terug  begin  verderprepost
[p. 229]

Tweede tijdvak.
De rederijkers
1430-1580.

[p. 231]

I.
De 15de eeuw een bloeitijd der kunsten.

In vergelijking met de veertiende eeuw was de vijftiende een tijdvak van betrekkelijke rust en van toenemende welvaart 1). De groothandelaars hadden het gewonnen, al hadden zij dan ook iets van hunne onafhankelijkheid moeten prijs geven aan de vorsten, die hen hadden bijgestaan in hun strijd om de al te overmoedige gilden terug te dringen op de hun in de maatschappij toekomende plaats.

In West-Vlaanderen, waar de volkswoelingen het hevigst waren geweest, was wel, ten deele ook daardoor, ten deele door de verzanding van het Zwin, de bloei der eertijds zoo welvarende nijverheidscentra, der handelssteden Brugge en Yperen, de oude stapelplaatsen van den groothandel, geknakt, zoodat zij langzaam versteenden tot de doode steden, die zij later zouden worden, maar in Oost-Vlaanderen was Gent meer en meer eene machtige fabrieksstad, in Brabant was Antwerpen een middelpunt van den wereldhandel geworden; en ook in de Noordnederlandsche gewesten nam naast de visscherij, die er aanvankelijk de groote bron van welvaart was geweest en dat nog bleef, de groothandel steeds toe. Het Noord-Oosten werd in de vijftiende eeuw beheerscht door Groningen, het Oosten door de drie rijkssteden Deventer, Zwolle en Kampen; in het midden van het land was Utrecht nog altijd, ofschoon minder dan in vroegeren tijd, eene stad van groote beteekenis; in Zeeland bloeide vooral Middelburg, en in het eigenlijke Holland was Dordrecht reeds lang eene eerste handelsstad geworden, terwijl Enkhuizen, Hoorn en vooral Amsterdam er in de vijftiende eeuw geduchte mededingsters van waren geworden. Elders in Holland, zooals te Haarlem, te Delft en te Leiden, bloeide de nijverheid.

[p. 232]

Onder het krachtig bestuur der naar centralisatie strevende Bourgondische hertogen was recht en veiligheid verzekerd, althans in vergelijking met hetgeen in de veertiende eeuw het geval was. Bloedige woelingen, zooals van de nog altijd voortbestaande Hoeksche en Kabeljauwsche partijen, van de Gentsche witte Kaproenen of, doch eerst op het eind van de vijftiende eeuw, van het kaas- en broodvolk, verstoorden slechts nu en dan de rust en konden meestal met krachtige hand vrij gemakkelijk worden bedwongen.

Ook bloeiden overal - maar in het Zuiden vooral - kunsten en wetenschappen onder de persoonlijke bescherming van ontwikkelde vorsten, zooals het stamhuis van Bourgondië er zoo vele heeft opgeleverd, met name Philips den Goede en zijn achterkleinzoon Philips den Schoone, wiens vader, Keizer Maximiliaan, niet minder als kunstbeschermer geprezen verdient te worden; en naast hen, als geestelijke heeren uit hetzelfde stamhuis, de bisschoppen van Utrecht: David en in het begin van de zestiende eeuw Philips van Bourgondië. Schilder-, beeldhouw- en bouwkunst hebben in hun tijd kunstwerken opgeleverd, die altijd de hoogste bewondering van het nageslacht hebben opgewekt.

In het verluchten van handschriften 1) met steeds in grootte toenemende miniaturen van onvergankelijke kleurenpracht en teere lijnen waren vooral Brabanders en Vlamingen ook reeds vroeger uitermate bedreven, zooals Jan van Brugge, die ons voor de miniaturen, waarmee hij een, in 1372 aan den Franschen koning Karel V aangeboden, bijbel verluchtte, nog altijd hulde en bewondering afdwingt. In het begin der 15de eeuw echter bereikte deze kunst reeds eene later nauwelijks geëvenaarde hoogte door de meesterwerken der verluchters van Philips den Stoute, de gebroeders Paul, Johan en Herman van Limbricht in Belgisch Limburg, die, van 1411 tot 1416 in dienst van den hertog van Berry, voor dezen ‘les très riches heures du Duc de Berry’ verluchtten 2). Van de miniaturen daarin zijn o.a. die, welke de twaalf maanden

[p. 233]

voorstellen, later gecopiëerd in het veel beroemder, maar veel minder oorspronkelijke ongelooflijk rijk verluchte brevier van den kardinaal Grimani, waaraan omstreeks het jaar 1500 verschillende kunstenaars (o.a. Lieven van Lathem en Geraert Horenbout) hebben samengewerkt en dat zich nu in de San-Marco-bibliotheek te Venetië bevindt, maar ook door keurige en kostbare reproducties in ruimer kring is bekend geworden 1).

