De ontwikkelingsgang der Nederlandsche letterkunde. Deel 3: Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde van de Republiek der Vereenigde Nederlanden (1)


auteur: J. te Winkel


bron: Jan te Winkel, De ontwikkelingsgang der Nederlandsche letterkunde III. Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde van de Republiek der Vereenigde Nederlanden (1). De erven F. Bohn, Haarlem 1923, tweede druk.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

XXVII.
Verheerlijking van Frederik Hendrik en hekeling der Gomaristen.

Het optreden van Frederik Hendrik als stadhouder in 1625 werd met algemeene vreugde begroet: niet het minst met vreugde door de onderliggende partij, de Remonstranten, die reden hadden te verwachten, dat hij hen er weer bovenop zou helpen. Jan Tuning, zijn secretaris, had hen begunstigd, en het was in zekeren zin eene teleurstelling voor hen, dat Huygens hem verving. Nicolaas van Reigersberch gaf enkele dagen na die benoeming in een brief aan zijn zwager Hugo de Groot de vrees te kennen, ‘dat sy aen den successeur niet souden vinden dat sy aen hem hadden verloren’,

[p. 396]

want Huygens was ‘een favoryt van Aerssens, die hem over dese tydinge seer verblijde’. Inderdaad, hij zou de gunsteling van Aerssens niet hebben kunnen worden, als hij ook maar eenigszins tot de partij der Remonstranten overgeheld had. Levenslang is hij prinsgezind en contra-remonstrant geweest; maar hij was geen ijveraar. Verdraagzaam en gematigd, kon hij vriendschappelijk blijven omgaan met zijne Amsterdamsche vrienden, die in de politiek een zoo geheel ander standpunt innamen; maar men begrijpt, dat de verhouding van beide kanten toch altijd iets van terughouding moet gehad hebben en voorzichtigheid gewenscht is geweest om verkoeling of zelfs vriendschapsbreuk te verhoeden. In elk geval konden zij het eens zijn op dit gewichtige punt: hartelijke ingenomenheid met het optreden van den nieuwen stadhouder.

Niemand heeft die ingenomenheid luider en beter vertolkt dan Vondel, allereerst met zijne uitvoerige ‘ Begroetenis van Frederick Henrick op den intree van zijn stadhouderschap en landbestiering’, waaraan niet alleen verschillende kleine gedichtjes op 's Prinsen beeltenis, op de verschillende deelen van zijne wapenrusting en op het portret van zijne echtgenoote Amelia van Solms zijn toegevoegd, maar ook het beroemde ‘Princelied’, eene toepassing van het oude ‘Wilhelmus’ op dien ‘Frederick van Nassouwe, vermaert door de wapenen en voor Oostenrijck noch Spanjen vervaert. Hij had ‘van kindsche dagen de vryheydt voorgestreen’, van hem kon men dus verwachten, dat hij ‘'s Lands rechten en vryheden in zwang sou helpen, in geen vereende steden gewetens felle dwang of tyrannye lyen’, maar de ‘trouwe borgeryen door liefde zou vereenigen’, terwijl hij ‘als wachter en schutsheer van den tuyn’ ook tegen den buitenlandschen vijand heldhaftig het harnas zou aangorden en als overwinnaar terugkeeren, zooals ook vroeger reeds, toen ‘by Nieuwpoort in den slagh syn vroomheyd gebleken was’.

Niet minder welluidend dan dit Princelied klonk in het volgende jaar het ‘Oranje Maylied’ van Vondel's lier. Zalig noemde hy het te schuilen onder den Oranjeboom, het zinnebeeld van eendracht en vrede, en nu wel vooral nu Mevrouw Aemilia aan den Vorst een zoon geschonken had, voor welken Willem van Nassau Vondel de ‘Geboortklock’ luidde met een zeer uitvoerig, beeldrijk en kunstvol gedicht in vorstelijke alexandrijnen.

Weer een jaar later, in 1627, vond Vondel om den Prins te

[p. 397]

