|
|
|
| |
XXV. Hooft's vriendenkring tot 1624.
In de jaren, waarin
Huygens de gedichten schreef, die hij in 1625
onder den titel
Otia bijeen verzameld in het licht zou geven,
rekende hij zich ongetwijfeld tot den dichtkring van
Daniël Heinsius en
Jacob Cats. Niet alleen toch was hij op
godsdienstig en staatkundig gebied hun geestverwant, zoodat hij zelfs in
Januari 1619 als belangstellende eene zitting der Dordsche Synode ging
bijwonen, maar hij zag in hen blijkbaar ook de hoofdvertegenwoordigers der
Nederlandsche poëzie van dien tijd en wilde zich, schoon Hollander, gaarne
bij de toen zich vormende Zeeuwsche dichtschool aansluiten. Levenslang is hij
ook volgeling van Heinsius en Cats gebleven, althans in
zoover hij bij voorkeur het leerdicht beoefende en leeren (ook wel hekelen) en
nut stichten zijne bedoeling was.
Cats beoogde hetzelfde ook wanneer hij Latijnsche of
Fransche verzen maakte, maar in dat geval week Huygens van hem af door
zich naar andere voorbeelden te richten. Dan toch volgde hij, ten minste in
zijn taalgebruik, de verfijnde hof- en kunstpoëzie | | | | van
Ronsard en de Pleiade. De eenvoud van
Cats, ofschoon niet zonder geest en
verbeelding, was voor hem dan niet kunstig, niet vernuftig genoeg. Om niet
prozaïsch te zijn week hij er zoover mogelijk van af, en dat niet alleen
in zijne Fransche, maar ook al spoedig in zijne Nederlandsche gedichten.
Daardoor naderde hij van zelf meer tot wat wij de school van
Hooft zouden kunnen noemen, die, vooral ook
onder Italiaanschen invloed, zich meer tot het precieuse in taal en vinding
aangetrokken gevoelde.
Dat moest hem vroeg af laat in aanraking brengen met Hooft
en diens kring, te meer daar hij er behagen in schepte den kring zijner
bekenden zoo wijd mogelijk uit te breiden. De gelegenheid om met Hooft
kennis te maken kwam spoedig. In Februari 1619 werd te Amsterdam de bruiloft
van zijn neef Marcus de Vogelaer en Geertruyt van Keulen gevierd, en met zijne
moeder, zijn broeder en zusters nam hij er aan deel. Bij die gelegenheid maakte
hij persoonlijk kennis met
Anna Visscher, wier naam als begaafde vrouw en
dichteres hem natuurlijk reeds door Heinsius en Cats bekend
was en die hij dan ook in een gedicht voor het bruidspaar prees als ‘een
Anna Rymers roem’, door wie niet in Griekenland, maar ‘aen
d'Amstel-cant de rechte Helicon te vinden was’. Dat lokte, naar hij
vernam, een antwoord van Anna uit, waarvan hij haar in een sonnet een
afschrift verzocht, en nog eens weer in een uitvoeriger ‘Geluckwensch aen
den Amstel-stroom’, dien hij haar uit Den Haag toezond, evenals later nog
andere, ook door haar beantwoorde, sonnetten, die ‘'t beroemde
Visscherskint’ prezen als dichteres, maar ook om hare andere
begaafdheden, hare glasgraveersels en, in een afzonderlijk lofdicht, haar
fluitspel.
Misschien is
Huygens toen ook reeds door Anna
Visscher met Hooft persoonlijk bekend geworden, maar van die
bekendschap blijkt uit zijne gedichten eerst sedert December 1620, toen hij een
gedicht toezond ‘Aen P.C. Hooft ende Anna ende Tesselschade Visscher op
haerl. onderlinghe dry-hoeckige vriendtscap’, waarin hij het
‘geseghent suster-paer, der Amstel-nymphen eer’ gelukkig prijst,
dat zij in hare verlatenheid, na den dood haars vaders, een trouwen steun en
raadsman, ook bij hare kunstbeoefening, mochten vinden in den
‘Geluckighen Hooft-Poeet van all die Hollandt baerde’. Sinds
dien tijd is
Hooft ook voor Huygens een trouw
vriend gebleven.
