terug  begin  verderprepost

II.
Het Wereldlijk Lied.

De geschiedzangen maakten slechts een klein gedeelte uit van den grooten schat volksliederen, die ons uit de 15de en 16de eeuw bewaard zijn gebleven 1). Vele van deze komen voor in de beide liedboekjes, die wij reeds vermeldden, het Antwerpsche liedekensboeck, door Jan Roulans in 1544 uitgegeven, dat er 221 bevat, en het Aemstelredams Amoreus Lietboeck van 1589, waarin er 136 gevonden worden, waaronder 33, die ook Jan Roelans reeds had uitgegeven. In het eerste worden uitdrukkelijk oude en nieuwe liederen onderscheiden, waarom men dan de laatste tot de 16de eeuw rekent en van de eerste aanneemt, dat zij al licht uit de 15de eeuw of misschien van nog vroeger dagteekening zijn.

Verder vindt men ook nog verschillende liederen in handschrift en ook wel in latere liedboekjes, uit de 17de of zelfs uit de 18de eeuw, met name in het Oudt Amsterdamsch liedtboeck’ en in meer dan eene, onderling afwijkende, uitgaaf van ‘Haerlems Oudt liedboeck’. Dan zijn zij soms wat gemoderniseerd of verminkt.

In elk geval zijn er vele, ook door telkens opnieuw in die liedboekjes gedrukt te worden, nog zeer lang in de herinnering gebleven en in Noord-Nederland enkele nog in onzen tijd. In Zuid-Nederland leven zelfs zeer vele van die liedjes ook heden nog voort in den volksmond, van ouders op kinderen overgeleverd,

[p. 245]

al ondergingen zij op den duur daarbij wel allerlei wijzigingen, En daar zijn er zelfs onderscheidene onder, die op geene andere wijze bekend zijn gebleven en eerst in de 19de eeuw met de melodieën zijn opgeteekend 1).

Niet al deze liederen zijn oorspronkelijk Nederlandsch; vele er van vindt men ook in andere Germaansche talen terug als internationale uitingen van den volkszanglust, zonder dat het meestal valt uit te maken, waar elk lied ontstaan zal zijn, want vindt men een onzer liederen in Noord- of Zuid-Duitschland, ja zelfs in Denemarken terug, dan is het nog zeer goed mogelijk, dat het daarheen van hier uit is overgebracht. Daarbij behoeven wij dan nog niet eens te denken aan de Vlaamsche en Hollandsche uitwijkelingen, die zoo menige kolonie in Noord-Duitschand hebben gesticht. Zij kunnen ook van hieruit zijn meegevoerd door de Duitsche huurtroepen, die ze gaarne zongen en die ze zich zelfs gaarne, als ruiterken of lansknecht, toeëigenden. Alleen mag men ze voor bij ons door hen ingevoerd houden, wanneer hunne taal min of meer Duitsch is gekleurd en zoo hunne herkomst verraadt. Andere, die hun inhoud aan de Duitsche heldensage ontleenen, kunnen ook moeilijk anders dan uit Duitschland hierheen zijn overgekomen, omdat, zooals wij vroeger reeds opmerkten, die heldensage hier ter nauwernood bekend bleef. Toch is er ook een niet gering aantal onder die liederen, die hun echt Nederlandsch karakter niet verloochenen kunnen, terwijl ook zeker vele van de bekoorlijke melodieën, waarop ze gezongen werden, hier te lande zijn ontstaan.

Voor het meerendeel zijn het verhalende liederen, zoowel in ernstigen toon, als in boertigen trant en dikwijls eenigszins dramatisch in de voorstelling. Lyrisch zijn zij dan alleen door den strophenvorm, dien zij, in verband met de melodie, behielden.

[p. 246]

Enkele malen bestaat de strophe uit twee tamelijk lange versregels, meestal uit vier kortere, maar ook dikwijls uit een grooter aantal, zonder dat er naar kunstige rijmherhaling wordt gestreefd. Zelfs is het rijm dikwijls lang niet zuiver en treft men het oude klinker-rijm of de assonance aan, die voor een gezongen lied ook wel voldoende was. De metriek richt zich naar de muzikale maat, die afwisseling van eene lange lettergreep door twee kortere veroorlooft. Die afwisseling geeft er trouwens ook bij voordracht zonder zang eene zekere bevalligheid aan, die de regelmatig gebouwde verzen van lateren tijd dikwijls missen. Eene andere bekoring danken zij aan den eenvoud der taal, die overigens wel een vereischte was om ze tot volksliederen te maken. De, soms te groote, naïeveteit van voorstelling wordt dikwijls weer goed gemaakt door de teerheid van het onbedorven natuurlijk gevoel, die er ons niet zelden in verrast.

Naast de verhalende liederen staan ook andere van zuiver lyrisch karakter en daardoor van de eerste te onderscheiden, zooals ook de er in behandelde stof of de herkomst uit verschillende kringen ons aanleiding geeft om ze in verschillende rubrieken in te deelen; want al verplaatst zich de volksverbeelding ook gaarne in de paleizen der koningen en in de hooge zalen der edelen met de daar heerschende pracht en macht, ook van tafereeltjes uit het eigenlijke volksleven wist men, met echt gevoel voor den volkshumor, kostelijk te genieten. En natuurlijk is er ook de liefde, zij het dikwijls in den meest realistischen vorm, de meest begeerde, nooit uitgezongen stof.