Doch vooral ook op paneel 2) werden, onder de regeering der Bourgondische hertogen, in de Nederlanden meesterstukken gewrocht, die de werken van oudere, reeds niet onverdienstelijke, schilders der veertiende eeuw ver overtroffen en ons daarom minder recht geven om hen met den naam van primitieven aan te duiden 3), dan naast en ten deele ook tegenover de Italiaansche kunst te spreken van eene zelfstandige Vlaamsche school, te Brugge in de eerste helft der vijftiende eeuw vertegenwoordigd door Hubert en Jan van Eyck (d.i. Maaseik), die zich met hun groot tafereel, de ‘Aanbidding van het Lam’, nu weer geheel in de St.-Baafskerk te Gent, onsterfelijk hebben gemaakt 4). Naast hen, doch als jongeren, werkten Petrus Christus van het Noord-

[p. 234]

brabantsche Baarle en de Gentenaars Hugo van der Goes en Geraert van der Meire, terwijl Hans Memlinc in de tweede helft der vijftiende eeuw te Brugge de Vlaamsche kunst ten top voerde met zijne reuzenminiaturen, zooals men ze wel mag Heeten, zijne onovertroffen triptieken en zijn ‘rijve of fierter in 't S. Janshuys, wesende redelijcke cleen figueren, maer so heel uytnemende constich, datter menichmael is voor gheboden geweest een rijve van fijn silver’. 1).

Voor Brabant hebben wij in de eerste plaats te wijzen op Rogier van der Weyden 2) uit Doornik, in het midden der vijftiende eeuw te Brussel werkzaam, en in wat lateren tijd op Hieronymus Bosch (d.i. 's-Hertogenbosch) en Quintijn Metsijs, Leuven's roem. In Noord-Nederland vinden wij naast hen, als hunne leerlingen, maar tevens als de eerste vertegenwoordigers eener Hollandsche school, die in Haarlem haar middelpunt had, schilders als Geraert David en Albrecht van Ouwater, van welke de eerste zich echter te Brugge vestigde, Geertgen tot St. Jans, Dirck Bouts, die vooral te Leuven werkte, en iets later Jan Cornelisz. van Oostzanen en Jan Mostart, naast welke nog als te Utrecht en later te Middelburg werkzaam Jan Gossaert Mabuse (d.i. Maubeuge waar hij geboren werd) mag worden genoemd.

Grootscher nog dan de fijne penseelsels der schilders waren in dien tijd de gemeenschappelijke scheppingen van beeldhouwen bouwkunst 3), die aan hare kinderjaren al lang ontwassen waren, daar zij in de veertiende eeuw reeds een meesterwerk als de halle te Brugge hadden opgeleverd en te Yperen reeds in 1304 de reuzenhalle hadden voltooid, die in grootschheid door geen enkel bouwwerk werd overtroffen, maar nu in den wereldoorlog van 1914 jammerlijk is vernield. De Brugsche halle echter is met hare gekanteelde kroonlijsten, hoektorentjes en kolossale belfroet in het midden, evenals het stadhuis van Brugge van het eind dier eeuw, nog altijd in wezen als onbetwistbaar bewijs van den verbazingwekkenden bloei der Vlaamsche hoofdmarkten van de Londensche hanza in de veertiende eeuw.

[p. 235]

De vijftiende eeuw deed zeker voor de veertiende niet onder. Moge op het gebied der kerkelijke bouwkunst Vlaanderen ook al niet in vergelijking kunnen komen met Noord-Frankrijk, toch kunnen wij ook dààr op een meesterwerk van gothiek wijzen als de Lieve-Vrouwekerk te Antwerpen, door Meester Everaert (1449) en anderen gebouwd, maar eerst in het begin der zestiende eeuw tot een waar kunstwerk gemaakt door Herman en Dominicus de Waghemakere, toen de eenige toren - fijn kantwerk in steen - gereed kwam, dien wij nog bewonderen, maar die de eenige niet had moeten blijven. Daarnaast mogen in elk geval ook genoemd worden de St.-Goedelekerk te Brussel, de St.-Romboutskerk te Mechelen, de St.-Pieterskerk te Leuven met het keurig gesneden doxaal en het prachtig tabernakel van Mattheus de Layens (1450), de rijk versierde St.-Janskerk te 's-Hertogenbosch (in 1498 voltooid) met hare fraaie koorbanken en prachtige, door Arent van Maastricht in 1492 gegoten doopvont, de St.-Laurenskerk te Alkmaar en de Lieve-Vrouwekerk te Brugge met de heerlijke graftombe van Maria van Bourgondië, van 1495 tot 1502 door Pieter de Beckere van Brussel vervaardigd.