Maar hij was niet de eenige, die in Hooft's vriendenkring
werd | | | | opgenomen. Daarin verschenen, zeker door zijne en Anna
Visscher's bemiddeling, ook nog vier van Huygens' Leidsche of
Haagsche studievrienden als zeer gewenschte gasten: die vier ‘vergrijsde
jongelingen’, zooals Anna Visscher ze noemde, die met elkaar een
klaverblaadje van vieren vormden
1), namelijk
George Rataller Doublet,
Jacob van der Burgh,
Johan van Brosterhuysen en
Johan van Heemskerk (geb. 1597 † 1656),
in dezen tijd nog studenten te Leiden. Op letterkundig gebied
heeft alleen de laatste
2) zich onderscheiden, niet slechts door zijn proza,
waarop wij later terugkomen, maar ook door de minnepoëzie zijner jeugd:
een in 1622 uitgegeven bundel, bestaande uit
Minnekunst, eene vertaling van
Ovidius' ‘
Ars amatoria’, uit
Minnedichten, ‘vervattende 't Lof van
Cloris’, en uit
Mengeldichten ‘van verscheyden
stoffe’, waaronder ook een ‘
Eerdicht aen Anna Roemers’, die daarin geroemd
wordt als ‘de eene Maeght alleen die Hollandt heeft ghesien den Helicon
betreen’. In den tweeden druk van 1626 werd er ook nog als
Minnebaet eene vertaling van
Ovidius' ‘
Remedium amoris’ bijgevoegd. Toen was
Heemskerk reeds te Bourges in de rechten gepromoveerd en
had hij zich in Den Haag als advocaat nedergezet. Later vestigde
hij zich in Amsterdam, tot hij in 1645 (elf jaar
vóór zijn dood) zitting kreeg in den Hoogen Raad, evenals (in
1640) zijn vriend Doublet
3), die slechts nu en dan
aan de Muzen offerde, zonder ooit een dichtbundel uit te geven. Dat deed
evenmin
Van der Burgh
4), die, na bij de diplomatie
verschillende posten bekleed te hebben, o.a. door Huygens' toedoen ook bij de
vredesonderhandelingen te Munster het ambt van secretaris der gevolmachtigden,
te Amsterdam op negenenvijftigjarigen leeftijd in 1659 ambteloos
overleed. Ruim 20 Nederlandsche gedichten zijn er van hem bekend. Ook
Brosterhuysen
5)
| | | | dankt zijne bekendheid als dichter
minder aan de weinige van hem bewaarde verzen, dan aan zijne betrekking tot
Hooft, maar de fortuin was hem minder gunstig dan zijnen vrienden -
misschien ook omdat het hem te zeer aan ijver ontbrak om haar na te jagen -
zoodat hij eerst in 1646, vier jaar vóór zijn dood, op Huygens'
aanbeveling eene gewenschte, maar hem toch niet bevredigende aanstelling kreeg
als professor in de kruidkunde aan de toen juist opgerichte illustre school te
Breda.
Alle vier stemden met elkaar overeen in vriendschap en bewondering
voor den jongen Hagenaar
Constantijn Huygens, ‘den
vlughsten’ van de vier kleine feniksjes, zooals Heemskerk zijne
vrienden noemt, ‘wiens gefluyt de Nymphjes van den Haegh in sijn Voorhout
lockt uyt’ en ook wel in staat was, dat de Amstel-nymphjes te doen.
Het duurde nu niet lang, of tusschen Den Haag en Muiden (of
Amsterdam) begon die wisseling van geestige brieven en vernuftrijke gedichten,
die ons aan de Italiaansche renaissancekringen doet denken en tot
Hooft's dood zou blijven voortduren.
In het begin van 1621, toen Huygens als
gezantschapssecretaris naar Engeland zou vertrekken, zond
Hooft hem het bekende sonnet: ‘Men
voede Achilles op met mergh uit leeuwenschoncken’ en Huygens met
‘der edler konsten claer en sinnesuivrend sap’.
Huygens beantwoordde dat in een klinkdicht met
dezelfde eindrijmen, opnieuw door een antwoord van Hooft en een
wederantwoord van Huygens gevolgd. Ook daarbij waren weer dezelfde
eindrijmen gebruikt, en dat verlokte ook
Anna en
Tesselschade,
Doublet en
Brosterhuysen om hunne krachten te beproeven aan
zulke sonnetten, die later met elkaar in Huygens' werken zijn
uitgegeven en als vernuftsspel in den Muiderkring steeds de aandacht hebben
getrokken. Inderdaad vertegenwoordigen zij in dien kring ook eene eigenaardige
richting, die er wel het meest door Huygens in is gebracht. Terwijl
toch Hooft, evenals Vondel en de meeste hunner Amsterdamsche
vrienden, in den kunstenaar een man zagen, die eene hooge roeping te vervullen
had, zoodat zij in de beoefening der kunst eene ernstige levenstaak, zelfs eene
levensbehoefte konden zien, was voor Huygens iedere kunst slechts eene
hoogere soort van uitspanning, eene versiering van de dege degelijkheid des
levens en zelfs min of meer een middel om zich in het maatschappelijk verkeer
en den gezelligen omgang | | | | als een vernuftig en ontwikkeld man te
doen kennen. Poëtisch vernuft was voor den man - den jongen man vooral -
eene aanbeveling in beschaafde kringen en bovenal bij den omgang met
ontwikkelde vrouwen, die dat poëtisch vernuft wisten te prikkelen en in
dat geestig spel een verfijnd genoegen vonden, natuurlijk het meest wanneer het
in hoofschen vorm was ingekleed.