Groot vooral is het aantal verhalende romantische liederen, die in later tijd met den naam van ‘balladen’ of ‘romancen’ zouden bestempeld worden. Enkele daarvan ontleenen hunne stof aan de Duitsche heldensage en zijn dus blijkbaar uit Duitschland hier ingevoerd, zooals Van den Jager uut Grieken 1), eene episode uit de Wolfdietrichsage, waarin de held door eene reuzin (Rumy of Kuny), voor welke een oud man hem gewaarschuwd had, met paard en al mijlen ver over de bergen heengevoerd wordt, maar eindigt met haar te bedriegen, door schijnbaar in een huwelijk met hare dochter toe te stemmen, doch, als hij een windsnel paardje van haar ontvangen heeft om zijne bruid af te halen, aan de reuzin weet te ontsnappen, die in machtelooze woede achterblijft. Zeer

[p. 247]

bekend en geliefd is hier langen tijd het lied Van Hillebrant 1) geweest, al is het dan ook, ondanks den Nederlandschen naam Goedele, dien Hillebrant's vrouw draagt, vertaald tut het Hoog-duitsch, waarin het reeds uit de dertiende eeuw dagteekent als jongere bewerking van de overoude sage, die, zooals wij gezien hebben 2), al uit een lied van de achtste eeuw bekend is. Aan de Waltharisage herinneren de liederen Van des marcgraven sone 3) en Van Heer Halewijn 4), die zelf een zoo betooverend liedje zong, dat ‘alwie dat hoorde wou bij hem sijn’, en daarmee tal van meisjes verleidde, welke hij vervolgens vermoordde en - als een echte Blauwbaard - naast elkaar aan de galg ophing. Een jong meisje echter, dat ook door hem meegevoerd werd, was, nadat zij op ‘een galgenveld menich vrouwenbeelt’ had zien hangen, op hare hoede en wist op listige wijze hem van het leven te berooven, waarna zij zegevierend met het hoofd van den verleider in de hand naar haars vaders woning terugkeerde. Misschien staat met deze sage ook eenigszins in verband het lied van Mi Adel en hir Alewijn 5) in lange paar aan paar rijmende verzen en in den vorm van een gesprek tusschen de bruid, den zoon en de moeder, en als een zoogenaamd ‘steeklied’ nog heden onder het tellen der steken door de Vlaamsche kantwerksters gezongen.

Het lied Van heer Danielken 6) verhaalt in 't kort de overlevering van Danhuser of Tannhäuser, die ‘seven jaer met vrou Venus in den berch’ doorbracht, bij welks ingang ‘de grise’ (d.i. de trouwe Eckart) de wacht houdt, en toen hij zich eindelijk bekeerde, geen anderen troost van den paus erlangde dan dat zijne zonden hem eerst dan vergeven zouden zijn, wanneer aan den dorren stok, dien hij in de hand hield, rozen zouden bloeien. In wanhoop keerde hij nu naar Venus verblijf terug en mistroostig zat hij daar neder; doch het onmogelijke gebeurt: drie dagen gingen voorbij en ‘die drooge stock droech roosen’. Overleveringen aangaande hertog Ernst en Hendrik den Leeuw vindt men terug

[p. 248]

in het lied Van den Hertog van Bronswijk 1), dat bij ons niet regelrecht uit Duitschland is gekomen, maar bewerkt is naar een der vele zoogenaamde volksboeken, waarover wij later zullen spreken. Hetzelfde geldt van langademige liederen, die de geschiedenis van Floris en Blansifloer 2), Margrietje van Limborch, Valentijn en Oursson, Frederick van Genua 3), Helena van Constantinopel en de Verduldige Griesella 4) bezongen.

Veel ouder dan deze is het, misschien oorspronkelijk Fransche, lied van ‘een ridder ende een meysken jonck’ 5), die aan den waterkant zitten te praten. Telkens als de ridder van liefde spreekt, staat het water stil, en het meisje vraagt daarvan de oorzaak. De ridder is overmoedig genoeg om te zeggen, dat hij reeds zoo menig meisje heeft ten val gebracht en ook ‘haars vaders hoghen berch’ zal nederwerpen. Zij begrijpt hem niet, en laat zich verleiden; maar van een huwelijk wil hij niet weten. Nu bedenkt zij eene list. Zij laat door haar broeder den ridder weten, dat zij van droefheid gestorven is, en deze heeft berouw; hij ijlt naar de kerk, waar de begrafenis in schijn plaats heeft, en als hij het lijkkleed optilt, om de eenmaal zoo geliefde doode nog eens te zien, ‘doen so loech haer roode mont, doen si den ridder voelde’, en in de vreugd over deze blijde verrassing zweert hij, dat hij haar trouwen zal, al ware het tegen den wil zijner ouders. ‘Dat alle berghen goude waren en alle waters wijn, so had ic jou noch veel liever’, zegt een ander trouwloos ridder 6) tot een schoon koningskind, dat hem gelooft, zich aan hem overgeeft, doch daarna smadelijk door hem verstooten wordt; maar nog voor er zeven jaren verloopen zijn komt daar de ridder met de lazerusklep in de hand broodbidden bij de met een zoontje achtergelaten geliefde. ‘O kint’, zeide zij toen, ‘o cleine kint, nou set jouw vader een stoel! eens was hij zulk een fier ridder; en geef jouw vader broot! eens behoefde hij daar niet om te bedelen; en geef jouw vader bier en wijn: ic heb den dach wel eer beleeft, hij was die liefste mijn.’ Maar nu treedt de koning binnen, slaat den verleider zijner dochter het hoofd af en werpt haar dat in den schoot met de woor-

[p. 249]

den: ‘hou daer, mijn joncste dochterken, beween dees appel root.’ Hoe diep weemoedig is haar antwoord tot besluit van het aangrijpend lied: ‘Och soudic al bewenen, dat hier te bewenen waer, so haddic wel al de daghen werc, die daer comen in het jaer.’

Trouwe liefde is integendeel het onderwerp van het lied van Des graven dochterkijn 1) dat ‘te Straesbroch opten Rijn’ ‘een boelkijn verborghen hadde’ en bereid is voor hem te sterven, wanneer haar vader de minnarij heeft ontdekt en den minnaar heeft veroordeeld om onthoofd te worden. Maar tegen die onwankelbare liefde zijner dochter is de vader niet bestand en hij vergeeft het misdrevene.