huldigen nieuwe stof in de ‘ Verovering van Grol door Frederick Henrick’. Hij deed het in een gedicht van denzelfden omvang en vorm, geschreven met denzelfden gloed en dezelfde beeldrijkheid, die ook de ‘Geboortklock’ te bewonderen gaf, maar, naar het mij voorkomt, met nog grooter kunstvaardigheid en zeker met meer eenvoud en afwisseling van toon. De dichter stelt ons daarin voor, hoe aan den Prins de geest zijns grooten vaders verschijnt, die hem wijst op de ‘eeuwigh bloende wonde’, hem door snood verraad toegebracht, en zoo den zoon opwekt tot onvermoeiden strijd voor de vrijheid. Met levendige kleuren schildert hij daarna de oorlogstafereelen bij het beleg; maar naast het schetteren der krijgsklaroenen hoort men in het gedicht ook zachter tonen, als de Prinses van Oranje wordt ingevoerd met haar eenig jongsken op den schoot spelende om hare bekommering te verdrijven en, op de tijding dat de stad genomen is, neerknielende en God dankende voor de zege, die haar echtgenoot aan haar hergeeft. Blaeu, die dezen heldenzang van Vondel uitgaf, voegde er nog verschillende kleinere gedichten van anderen over beleg en verovering van Grol aan toe: van Reael en van Brosterhuysen, drie klinkdichten van Hooft, eenige Latijnsche gedichtjes van Barlaeus en verscheidene, in Latijn, Fransch en Nederlandsch, van Huygens.

Toen in April 1628 Frederik Hendrik een bezoek bracht aan Amsterdam, was het weer Vondel, die ‘Amsteldams Wellekomst’ toeriep aan den Prins, ‘dien IJ en Amstelstroom al te selden mochten sien’ en die daarom nu dubbel welkom was in het Prinsenhof, waar de Amsterdamsche burgemeesters, de schrandere De Vlaming, de oprechte Van de Pol en de dappere De Graef hem ontvingen met mannen, als de majoor Nicolaes Hasselaer, ‘die hun vaders degens droegen, welcke op 't Spaensche knokebeen syn geschaert voor 't algemeen’. Het kloek optreden van den laatste bij een oproer van Gomaristen, die eene godsdienstoefening van Remontranten verstoorden, had aanleiding gegeven tot het indienen van een verzoekschrift aan de Regeering om de samenkomsten der Remonstranten te beletten; maar Burgemeesteren hadden daarop geantwoord met het onderteekenen van zulke ophitsende requesten te verbieden. De Kerkeraad had er zich mee bemoeid, en nu was de Stadhouder uitgenoodigd om den twist bij te leggen. Van zijne uitspraak hing voor de Remonstranten veel af; maar die uitspraak viel hun niet mee, want de Prins, te voorzichtig

[p. 398]

om uitdrukkelijk hunne partij te kiezen, besliste, dat de oude placaten tegen de Remonstranten gehandhaafd moesten worden.

Dat verhinderde Vondel echter niet, in 1629 opnieuw den lof van Frederik Hendrik uit te bazuinen. Er was dan ook wel aanleiding toe. Lang had het beroemde beleg van 's-Hertogenbosch geduurd en alles was door den vijand gedaan om de vesting te ontzetten; maar eindelijk had de stad zich toch aan Frederik Hendrik moeten overgeven ten gevolge van de verrassing van Wezel, het krijgsmagazijn der Spaansche en Keizerlijke troepen. Die verrassing had ook een ernstig gevaar van de Republiek afgewend, het gevaar van een inval in Holland, van eene belegering van Amsterdam zelfs, die tot de mogelijkheden behoorde, daar vijandelijke troepen reeds over De Veluwe getrokken waren, het ‘ellendich Amersfoort verlaen met volle schuren’ bezet en Hilversum in brand gestoken hadden, zoodat nu ook Naarden en Muiden door ‘Wael, Italiaen en Duitsch, Croaet en Castiliaen’ werden bedreigd. Muiden had reeds garnizoen gekregen, kanonnen waren aangevoerd en de Drost bereidde er zich op voor, het Slot tegen een dagelijks te verwachten overval te verdedigen. Toen de verrassing van Wezel ‘den Berger graef’ had ‘gedwongen zyn roof en Amersfoort te slaken’, tot op de grenzen terug te trekken en 's-Hertogenbosch prijs te geven, was natuurlijk niemand dankbaarder dan Hooft, die in een schitterenden, slechts door gezochte toespelingen (ook volgens Barlaeus) wat overladen, lierzang ‘De Hollandsche Groet aen den Prinsse van Oraniën’ overbracht bij diens zegevierenden terugkeer uit het leger. ‘Noit,’ zoo besloot hij dit gedicht, ‘noit was gezegent helt met hoogher eer ontfaen’. En zoo was het ook.

