|
|
|
| |
XVIII. De Geuzenlitteratuur.
De oudste lezing van het ‘Wilhelmus’ komt voor in
Een nieu Geusen Lieden-Boecxken, dat misschien
reeds in 1574 het licht zag, maar waarvan geen ouder druk dan van 1581 bewaard
is, en waarin, zooals de titel het uitdrukt, ‘begrepen is den gantschen
handel der Nederlantscher gheschiedenissen dees voorleden Jaeren tot noch toe
toeghedragen, eens deels onderwylen in druck uutghegaen, eens deels nu nieu by
ghevoecht’. Van zulke Geuzenliedboeken zijn er later nog vele
verschenen, die gedeeltelijk dezelfde, gedeeltelijk ook andere of later
vervaardigde liederen bevatten, waarin de geschiedenis in liedvorm wordt
voortgezet tot den Munsterschen vrede toe. Na de sluiting van het twaalfjarig
bestand echter kan men die liederen moeielijk meer geuzenliederen noemen, maar
van de oudere liedekens komen er in den reeds vermeerderden en verbeterden
bundel van 1588 niet minder dan zestig voor; de Haagsche uitgaaf van 1603
voegde er nog 46 aan toe, die van 1610 nog 8 en de Amsterdamsche van 1616 nog
39, zoodat wij - enkele uit andere uitgaven meerekenend - op het oogenblik 170
geuzenliedjes bezitten, die van vóór 1609 dagteekenen
1). | | | |
De beste en de belangrijkste zijn in den aanvang van den
tachtigjarigen oorlog op vliegende blaadjes verspreid geweest.
1) Wij weten dat o.a. uit de ‘Examinatie en informatie
genomen den 2den Decembris 1567 op den persone van eenen Cornelys
Pietersz.’, en nog in het Kamper archief bewaard met drie van de
vliegende blaadjes, waarmee Cornelis Pietersz. colporteerde: liederen die tot
geloofsvertrouwen en eensgezindheid opwekken of verhalen van de tuchtiging van
Valenciennes in het begin van 1567, waarbij Guido de Brès om het leven
kwam, en van de gevangenneming van vele Geuzen, waaronder de gebroeders
Batenburg te Harlingen door den Hertog van Aremberg. Uit zijne bekentenis
blijkt, dat hij gedurende twee jaar in Friesland liedjes, die te Kampen gedrukt
waren, ‘heeft verkoft end openbaerlicken overal in steden en dorpen
gesongen’, en dat hij daarop met eene nieuwe bezending van duizend
exemplaren, die te Steenwijk gedrukt waren, is gevangen genomen. Een onderzoek
naar den drukker leidde toen tot geene uitkomst en van de geuzenliedjes kennen
wij dan ook de drukkers niet, de dichters maar zeer zelden. Uitgegeven zonder
privilegie, zagen zij het licht ‘met eewich privilegie des
Alderhoochsten’, zooals het eigenaardig heet op den titel van een in 1566
gedrukt ‘Schoon Refereyn van der Papen Gheschrey teghen Vive le
Geus!’
Afgezien van een paar liedjes van 1564 en 1565, is het oudste
eigenlijke geuzenlied het bekende: ‘Slaet opten trommele van van
dirredomdeyne, Vive le Geus is nu de leus!’ van den gewezen pastoor van
De Lier bij Delft
Arent Dirckz. Vos
2), geb. in 1499 en als beeldstormer in 1570 te
's-Gravenhage verbrand. Andere zijn dansliedjes bij de verkiezing
van Pius V tot paus (in 1566) en op den beeldenstorm, waarbij zich de
‘liedekens van paepken uit, voor wint met de Geuzen’ aansluiten,
die Brederode en zijne | | | | Geuzen prijzen als mannen, door wie men van
‘den Cardinael en van de kettermeesters in 't generael’ verlost
werd. Andere geuzenliedjes zijn voor de Antwerpsche Violieren door
Willem van Haecht
1) gemaakt, of door
Jan Cooman
2)
van Delft, die de komst bejammert van ‘Ducdalf, 's duyvels dienaer, des
paus trawant, der municken vaer, der papen sant’. Toen duizenden naar
Engeland en Duitschland uitweken, werd hun een klaaglied op de lippen gelegd,
waarin zij zich vergeleken bij de Israëlieten, neergezeten aan de rivieren
van Babel.