Aan den Lai du Fraisne van Marie de France herinnert zeer sterk het lied Van Mooi Aaltje 2), het verhaal van eene gestolene en aan koning Alewijn verkochte koningsdochter, die zeven zoons bij haar verwekt, maar haar dan verstoot terwille van eene jonge bruid. Zij verschijnt echter met hare kinderen onverwacht op de bruiloft, en nu blijkt het, dat de bruid hare jongste zuster is, die haar de gouden kroon op het hoofd zet, ten teeken dat zij den bruidegom overlaat aan de oudere zuster, die zooveel meer recht op hem heeft. Hoogst tragisch, en door het Duitsch heen uit het Fransch hierheen overgekomen, zijn de beide liederen Van Brunenburch 3), waarin schending van huwelijkstrouw gruwelijk gestraft wordt op den ridder, wien het hart levend uit het lichaam wordt gerukt, en nog gruwelijker Op de gehuwde vrouw, die zich door hem had laten bekoren en aan wie dat hart te eten gegeven wordt. Melancholiek is het liedje van de joncvrouw, die zich ‘seven jaer lazarus’ veinst, omdat zij ‘verholen liefde draecht’ 4).

Vroolijker is een aardig liedje, dat wij daarom gaarne voor oorspronkelijk Nederlandsch zouden houden, als het niet tevens in het Duitsch voorkwam, het liedje, met den aanvang: ‘Daer staet een linde in ghenen dal’ 5). Onder die linde was het, dat twee ge-

[p. 250]

lieven afscheid van elkaar namen; wanneer het weder zomer worden zou, zou hij terugkeeren en moest zij hem onder de linde afwachten. Daar kwam de nieuwe zomer eindelijk, maar in plaats van haar ridder komt haar onder de linde een ander te gemoet met den helm op het hoofd en gesloten vizier; deze deelt haar mede, dat haar vriend eene andere tot vrouw heeft genomen, maar om haar te troosten biedt hij haar zijne liefde aan. Haar eenig antwoord is een vloed van tranen: ‘so willic bewenen mijn jonghe leven; daar hi mi niet en kan worden ten deil, so wensch ic hem gheluc ende heil’. Vervloeken kon zij den trouwlooze niet; dat te weten was den ridder genoeg: hij slaat zijn helmvizier open, en nu herkent zij in hem den trouwen vriend, die haar alleen op de proef had willen stellen.

Geen van alle middeleeuwsche liedjes is zeker meer bekend gebleven, dan dat van de drie ruitertjes: ‘Ic stont op hoghen berghen, ic sach ter seewaert in, ic sach een scheepken driven: daer waren drie ruiters in’ 1); toch is het zeker oorspronkelijk Duitsch, want het verplaatst ons aan een meer in eene bergstreek. De inhoud is bekend: de jongste ruiter verovert het hart van het meisje, maar zij is hem te arm en daarom wil hij haar niet trouwen. Uit droefheid begeeft zij zich in een klooster; maar als haar vader gestorven is en zij schatrijk blijkt te zijn, komt de ruiter tot inkeer: hij klopt aan de kloosterpoort, maar tevergeefs: ‘haer haerken was afgeschoren, de minne was al vergaen’. Niet zoo populair, maar allang als het juweeltje van dezen liederschat beschouwd is

 

 
‘Het daghet in den Oosten, het lichtet overal.
 
Hoe luttel weet mijn liefken, och! waer ick henen sal.’ 2)

 

Dit lied met zijne strophen van twee rijmregels, die met hunne zes klemtonen en vrouwelijke caesuur in 't midden veel gelijkenis vertoonen met de twee eerste verzen van de Nibelungestrophe, schijnt tot de oudste van deze balladen te behooren, althans er zijn redenen om te meenen, dat het reeds in de veertiende eeuw gezongen werd. Het is het eenvoudig, roerend verhaal van een meisje, wier geliefde uit minnenijd ‘onder de linde groene’ verslagen wordt en die eerst zelf voor hem een graf bereidt en zich

[p. 251]

daarna in een ‘clein cloosterkijn’ begeeft, om de zielmis (of de ‘vigilie’) voor den verloren geliefde te zingen.

In hoofdzaak heeft ook dit lied hetzelfde karakter als de andere volksliedjes: het is grootendeels dialogisch, maar wie er spreekt, moet de hoorder maar raden: het wordt lang niet altijd uitdrukkelijk gezegd. Dat maakt deze liedjes niet zelden onduidelijk, ook omdat de hoofdhandeling er dikwijls alleen met enkele woorden is aangeduid en over kleine bijzonderheden meestal wordt uitgeweid. Zoo maken zij meer den indruk van eene reeks van tafreelties dan van een verhaal, en blijven zij steeds lyrisch van toon. Groote voorliefde hebhen de dichters van deze liedjes voor het herhalen van dezelfde woorden of verzen, ofschoon de eigenlijk verhalende liedjes nooit refrein hebben.

Geheel in denzelfden geest, echt middeleeuwsch, is een ander liedje, ofschoon de bekoorlijke, maar aandoenlijke stof er van blijkbaar aan de classieke Hero- en Leandergeschiedenis is ontleend, het liedje van de twee conincskinder 1), die ‘elkander so lief hadden, maer niet bij elkaar conden comen,’ want ‘het water was veel te diep’. Nochtans bij het licht van drie kaarsen, door zijne liefste ontstoken, zwom de koningszoon over; maar ‘eene oude quene, een also vileinich vel’ blies de kaarsen uit, en ‘daer verdronc er de jonghe helt’. Zoo is de korte inleiding, maar verder vertelt het lied ons uitvoeriger, hoe de koningsdochter, hoofdpijn voorwendend, aan hare moeder verlof vraagt, alleen, zonder gezelschap van haar jongste zusje, ‘een kort half uurtje te mogen spanceeren al langs de zee’, en hoe zij dan ‘haers vaders visscher’ verzoekt voor haar te visschen. En‘ hy smeet sijn net in 't water, de lootjes gingen te gront: hoe haest was daer gevisschet 's konings sone, van jaren was jonck’. Dan geeft zij den visscher een gouden ring tot belooning, sluit den geliefde in de armen, kust hem voor den mond, en met een ‘adieu mijn vader en moeder, mijn vriendekens alle gelijck’ springt zij met het lijk van haar geliefde in zee en ‘vaerter na 't hemelrijck’.