De wereldlijke bouwwerken in Vlaanderen en Brabant daarentegen zijn éénig in hunne soort, zooals het overweldigend rijk met beeldhouwwerk versierde stadhuis van Brussel (voltooid in 1448) door Jacob van Thienen en Jan van Ruysbroeck, in 1454 door Martijn de Rode met het vergulde beeld van St. Michaël bekroond, het in 1463 voltooide stadhuis van Leuven door Mattheus de Layens, en in Zeeuwsch-Vlaanderen het nu gerestaureerde raadhuis van Sluis. Waardig sluiten zich daarbij in Vlaanderen en Zeeland aan, als voortreffelijke voorbeelden van de latere gothiek der zestiende eeuw, het stadhuis te Gent, dat, indien het geheel volgens de plannen van Dominicus de Waghemakere en Rombout Keldermans volbouwd ware, al het vorige in grootschheid en pracht zou hebben overtroffen, dat van Oudenaarden, het klein maar keurig juweel van Hendrik van Pede met het bekoorlijk houtsnijwerk van zijne portiek, dat van Middelburg, door Anton Keldermans in 1513 voltooid, met zijne standbeelden der Zeeuwsche Graven als versiering van den voorgevel, dat van Veere, van kleiner afmeting, en dat van het Brugsche Vrije te Brugge met de heerlijk schoone, door Lancelot Blondeel ontworpen, schouw van 1529 in de oude schepenkamer, waarnaast - schoon op een

[p. 236]

afstand - ook de schouw van het Kampensch stadhuis uit het midden der zestiende eeuw te plaatsen is. Voorbeelden van kleinere, maar niettemin verrukkelijke bouwwerken zouden er vele aan te wijzen zijn: het Broodhuis te Brussel, in 1525, en het Schippershuis te Gent, in 1531 voltooid, mogen volstaan om er aan te herinneren, op hoe hoogen trap deze kunst destijds stond.

Dat de muziek in de vijftiende eeuw voor hare zusterkunsten niet behoefde onder te doen, zal niemand bevreemden, die bedenkt, welke eene hoogte van ontwikkeling zij reeds in de veertiende eeuw had bereikt door H. de Zeelandia en anderen 1). In het begin der vijftiende eeuw treedt het meest op den voorgrond de Henegouwer Guillaume Dufay († 27 Nov. 1474), die zelfs te Rome als kapelmeester in de Sixtijnsche kapel de leermeester der jongere Italiaansche musici werd’ 2). Iets later schitterde de Noordnederlander Jacob Obrecht, te Utrecht omstreeks 1430 geboren en te Antwerpen in 1507 overleden, niet alleen in Holland de voornaamste componist (vooral van passiemuziek en missen, zooals de ‘Fortuna desperata’), maar over het algemeen ook de eerste musicus van zijn tijd en grondvester van de Italiaansche kunstschool; en naast hem Johannes Ockeghem van Dendermonde, die door velen als de vader van het moderne contrapunt is beschouwd. Te Florence, Rome en Parijs werd wat later de roem der Nederlandsche muziek gehandhaafd door Josquin de Prez van Berchem († 1521). Aan het hof van Ferdinand van Arragon te Napels was in het begin der 16de eeuw de te Poperingen geboren Johannes Tinctoris († 1551) als kapelmeester werkzaam en bovendien beroemd als schrijver van verschillende werken over muziekleer. Als kapelmeester van Karel V maakte zich, vooral met zijne motetten en psalmwijzen, ook buitenslands beroemd Jacobus Clemens, bijgenaamd ‘non papa’, terwijl verder in de zestiende eeuw Nicolaus Gombert van Brugge met zijne schoone missen en zijn heerlijk ‘Ave sanctissima Maria’ schitterde, evenals zijn stadgenoot Adriaen

[p. 237]

Willaert († 1562), met zijn leerling Cyprianus de Rore van Mechelen het hoofd der Venetiaansche muziekschool, alle echter in beroemdheid overtroffen door den grootsten toondichter der zestiende eeuw Roeland de Lattre of Orlando Lasso van Bergen in Henegouwen, in 1594 overleden.

In de Noordelijke Nederlanden traden, afgezien van Obrecht, de groote toondichters eerst in de tweede helft der zestiende eeuw op, al mogen wij niet geheel zwijgen van de muzikale talenten, die ook een geleerde als Rudolf Agricola van Bafloo bezat. In Noord-Nederland dan vinden wij als onmiddellijke voorloopers van Sweelinck, die nog niet tot deze periode behoort, Cornelius Buscop van Delft, met zijne psalmwijzen van 1562, Johannes Wanning van Kampen, met zijne muzikale ‘sententiae’ of motetten van 1584, en Jan Tollius van Amersfoort, die in Duitschland en Italië zijne motetten en madrigalen ten gehoore bracht.

Deze en vele anderen geven ons het recht in de geschiedenis der muziek te spreken van eene Nederlandsche periode. Natuurlijk is het, in overeenstemming met den geest der middeleeuwen, de kerkmuziek, die bij hen op den voorgrond treedt en waarbij zij het oude Gregoriaansche gezang door eene nieuwere, meer ingewikkelde, kunst verdrongen; maar ook het wereldlijk lied werd door hen niet verwaarloosd. Aan het oude volkslied ontleende menigeen onder hen de motieven zijner composities, zooals met name Lupus Hellinck, Jeronimus Vinders en de Antwerpsche organist Benedictus, van wie vierstemmige bewerkingen van oudere volkswijzen gevonden worden in onze oudste muziekboekjes, die Tielman Susato in 1551 begon uit te geven, en waaruit wij met de melodieën ook de woorden van verscheiden liedjes leeren kennen. 1).