In de Haagsche kringen had
Huygens reeds als jongeling weten te schitteren
met kennis en vernuft, en het kostte hem even weinig moeite de jonge meisjes
hoffelijk te plagen in Fransche als in Nederlandsche verzen. Zelfs in het
Italiaansch kon hij ze desnoods met zijn vernuft dienen, terwijl de Haagsche
mannen van staat de vaardigheid prezen, waarmee hij hen in Latijnsche verzen
van zijne studie en belezenheid wist te overtuigen. Dat deze hofjonker daarmee
ook in de Amsterdamsche koopmanskringen opgang kon maken, spreekt van zelf: de
Visschertjes waren wel de rechten om zijn vernuft op prijs te stellen en
Hooft, die vijftien jaar ouder was dan hij en dus alle reden had om
zich alleen aanmoedigend en beschermend tegenover den begaafden jongen man te
gedragen, schijnt zich door diens prikkelend optreden verjongd te hebben
gevoeld en te hebben willen toonen, dat hij in het terugkaatsen van den
vernuftsbal voor zijn jongeren vriend niet behoefde onder te doen. Dat behoefde
hij dan ook inderdaad niet, want zijne bekendheid met de Fransche en
Italiaansche modepoëzie dier dagen had er hem genoeg vertrouwd en
ingenomen mee gemaakt, al was bij hem de vernuftsspeling ook meer de kruiderij
dan de spijs zelf, zooals zij bij Huygens dikwijls was. Ook heeft
Hooft ongetwijfeld in zijn jongen vriend den grooten omvang zijner
kennis en de rijpheid van oordeel, ver boven zijne jaren, met bewondering
begroet, waardoor al spoedig het verschil in leeftijd tusschen beiden minder
werd gevoeld. Overigens heeft juist het poëtisch vernuftsspel van beiden
met elkaar, omdat het in hunne dichtwerken vereeuwigd is, misschien wat al te
veel den indruk gemaakt van tot de voornaamste kenmerken van den Muiderkring en
van den gastheer zelf te behooren, en daarom mogen wij er wel eens met nadruk
op wijzen, dat
Huygens het Muiderslot slechts zeer zelden
heeft bezocht.
In 1621 kwam hij er voor 't eerst op een regenachtigen dag en eerst
twee jaar later, 23 Juni 1623, bracht hij er opnieuw een bezoek, maar toen vond
hij door de afwezigheid van den Drost het | | | | slot als een
‘onthoofden romp’, zooals hij zeide in een gedicht, waarin hij zich
over zijne ‘misluckte Muydsche reyse’ beklaagde
1). Wat te laat had hij
zijn bezoek aangekondigd in eenige hexameters en pentameters, die door
Hooft later ook een paar maal gebruikt zijn in vertalingen uit het
Latijn, namelijk van
Juvenalis' tiende satira en van Huygens' satira
‘
Misogamos’, In een Fransch versje had
Huygens iets vroeger de Sapphische versmaat nagebootst, en zoowel over
de mogelijkheid om in moderne talen de quantiteit der classieke verzen in acht
te nemen, als over de beteekenis van den klemtoon in het moderne vers werd door
beide dichters juist in het midden van 1623 eene vrij uitvoerige briefwisseling
gevoerd, die ons bewaard is gebleven
2) en
waaruit wij weten, dat Hooft de eentonigheid der regelmatige
afwisseling van lettergrepen met en zonder klemtoon wat wilde temperen, als
verleidend tot kleppenden dreun, terwijl Huygens die niet alleen in
het Nederlandsch wilde handhaven, maar ook invoeren in het Fransch, ofschoon
daarin zoo geheel andere accentregels gelden dan in de Germaansche talen.
Dat is altijd een stokpaardje van
Huygens gebleven. Nog in 1663 (om hier even den
tijd vooruit te loopen) heeft hij, maar natuurlijk te vergeefs, getracht er
Pierre Corneille toe te bekeeren
3), die zelfs nauwelijks
zijne bedoeling schijnt begrepen te hebben en zijn uitvoerigen brief daarover
onbeantwoord liet, ofschoon hij in 1645 Huygens' lofdichtjes op zijn
‘Menteur’ in de uitgave van het stuk had opgenomen
en zelfs in 1650 zijn ‘Don Sanche d'Aragon’ aan hem
had opgedragen. Te onzent heeft de strenge rhythmiek van Huygens het
gewonnen en is er eerst in het laatst der negentiende eeuw nu en dan weer eens
gebruik gemaakt van de grootere vrijheid, die
Hooft op het voorbeeld van de Italianen wilde
laten heerschen. Ook ten aanzien van ‘den middelstuit’ of rust na
de zesde lettergreep van den alexandrijn, die volgens Huygens met een
woordeind moest samenvallen, was Hooft het met zijn vriend oneens: hij
meende, dat ‘meest alle vaersen lam wer- | | | | den’ als men
dien regel te streng in acht nam, maar zelf zondigde hij er toch zelden tegen,
en meer en meer begon men dan ook alexandrijnen met andere caesuur af te
keuren, zoodat het na de tweede helft der zeventiende eeuw eene zeldzaamheid
is, wanneer niet alle alexandrijnen door de aangenomen rust gemakkelijk in
tweeën vallen, wat tot eene dreunende voordracht verleidt. Zoo was dan ook
de versbouw in den kring van Hooft een onderwerp van levendige
gedachtenwisseling geworden, evenals reeds eenigen tijd vroeger zinbouw,
woordgebruik en spraakkunst.
Bij de taaloefeningen maken wij met weer anderen uit
Hooft's vriendenkring kennis, en voor 't eerst
treffen wij in dien kring nu ook
Joost van Vondel aan, die tot 1620 toe
blijkbaar nooit of maar zelden met Hooft in aanraking was gekomen.
Toen echter droeg Vondel zijn
Hiërusalem verwoest op aan den
oudburgemeester Cornelis Pietersz. Hooft
1), den ‘wyzen, gryzen en landsnutten Raedsheer’, voor
wien hij ook later de grootste bewondering en den diepsten eerbied bleef toonen
als voor het type van den onbaatzuchtigen burgervader, den ‘besten
bestevaer’, die steeds onpartijdig het recht voorstond, te midden van
levensgevaar ‘geen gedachten had van wijcken of van wancken’: een
man met ‘een hoofd vol kreucken, een geweten sonder rimpel’, en die
‘van binnen was gelyck hy buyten scheen’, zooals Vondel
omstreeks 1630 in zijn
Roskam zou zeggen tot den beroemden zoon, die
toen zijn vriend was geworden, maar tegen wien hij tien jaar te voren nog opzag
als tegen ‘dien Grooten Apollo, die onze nederduytsche tale den dagh en
zijn treffelijck geslacht schoonder luyster geeft: en wiens gulde rymen in het
voorhoofd van aenzienelijcke stadsgebouwen kunstigh gegraveert en in de kercken
boven de tomben met goude letteren in gladde toetsteen uytblincken en de
voorbygangers al verbaest ophouden’.