Bij het afkondigen van den tienden penning heette het, dat nu geen
enkel Nederlander meer onaangetast bleef, want wie Gods woord, het voedsel der
zielen, niet wilden derven, moesten het met hun bloed bekoopen of in
ballingschap gaan, en wie hun hart op den mammon gesteld hadden, moesten ook
het lieve geld opofferen. ‘Helpt nu u self, soo helpt u God, uyt der
tyrannen bandt en slot, benaude Nederlanden! Ghy draecht den bast al om u
strot: rept fluks u vrome handen!’ zoo klonk het krachtig opwekkend lied,
en er waren er genoeg, die begrepen, dat met het invoeren van den tienden
penning
Alva zijne zaak verloren had. ‘Ba, goe Hens, ist
nu niet wel getiendepennninckt ende gecasseert! Ba, wat een bril heeft onzen
Cosijn nu! kan hij daer wel uit zien? Ick gelove wel neen!’ Deze woorden
had men in 1569 reeds aan Broer Cornelis in den mond gelegd. De tiende penning
was de bril, die Alva zich zelf op den neus zette, maar helderder werd zijn
staatsinzicht er niet door. De Geuzen zetten hem eene nieuwe bril op, toen zij
den 1sten April 1572 Den Briel veroverden, en daarom liet de
Geuzenadmiraal Lumey zich ook afbeelden achter Alva staande en hem de bril op
den neus duwende. Later werd het rijmpje verhaspeld en spoedig heette het, dat
Alva zijne bril had verloren
3).
Spoedig gaf de aanvankelijke zegepraal van den Opstand aanleiding om
vier ‘psalmen van penitentie des hertochs van Alba’
te dichten
4), waarin men hem deed uitroepen: ‘Vermaledijt | | | | is
die uer ende tijdt, dat ick in Nederlant oyt ben ghecomen! Al heb ick veel
onnoozel bloets vertreen, ghebrant, ghedoot, gheworcht ende ghehangen; al heb
ick 's lants Privilegien te niet ghedaen en de orde der Staten veracht’,
dat zou het mij niet gedaan hebben; maar die verwenschte tiende penning! die
vooral zoo gehaat was, omdat de opbrengst er van aan het licht moest brengen,
hoe groot ieders persoonlijk bezit was. Niet lang daarna moest Alva den strijd
opgeven en naar Spanje terugkeeren. Toen legde men hem een
‘Oorloflied’ in den mond op de wijze van het lied van den Ouden
Hillebrant: ‘Ick wil te land uit rijden, sprac daer den ouden
grijs’
1).
Met den vloek van alle Nederlanders, Roomsch en Onroomsch, beladen en onder het
spotgelach der Geuzen vertrok hij.
Natuurlijk kunnen wij den merkwaardigen bundel niet lied voor lied
volgen, hoe verleidelijk dat moge wezen; anders zouden wij opmerken, dat er
geene gebeurtenis van eenige beteekenis was, die niet in een geuzenlied is
bezongen; geene overwinning, van die van Heiligerlee af, waarover niet is
gejubeld in den toon der oudtestamentische lofpsalmen; geen strijd, geen beleg,
waarvan niet verhaald wordt in den naieven trant der volksballade of der
ruiterliedjes; geen moordtooneel zooals te Rotterdam, te Naarden, te Haarlem,
dat niet met bloedige kleuren wordt gemaald; doch altijd ongekunsteld en
eenvoudig, en daardoor dikwijls te treffender. De victorie, die van Alkmaar
begon, het ‘miraculeus’ ontzet van Leiden, de Spaansche en Fransche
furie, de afval van Groningen, het ontzet van Steenwijk, de intocht van Prins
Willem te Utrecht (1577), waar hij door de nieuw opgerichte rederijkerskamer
met refereinen werd begroet
2), het is alles in het Geuzenliedboek
herdacht; ook natuurlijk de dood van Prins Willem en de reeks van
triomfantelijke krijgstochten, waardoor Maurits zich beroemd maakte, tot zijne
overwinning bij Nieuwpoort, ‘de groote slach in Vlaendren’, toe.