[p. 238]

Een wereldlijk liedboek zonder muziek was reeds vóór dien tijd uitgegeven, namelijk Een schoon liedekens Boeck, in 1544 te Antwerpen in 't licht gezonden door Jan Roulans 1) en bevattende ‘sommighe nieuwe liedekens, die noeyt in printen geweest’ waren, maar ook oude, die vermoedelijk reeds uit de vijftiende eeuw dagteekenen, of voor een klein gedeelte nog wat ouder kunnen zijn. Deze vormen de kern van den rijken liederschat, die ons uit de vijftiende en zestiende eeuw bewaard is, en die ons leert hoe in Vlaanderen en Brabant vooral, maar ook wel in Noordelijker streken, de geheele bevolking stem en oor had voor den zang. Over de aantrekkelijk frissche, eenvoudige, eenigszins zwaarmoedige, maar toch soms ook weer guitig-vroolijke zangwijzen kunnen wij hier niet spreken, maar wel moeten wij hier inhoud en dichtvorm dezer volksliederen trachten te kenmerken.

Tevens mag hier niet onvermeld blijven een wat jonger boekje, getiteld Een Aemstelredams Amoreus Lietboeck, bij Harmen Jansz Muller tot Amst 1589, omdat onder de 136 liederen, die het bevat, ook vele uit ouderen tijd voorkomen 2).

Als de meest nationale en alzoo merkwaardigste volksliederen van dien tijd noem ik in de eerste plaats de geschiedzangen, die beschouwd kunnen worden als de jongere loten van den ouden stam der epische volkspoëzie en die van de belangstelling des volks in de gebeurtenissen van den dag getuigen 3). Door frischheid en aanschouwelijkheid munten deze liederen in den regel uit, en zoo leveren zij aan den geschiedvorscher eene eigenaardige reeks van oorkonden, waaruit hij niet alleen allerlei kleine, van elders niet bekende, bijzonderheden kan leeren kennen, maar waardoor hij vooral in staat is den indruk na te gaan, dien eenige historische

[p. 239]

gebeurtenis op het volk heeft gemaakt, en de vervorming, die deze in de volksvoorstelling onderging.

Sommige van die liederen klimmen reeds op tot de 14de eeuw, zooals het lied Van Cortrozijn en dat Van Gheraert van Velsen, die wij daarom reeds vroeger hebben besproken 1). Van wat jongeren datum, althans in zeer gemoderniseerden vorm overgeleverd, al betreft het ook eene gebeurtenis uit het eerste gedeelte van de 14de eeuw, is eene Claghe over Egmont, aangeheven door den Egmonder monnik Gerbrant van Raephorst, toen het dorp in 1327 door de Friezen was verbrand 2).

Uit de 15de eeuw kennen wij als de oudste liedjes het Mechelsche lied over den strijd tusschen Mechelen en Brussel in 1432 3) en dat Van mijn here van Lelidam 4), d.i. Jean de Villiers, seigneur de Lisle Adam, van 1437, toen hij sneuvelde bij eene poging om te Brugge een oproer tegen Philips van Bourgondië te bedwingen, die, zooals het in het lied heet, ‘die edel stadt van Brugghe wilde winnen met verraderije’. Of de here van Lelidam al riep: ‘Ransoen, ransoen! laet mi mijn lijf behouden!’ het mocht hem niet baten; ‘de Brugghelingen brochten haer bussen voort’, en daar lag hij nu, ‘verslegen al op die strate’; en te ‘Sinte Donaes in die kercke daer leyt hi nu begraven’. De pelgrimstocht over Venetië naar Jeruzalem Van drie lantsheeren geboren uut Nederlant 5), nl. die van Cleve, Hoorne en Batenborch, in 1450, leeft voort in een kort liedje. De slach van Blangijs 6) of Guinegate (1479), waarin de Franschen de nederlaag leden, werd in een opwekkelijk lied bezongen, terwijl de dood Van Vrou Marie van Bourgoengiën (1482) in herinnering wordt gebracht door een haar in den mond gelegd ‘adieu’ 7). Van hetzelfde jaar is een lied op een Oproer te Haarlem 8), door de Hoekschen tegen den Kabeljauwsgezinden

[p. 240]

stadhouder van Holland, Joost van Lalaing, wiens ‘ruters’ het er naar gemaakt hadden, dat tegen hen ‘die mient van Haerlem int harnas was’, maar die er toch in slaagde de ontevredenen te verzoenen.

Spotachtig klinkt het vers op den mislukten aanslag van Philips van Cleve op St. Truyen in 1489 met het refrein: ‘Sy clopten voer de Bruestempoort, sy en mochten niet in’, triomfantelijk daarentegen het liedje op den mislukten aanval door de Franschen onder Crèvecoeur in hetzelfde jaar op Nieuwpoort gedaan, die ‘voor dat stedeken van Nyeupoort behaelde cleynen prijs’ 1). Liederen of gedichten op den Jonker-Fransenoorlog uit denzelfden tijd sluiten zich daarbij aan. Geheel en al tot een romantisch liefdesverhaal is in het liedje Van Keyser Maximiliaen 2) de mislukte verloving geworden van dezen keizer met Anna van Bretagne, die hem in 1491 ontschaakt werd door Karel VIII van Frankrijk, niettegenstaande hij reeds door een schijnhuwelijk met haar was verbonden. Het liedje stelt het voor, alsof het jonge bruidje zeer tegen haar zin van haar geliefde gescheiden werd en ‘schreyde nacht ende dach, schreyde al om haer eer’. Andere liederen weder bezingen met of zonder muzikale melodie ‘die sceidinghe van den edelen aertshertoghe Philips ende van sijnder suster, die schoone Margriete’ in 1497, haar huwelijk in Spanje met Ferdinands zoon Jan, Philips ‘ontfankenisse in die stadt van Gent’, ‘hoe hi te Brugge ontfanghen werdt’ 3), zijne zeereis naar Spanje, waarop hij groot gevaar liep schipbreuk te lijden 4), en zijn dood in 1506 5).