Deze woorden in de opdracht van de
Hiërusalem verwoest schijnen de brug geweest
te zijn, die deze beide groote mannen tot elkander bracht. Vóór
dien tijd is er nog geen zweem van eenige betrekking tusschen beiden te
bespeuren. Tot dusverre was Vondel altijd | | | | gebleven binnen
den kring der wereldversmadende Doopsgezinden en der vrome Brabanders, van wier
kamer hij lid was, maar zonder er op den voorgrond te willen treden. Dat hij
ook lid van de Eglentier zou geweest zijn, is een mythe, door Brandt in de
wereld gebracht op geen anderen grond dan de geheimzinnige (ongetwijfeld
vervalschte) omwerking van Hooft's Rijmbrief aan de Eglentier
1). Ter nauwernood zal
Vondel vóór 1620 bij
Hooft bekend zijn geweest: den beroemden
Hooft daarentegen kende ieder uit zijne werken, dus ook
Vondel, in leeftijd, rang, geboorte en vermaardheid, en toen ook nog
in de kunst, zijn mindere.
Eenmaal met Vondel in aanraking gekomen, wist
Hooft hem ook te waardeeren: hij bracht hem ook in kennis met zijne
beste vrienden, en van dat oogenblik af verkeert Vondel in een geheel
anderen kring dan te voren. Hij maakt een klinkdicht op Hendrick
Storm, een geboortezang voor
Anna Visscher, een ‘Gedachtenis
van Desideer Erasmus’, opgedragen aan
Scriverius. In den eersten tijd is,
waarschijnlijk ten gevolge van zijne teruggekeerde zwaarmoedigheid, het aantal
zijner gedichten uiterst gering, maar sedert 1621 maakt Vondel deel
uit van Hooft's kunstkring.
In 1620 was de rechtsgeleerde Amsterdamsche koopmanszoon
Laurens Reael
2) (geb. 1583 † 1637), na van 1616 tot 1618 als voorganger
van Jan Pietersz. Koen het ambt van gouverneur-generaal der Oostindische
Compagnie bekleed te hebben, met ‘den schatrijken oest der kruydige
Molukken’ in zijne vaderstad teruggekeerd en daar door ‘het
juychend volk van allerleyen gilde’, door een sneeuwjacht van menschen,
als het ware, begroet, zooals Hooft later zeide. Terwijl hij in
Amsterdam bij zijne familie rust nam in afwachting van den admiraalstaf en het
gezantschapsdiploma, die hem echter, omdat hij een zwager van Arminius en ook
zelf Remonstrantschgezind was, eerst later zouden worden aangeboden, wijdde hij
zich aan letteren en kunst. Slechts enkele zijner gedichtjes (o.a. eene
navolging van het eerste der Basia van
Janus Secundus) zijn gedrukt en kenmerken hem als een
niet | | | | onverdienstelijk dichter in Hooft's trant; maar al stelde hij
blijkbaar ook weinig prijs op letterkundige vermaardheid, zijne liefde voor de
letteren was daarom niet minder groot.
In denzelfden tijd vestigde zich in Amsterdam ook de
Zierik-zeesche advocaat
Anthonis de Hubert
1), die
in 1624 eene verdienstelijke psalmberijming uitgaf met eene voorrede ten
bewijze van de zorg door hem besteed aan het schrijven van keurig Nederlandsch.
Zijne opmerkingen, dáár ten beste gegeven, waren de vrucht van de
verschillende samenkomsten, door hem gehouden met Reael,
Hooft en Vondel over de regelen, die men bij het schrijven
van onze taal had in acht te nemen. Ook van
Hooft hebben wij vele bladzijden met beknopte
en nauwkeurige ‘Waernemingen op de Hollandsche tael’
(in 1723 door Lambert ten Kate in zijne ‘Aanleiding’ opgenomen),
die waarschijnlijk door hem eerst later zijn opgeteekend, maar ons toch eenige
aanwijzing kunnen geven voor den aard der besprekingen, die er tusschen De
Hubert,
Reael,
Hooft en
Vondel hebben plaats gehad.
Van
Vondel kennen wij eenige taalkundige
aanteekeningen op
Huygens' ‘Daghwerck’ van
1639
2), die ons bewijzen, wat
ook van elders wel bekend is, dat de dichters uit Hooft's kring sedert
1621 meer en meer elkander hunne gedichten ter beoordeeling en
‘betutteling’ plachten toe te zenden en daarbij niet alleen op het
woordgebruik, maar ook op de spraakkunst nauwkeurig acht gaven. Zoo werkte de
geest van
Spieghel in Hooft en de zijnen voort; en
vooral op Vondel, die al bijzonder kieschkeurig werd, zoodat
Hooft hem er zelfs van betichtte ‘knorven in de biezen te
zoeken’, heeft dat sterken invloed geoefend. Tusschen 1620 en 1625 is
zijne taal in het oog vallend veranderd. Vóór dien tijd is hij
Brabander in zijne taal, daarna wordt hij Hollander, bijna Amsterdammer.