Heemskerk's zeetriomf wordt er niet minder verheerlijkt, dan er vroeger over
den ondergang van de groote Armada - wonderdadig als Pharo's ondergang in de
Roode Zee - met dankbaar gemoed werd gejuicht.
Langzamerhand konden de klaag- en spotliederen meer en meer in
jubel- en dankliederen overgaan. De toon der liederen | | | | veranderde
met de veranderde tijdsomstandigheden. De eerste veertig jaar van den grooten
worstelstrijd hadden Noord-Nederland vrij gemaakt, en bij het Bestand erkende
de Spaansche koning metterdaad de onafhankelijkheid van de Republiek der
Vereenigde Nederlanden, al moest het nog veertig jaar duren vóór
hij het over zich kon verkrijgen, de vrijverklaring uit te spreken.
Behalve de reeds genoemde dichters van geuzenliedjes, komen nog
enkele andere voor, zooals de ijverige prediker der Christenen onder het kruis
Joris Wybo Silvanus
1), geboren te Pitthem in West-Vlaanderen in
1530, eerst schoolmeester te Meenen, van 1560 tot 1567
haagpredikant te Antwerpen, daarna in ballingschap en als
predikant te Londen 28 Juni 1576 overleden. Hij liet een in 1582
bij J. Jasper Troyens te Antwerpen gedrukten bundel
Gheestelijcke Liedekens, gemaeckt (ende oock sommige
byeen vergadert) door M. Joris Wybo alias Sylvanus na. Als
dichters van geuzenliedjes treffen wij verder nog aan
Cornelis van Damme
2) en den Antwerpschen rederijker
Pieter Steerlinck
3), die naar Delft en Haarlem uitweek,
waar hij zich als Fransch schoolmeester vestigde en een paar geschiedwerkjes
(in 1574 een over het beleg van Haarlem) uitgaf, terwijl hij in 1580 te
Heenvliet op Voorne een rederijkersfeest organiseerde, waar ‘Diversche
refereynen ende liedekens’ werden gelezen en gezongen, die hij twee jaar
later uitgaf en opdroeg aan de magistraat van Mechelen, zijne
nieuwe woonplaats.
Een ander uitgeweken geuzenlieddichter was de schilder
Jeronimus van der Voort
4), die eerst te Lier facteur der kamer Den
Groeyenden Boom was en in 1580, nadat hij een tijd lang als Geus had
gestreden, te Antwerpen factor der kamer De Goudbloem
werd, maar in 1585 voor de tweede maal in ballingschap ging (naar | | | | Vlissingen en Den Briel) en drie stichtelijke dichtwerken schreef,
o.a. in 1582 ‘Het heerlick bewijs van des Menschen ellende en
miserie’. Een liedje over ‘de principael feyten die
Duckdalve bedreven heeft’ in 1572 en 1573 is in het geuzenliedboek het
werk van den requestmeester van Prins Willem,
Jan Fruytiers
1)
wiens werken wij reeds hebben vermeld
2). Onder de
liedjes op Maurits' krijgsbedrijven vindt men er van
Bisdom
3) en
Cornelis van Niervaert
4).