Tot de 16de eeuw behoort de kleine liedbundel van Antonie Gyselers 6), waarvan het onzeker is, of hij er de dichter of slechts zooals waarschijnlijk is, de verzamelaar van was. Van een der gedichtjes noemt de dichter zich een te Landen in Limburg geboren

[p. 241]

ruiter in dienst van Keizer Maximiliaan, die ‘van joncks niet dan dichten ende singhen’ had geleerd en in 1507 door Karel van Egmond krijgsgevangen gemaakt was. Het eerste gedicht is een klaagzang van hertog Karel van Egmond over het verlies van Arnhem en Nijmegen en eene vergeefsche aansporing aan zijn bastaardbroeder Jan van Gelre, om Hattum standvastig te blijven verdedigen, daar deze het hoofd boog voor Philips van Bourgondië, den drager van het gulden vlies en beschermeling van ‘den groten heer Sinte Andries’. Het tweede is een liedeken Van Thyenen, welke stad zich in 1507 lafhartig over moest geven aan Karel van Egmond, omdat zij, volgens den dichter, die daarbij in Geldersche gevangenschap geraakte, door de valschheid van den landvoogd Willem van Chièvres aan haar lot was overgelaten. Het derde gedicht is een schimpdicht Van den lever-eters of rijks-beambten tijdens de minderjarigheid van Karel V (in 1512), tegen welke ‘gulsighe swyne’ het niet baat of men 't klaagt aan‘Margreten oft Katelyne’. Het vierde en laatste gedicht van het bundeltje is een Credo in Deum op den coninck van Vranckryck, geschreven in 1513, waarvan iedere strophe (rijmschema: ababbcbc) aanvangt met eenige Latijnsche woorden van het Credo, die dan zeer hatelijk op den Franschen koning worden toegepast.

Terloops vermelden wij even een schimpdicht op Venetië van 1514, en dan volgt in tijdsorde de juichkreet bij de verkiezing van Karel V tot keizer van Duitschland: ‘de keyserlike hoet, die is ons coninc bleven!’ 1) Maar in 1526, toen Karel's rampspoedige zuster, de jeugdige Deensche koningin Isabella, te Zwijnaerde bij Gent overleed, was er droeviger aanleiding tot zingen in den vorm van een adieu 2). Ook in 1536 bij den dood van Catharina van Engeland, de verstooten echtgenoote van Hendrik VIII 3), en in 1539 bij den dood van Karel's echtgenoote Isabella van Portugal 4) hieven de dichters een ‘beclach’ aan. De opstand der Gentenaars tegen den Keizer in 1540 gaf aanleiding tot een schimpdicht, maar hoe groote verslagenheid ook in Vlaanderen de geweldige wraakneming mocht te beweegbrengen, die Karel op de Gentenaars nam nadat hij den opstand had bedwongen, toch bleven ook Vlamingen en Brabanders zijne partij kiezen in

[p. 242]

den strijd, dien hij voerde om ook Gelderland met zijne Bourgondische landen te vereenigen. Zoo worden in een liedje van 1528 Van den Hertog van Gelder 1) de Bourgondiërs sprekende ingevoerd, die betaling komen eischen voor de ‘Hollantsche koeyen,’ meegevoerd op den rooftocht, waarbij Maarten van Rossem 's Gravenhage plunderde; maar te vergeefs wendt zich dan de Geldersche hertog tot den Franschen koning om hem met twintig duizend krijgsknechten bij te staan, want deze weigert: ‘het mochter hem brengen in swaer verdriet’, zegt hij: immers ‘den keyser, dat isser soo machtigen man’. Ook hier, zooals in vele andere volksliedjes, vinden wij de geschiedenis in den gesprekvorm, die er een eigenaardig dramatisch karakter aan geeft.

Wanneer in 1542-43 de laatste beslissende strijd om Gelderland wordt gevoerd en de onverschrokken Maarten van Rossem zich opnieuw in de Nederlanden geducht weet te maken, dan volgen de geschiedzangen elkaar in groot aantal op 2). Dan vernemen wij van zijn aanslag op Antwerpen, zijne poging om Leuven te verrassen en in 't algemeen van zijn inval in Brabant met behulp van Fransche troepen, de schermutselingen bij Rumeghem en Waterdam, van den ‘dans, dien Merten van Rossem maecte en dien de Gulikers moesten dansen’, van beleg en ontzet van Heinsberg, van den slag bij Sittard, van den uit Genua verwachten terugkeer des Keizers, en ten slotte van de gevangenneming van Willem van Gulik, die door zijne volkomen onderwerping wordt gevolgd, zoodat het kon heeten ‘dat Gelder, Cleef en Gulic begeerden onder ons Keysers handen te sijne bewaert’, waarom hij dan ‘ze wil ontfangen als Keyser vermaert’, en ‘wilse met Brabant, Hollant hebben gepaert’.

