ‘coenlijc wil scriven ende lekenlieden doen verstaen gelijc die prophecien gaen’, maar dat hij dan ook hoopt, ‘dat enich here hem sal lonen noch’, dat hij deze geheimen ontdekt, ‘daer hem ooc swaer af es die sake vord te bringen in Dietsce word’ 1). Hij was ook reeds ‘berespt van dengenen, dien dochte dat hem te na ginc’, zooals hij zegt 2), vooral wegens een gedeelte, waarin de bedelorden worden gehekeld, 3) en daarom was hij dan ook niet op zijn gemak, zoodat hij, toen hij het zevende boek besloot met de verklaring, die door Joachim, abt van Flora, gegeven was van de voorspellingen van Jeremia, uitdrukkelijk betuigde, dat hij er niets van zich zelf had bijgevoegd, dat hij desnoods ‘dat boec wel wil vortbringen daer 't Latijn in es gestaen’, en dat hij het alleen ‘hovescher ende corter hevet geseit, dant daerin gescreven steit’ 4). Ook in het begin van het achtste boek verklaart hij: ‘ic dichte also ict vant, want ic uut mi selven niene make anders dan int Latijn staet’ 5). Het oorspronkelijke nu van dat achtste boek is niets anders dan het besluit van Vincentius' Speculum 6), waarin over den Antikerst en over het laatste oordeel wordt gehandeld, en dat door Velthem van de vierde partie naar deze vijfde is overgebracht.
De tijd, waarop de vijfde partie van den Spiegel vervaardigd werd, is bekend. Van het zesde boek zegt Velthem uitdrukkelijk, dat hij het voltooide ‘op onser Vrouwen avont (d.i. 14 Aug.) 1316’, en een deel van het zevende ten minste is nog in hetzelfde jaar geschreven 7), zoodat de rest wel spoedig zal gevolgd zijn, want Velthem heeft zich gehaast het werk te voltooien, nadat, zooals hij zegt, ‘in die Sinxendage’ van 1316 ‘siecheit ende ander
saken hem den tijt benomen’ hadden 1). Hij was namelijk aangetast door de vreeselijke pest, die in 1315 en 1316 ten gevolge van een hongersnood een groot deel van Europa teisterde, en die naar zijne meening 2) door eene komeet was aangekondigd. Die ziekte maakte hem blind, en de oogen deden hem zooveel pijn, ‘dat hem dochte oft men met cniven daerin stake’. Dat vooral vond hij verschrikkelijk, en wanhopig riep hij uit: ‘Al verginge mi't wee nadat, soudic bliven aldus blint, so ware ic altemale gescint!’ In zijne angst riep hij de Moedermaagd om redding aan en zeide tot haar: ‘Vrouwe, ic heb gedicht van u menige scone dinge, maer nu soudic sonderlinge van u dichten, indien dat gi mijn licht wilt behouden mi!’ Als door een wonder vond hij zich kort daarna van zijne blindheid genezen 3), en hij hield woord: hij voegde als voorlaatste hoofdstuk van zijn Spiegel ‘na sijn genesen also houde als hi dit boec hadde gehent’ daaraan nog eenige liederen ter eere van Maria toe: vijf zeer verdienstelijke clausulen van dertien verzen en daarna nog drie 4) gedichten in kunstigen strophenvorm, die bewijzen, dat hij voldoende heerschappij over de taal bezat, om zeer welluidende liederen te maken, als het hem slechts ernst was. Vroeger had hij reeds een lofzang van Petrus Comestor op Maria in tienregelige clausulen vertaald 5) en een O.-L.-Vrouwengroet van Albertus Magnus in vier clausulen van dertien verzen 6).