Vóór dien tijd bedient hij zich nog dikwijls van conventioneele
rederijkersuitdrukkingen, daarna geeft hij zich rekenschap van ieder woord, dat
hij schrijft, en is dus zijne taal zijn eigendom geworden.
Hoe gewichtig voor Vondel deze taalverandering reeds
was, | | | | omdat hij daardoor voor alle latere Nederlandsche dichters in
taalgebruik voorbeeld en gezag is kunnen worden, van meer beteekenis was het
voor hem, dat Hooft hem uit de sfeer der schriftuurlijke
stichtelijkheid overplaatste naar den wereldschen Renaissancekring. Ware
Vondel niet conservatief van nature geweest, dan zou dat ongetwijfeld
een geheelen omkeer in hem hebben teweeg gebracht: nu was de verandering
slechts van tijdelijken aard; maar zeker is het, dat zijn blik door den omgang
met Hooft en diens vrienden veel is verruimd en dat hij te midden van
en met deze mannen als het ware in den Tiberstroom een bad heeft genomen,
waarvan de nawerking zich bij hem levenslang heeft doen gevoelen.
Zóó kwam
Vondel er toe, de classieken, die hij nog maar
alleen min of meer uit de tweede hand kende, ook zelf te gaan bestudeeren.
Reeds vroeger had hij getracht in te halen, wat er aan zijne al te eenvoudige
opvoeding ontbrak, door les in het Latijn te nemen eerst bij een Engelschman
1) en vervolgens bij een docent der
Latijnsche school van de Oude Zijde, Abbema, die vermoedelijk ook zijn jongeren
broeder, Willem van Vondel, onder zijne leerlingen telde. In
dienzelfden tijd - in den winter van 1622 tot 1623
2) - kwam Vondel met Hooft en Reael
samen in het huis van Roemer zaliger aan de Geldersche kade, door
Anna en
Maria Tesselschade Visscher, waarschijnlijk met
haar broeder
Pieter Visscher (in 1628 secretaris van de
Eglentier), bewoond, om daar ter onderlinge oefening de
‘Troades’ van
Seneca in proza te vertalen, die als ‘koningin der
treurspelen’ te boek stond en juist met de andere stukken van Seneca door
Scriverius opnieuw was uitgegeven. Die
prozavertaling, ‘in verscheide harssenpannen | | | | gegoten en
hergoten’, werd later door
Vondel in verzen overgebracht, en in 1626 onder
den titel van
De Amsterdamsche Hecuba met eene opdracht aan
De Hubert in het licht gezonden.
Nog een ander dichtwerk van Vondel herinnert aan deze
bijeenkomsten, namelijk
Het Lof der Zeevaert, in 1623 opgedragen aan
Laurens Reael, den waren man om zoowel het onderwerp van dit gedicht
als de kunst van den dichter te waardeeren, en tevens genoegen te nemen met de
al te overvloedige tentoonspreiding van mythologische kennis, waardoor de
dichter zich gaarne een dankbaar leerling der classieken wilde toonen. In dit
gedicht heeft Vondel op verzoek van Ticho Brahé's leerling, den
beroemden kaartendrukker Willem Jansz Blaeu een onderwerp behandeld, waarin
hij, ook blijkens zijn tien jaar ouder gedicht;
Hymnus ofte Lof-gesangh over de Wyd-beroemde Scheepsvaert der
Vereenighde Nederlanden’, als bewoner van Amsterdam (‘het
zee-priëel, de marckt van Christenrijck’, zooals hij het noemt) het
grootste belang stelde. Met veel zaakkennis en geest schildert hij daarin
levendig en aanschouwelijk scheepsbouw, uitrusting, zeegevaren en ten slotte
het nut der zeevaartkunst, ter aanprijzing van Blaeu's
‘Zeespiegel’, waarin deze kunst onderwezen werd.
In de ‘twee diertjens’, waarvan aan het slot gezegd
wordt, dat zij ‘haer kuysheyd Phoebus suster hebben toegewyt’,
worden Visscher's dochters geprezen, die waren blijven voortgaan,
haars vaders woning tot een kunsttempel te maken, en door hare veelzijdige
kunstbegaafdheid de bewondering harer vrienden bleven opwekken, zooals o.a.
blijkt uit het meesterlijk sonnet van Hooft op Anna, die
vlinders zóó natuurlijk op glas te stippen wist, dat men in
verzoeking zou hebben kunnen komen, het schijnbaar levende diertje ‘van
den roemer te knippen’; die ‘met pinceel oft naeld’ in een
landschap het vee wist af te malen, alsof het ‘met gaende lippen’
adem haalde; die door hare boetseerkunst evenals Prometheus het doode leem te
bezielen wist, en eindelijk door hare welluidende stem aan de door haar
gecalligrafeerde liederen ziel en leven wist in te storten.