Ook den lateren oorlog met Frankrijk (1553-58) vinden wij nog in de geschiedzangen herdacht, o.a. ook de overwinning, door den Graaf van Egmond behaald, als wanneer zy de Fransoisen sloughen by Grevelinghe (in 1559) 3), en ten slotte den vrede van Cateau-Cambresis in 1559 4).

Waren het natuurlijk meestal belangrijke gebeurtenissen, den

[p. 243]

vorst of zijne landen betreffende, waarvan deze liederen gewagen, soms ook werden er geruchtmakende voorvallen van particulieren aard, uit de ‘chronique scandaleuse’ des tijds, door op ieders lippen gebracht, zooals in het liedje Van Gerrit van Raephorst 1), die in 1508 met geweld (geleider lage van medeplichtigen) Catharina, de dertienjarige dochter van Pieter de Grebber, schaakte uit een wagen, waarin zij met hare ouders het huis Raaphorst (tusschen Leiden en Wassenaar) voorbijreed, en haar den volgenden dag huwde, ofschoon hare ouders eerst zeven jaar later in het huwelijk bewilligden, nadat Gerrit was teruggekeerd uit de ballingschap, waartoe hij veroordeeld was, en pardon had gekregen.

Hoe fragmentarisch nu deze historieliederen ons ook de geschiedenis van den Bourgondischen tijd leeren kennen, zij geven er ons toch eenigszins een beeld van, zooals het groote publiek dat in dien tijd voor oogen moet hebben gehad; en daarom kwam het mij niet ongeschikt voor, er de geschiedenis onzer letterkunde in dien tijd mee aan te vangen.

Zij weerspiegelen, naar het mij voorkomt, ook zeer getrouw het karakter der Zuidelijke Nederlanders, onder welke de meeste van die geschiedzangen waren verspreid. Met hun vrijheidszin en driftigen aard spoedig geneigd in opstand te komen tegen hunne heeren en dan ook in hunne liedjes schimpend en spottend met het hoogste regeeringsgezag, waren zij van den anderen kant toch ook weer zeer gehecht aan hunne vorsten, zelfs wanneer dat, zooals de Bourgondiërs, eigenlijk vreemdelingen waren. Wij vinden immers datzelfde, bij de geringste kleinigheid opstuivend, volk ook vol deelneming voor het lief en leed hunner vorsten, alsof het hun persoonlijk betrof, en wij vinden het vooral ook trotsch er op, wanneer die vorsten hunne vijanden versloegen, hun gebied uitgebreidden en eerst de konings-, daarna zelfs de keizerskroon op het hoofd mochten zetten: een luister, die ook afstraalde op het volk.

Wel mag men niet vergeten, dat vele van de liedjes, die de krijgsbedrijven bezingen, ruiterliedjes zijn, d. w. z. voortgekomen uit de kampen der Duitsche huursoldaten, waaruit de Bourgondiërs sedert Karel den Stoute hunne staande legers hadden gevormd, zoodat menig lied dan ook door de taal zijne Duitsche herkomst

[p. 244]

verraadt; maar die liedjes werden dan toch door Jan Roulans in zijn Liedekensboeck opgenomen, en zij werden door het volk gezongen, als andere volksliedjes, waarvan de ruiterkens, die ze eerstwerf zongen, zich den toon volkomen hadden eigen gemaakt. Wat dan ook van vele de herkomst moge zijn, den volksgeest weerspiegelden zij daarom niet minder, en dat maakt er ook de eigenaardige verdienste van uit.