Te 's-Gravenhage gaf de kamer ‘de Jonge Bataviers’ den 20sten September ‘Verthoningen over de heerlijcke en noyt voor desen verkregen victorie van 's Hertogen-bosch’, zooals de titel luidt, waaronder Pieter Nootmans zijne verklarende verzen van die vertooningen uitgaf. De Middelburgsche rederijker Hendrik van Kannenburch gaf een ‘Lof-dicht of dancksegginghe’ uit ‘over de twee heerlijcke victorijen onlancx corts naer malcander van Godt de Heere verleent.’ Zacharias Heyns schreef een ‘Vreugden-gesang’. Van Hendrik Moor verscheen een ‘Triumphdicht’, van den Haarlemschen schrijfmeester David van Horenbeeck een ‘Trompets-gheklanck, gesteken op de

[p. 399]

veroveringe van 's-Hertogen-Bosch’, en diens vriend de Haarlemsche predikant Samuel Ampzing schreef een ‘Naszousche laurenkranze’, terwijl ‘Oraniens overwinning van 's Hertogen-bos’ (met een aanhangsel ‘tot gelukwenschinge over het wonderbaerlijck overgaen van de gemeynde onwinbare stadt Wesel aen den Rijn, in 't Hartogdom van Kleef’) ook bezongen werd door den Haagschen boekverkooper Gillis Jacobsz. Quintijn, Haarlemmer van geboorte, die reeds in 1627 te Haarlem ‘Oraeniens Grolsgewin’ had uitgegeven en daarvoor beloond was met 's Prinsen tusschenkomst, waardoor hij uit eene onrechtmatige gijzeling was verlost.

De Eglentier vierde de overwinning met ‘Triumphs-Trompet speelsghewys uytghebeelt’ door Nicolaes Fonteyn, de Duitsche Academie met een spel van Goliath. Het ‘gelaurierde princebeelt’, niet lang daarna op het tooneel der Academie geplaatst, werd door Vondel met een gedicht ingewijd: maar reeds eenigen tijd te voren zong Vondel zijn ‘Zegesang ter eere van Frederick Hendrick, Boschdwinger, Wezelwinner’. ‘Prins Welhem heeft den grond geheyt’, zoo zong hij, ‘Sijn nasaet vrydoms muur geleyt in rood ciment van 't bloed der helden, niet sonder raedsman, dienmen selden ter weereld als een Phoenix socht: maer Fredrick heeft het werck volwrocht en d'opperoverwinningskroone geset voor Christenrijck ten toone op 't spits der vryheyd, 't oorlogswit’. Aan jubelzangen kwam schier geen eind. In het Latijn zong de Amsterdamsche conrector Lambertus een feestlied, en een geheele bundel Latijnsche gedichten werd door Barlaeus in 't licht gegeven en daaronder ook een ‘Sendbrief aen Princesse Amelia’, dien Scriverius in Nederlandsche verzen overbracht en waarop Jacob Westerbaen een ‘Antwoort van den Prince van Orangiën’ liet volgen.

Hooft werd door Barlaeus' ‘heldinnebrief’ tot wedijver geprikkeld en zong in het volgende jaar zijne heerlijcke ‘Klachte der Princesse van Oranjen over 't oorloogh voor 's Hartogenbosch’, een lierzang in een dichttrant, die nieuw was voor den Drost; maar welk gebied van poëzie was er, waarop Hooft's proefstuk niet tevens een meesterstuk is geweest? Moeielijk is het, inniger gevoel en teerder bezorgdheid uit te spreken in beeldrijker, hoofscher taal, dan hier in den mond wordt gelegd aan Amalia van Solms, de liefhebbende vrouw, die veel liever het liefde-

[p. 400]

vuur dan het krijgsvuur ziet flonkeren in het ‘schoon Prinssenoogh’; die hare tranen veel schoener parelen aan zijne kroon acht, dan die parelen, waarvan hij, duizend dooden trotseerend, er ééne aan de Spaansche kroon tracht te ontrukken; die, dagelijks hoorende ‘van versche dooden, gevelt in hol of galery’, de pijn van elke kogel voelt, wanneer zij denken moet: ‘op 't hoofdt met witte veeren was dat gemunt’; en die, als haar man ‘een glooryrijke faem’ dan volstrekt verkiest boven al wat hem dierbaar is, boven ‘lief en lijf en leven’, zelfs boven den ‘zoon van vaders naem’, met hem wil deelen in alle gevaar en hem smeekt: ‘Gun my dan, dat ik met u rijde door koudt, door heet, en voer my by 't rappier op zijde, waer dat ghy treedt’!

Ook in 1632, toen Frederik Hendrik Maastricht en andere steden veroverd had, bood Vondel hem eene ‘Stedekroon’ aan, omdat nu ook ‘Boschlooff om de schiltstar van Maestricht kon gevlochten worden’. Ook Barlaeus schreef toen in 't Latijn eene uitvoerige en dichterlijke verheerlijking van 's Prinsen krijgsdaden onder den titel ‘Triumphus federati Belgii’, een jaar later gevolgd door zijn ‘Poemation in ducatum Limburgicum’, welk ‘Gedicht op de Verovering van Limburg in Hollandts naergevolcht’ is door Jacob van der Burgh.