Aan het classieke verhaal van Pyramus en Thisbe herinnert een ander liedje, met den aanvang: ‘Si ghinc den bogaert omme’ 2) of in andere redactie: ‘Van liefden coemt groot lijden’. Het is het

[p. 252]

verhaal eener jonckvrouw, die den wachter overhaalt om de poort voor haar te ontsluiten, daar zij zich naar de fontein onder de linde wil begeven, waar zij heeft afgesproken, haar geliefde te ontmoeten. Hij is er echter nog niet en een dwerg vindt haar en voert haar mede naar zijne moeder, die hem beveelt, haar terug te brengen naar de fontein. Daar gekomen, vindt zij er nu haar geliefde wèl, maar hij heeft een eind aan zijn leven gemaakt, omdat hij haar verloren waande; en zij volgt zijn voorbeeld. Toen zong de wachter zoo luide als hij in jaren niet had gedaan: ‘Al dieder verholen te vrijen plach, tis tijt maar datse scheiden: ic sieder den lichten dach,’ doch de ouders wachten hun kind te vergeefs, en als zij haar eindelijk dood vinden, wreken zij zich op den onvoor-zichtigen wachter.

In zekeren zin kan dit lied tot de zoogenaamde ‘Wachterliedekens’ gebracht worden, die in de vijftiende en zestiende eeuw in groot aantal voorkomen en die gewoonlijk een klein geschiedenisje, ten deele in dialoogvorm, behandelen. Zij dragen hun naam eigenlijk te onrecht, want daardoor zouden zij ons kunnen doen denken aan de ‘dageliederen’ of ‘aubades’, waarmee de wachter in de middeleeuwen gewoon was het aanbreken van den dag aan te kondigen, en ofschoon zulke zeer korte dageliederen wel in de wachterliedekens voorkomen, zijn zij zelf eigenlijk wat anders. Zij zijn schilderingen van nachtelijke koozerij onder bescherming van den wachter, oorspronkelijk zeker dien van de slotpoort, maar in de zestiende eeuw wel niet veel meer dan een stereotypen liefdestrawant bij nachtelijke avonturen. Zij hebben alle hetzelfde karakter. ‘Het daghet in den Oosten, het lichtet overal: wie verholen wil vrijen, die en slape niet te lanc’ 1): deze woorden van den wachter maken er het thema van uit. In den regel duurt de nacht den gelieven veel te kort. Vandaar zoo vaak het dringend verzoek aan den wachter om den dag niet te melden: ‘Och swiget, wachter, stille, laat dat verholen zijn,’ gesteund door de belofte: ‘Ic sal u laten maken van goude een vingherlijn’ 2). Doch al mogen de gelieven elkander ook verzekeren: ‘Ic en weet van gheenen daghe noch van gheenen manenschijn: ghi sijt die morgensterre, ghi verhuecht dat herte mijn,’ die zoete waan duurt

[p. 253]

niet lang, want ‘de dach en wil niet verborgen sijn,’ 1) en de wachter, die al geduld genoeg gehad heeft, ‘zingt zijn dagheliet’. De tijd van scheiden is daar. De minnaar verlaat zijn liefje onder de ijdele verzuchting: ‘had ick den slotel van den daghe, ic wierpen in ghener wilder Masen’ en zou er niet om treuren, ‘al en soude hi nemmeer vonden zijn.’

Beginnen zulke nachtelijke avonturen gewoonlijk met eene serenade of een avondzang, bij ons klimaat konden die wel niet lang zijn, en gewoonlijk bepalen zij zich dan ook tot eene enkele klacht, als: ‘Staet op, mijn allerliefste, staet op ende laet mi in!’ 2) gepaard met een zacht kloppen tegen deur of venster. Bij de eerste morgenschemering echter vernamen de ontwakende schoonen dichterlijke groeten van langeren adem, als de lente in het land was en de minnaars voor de vensters der geliefden den bloeienden meitak kwamen planten. ‘Ontwect u, soete lief’, klonk het dan, ‘wilt door uw veinster comen, staet op, lief, wilt ontfaen den mei met sinen blomen!’ 3) Zulke Meiliederen zijn er in ons land vrij wat gemaakt 4) en gezongen, maar niet altijd met even goed gevolg, want het ‘plant uwen mei elders’, is soms het eenige antwoord, als namelijk den vorigen avond reeds een ander, meer begunstigd minnaar onder de vensters der schoone was verschenen en haar door zijn avondlied verlokt had, hem binnen te laten 5).

Zullen het ook al dikwijls eerlijke vrijers geweest zijn, die den mei kwamen planten voor de deur der geliefden, een groot aandeel aan dat volksvermaak namen ongetwijfeld ook de leden van sottengilden, zelf ‘gildekens’ genoemd of ook wel ‘verloren kinderen’ of ‘gesellen van der blauwer scute’, die, zooals zij zelf zeggen, ‘fyolen laten sorghen’, van geldverteren, schulden maken, spelen, dansen, drinken en mingeneucht houden 6). Zij beroemen er zich op, dat zij ‘scamel in de beurs’ zijn en aan geldgebrek

[p. 254]

lijden. Reeds in de veertiende eeuw wekten de ‘gheldelozen’ elkander op, om samen ‘een vrolyc liet’ te zingen 1). ‘Al ben ic van den scamel ghesellen, ei! nochtan so willic vrolic zijn’ 2) zingt er een in de zestiende eeuw, en ‘mijn keelken moet wijncken drincken, al sou mijn voetken bervoets gaen’ is zijne leus. Een ander daarentegen beklaagt er zich over, dat zijn buidel hem niet vergunt vroolijk te zijn, dat ‘geldeloos hem pijn doet’ 3). Zij dienen den heere van Seldenvroet of mijnheere van Keyenborch; ‘te Botterdam syn si ghedoopt, te Dixmuyen (het Zuidnederlandsche Kampen) gheboren; zij komen van Poverendijcke en hebben hun hol te Platteborse 4). Sinte Noywerc en Sinte Luyaert zijn de patroons dezer pretmakers, maar vooral Sinte Reynuut, wiens ‘schip buyten der stadt leyt,’ de ‘ledighe sant, die veel ledighe dienaers heeft, welcke t' ende jare in 't Gasthuus stallen’ zullen, zooals Matthijs de Castelein zegt in zijn ‘Sermoen van Sinte Reinhuut.’