1) Voor het leven in dien tijd zie men vooral P.J. Blok, Eene Hollandsche stad onder de Bourgondisch-Oostenrijksche heerschappij, 's-Grav. 1884, en voor de Zuidelijke Nederlanden vooral H. Pirenne, Histoire de Belgique, II en III.
1)Voor de verluchting door miniaturen zie men W. Moll, Ned. miniaturen in C. Ed. Taurel's De Christelijke kunst in Holland en Vlaanderen, Amst. 1881; W. Vogelsang, Holländische Miniaturen des späteren Mittelalters, Strassburg 1899; en in ‘Het Boek’ voor 1922 en ook afzonderlijk: Willem de Vreese ‘Een Noord-nederl. handschrift met ‘verlichteriën’ uit het midden van de 15de eeuw. De meester met het stompje’, 's-Grav. 1922 en G.J. Hoogewerff en A.W. Bijvanck, ‘Noord-Ned. miniaturen uit de 14de en 15de eeuw’, 's-Grav. 1922.
2)Voor het horarium van den Hertog van Berry zie men L. Delisle, Les livres d'heures du Duc de Berry in Gaz. des Beaux Arts, 2 pér. XXIX en Paul Durrieu, Les très riches Heures de Jean de France, duc de Berry, Paris 1904.
1)Het Breviarium Grimani is geheel gereproduceerd door de zorgen van Scato de Vries, Bréviaire Grimani de la Bibliothèque de 8. Marco à Vénise (met Préface de Sal. Morpurgo), Leyde 1904-9. Zie daarover Paul Durrieu, Alexandre Bening et les peintres du Bréviaire Grimani in Gaz. des Beaux Arts, 1891, Guilio Coggiola, Le Bréviaire Grimani, Leyde-Amst. 1908 en H. Grimm, Zur Entstehung des Breviarium Grimani in Jahrb. der Kgl. Preuss. Kunstsammlungen I.
2)Voor den overgang van miniatuur op schilderkunst zie men o.a. Arthur Haseloff, Die Vorläufer der Van Eyck in der Buchmalerei in Sitzungsbericht I der kunstgesch. Gesellschaft, Berlin 1903; Johanna de Jongh, Het Hollandsche Landschap in Ontstaan en Wording, 's-Grav. 1903 en Aletta E.C. van der Looy van der Leeuw, Bijdrage tot de geschiedenis van het natuurgevoel in de middeleeuwsche Nederlanden, Utrecht 1910.
3)Voor de schilderkunst in de Nederlanden in 't algemeen zie men vooreerst Karel van Mander, Het Leven der Doorluchtighe Nederlandtsche en Hooghduytsche Schilders, Amst. 1604 (ook 1617) en verder vooral J.A. Crowe and Cavalcaselle, The early flemish painters, 1857, 2 ed. 1872, ook in het Fransch door O. Delepierre, 1862 vlg: en in het Hoogd. door Springer, 1875; Alf. Michiels, Histoire de la peinture flamande, Paris 1865-78 XI dln.; K. Voll, Die altniederländische Malerei von Jan van Eyck bis Memling, Leipzig 1906 en, in beknopt overzicht, A.J. Wauters, De Vlaamsche schilderkunst, vertaald door Julius Sabbe, Gent 1887. Van belang, ook voor de letterkunde, is L. Maeterlinck, Le genre satirique dans la peinture flamande, in ‘Mémoires cour. parl'Acad. Royale de Belgique LXII (1903) en ook afzonderlijk. Voor de Gentsche schilders zie men Ed. de Busscher, Recherches sur les peintres Gantois des XIV et XV siècles, Gand 1859. De geschiedenis der Antwerpsche schilderschool is behandeld door Max Rooses, Gent 1879 en door F.J. van den Branden, Antw. 1878-83.
4)Voor de Van Eycks zie men nog in 't bijzonder W.H.J. Weale, Hub. and Jan van Eyck, their life and work, London 1917 en Ludwig Kaemmerer, Hubert und Jan van Eyck, Bielefeld-Leipzig 1898.
1)Zie Karel van Mander, Het Leven der Ned. en Hoogd. schilders (uitg. 1604), fol. 204b. over hem zie men Ludwig Kaemmerer, Memling, Bielefeld-Leipzig 1899.
2)Zie voor hem Alphons Wauters, Roger van der Weyden, Brux. 1856; L. Maeterlinck, R. van der Weyden et les ‘Imaìgiers’ de Tournay, Brux. 1901 en R. van der Weyden sculplteur, Paris 1901.
3)Voor de bouwkunst verwijs ik, behalve naar de bekende standaardwerken van Kugler, Schnaase en Lübke, alleen naar A.W. Weissman, Geschiedenis der Nederl. bouwkunst, Amst. 1912, voor de houtsnijkunst naar D. Bierens de Haan, Het houtsnijwerk in Nederland tijdens de Gothiek en de Renaissance, 's-Grav. 1921.
1)Voor deze, terecht Nederlandsch genoemde, periode in de geschiedenis der Europeesche muziek zie A.W. Ambros, Geschichte der Musik, Leipzig 1862-68, 3 Aufl. 1887-92 III dln.; Edmond van der Straeten, La musique aux Pays-Bas, Brux. 1867-88 VI dln.; J.C. Boers, De Ontwikkeling der Toonkunst van den vroegsten tijd tot op heden (bewerkt naar Emil Naumann), 's-Grav. 1882-87, en Tijdschrift der Vereen. voor Noord-Ned. Muziekgeschiedenis, Amst. 1882 tot op heden.