Dat dergelijke geuzenliederen nog gedurende een geheel eind van de
17de eeuw zijn gemaakt, hebben wij reeds gezien, maar nog niet
vermeld, dat er toen ook een paar dichters waren, die ieder een geheelen bundel
liederen hebben geschreven, waarin de belangrijkste feiten van den
tachtigjarigen oorlog worden bezongen en die wij daarom meenen hier te moeten
bespreken, al dagteekenen zij ook eerst uit de volgende periode onzer
letterkunde. De eerste van deze is de beroemde geschiedschrijver
Pieter Bor, geboren te Utrecht in 1559 en
overleden (vermoedelijk in Haarlem) in 1635, wiens omvangrijk geschiedwerk, dat
onder den titel
De oorspronck, begin en vervolgh der Ned. Oorlogen, Beroerten
en burgerlycke Oneenicheyden te Leiden van 1595 tot 1634 in vijf
deelen uitkwam, de hoofdbron is voor onze kennis van den grooten strijd, maar
van wien het minder bekend is gebleven, dat hij ook een rederijker was en niet
alleen ‘Twee tragicomedien in prose’ heeft gemaakt, ‘d'Eene
van Appollonius Prince van Tyro, Ende d'ander van den selven ende van Tharsia,
syn Dochter’
5), maar dat hij ook ‘Den oorspronck, begin ende aenvanck
der Nederlandtscher Oorlogen in liedekens vervaet’ heeft
uitgegeven (1617). Van deze langademige liederen, die bij zijn geschiedwerk
aansluiten, behandelen er zes de feiten van de jaren 1555-1573 en vijf andere
die van het jaar 1574. Hij heeft daarbij, zooals hij zegt, ‘naergevolcht
de oude maniere onser | | | | voorvaderen, die veel tijts de geschiedenisse
haers tijdts in liedekens vervaet hebben’, en ze ‘gestelt op de
voysen van de Nederl.Psalmen’. Aan de ‘Regeerders ende Magistraten
van 's-Graven-haege’ is het boekje opgedragen en in een ‘Besluyt
ende Oorlof’, waarin hij verklaart: ‘de keel is moe, de penne
soeckt wat rust,’ zegt hij, een vervolg er van te zullen uitgeven,
‘als wy weten, dat ghy tot meer hebt lust’, maar of die lust bij
zijne lezers wel bijzonder groot zal geweest zijn, meen ik te moeten
betwijfelen. In elk geval is er geen vervolg van verschenen.
Terecht meer bekend is de
Nederlandtsche Gedenck-clanck van
Adriaen Valerius, notaris en schepen van
Ter Veere, waar hij ook deken was van de rederijkerskamer
‘In reynder jonsten groeyende’ of de St. Anna's
kinderen. Eerst in 1626, een jaar na den dood van den bewerker, werd de
‘Nederlandtsche Gedenck-clanck’ door en voor zijne erfgenamen
gedrukt. Men vindt er ‘de voornaemste geschiedenissen van de seventhien
Nederlantsche Provinciën, tsedert den aanvang der Inlandsche beroerten
ende troublen tot den jare 1625’ beknopt in proza beschreven; maar het
verhaal van ieder feit van beteekenis dient eigenlijk het meest als inleidende
verklaring van een lied, ‘gestelt op musycknoten, beneffens de Tablatuer
van de Luyt en de Cyther’. Bovendien versieren nog negen fraaie
‘figuerlicke platen’ het werk, dat Valerius samenstelde
‘tot stichtelyck vermaeck ende leeringhe van allen liefhebbers des
Vaderlants’.
Sedert 1870 heeft dit werk weer opnieuw bijzonder de aandacht
getrokken
1) wegens de
welluidende, meest oude, zangwijzen, die men er aantreft; maar ook de
dichterlijke waarde der liederen is niet gering. Alleen aan enkele van de
bekendste kan ik hier herinneren, zooals aan het lied op den toestand des lands
na Alva's komst, bij eene prent, waarop de Nederlandsche leeuw is afgebeeld,
bekneld tusschen de ‘bloet-pars’, die aangeschroefd wordt door de
Landvoogdes, den Cardinaal en Duc d'Alf; aan het, tot 's dichters tijdgenooten
gerichte, vermaanlied naar aanleiding van de gebeurtenissen van 1576: ‘O
Nederland! let op u saeck: de tijt en stont is | | | | daer, opdat nu in
den hoeck niet raeck u vrijheit, die voorwaer u ouders hebben dier gecocht met
goet en bloet en leven’; en aan het klaaglied: ‘Stort tranen uyt,
schreyt luyde, weent en treurt’, op den moord van Prins Willem in
1584.