In zijn eerbied voor Maria stemde Velthem dus met Maerlant overeen, en dat deed hij ook door zijne afkeuring van de slechte zeden en de aanmatiging der geestelijkheid, en zijne klachten over de heerschappij van het geld, zoodat ‘vriende met gichten al te maken sijn’ en de rijkste vorst zelfs voor eene onrechtvaardige zaak de meeste soudieren kan verwerven en zoo ten slotte de overhand kan behouden 7). Met Maerlant's werken was hij blijkbaar
goed bekend, niet alleen met de romantische, zooals Merlijn en Torec, maar ook met de didactische, zooals Spiegel Historiael en Der Naturen Bloeme 1). Toch prijst hij Maerlant nergens, en dat is ook geen wonder, want een geestverwant was hij over het algemeen niet van hem. De opkomende burgerij, de nijvere handelsstand van Antwerpen behoort niet tot zijne vrienden en hij berispt de ‘onselege comenscap’, omdat zij niets ontziet als er maar geld mee te verdienen valt. Hij vindt, dat de ‘stede nu al te rike sijn’ 2). Voor een geestelijke is hij ook veel te wereldsgezind. Zoo komt hij er zeer naïef zelf voor uit, dat hij met innerlijk welgevallen gelezen heeft, hoe de dames van Pisa den ridder van Hendrik VII niets ontzeiden ‘wat dat hen die ridders baden’. Hij meent, dat iemand, die ‘goeder nature’ is, ‘er doch yet af soude verbliden, hordi spreken dusdaen maer’ 3). Elders berispt hij de Italiaansche ‘ridders van der minne’, dat zij zoo slecht den eed hielden, gezworen aan de schoonen, welke hun als loon hare liefde hadden beloofd, en zegt dan, dat hij zelf in dat geval wel anders zou gehandeld hebben en, indien hij ‘een ridder ware, die hem des hadde vermeten’, het zeker, ‘om te bliven in haer minnen ende selke vrouwe daermet gewinnen, dor hare had geaventuert wat er hem af comen waer, al hadder sijn leven an gestaen’ 4). Door zulk een geestelijke moet ridderbloed hebben gevloeid, en misschien mogen wij, als hij zich bij voorkeur ‘Her Lodewijc van Velthem’ noemt 5), daaruit afleiden dat hij zich heeft willen doen kennen als een jongeren zoon uit het adellijk geslacht der heeren van Velthem bij Leuven, in welk geslacht de voornaam Lodewijk zeer dikwijls voorkwam 6).
In elk geval was Velthem een Brabander 7) en in 1293 of 1294
reeds oud genoeg niet alleen om een geheim gesprek van Jan van Brabant met de heeren van Valkenburg en van Kuik aan te hooren, 1) maar ook om Parijs, misschien als student in de theologie, te bezoeken, waar hij ‘selve metten ogen’ een dwergenpaar zag, dat men aan koning Philips wilde vertoonen 2), en waar hij ook menigmaal gelegenheid had, eene vrouw te zien, die er zeer bekend was, ‘omdat si die scoenste was van dien diemen vonden hadde int lant’, en daarbij ‘haer joyen liet’, en die in 1296, zooals Velthem vertelt, verdronk bij eene geweldige overstrooming, waartegen zelfs de groote, kort te voren gebouwde stevige Seinebrug niet bestand was 3). Op het eind van 1297 zag hij te Gent (of te St.-Petersdorp) de ‘Galoysen’, die daar met Eduard I van Engeland gekomen waren om de Franschen te bestrijden, ‘ende wandelde onder hem daer’, om hunne zeden en gewoonten en 's konings krijgsplannen te leeren kennen 4). Wij weten niet, of hij toen reeds te Sichen bij Diest woonde, zooals in 1304, toen hij daar ‘sanc ende hadde onser vrouwen outaer’, dus toen hij er vicaris was 5). Vandaar vertrok hij naar het dorp Velthem bij Leuven, waar hij althans reeds in 1312 parochiepriester van de St.-Laurenskerk was, zoodat hij kon zeggen: ‘dese provende es mijn alse lange als ic levende mach sijn’ 6). Den 8sten Sept. 1315 reisde Velthem ‘door tlant van Reen’, waar toen door aanhoudenden regen alles onder water stond 7), hetgeen er misschien toe heeft bijgedragen om den krijgstocht van Willem III van Holland tegen Vlaanderen omstreeks denzelfden tijd te doen mislukken. Velthem was te Antwerpen, waar hij misschien gekomen was om zijne in Aug. 1315 voltooide vertaling der vierde partie van den Spiegel aan Maria van Berlaer aan te bieden, tegenwoordig bij de feesten ter eere van Willem III, die daar toen juist met eene talrijke
vloot was aangekomen 1). Tijdens het woeden van de pest in 1316 woonde hij nog te Velthem 2), waar hij dus zijn Spiegel Historiael zal hebben afgemaakt.