Zoo werd dan, onder het patronaat van den Muiderdrost, in Visschers
kunsttempel met diens begaafde dochters als gastvrouwen door een geleerden en
kunstzinnigen vriendenkring vol toewijding aan de Muzen geofferd en
voortgebouwd aan Spieghel's werk, de zuivering en ontwikkeling der
Nederlandsche taal. | | | |
De taal- en vertaaloefeningen echter moesten in de Lente van 1623
wel ophouden met
Reael's vertrek uit Amsterdam, door
Hooft beklaagd in eene elegie, grootendeels aan Swaentje,
Reael' uitverkorene, in den mond gelegd. Niet lang daarna zouden -
niet zooals de oudgouverneur-generaal aan Schreihoek, maar langs anderen weg:
met het huwelijkshulkje - de gezuster Visscher scheep gaan en
Amsterdam verlaten. Op het Muiderslot toch had de Drost met Vondel en
zijne beide vriendinnen ook den zeeofficier Allard Jansz. Crombalch
genoodigd, en dáár, in het groen van den slottuin, had zich (naar
Vondel's ‘Vechtzangh’) deze Dafnis zoozeer door den
vleienden Sirenenzang van Tesselscha laten vervoeren, dat alleen hare
wederliefde zijn leven scheen te kunnen redden. Gehoor gevend aan zijn aanzoek,
had zij het overbrengen van ‘Tassoos heldenstijl’, waaraan in den
laatsten tijd hare ‘schrandre sinnen gehangen’ hadden, gestaakt, om
in het huwelijk eene andere roeping te gaan vervullen.
In Nov. 1623 had de bruiloft plaats, door
Hooft,
Vondel en
Huygens meegevierd en bezongen. Vooral
Hooft's bruiloftszang was in deze eentonige en ondankbare dichtsoort
een meesterstuk, waaruit ons de bevallige
Tesselscha in al hare bekoorlijkheid en
begaafdheid voor oogen treedt, en juist niet alleen als kunstenares, maar ook
te midden van de kleine zorgen van het dagelijksch leven, altijd bezig met
geest of handen, innemend door een vriendelijk woord, opbeurend door een helder
lied, en bij dat alles een toonbeeld van bescheidenheid, die nooit, zelfs niet
met een enkelen blik, de aandacht op zich trachtte te vestigen. Ongelukkig voor
hare vrienden was het bruiloftsfeest tevens een afscheidsmaal:
Tesselscha moest Amsterdam vaarwel zeggen en zich metterwoon naar
Alkmaar begeven.
Alleen overgebleven, volgde de wijze
Anna nog op veertigjarigen leeftijd het
voorbeeld harer elf jaar jongere zuster door in Febr. 1624 in het huwelijk te
treden met Dominicus Boot van Wesel, zoon van den baljuw en dijkgraaf der toen
nog niet lang ingedijkte Wieringerwaard of Nieuwe
Zijpe, waarin ook haar vader goederen had bezeten en waarheen zij haar
man volgde om er, zooals Hooft zich uitdrukte, ‘levend' als
begraeven’ te worden. Eerst vele jaren later verrees zij uit dat graf,
toen zij, vermoedelijk in 1640, met haar man Katholiek geworden, zoodat zij in
1642 | | | | hare beide zoons, Roemer en Johan, te Leuven ter studie bracht
1), in 1646 met haar man
te Leiden ging wonen; maar schoon wij nog zeventien kleine versjes
van haar kennen, tijdens haar huwelijk door haar gemaakt, 't laatste gedicht in
1646, vijf jaar vóór zij te Alkmaar overleed, als
dichteres trad zij sedert haar huwelijk niet meer op den voorgrond; en al
doofde ook
Hooft's ‘ouwde en openhartighe
vrundschap’ tot haar nooit uit, slechts eene enkele maal was zij later
(in 1640) nog eens de welkome gast aan den disch van den Muiderdrost, die
daarentegen, zooals wij later zullen zien, door
Tesselschade's altijd gewenscht bezoek
herhaaldelijk werd verheugd.
Met haar onderhield hij ook eene geregelde briefwisseling, waartoe
reeds terstond na haar huwelijk aanleiding was, daar
Huygens op hare bruiloft met zijn licht
ontvlambaar gemoed verliefd was geraakt op haar nichtje, de blonde
Machtelt (geb. 1602), dochter van Pieter Jacobsz. van Campen en
Gerritje Claesz. Berends
2), en hare bemiddeling met een vroolijk gedicht inriep. Niet wetend
of het bij Huygens ernst of jok was, raadpleegde zij Hooft,
die haar zijn raad in dichtmaat toezond. Ook hij was van meening, dat deze
Vastaert, zooals hij Huygens' voornaam vertaalde, eerst moest
vertellen, ‘of hij 't meende of niet’. Of hij zich duidelijk
verklaard heeft, is ons onbekend; maar reeds al te spoedig, nog
vóór Juni 1625, was Machtelt, ‘des vrijers wensch, der
oudren soete hoop’ als eene ‘blancke lelie in 't midden van de
roosen’ verwelkt, zooals Vondel ons meedeelt in een
treurdichtje, waaruit wij opnieuw kunnen zien, hoe
Vondel destijds in den kring van Hooft
als vriend was opgenomen.
Dat blijkt ook vooral uit Vondel's gezelligen omgang met
het gezin van Laurens Baeck, die met zijne vrouw, zijne beide zoons en zijne
beide dochters den dichter gaarne op zijne hofstede Scheibeek onder
Beverwijk ontving en tegelijk daarmee zich zelf en zijn landgoed
vereeuwigd heeft. De oudste der beide zoons, Joost Baeck, was in Mei 1623 door
zijn huwelijk met Magdalena van Erp Hooft's zwager geworden. De
jongste, Jacob, ondernam het volgend jaar met Vondel's broeder
Willem (geb. 1603) eene academiereis, eerst naar Orleans, waar zij
promoveerden, en ver- | | | | volgens naar Italië, vanwaar de jonge
Vondel, de oogappel zijn ouderen broeders, in 1627 naar het vaderland
terugkeerde, doch alleen om er in het begin van het volgend jaar te sterven,
diep betreurd door Joost, die hem - misschien het meest omdat hij
behalve Nederlandsche verzen ook Latijnsche schreef - in begaafdheid ver boven
zich stelde
1).