Bij het verhaal van de hulp, in 1585 door Engeland aan de Republiek
verleend, dankte Valerius den ‘Heer, die daer des Hemels tente
spreyt’; maar toen in 1616 de Zeeuwsche pandsteden eindelijk van hare
Engelsche garnizoenen werden verlost, zong hij zijn bekend lied ter eere van
den zeevarenden Hollander en Zeeuw, die ‘loopen door de woeste zee, als
door het bosch de leeuw. Maurits' krijgsbedrijven vooral brachten hem in
verrukking, want hij behoorde tot de getrouwe aanhangers van den Prins en
verheugde er zich in, dat door diens ‘goeden raet en daet’ in 1618
‘de twist soo haast geslist’ was. Tot zijne beste zangen behooren
dan ook het innig vrome lied ‘Geluckig is het land dat God den
Heer beschermt’, op
Maurits' veldtocht van 1591, het lof- en dankdagslied:
‘Wilt heden nu treden voor God den Heere’, na de
overwinningen van 1597, en het lied op het ontzet van Bergenop-Zoom in 1622 met
welluidende klankrijke verzen als: ‘'t Moedige bloedige, woedige swaerd
blonck en het klonck dat de voncken daeruyt vlogen’, enz.
Op den titel van het boek heeten de liedekens ‘meest alle
nieuw’, doch er zijn ook enkele oudere geuzenliederen in opgenomen. Zoo
is het schimplied op Alva's standbeeld ‘Wie dat sich selfs verheft te
met, wert wel een arme sleter’ waarschijnlijk niet van Valerius
zelf, maar een van die ‘aerdige gedichten’, die daarop, naar hij
zegt, in 1569 gemaakt zijn. Zoo heeft Valerius ook een ‘fraay
liedeken over de heerlycke victorie te water’, waardoor Walcheren in 1574
van de Spaansche bezetting bevrijd geraakte, en dat, naar zijne mededeeling, in
dien tijd overal gezongen werd (met den aanvang: ‘Hoort allegaer’)
in zijn boek opgenomen, evenals ‘de klachte van den gevangen grave van
Bossu’, in 1573, kort na de nederlaag van den Spaanschen admiraal op de
Zuiderzee, hem spottend in den mond gelegd. En verder vindt men, met enkele
taal- en stijlwijzigingen in den ‘Gedenck-clanck’ nog het
‘Wilhelmus’, dat ook in dezen bundel boven alles uitklinkt.
Het is het schoonste, edelste, karakteristiekste geuzenlied, dat wij
bezitten. Ware het niet in den geuzentijd zelf gedicht en voor de geuzen, die
toch niet allen met even heilige gevoelens | | | | den heiligen strijd
streden, dan zouden wij zeggen, dat
Marnix er de geuzenstemming in
geïdealiseerd heeft. Toch bewijst zijn
Biënkorf, dat hij ook hard en scherp kon
zijn als verontwaardiging hem dreef. Beide werken samen kunnen beschouwd worden
als de quintessens van de geheele litteratuur dier dagen, en daarom maakt
Marnix van die litteratuur het middelpunt uit, als wij er nog bij
bedenken, dat door dien geheelen tijd heen ook de psalmtoon ruischt en niemand
beter dan Marnix dien in het Nederlandsch heeft vertolkt.