Of hij met dat werk zijn doel bereikt heeft en huiskapelaan van Gerard van Voorne geworden is, weten wij niet, doch mocht dat het geval geweest zijn, dan zouden wij ons zeer goed kunnen begrijpen, hoe hij er toe kwam zijn Boec van coninc Artur te schrijven 3), waarmee hij blijkens het slot van het werk ‘opten Witten Donredag 1326 4) gereed was; dan toch zou hij in de bibliotheek op het slot te Voorne het door Maerlant voor Albrecht van Voorne vertaalde Boec van den Grale en van Merline gevonden hebben, en waarschijnlijk ook het oorspronkelijke daarvan, in eenzelfde boekdeel, zooals dikwijls het geval was, vereenigd met Le livre du roi Artus.
Dat Velthem na het bewerken van den Spiegel nog tot het vertalen van een ridderroman gekomen is, behoeft ons niet te bevreemden in een man, van wien wij reeds hebben opgemerkt, dat hij volstrekt geen geestverwant van Maerlant geweest is. Wel verklaarde hij ‘no om daet (lees: danc) no oec om miede’ de geschiedenis te willen vervalschen 5), doch dat hij geen hart had voor de waarheid, blijkt overvloedig uit de slordigheid, waarmee hij zijne bronnen gebruikte. Nergens bestreed hij, zooals Maerlant en Boendale, de menestreelen; hij beroemt er zich zelfs op, dat hij ‘nie op dichten sprac’, en wanneer hij zich daartoe eens liet vervoeren, dan was het, omdat iedereen, ‘Jan, Willem, Heinric, Gord dichten willen maken’ en dan daarbij elkaar in 't haar zitten, daar bv. sommigen ‘scriven dat dode liede selen comen ende levende werden ende dlant begomen’, terwijl anderen ‘rime daerjegen’ maken en zeggen: ‘en sal so niet wesen’, en een derde ‘beide wil verplegen ende maket anders dan deerste twee’ 6). Hekeling van romanschrijvers blijkt daaruit niet.
Wel blijkt ingenomenheid met de stof der romans zooal niet
uit de herhaalde vermelding van Roelant, den held van Ronceval 1), en van Alexander, den overwinnaar van Darius 2), dan toch zeker uit de uitvoerigheid, waarmee hij de bruiloft van Eduard I beschreef met de daarop gegeven vertooningen van allerlei episoden uit de Britsche romans 3), en uit het welbehagen, waarmee hij verder vertelde, welke herinneringen aan Artur en de zijnen door Eduard in het land van Wales werden gevonden 4). Wie daaruit afleidt, dat Velthem toen hij zijn Spiegel schreef reeds zijne romantische werkzaamheid achter den rug had, weigert eenige waarde te hechten aan zijne verzekering, dat hij alles uit het Latijn vertaalde 5), dat hij dus de romans toen nog niet behoefde te kennen, terwijl zelfs bekendheid met die romans nog niets voor vertaling zou behoeven te bewijzen, en dat dus het niet bekorten van zijne Latijnsche bron alleen pleit voor zijne ingenomenheid met het avontuurlijk ridderlijke 6).
Nu weten wij ook, dat het inderdaad Lodewijc van Velthem was, die de groote verzameling Britsche romans heeft bijeengebracht, welke wij bezitten in een handschrift met het onderschrift: ‘Hier indet boec van Lancelote, dat heren Lodewijcs es van Velthem’ 7). Daar hij in zijn Boec van coninc Artur nu en dan naar dit compilatiewerk verwijst 8), moet het reeds vóór 1326 gereed geweest zijn.