De meeste pret hebben deze verloren kinderen, als op Vastenavond de hazelaar, het zinnebeeld der vrijerij, wordt opgericht; en ‘als de boonen bloeyen’ is het voor de ‘sotten ende sottinnekens’ de ware tijd van feestvieren 5); dan loopt het met hen in de boonen, op gevaar af, dat later boontje om zijn loontje zal komen; dan gaan zij ten reidans en zingen daarbij het ‘Coppelt aen een: den nacht is lanc, ey Goddanc!’ 6) Van hunne dansliedjes wordt er tegenwoordig nog een door onze kinderen gezongen en al zingende voorgesteld, het ‘daer ginc een paterken langs den cant: Hey! 't was in de Mey!’ 7) waarin ook de ‘nonnekens’ zich ‘bij der hant’ lieten nemen en zich lieten kussen, eens en nog wel zesmaal meer. Uit hunne kringen ook kwam het guitige liedeken Vant kwezelken voort, met de uitnoodiging: ‘Seg kwezelken, wildegy dansen?’ 8) Behalve dit kwezelliedje, dat in Noord-Nederland gewoonlijk met een ‘dans, nonneke, dans’ aanvangt, is er nog een ander niet minder vermakelijk 9), doch jonger, liedje op

[p. 255]

een kwezelken, dat nooit iets gedaan en dus ook niets misdaan heeft en nu meent op hare slofjes in den hemel te komen, maar door Petrus wordt afgewezen, en dat aldus begint: ‘Daer was een kwezeltje, die 't al wil verstaen; die meynde zachtjes in den hemel te gaen, op hare zokjes, schoetjes, houten blokjes; maer onze Heere, die 't alles wel voorziet, en wilde deze kwezel in den hemel niet.’ De geest der sotternije spreekt ook uit het brutaal-vroolijke maaierslied: ‘Te Kieldrecht, te Kieldrecht, daer zijn de meiskens koene: zy vryen totter middernacht en slapen totten noene. - Ic maey: is dat niet fraey? - en slapen totten noene.’ 1)

Van de dansscholen ging het naar de taveerne, waar zij in aanraking kwamen met de ruiterkens, die den naam hebben de dichters of zangers van de meeste liedjes der vijftiende en zestiende eeuw te zijn. Dikwijls toch heet het aan het slot van een liedje: ‘Die dit liedeken dichtte, dat was een ruyter goet,’ of ‘Die dit liedeken eerstmael sanck een vroom lantsknecht is hi genant,’ en daarom is men gewoon een groot deel van de volkszangen uit dien tijd ruiterliedjes te noemen. Dat verklaart ook, waarom zij meestal uit het Duitsch vertaald of naar Duitsche liedjes bewerkt zijn, zooals wij reeds opmerkten. Namen van plaatsen buitenslands komen daarom ook niet zelden in de liedjes voor, zooals bv. Straatsburg in een der aardigste ruiterliedjes, waarin ons verteld wordt, dat ‘drie ruyters quamen geloopen so verre int Duytsche lant met netten ende met cnoopen,’ dus in bedelaarsgewaad en zonder geld, zoodat eene waardin, bij wie zij hun intrek willen nemen, hun geen wijn wil schenken; maar ‘dat jonckwijf van den huys’ wil borg voor hen zijn en geeft daarbij niet onduidelijk te kennen, dat zij verliefd is op den jongsten ruiter. Als deze dat verneemt, werpt hij zijne grove kleederen af, en toen ‘stont daer die edel ruyter in een wambeys van goude root.’ 2). Wat er verder gebeurde, moest de hoorder maar raden, zooals over het algemeen in deze liedjes veel aan de verbeelding wordt overgelaten.

Dat het overigens hun lust was ‘met schone vroukens op die banc te sitten te biere oft te wijne,’ 3) komt in al hunne liedjes uit, en van allesbehalve ideëele liefdesgeschiedenissen met dartele jonge meisjes, die niet zelden hare liefde veeleer aanbieden dan

[p. 256]

laten veroveren, weten deze ruiterkens te vertellen, meisjes als ‘Anna Marieken’ 1), die - hoepsasa falala! - naar buiten gaat bij de soldaatkens om te dansen en te zingen, en die geen man wil nemen om niet geslagen te worden, geen kind wil hebben om onbezorgd te blijven. Zulke deernen, die van zich zelf konden getuigen: ‘mijn harteken is veel wilder als een wilt conijn: dat en mach niemant temmen als die liefste mijn’ 2), passen den ruiterkens, want hun rusteloos rondzwerven verhindert hen, een ‘stadich boelken’ te hebben, en zoo leven zij ook zelf, ‘wilder dan wilt,’ 3) in de liefde steeds ‘op avontuur.’

Verder is ‘ruyten en roven en stelen’ hun dagwerk, en zij noemen het ‘gheen schande, want dat doen die heren al, die besten van den lande.’ Menigmaal vergaat het hun natuurlijk slecht: menigeen wordt gevangen en opgehangen, zooals in 't lied Van Thijsken van den Schilde 4), die zijne boel verwijt, dat zij hem tot rooven heeft aangespoord en haar daarmee zóó boos maakt, dat zij haar plan om hem vrij te koopen opgeeft. Zoo worden ook Drie ghesellen uut Rosendaal 5), die een koopman van honderd kronen beroofd hadden om ze met schoone vrouwtjes te verteren, te Antwerpen op de pijnbank gelegd. Beter komt Hanselijn 6) er af, die streng geboeid in een toren, van ‘seven lantsheren verwesen’, weet te ontsnappen met behulp van een meisje, dat hem in ‘twee wittebroodswegghen’ scherpe vijlen bezorgt, waarmee hij ‘vijlde so menighen nacht ende dach tot datter de toren ontsloten was’, om ten slotte op ‘haar vaders grau ros’ weg te rennen. In het lied Van mijn here van Malleghem 7) zien wij een ridder in de handen van roovers vallen, die hem zijne wapenrusting ontnemen, maar hem zelf ‘om zijn edel bloed’ ongedeerd naar zijn kasteel laten terugkeeren.