Een vijftal gedichtjes, door Vondel in dezen tijd gedicht
voor de beide dochters van Laurens Baeck, Catharina en Dieuwertje of Debora,
behooren tot de bevalligste poëzie, die wij van hem bezitten, en zijn,
behalve het wat mystiek ‘Christelyck Vryagelied’,
proeven van schertsende herdersdichten, zooals Vondel er eerst in den
kring van Hooft en door betere kennismaking met de Italiaansche
poëzie, dan hem te voren door de lezing van
Tasso's ‘Gerusalemme liberata’
mogelijk geweest was, heeft leeren schrijven.
In lateren tijd treffen wij daarvan nog maar enkele andere
voorbeelden bij hem aan, o.a. gedicht ter eere van Catharina en Anna Hinlopen,
wanneer hij haars vaders gast was op den Eickhof bij Naarden in 't Gooi en
‘de getrouwe haeghdis’ deze meisjes tegen een adderbeet
waarschuwde; of wanneer het prachtig eikenhout - in Amsterdam ver te zoeken -
hem den heerlijken ‘Wiltzangh’ ontlokte, het loflied
der vrije vogeltjes, die ‘gerust van tack tot tack vliegend, zaeien noch
maeien, maar teeren op den boer en op dranck en kost hun door den hemel
verschaft, die in de koelte van het ruischend eickenlof zonder haet en nijt
minnen’ en levenslang bruiloftvieren. Met dat korte lied was het, dat
Vondel - zoovele jaren later - in den veldzang het toppunt zijner
kunst bereikte, omdat hij er den echten natuurtoon der vogels zelf in wist aan
te slaan, vrij van iedere gekunstelde manier der modepoëzie.
Dat de gedichtjes, voor de jonge juffers Baeck gezongen, daarvan
geheel vrij zijn, kan niet worden gezegd, maar in hun soort zijn zij
voorbeelden van geestige bevalligheid, vooral de
‘Beeckzang’ gericht tot het ‘Wycker
Bietje’, Catharina Baeck, die er zoo gezond uitzag, zoo helder uit de
oogen keek, zoo ‘netjes, poezelachtig was en vetjes’, zoo
‘levend, helder, welgedaen’, dat zij | | | | zeker beter dan
‘De Haes, de dokter van de Wyck’, aan bleeke, kwijnende en
zwaarmoedige meisjes de kunst om vroolijk en gezond te leven zou hebben kunnen
leeren. Doch ook de ‘Wyckzangh’ en het pastoraal
vrijerduet van Corydon en Dianier zijn aantrekkelijke liedjes, evenals de
‘Stryd of Kamp tusschen Kuyscheyd en Geylheyd’,
waarin de beide meisjes worden aangespoord om toch niet zoo preutsch tegen alle
vrijers te zijn, maar hare hand te schenken aan een wakker jonkman.
Dat laatste gedicht gaf
Vondel in 1624 uit met eene afbeelding van
Scheibeek op den titel, en in het volgend jaar verscheen het nog eens in den
bundel ‘Minneplicht ende Kuysheyts-kamp’, die,
behalve
Johan van Heemskerk's ‘Minneplicht of
vryagie van Diana en Filandre’ naar de Astrée, ook de
andere gedichtjes van Vondel bevat, en verder o.a. een minneliedje,
voor de ‘Voogdesse van syn leven’ gezongen door den schilder
Pieter Jacobsz. Codde, een minnezang en een
‘wiechliedt’ van
B. van Hemert, eene aubade van
Laurens Reael, een lied (‘Hoe krachtigh ick
verpijn’, enz.) van
Tesselscha en niet minder dan dertien liedjes van
Hooft; doch de laatste moet ze reeds eenigen tijd
te voren hebben afgestaan, want toen de bundel uitkwam, konden die liedjes
slechts de diepe smart hernieuwen, waarin het droevig lot hem gedompeld
had.
Nadat hij reeds twee kinderen jong had moeten verliezen, was hem in
1623 ook zijn oudste zoontje, de twaalfjarige Cornelis, ontrukt, aan wiens
opvoeding hij persoonlijk de uiterste zorg had besteed; maar daarbij had het
niet mogen blijven. In 1624 verloor hij niet alleen zijn jongste driejarig
zoontje, maar den 6den Juni ook zijne geliefde vrouw, voor wier graf hij deze
eenvoudige woorden dichtte, die haar en hem blijkbaar geheel in de grootheid
hunner liefde kenmerken: ‘noit vrouw meer jonst verdiend' en min zich
diend' er af’. En zoo begon dan voor hem die ‘naere nacht van
benaude drie jaeren’, waarin hij zoo eenzaam op het groote Muiderslot
achterbleef, troost zoekend in de wijsbegeerte, van den diepzinnigen
Montaigne vooral, en in den arbeid, waarvan als rijpe
vrucht zijn reeds in 1618 aangevangen geschiedwerk, de
Henrik de gróte. Zyn leven en bedryf, in
1626 het licht zag.
|
1)Voor het klaverblad van vieren zie N. Beets
in zijne uitgaaf van Alle de gedichten van Anna Roemers Visscher,
Utrecht 1881 II bl. 89-93.