Toch waren het niet zijne psalmen, die van de brandstapels oprezen,
want zij zagen eerst in 1580 het licht, toen de Inquisitie ook door de
staatkunde was veroordeeld; en met zijne psalmberijming staat Marnix
dan ook op de grens van een nieuw tijdvak in onze letterkunde. Van de nieuwe
litteratuur, die op het eind der 16de eeuw langzamerhand geboren
wordt, is hij in den tijd der rederijkers de voorlooper geweest, zijn
dichterlijken tijdgenooten vèr vooruit. Opmerkelijk is het, dat deze
man, in wien de geuzentijd is verpersoonlijkt, maar die tevens de letterkunde
onzer gouden eeuw inluidt, zijne laatste levensjaren heeft doorgebracht in de
vrijgevochten stad, wier volharding in 1575 beloond werd door de stichting der
eerste Noordnederlandsche hoogeschool. In 1594 toch had hij de opdracht der
Staten-Generaal aanvaard, om eene nieuwe vertaling van den Bijbel uit den
grondtekst te bezorgen, en om dat behoorlijk te kunnen doen had hij
West-Souburg verlaten en zich te Leiden metterwoon
gevestigd. Veel echter heeft hij van die vertaling niet gereed gekregen, want
zijne prozavertaling der Psalmen dagteekent al van eenige jaren vroeger,
evenals die van den grondtekst zijner schriftuurlijke lofzangen. Zoo bepaalde
dan zijne werkzaamheid als vertaler zich te Leiden tot twintig hoofdstukken van
Genesis
1); maar opmerkelijk blijft het in elk geval, dat hij onder dat werk
overleed te Leiden, waar de Italiaansche Renaissance nog eens heerlijk zou
nabloeien, en vanwaaruit de classieke Oudheid nog eens tot geheel Europa zou | | | | spreken. Dààr behoorde Marnix te huis in den
kring van
Van der Does en
Van Hout, van
Lipsius en
Vulcanius, van
Merula en
Scaliger.
Met de afzwering van Koning Philips trad de Republiek der Vereenigde
Nederlanden metterdaad, zij het ook nog niet in naam, als onafhankelijke staat
op, en door de vestiging der Leidsche academie verkreeg zij de school, waarin
zij allengs hare geestelijke opleiding en ook hare letterkundige beschaving zou
ontvangen. De stichting van het Leidsche Atheen was het sein, dat de
rederijkersperiode ten einde spoedde.
|
1)Verzameld, chronologisch gerangschikt en
toegelicht, zijn alle Geuzenliederen het laatst, maar al te weinig critisch
(zie E.T. Kuiper, Onze Eeuw XVII, 3, bl. 342 vlgg. en Tijdschrift
XXXVI (1917) bl. 276-284), uitg. door H.J. van Lummel, Nieuwe
Geuzenlied-boek, Utrecht 1874. Een groot deel er van was toen reeds
opgenomen in J. van Vloten, Nederlandsche Geschiedzangen, Amst. 1864, II
dln. Voor de muziek der liederen zie men A.D. Lohman, Twaalf Geuzeliedjes
met de oorspr. wijzen, Amst. 1892 en Bouwsteenen II, Jaarboek der
Vereen. voor Noord-Ned. Muziekgeschiedenis, 1872-74, bl.
216-229.
1)Over de verspreiding der Geuzenliedjes op
losse bladen zie men Naschrift van Van Lummel op zijne uitgaaf, bl.
546-548.
2)Zie over hem J. van Vloten,
Kerkhistorisch Archief III (1862), bl. 123-128 en 228-250. Zijn lied is
bij Van Lummel N o. III. Op zijne terechtstelling en die van drie
andere priesters met hem is ook een lied gemaakt, bij Van Lummel N o.
XXXVI.
1)Zijne liederen zijn bij Van Lummel
N o. XIV en XLIII. Men zie over hem boven, bl. 421 vlg, 461 en 482
vlg.
2)Bij Van Lummel N o. XXIV.
3)Over Alva's bril zie men: R. Fruin,
Tijdschrift XI (1892) bl. 25-31 en P. Leendertz Jr., Tijdschrift
XVI (1897) bl. 70 vlg.
4)Bij Van Lummel N o. LXVII-LXX. Zij
zijn geteekend ‘Liefde vermacht al’. Dat was de spreuk van Laurens
Reael, den vader van Hooft's vriend Laurens Reael. Dezelfde spreuk heeft ook
een lied ‘van den thienden penning’: bij Van Lummel N o.