Bij het rondzwervend leven, dat de ruiters leiden, komen af-

[p. 257]

scheidsliederen natuurlijk in menigte voor, ‘Mijn lief, ende ic moet scheiden: daertoe dringt mi ghewout,’ zegt er een, en een ander: ‘Adieu, adieu,'t moet immer wesen,’ maar laat zijn hart bij zijne geliefde achter. 1) ‘Een bitter cruyt is scheiden’ 2), heet het soms, en dat mocht vooral gelden van ‘een haveloos ruyterken, in Venus prysoen ghevaen,’ die er zoo roerend naïef over klaagt, dat God zijne ‘liefste boel gehaelt’ heeft, zoodat - het beeld is karateristiek voor den ruiter - ‘al is de wijn claer in 't aenschijn, hi is in sijn herte verschaelt.’ 3).

Slechts zelden keeren zij later weder tot de geliefden terug, waarvan zij scheiden moesten, zooals wij zien in het - te onrechte dikwijls voor een emigrantenlied gehouden - ‘Naer Oostlant willen wy ryden’ 4), ver over de heide, waar ‘een betere stee’ is, want, zingt de ruiter: ‘daer woonter mijn soete lief!’ Soms grijpt ook den ruiter een heftig verlangen aan naar de hem door ‘quade tonghen’ ontstolen geliefde en zingt hij ‘Verlanghen ghi doet mijnder herte pijn!’ 5) De ruitertjes toch zijn niet de eenige trouweloozen: ook zij zijn soms het slachtoffer van de ontrouw der wispelturige schoonen. Zoo hooren wij klachten als: ‘Mijn lief heeft mi begeven recht als een onwaert gast’ 6), of ‘doen mijn boel die liefste was, doen moest ie van haer scheiden, en die mine boel gestolen heeft, dat wil ic noch eens wreken’ 7). Roerend vooral is het liedje van ‘een sneeuwwit vogeltje al op een stekendorentje’ 8), dat een jonkman als minnebode met een briefken naar de geliefde zendt. ‘En slaepje of waekje of zijt gij dood? din don deine!’ is de vraag tot het meisje, en beslist klinkt het onverwachte antwoord: ‘'k en slape noch 'k en wake niet: ic ben getrouwd al een half jaer, din don deine!’ Hoe diep aangrijpend is dan de indruk, door dat antwoord gemaakt, uitgesproken in deze enkele sobere woorden: ‘Zijt gy getrouwd al een half jaer? Het dochte my wel duizend jaer! din don deine!’

Gewoonlijk weten de ruitertjes zich al spoedig over het verlies

[p. 258]

hunner liefjes te troosten: ‘'t Sop is der koolen niet waert,’ zegt er een, die door zijn meisje verlaten is, en hij besluit te doen als de ‘schutterkens, die den boghe hantieren’ en die ‘twee pesen tot haren boghe coopen’ 1). Een ander, die den zak heeft gekregen omdat hij te weinig geld bezit, begint met den weemoedigen uitroep: ‘Rijck God, wie sal ic claghen mijnen druck ende mijn verdriet!’ maar weet zich al spoedig in zijn lot te schikken en eindigt met de vraag: ‘meyndy dat ic sal trueren?’ Welneen, ‘al hebdy my begheven, schoon lief, men vinter meer’ 2). Immers: ‘De liefte bloeyt winter en somer: dat de coele mei niet en doet’ 3).

't Was dan ook niet moeielijk er meer te vinden, want de meisjes stonden 's morgens al vroeg op en liepen door den gezondheidschen-kenden dauw om gele goudroosjes of ‘roode rooskens te plucken, die aen der heyden staen’; en ontmoeten zij daar een minnaar, dan heeft de liefde spoedig ‘een bedde bereyt’ onder den heiligen huwelijksboom, de groene linde; en ‘daerop so singhet die nachte-gael, si singhet zóó wel van minnen’, dat het ‘soete minnespel’ weldra een aanvang neemt. 4). Het eind van de geschiedenis is natuurlijk, dat het meisje ‘met enen siden snoer dat ghele haer op moet binden, dat maechdekens welle staet’, maar dat de gehuwde vrouw volgens oude zeden niet meer los laat neergolven 5).

Men ziet, hoe het lierdicht veranderd is, sinds Veldeke en Jan van Brabant zongen; hoe in de liefde vooral de bescheidenheid plaats heeft gemaakt voor onbeschroomdheid, om niet te zeggen onbeschaamdheid, de eerbiedige hulde voor driftig verlangen. Verneemt men in de ruiterliedjes nu en dan den naklank der ridderpoëzie, zoodat men soms geneigd zou zijn het woord ‘ruiter’ in de liedjes door ‘ridder’ te vervangen, meestal blijkt het duidelijk genoeg, dat geen fijnbeschaafd edelman, maar een ruwe ‘kaerle’ de dichter of held van de liedjes der vijftiende en zestiende eeuw moet zijn. Zoo kan bv. de ridder, die zich in een meelzak naar de kamer van Claes Molenaer's jongste dochtertje laat brengen, wel geen echte ridder geweest zijn.

Over het algemeen spelen molenaars en molenarinnen in deze

[p. 259]

liedjes eene groote rol. Zij zijn er de plebeïsche Don Juan's 1). Jonge meisjes worden dan ook in een liedje gewaarschuwd tegen jonge molenaars, die vol van looze streken zijn. Zoo heeft er bv een eene afspraak afgeluisterd tusschen een lantsknecht en een meisje en daarvan gebruik gemaakt, om zelf in een blank harnas de plaats van den bedrogen minnaar bij het bedrogen meisje te gaan innemen 2). Zeer bekend is het aardige liedje van ‘het lose visschertje’ 3), dat 's winters als het reghent en de paedjes diep, ja diep zijn, met sinen rijfstoc met sinen strijcstoc, met sinen lapsac, met sinen cnapsac, met sine leere van diredondeere, met sine leere laersjes aen comt visschen al inne dat riet’, en door ‘dat lose mole-narinnetje’, dat hem vóór haar molen afwacht, wordt aangehouden en alleen mag voorbijgaan, als hij haar driemaal gekust heeft.... ‘met sinen rijfstoc, met,’ enz.