2)Voor Joh. van Heemskerk zie men Jacobus
Scheltema, Geschied- en Letterkundig Mengelwerk III (Amst. 1818), bl.
49-144. Voor zijne ‘Batavische Arcadia’ en ander proza zie beneden
op Hoofdstuk LV.
3)Voor George R. Doublet (geb. omstreeks 1599
† 31 April 1655) zie men R. Fruin, Uit het dagboek van een
Oud-Hollander in De Gids 1869 IV bl. 369-416.
4)Voor Jacob van der Burgh (geb. omstreeks
1600 † 1659) zie men J. van Vloten, Dietsche Warande V (1860) bl.
211-254 en G. Penon, Bijdragen tot de Geschiedenis der Ned. Lett. I
Gron. 1881 bl. 20 vlg. II bl. 39-42.
5)Voor Johannes van Brosterhuysen (geb.
omstreeks 1596 † Sept. 1650) zie men J. van Vloten ‘Ned.
Volksalmanak voor 1858’ bl. 80-97, en J.H. Scheltema de Heere,
‘Tijdschrift der Vereen, voor N.-Nederlandsche Muziekgeschiedenis VIII
(1907) bl. 118-126.
1)Zie voor de dateering van dit gedicht J.
Heinsius in Tijdschrift XXII (1903) bl. 292-295).
2)Hooft's gedachtenwisseling met Huygens over
‘de Eenparicheyt der dichten ende van de voetmaet’ (1624) is met
zijne ‘Reden van de waerdicheit der Poësie’ afgedrukt door J.
van Vloten in P.C. Hooft's Brieven I (1855) bl. 418-449.
3)Over Huygens' briefwisseling met P.
Corneille over de versmaat zie J.A. Worp, Lettres du Seigneur de Zuylichem
à Pierre Corneille, Paris-Gron. 1890.
1)Voor Hooft's vader (geb. 1547 † 1626)
kan men raadplegen H.A. Enno van Gelder, De levensbeschouwing van Corn.
Pietersz. Hooft, Amst. 1918. Dat werk berust op de studie van tal van
handschriften, door C.P. Hooft nagelaten, waarvan een deel gedrukt is als
Memorien en Adviezen van Corn. Pietersz. Hooft in de Werken van het
Hist. Genootschap te Utrecht, N.S. N o. 16. Utrecht 1871. Ook zie men
N. de Roever, Tweeërlei regenten in Oud Holland VII (1889), bl.
63-88.
1)Over de onwaarde der eenige aanduiding, die
wij hebben van Vondel's lidmaatschap van de Eglentier in de, m.i. zeker niet
van Hooft zelf afkomstige en zes jaar te laat gedateerde, omwerking van Hooft's
Rijmbrief aan de Eglentier is het best en uitvoerigst gehandeld door G. Penon,
Bijdragen tot de Geschiedenis der Ned. Letterkunde II Gron. 1881 bl.
3-20.
2)Voor Laurens Reael zie men Jacobus
Scheltema, Geschied- en Letterkundig Mengelwerk II (Amst. 1817) bl.
57-124.
1)Voor Anthonis de Hubert zie men J.H. de
Stoppelaar, De Zelandica Gente de Huybert, Lugd.-Bat. 1852.
2)Vondel's aanmerkingen op Huygens' Daghwerck
(en ook die van Mostart) zijn het eerst uitg. door Th. Jorissen in Verslagen
der Kon. Akad. van Wet. Afd. Lett. II R. III bl. 234 vlgg. en daarna nog eens
door J.H.W. Unger in Oud Holland 11 bl. 296-298.
1)Dat kan geweest zijn een uit Engeland
overgekomen ouderling der Brownisten, Mattheus Slade, die in Amsterdam rector
der Latijnsche school van de Oude Zijde werd. Door dezen kan hij ook bekend
geworden zijn met het, van den Italiaansch-Franschen vorm afwijkende,
Shakespeare-sonnet (drie vierlingen met kruisrijm en twee rijmende slotregels);
althans Vondel dichtte in dien strophenvorm in 1628 de vertaling van De Breen's
lijkdichtje op Willem van Vondel en later nog 19 andere sonnetten en bovendien
zeer vele, die er varianten van kunnen genoemd worden. Zie Tijdschrift XIII
(1894), bl. 179-184, 306-312.
2)Dat de bijeenkomsten ter vertaling van
Seneca's Troades niet bij Visscher's leven, maar eerst in 1622-23 hebben kunnen
plaats hebben en dat met Vondel's bekende woorden ‘'t saligh Roemers
huys’ bedoeld moet zijn ‘het huis van Roemer zaliger’ werd
aangetoond door mij in Vondel als treurspeldichter in mijne
‘Bladzijden uit de Geschiedenis der Ned. Lett.’, Haarlem 1882, bl.
294-296.
1)Zie J.F.M. Sterck, Oorkonden over Vondel
en zijn kring, Bussum 1918, bl. 145-148, 177.
2)Zie A.W. Weissman, Oud Holland XX bl.
118.
1)Voor Willem van Vondel zie men J.F.M.
Sterck, Oorkonden over Vondel en zijn kring, Bussum 1918 bl. 35-60, waar
ook drie brieven worden meegedeeld, door Willem van uit Rome aan zijne moeder
en zijn broeder Joost gezonden.
|
|