LXXXV.
1)Bij Van Lummel N o. LXXVIII
2)Zie deze refereynen bij Van Lummel,
N o. CXXV en CXXVI.
1)Zie over hem C.P. Serrure in Vaderl.
Museum IV bl. 277-296. Zijne beide liederen, bij Van Lummel N o.
XIX en XX, zijn ‘oorlofliederen aen de verstroyde gemeente te Antwerpen
in 1567’.
2)Zijn lied, bij Van Lummel N o.
XXXV, is gericht tegen den kardinaal Van Granvelle, die er ‘het
papegayken’ genoemd wordt, en tegen Ducdalf of ‘den alf’, en
verheerlijkt Prins Willem en diens broeder Graaf Lodewijk. 't Is geschreven na
de er in gehekelde terechtstelling van Egmond en Hoorne, Van Stralen en de
Batenborgers.
3)Voor Pieter Steerlinck zie men C.P. Serrure,
Vaderl. Museum V (1863) bl. 337-355 en 443-446. Zijne liederen zijn bij
Van Lummel N o. XLIX op den moord door Bossu te Rotterdam, 9 April
1572 en N o. CXVIII op de verdrijving van Caspar Robles uit
Groningen.
4)Voor zijne stichtelijke werkjes zie men
Bibliotheca Belgica V 39-50, 57 en 134-136. Zijn geuzenlied is bij Van
Lummel N o. LVI, dat een overzicht geeft van den Opstand tot op
1572.
1)Dat lied is bij Van Lummel LIX. Een ander
lied van hem is daar N o. XXVI op den slag bij Heiligerlee.
2)Zie boven, bl. 469 vlg.
3)Zijne geuzenliedjes zijn bij Van Lummel
N o. CXLI op de overgave van Geertruidenberg aan Parma in 1589;
N o. CXLII op de verrassing van Breda door het turfschip in 1590 en
N o. CLV op de verdrijving der Spanjaarden uit den Bommelerwaard in
1599. Van Bisdom vindt men nog in Den Nieuwen Lusthof van 1602 een
liedje; ‘een reyn maghet, zeer delicaet, die staet in mynen sinne, heel
daerinne,’ enz.
4)De liederen van Cornelis van Niervaert zijn
bij Van Lummel N o. CXLIV en CXLV, op de krijgsbedrijven van Prins
Maurits in 1591.
5)Zie daarover G. Penon, in zijne Bijdragen
tot de Geschiedenis der Ned. Letterkunde I (1881) bl. 113-117, III bl. 93
vlg.
1)Daarvan komt de eer toe aan A.D. Lohman,
die negentien Oud-Nederlandsche Liederen uit den
‘ Nederlandtschen Gedenck-clanck van Adrianus Valerius met
toelichting en klavierbegeleiding te Utrecht in 1871 uitgaf, in 1893
vermeerderd herdrukt. Alle liederen van den ‘Gedenck-clanck’ zijn
met klavierbegeleiding, maar in gewijzigde volgorde en met weglating van het
proza, in negen reeksen (de laatste in 1914) te Utrecht en Apeldoorn uitg. door
F.R. Coers F.Rz. in zijne Liederen van Groot-Nederland.
1)Zie daarover R. Fruin, De aanstelling
van Marnix als bijbelvertaler in Handelingen van de Maatsch. der Ned.
Letterkunde te Leiden, 1867, bl. 3-14, en De Tachtigjarige oorlog. Hist.
Opstellen V ('s-Grav. 1909) bl. 249-262; J.J. van Toorenenbergen,
Philips van Marnix' godsdienstige en kerkelijke Geschriften, II
('s-Grav. 1873) bl. XXXI-LXVIII, en bl. 495-540, waar al wat Marnix uit het
Hebreeuwsch vertaalde, is afgedrukt, en S. Ridderbos, De Philologie aan de
Leidsche Universiteit gedurende de eerste 25 jaren van haar bestaan, Leiden
1906.
|
|