Hoe een ‘domme boerman’ met ‘een voeder houts’ listig genoeg is om eene inhalige jonkersvrouw te bedriegen, is ons uit een liedje 4) en later ook uit eene klucht bekend. De boeren zijn in de liedjes gewoonlijk het voorwerp van spot, zooals b.v. in het grappige ‘Jan Plompaert en sijn wuvetje’ 5). Beter komen de ambachtslieden er af. Zoo wordt er gezongen van de beminnelijkheid van een timmerman (of schrijver), die om een liefdesavontuur met eene borchgravinne (of ‘een bruin maechdelijn’) tot de galg verwezen, maar vrij gepleit wordt door ‘eens groten lantsheren wijf’ 6) en zoo zouden wij nog tal van andere liedekens kunnen noemen, waarin de allesoverweldigende macht der liefde den ambachtsman tot den gelijke van den edelman maakt in strijd met de beginselen, die wij in de dertiende eeuw zagen heerschen, toen de echte liefde nog verheven geacht werd boven het bereik van den ‘dorper’ of ‘huusbacken jongen’.

Het was dan ook niet meer de ideëele liefde alleen, wier stem zich in het lierdicht deed hooren; ook in hare natuurlijke, realistische stemming kwam de liefde nu aan het woord. Daardoor geven deze liedjes ons een, zij het natuurlijk ook wat al te levendig gekleurd,

[p. 260]

beeld van het werkelijke leven dier dagen in bonte verscheidenheid, van datzelfde krachtige leven, dat ook uit de grootsche bouwwerken van dien tijd spreekt. Ondeugend mogen deze liedjes dikwijls zijn; eene vroolijke dartelheid, tot brooddronkenheid toe moge er in getuigen van een wel wat ruwen, maar toch gezonden levenslust, wèl te onderscheiden van een lateren ziekelijken ‘levenshonger’, wij moeten het den dichters van dien tijd en den Vlaamschen mannen en vrouwen, die hen zingende vertolkten, ter eere nageven, dat geene verfijnde wulpschheid bij hen aan het woord kon komen en dat zij nooit - zooals de Hollanders later en zelfs weer opnieuw in onzen tijd - behagen scheppen in walgelijke gemeenheid en hysterische viesheid.