2)Zie over hem Franz Xaver Haberl, Bausteine zur Musikgeschichte I Wilhelm du Fay, 1885.
1)De titel van het oudste, en ook van het tweede muziekboekje is: ‘Het ierste (of ‘tweeste’) musyckboexken mit vier partyen, daer inne begrepen syn XXVII niewe amoreuse liedekens in onser nederduytscher talen, ghecomponeert by diversche Componisten, zeer lustich om singen en spelen op alle musicale Instrumenten. Gedruckt Tantwerpen by Tielman Susato, wonende voer die niewe Waghe. In den Cromhorn, Cum gratia et privilegio Anno 1551, Zie over De twee eerste musyckboeckskens van Tielman Susato J.C.M. van Riemsdijk in Tijdschrift der Vereen, voor N.-Ned. Muziekgeschiedenis, III (1891), bl. 61-110. Zij zijn in partituur gebracht en opnieuw uitg. door Flor. van Duyse, Amst.-Leipzig 1908. Een derde musyckboexken van Tielman Susato bevat ‘alderhande danserye’, waarvan de muziek opnieuw is uitg. door Julius Röntgen als ‘Nederlandsche dansen der 16e eeuw’, Amst.- Leipzig 1902-5 II dln. Nog vier andere musyckboexkens door Tielman Susato uitg. 1556-57 bevatten de ‘Souterliedekens’ van Van Zuylen van Nyevelt, waarover later.
1)Naar het eenig nog bewaarde exemplaar herdrukt door Hoffmann von Fallersleben als Antwerpener Liederbuch vom Jahre 1544, Hannover 1855.
2)Dit boekje is het eerst bekend gemaakt door Joh. Bolte, Tijdschrift X (1891), bl. 175-202.
3)Voor deze geschiedzangen (ook geschieddichten) zie men Paul Fredericq, Onze historische volksliederen van vóór de godsdienstige beroerten der 14de eeuw, Gent-'s-Grav. 1894. Een deel er van was toen reeds verzameld gedrukt door J. van Vloten, Nederlandsche Geschiedzangen, Amst. 1864. Voor zoover het eigenlijke liederen zijn, zijn zij verzameld en toegelicht door C. Catharina van de Graft, Mnl. Historieliederen, Epe 1904. Enkele er van vindt men ook in het standaardwerk over het Duitsche historielied van R. von Liliencron, Die historischen Volkslieder der Deutschen, Leipzig 1865-69 IV dln. De meeste van onze historieliederen zijn het eerst gedrukt in het reeds genoemde Antwerpsche liedekens Boeck van Jan Roulans. Van sommige vindt men de melodie bij F. van Duyse, Het Oude Ned. Lied, 's-Grav.-Antw. 1903-8, IV dln.
1)Ontwikkelingsgang I bl. 518, en boven, bl. 78.
2)In gemoderniseerden vorm naar een HS. uit de 16de eeuw gedrukt in het Kerkhistorisch Archief II (1859) bl. 105 vlg.
3)'t Eerst gedrukt door J.F. Willems in zijne Oude Vlaemsche Liederen, No. 25; bij Van de Graft, No. 8.
4)In het Antw. Liedb. No. 65; bij Van de Graft No. 9 en bij Liliencron, I p. 354.
5)In Antw. Liedb. No. 109; bij Van de Graft No. 10; bij Van Duyse No. 414.
6)In Antw. Liedb. No. 6; bij Van de Graft No. 11; bij Liliencron, II p. 160.
7)In Antw. Liedb. No. 126; bij Van de Graft No. 12; vgl. R. Priebsch, Deutsche Handschr. in Engeland, I p. 231 vlg.
8)Naar een HS. (H. G. 22) op de Univ.-bibl. te utrecht bij Van de Graft No. 13.
1)In Antw. Liedb. No. 145; bij Van de Graft No. 15.
2)In Antw. Liedb. No. 115; bij Van de Graft No. 16; bij Van Duyse No. 415.
3)Meegedeeld door J.F. Willems in Belgisch Museum IX (1845), bl. 146-158.
4)In Antw. Liedb. No. 167; bij Van de Graft No. 19; bjj Van Duyse No. 416.
5)Bij A. Lootens en J.M.E. Feys, Chants populaires flamands, Bruges 1879 p. 74 vlg.; bij Van de Graft, No. 20; bij Van Duyse No. 417.
6)De vier er in voorkomende geschiedzangen zijn het eerst meegedeeld door C.P. Serrure in Vaderl. Museum IV (1861), bl. 181-200. Het eerste en tweede er in voorkomende liedje is ook opgenomen bij Van de Graft als No. 17 en 21. Ook bij Liliencron, III p. 205.
1)In Antw. Liedb. No. 107; bij Van de Graf No. 22.
2)In Antw. Liedb. No. 125; bij Van de Graft No. 27.
3)In Antw. Liedb. No. 184; bij Van de Graft No. 34.
4)In Antw. Liedb. No. 187; bij Van de Graft No. 36.
1)In het Haerlems Oudt Liedtboeck (by Vincent Casteleyn) bl. 43; bij Van de Graft No. 31 en bij Liliencron III p. 205.
2)In Antw. Liedb. No. 177, 197, 181, 227, 175, 211, 182 (ook 186), 195, 219, 200, 190; bij Van de Graft No. 37-47; bij Liliencron IV p. 202-236.
3)Bij E. de Coussemaker, Annales du comité flamand de Flandre I (Duinkerke 1854), p. 179-183.
4)Zie F. van Duyse No. 426.
1)In het Haerlems Oudt Liedtboeck. Zie daarover C.A. van Sypensteyn, Holland in vroegere tijden, 's-Grav. 1888, bl. 239-248.
prepostterug  begin  verder