1)Het hoofdwerk over die liederen is G. Kalff, Het lied in de middeleeuwen, Leiden 1883. Vgl. ook mijne studie Het middeleeuwsch lierdicht in De Tijdspiegel XLI (1884) III bl. 194-211, 286-310. Over het karakter van het volkslied in het algemeen zijn te raadplegen R. von Liliencron, Deutsches Leben im Volkslied um 1530, Stuttgart 1885 en Tiersot, La chanson populaire en France, Paris 1889.
1)In de 19de eeuw begon men omvangrijke bundels van die liederen uit te geven. De eerste, die dat bij ons deed was J.C.W. le Jeune, Letterkundig Overzigt der Ned. Volkszangen, 's-Grav. 1828, welk werk ik daarom hier eers-halve vermeld, ofschoon het spoedig door andere ver werd overtroffen. Van die latere verzamelingen verdienen vooral vermelding: Hoffmann von Fallersleben, Holländische Volkslieder (Horae Belgicae II) 1833, 2 Aufl. Breslau 1856; J.F. Willems, Oude Vlaemsóche Liederen, Gent 1848; E. de Coussemaker, Chants populaires des Flamands de France, Gand 1856; A. Lootens et J.M.E. Feys, Chants populaires flamands, Bruges 1879 en, als standaardwerk, Flor. van Duyse, Het Oude Ned. lied: Wereldlijke en geestelijke liederen uit vroegeren tijd. Teksten en Melodieën, 's-Grav.-Antw. 1903-8 IV dln. Vergeleken met verwante Hoogduitsche volksliederen vindt men er ook vele bij M. Böhme, Altdeutsches Liederbuch, Leipzig 1877.
1)Zie Hoffmann No. 13; Willems No. 50; Van Duyse No. 6.
1)Zie Antw. Liedb. No. 83; Amst. Am. ld. bl. 104a; Hoffmann No. 1; Van Duyse No. 5 en ook J.F. Willems, Belg. Museum VIII bl. 464-571.
2)Ontwikkelingsgang I bl. 147 vlg.
3)Zie Hoffmann No. 29; Willems No. 72; Van Duyse No. 2.
4)Zie Hoffmann No. 9; Willems No. 49; Van Duyse No. 1. Over den oorsprong zie men Jan de Vries in Volkskunde (1922) bl. 12-25, 67-75.
5)Zie Lootens en Feys bl. 66 No. 38; Van Duyse No. 7.
6)Zie Antw. lb. No. 160; Hoffmann No. 4; Willems No. 51; Van Duyse No. 3 en R. Priebsch, Deutsche Handschriften in Engeland, Erlangen 1896, p. 235.
1)Zie Hoffmann No. 2; Van Duyse No. 8.
2)Zie De Coussemaker No. 51; Van Duyse No. 45.
3)Zie G. Kalff, Tijdschrift V bl. 68-89.
4)Zie Van Duyse No. 47 en J.H. Gallée, Tijdschrift IV bl. 35-45.
5)Zie Antw. lb. No. 45; Amst. Amor. lb. bl. 42a; Hoffmann No. 15; Willems No. 60; Van Duyse No. 25.
6)Zie Hoffmann No. 12; Willems No. 71; Van Duyse No. 23.
1)Zie Amst. Amor. lb. bl 28b; Van Duyse No. 15.
2)Zie Hoffmann No. 11; Willems No. 70; Van Duyse No. 13.
3)Zie Antw. lb. No 81; Hoffmann No 6 en 7; Van Duyse No. 35 en L. Ph. C. van den Bergh, N. Werken van de Maatsch der Ned. Letterkunde VI (1844), bl. 294-297. 't Is de geschiedenis van den Borchgrave van Couchy. Zie Ontwikkelingsgang I bl. 339-342
4)Zie Antw. lb No. 163; Hoffmann No. 31 en 32; Van Duyse No. 22.
5)Zie Hoffmann No. 26; Willems No. 90; Van Duyse No. 32.
1)Zie Antw. lb. No. 87; Hoffmann No. 18 en 19; Wi'lems No. 56; Van Duyse No. 21; ook naar een HS. P.A. Tiele, Dietsche Warande VIII bl. 572-585.
2)Zie het besproken boren, bl. 79, als mogelijk nog uit de 14de eeuw dagteekenend.
1)Zie Oudt Amst. Ib. bl. 79; Hoffmann No. 27; Willems No. 55; Van Duyse No. 43.
2)Zie Antw. lb. No. 158, Oudt Amst. lb. bl. 49; Hoffmann No. 56; Willems No. 65; Van Duyse No. 44.
1)Zie Antw. lb. No. 75; Van Duyse No. 69.
2)Zie Antw. lb. No. 86; Hoffmann No. 60; Van Duyse No 70.
1)Antw lb. No. 19; Amst. Amor. lb. bl. 32b; Hoffmann No. 64; Willems No. 66; Van Duyse No. 67.
2)Zie Antw. lb. No. 28, 94; Hoffmann No. 86 (ook 128); Willems No. 94 (ook 76); Van Duyse No. 98 (ook 278 en 280).
3)Zie Antw. lb. No. 132; Hoffmann No 84 en 85; Willems No 136; Van Duyse No. 76, 77.
4)Zie Antw. lb. No. 27; 76, 118, 120: Hoffmann No. 63; Willems No. 159, 164; Van Duyse No. 73, 78-87.
5)Zie Antw. lb. No. 94; Hoffmann No. 128; Willems No. 76; Van Duyse No. 278, 280.
6)Zie over de Sottengilden boven, bl. 155 vlg.
1)Zie C. Carton, Oudvlaemsche liederen, Gent 1849, No. 49, bl. 108 en Van Duyse No. 297.
2)Zie Ant. lb No. 174 (ook No 155)
3)Zie Antw. lb. No. 51; Hoffmann No. 169; Van Duyse No. 298.
4)Zie Antw. lb. No. 155, 169, 54, 174.
5)Zie Antw. lb. No. 215, 50, 54; Van Duyse No 200, 302.
6)Zie Antw. lb. No. 17.
7)Zie Hoffmann No. 140; Van Duyse No. 384.
8)Zie Hoffmann No. 143-145; Willems No. 123; Van Duyse No. 328.
9)Zie De Coussemaker No. 135, bl. 383; Van Duyse No. 329.
1)Zie Hoffmann No. 136; Willems No. 124; Van Duyse No. 272.
2)Zie Antw. lb. No. 58; Amst. lb. bl. 47; Hoffmann No. 72; Willems No. 100.
3)Zie Antw. lb. No. 38; Van Duyse No. 99.
1)Zie Willems No. 119; Van Duyse No. 219.
2)Zie Nieu Amst. lb. 1591 bl. 63; Van Duyse No. 273.
3)Zie Willems No. 89; Van Duyse No. 146.
4)Zie Antw. lb. No. 59; Hoffmann No. 23; Willems No. 108; Van Duyse No. 9.
5)Zie Oud Amst. lb. bl. 26; Hoffmann No. 52; Willems No. 109; Van Duyse No. 12.
6)Zie Oud Amst. lb. bl. 44; Hoffmann No. 68; Willems No. 62; Van Duyse No. 28.
7)Zie Antw. lb. No. 113; Hoffmann No. 21, 22; Willems No. 54; Van Duyse No. 11 en Jan de Vries. Robin Hood en Mijn Here van Mallegem in Tijdschrift XXXVI (1917) bl. 11-54.
1)Zie Hoffmann No. 99; Van Duyse No. 188.
2)Zie Antw. lb. No. 142; Hoffmann No. 116; Van Duyse No 184.
3)Zie Antw. lb. No. 148.
4)Zie Antw. lb. No. 97; Hoffmann No. 103-105; Willems No. 19; Van Duyse No. 197.
5)Zie Antw. lb. No. 157; Van Duyse No. 93.
6)Zie Antw. lb. No. 53; vgl. Antw. lb. No. 28; Hoffmann No. 86; Willems No. 94; Van Duyse No. 98.
7)Zie Antw. lb. No. 138; Van Duyse No. 189.
8)Zie Hoffmann No. 90; Willems No. 96; Van Duyse No. 210.
1)Zie Antw. lb. No. 66; Van Duyse No. 102.
2)Zie Antw. lb. No. 205; Van Duyse No. 107.
3)Zie Antw. lb. No. 28; Hoffmann No. 86; Willems No. 94; Van Duyse No. 98.
4)Zie o.a. Antw. lb. No. 22 27, 62; Hoffmann No. 38, 43, 76, 85, 100. 102; Willems No. 68, 136; Van Duyse No. 30, 32, 77.
5)Zie Willems No. 61; Van Duyse No. 31.
1)Zie Antw. lb. No. 15; Hoffmann No. 55; Van Duyse No. 240.
2)Zie Antw. lb. No. 62.
3)Zie Haerlems Oudt Lb. (bij Vincent) bl. 107; Hoffmann No. 53; Willems No. 116; Van Duyse No. 229.
4)Zie Antw. lb. No. 35; Willems No. 113; Van Duyse No. 39.
5)Zie De Coussemaker No. 89 bl. 294; Van Duyse No. 330.
6)Zie Antw. lb. No. 164; Oudt Amst. lb. bl. 90; Hoffmann No. 34, 35; Willems No. 103; Van Duyse No. 40.
prepostterug  begin  verder