Terwijl Frederik Hendrik en zijne krijgsdaden verheerlijkt werden door de Amsterdamsche dichters vooral met de bijbe-, doeling alzoo de tegenstelling tot het minder schitterend krijgsbedrijf van Maurits in zijne laatste levensjaren te meer in het oog te doen vallen, traden dezelfde dichters te gelijkertijd heftiger tegen de Gomaristen op, in de hoop bij den stadhouder en bij de wat gewijzigde Amsterdamsche Regeering steun te zullen vinden. Vondel was het, die op het eind van 1625 den aanval opende met zijn treurspel Palamedes.

Dat Vondel zich reeds vroeger in den strijd der Arminianen en Gomaristen zou gemengd hebben met sommige zijner hekeldichten, is niet te bewijzen, omdat vele dezer niet gedateerd zijn 1). Het komt mij ook niet waarschijnlijk voor, daar hij als Doopsgezinde buiten den strijd stond. Nochtans kan hij de veroordeeling en terechtstelling van den grijzen staatsman, die veertig jaar

[p. 401]

achtereen zoo groote diensten aan zijn vaderland had bewezen, met innig medelijden en ergernis hebben aangezien, en zijne verontwardiging zal ongetwijfeld nieuw voedsel gekregen hebben, toen hij was opgenomen in den kring van Hooft, Coster, Reael en Baeck, die, ofschoon zij niet alle tot de Remonstranten behoorden, toch anti-Gomaristen en in de staatkunde partijgenooten van Oldenbarnevelt en zelfs vrienden van De Groot waren. Het onrecht, dat zijns inziens de Remonstranten geleden hadden, maakte hem bereid hunne zaak te bevorderen, zoo krachtig als hij dat met zijn vurigen geest en Zuidnederlandschen hartstocht doen kon. Het was dan ook niet voor doove ooren gepreekt, toen een der Amsterdamsche schepenen, Albert Koenraedsz. Burgh, hem aanried, de terechtstelling van Oldenbarnevelt tot het onderwerp van een treurspel te maken en, op zijne opmerking, dat de tijdsomstandigheden dat verboden, hem op de gedachte bracht, het in bedekten vorm onder andere namen te doen.

Onwaarschijnlijk is het ook niet, dat eene oude aanteekening gelijk heeft, die mededeelt, dat Oldenbarnevelt's schoonzoon Cornelis van der Mijle, die tot de vrienden van Frederik Hendrik behoorde en den Prins ook later het treurspel voorlas, en dien Vondel te Beverwijk heeft leeren kennen, de hand in het werk heeft gehad en den geleerden Joannes Meursius heeft aangezocht om aan Vondel de bouwstoffen voor zijn hekelspel te verschaffen. Meursius zelf had in 1619 als hoogleeraar te Leiden zijn ontslag gekregen en was wel in het volgende jaar opnieuw aangesteld, maar had zich in het begin van 1625 naar Denemarken begeven, waar hij hoogleeraar aan de hoogeschool van Soroë was geworden. Vóór zijn vertrek of van Denemarken uit moet hij dan eene schets van den ‘Palamedes’ aan Vondel ter bewerking hebben gezonden, hetgeen te waarschijnlijker is, omdat de voorrede van het stuk van veel meer bekendheid met de Oudheid getuigt, dan toen van Vondel verwacht kon worden, omdat uit allerlei treurspelen van Seneca groote gedeelten in den ‘Palamedes’ vrij vertaald zijn, en omdat zelfs Grieksche citaten niet ontbreken, terwijl Brandt ons vertelt, dat Vondel zijne studie van het Grieksch eerst toen onder leiding van Daniël de Breen begon.

Moge dus misschien inhoud en samenstelling van den Palamedes maar gedeeltelijk Vondel's werk zijn, de verzen waren dat wel en brachten, volgens Brandt, alle kunstkenners in ver-

[p. 402]

rukking wegens ‘de zuiverheit der taale en hooghdravende vloejentheit tot noch toe van niemant der Nederduitsche dichteren zoo wel uitgevonden.’ 1).

Palamedes-Oldenbarnevelt wordt in het stuk voorgesteld als de ‘vermoorde onnoozelheyd,’ wiens schim, zooals Vondel in een voorafgaand klinkdicht zegt, nu na zeven jaar zijne rechters uit hun slaap komt opschrikken om hun in een gruwelijk beeld voor oogen te stellen, wat zij misdaan hadden.

Het geheele eerste bedrijf van het stuk wordt, behalve door een beurtzang van Eubeërs (Arminianen) en Ithakoisen (Gomaristen), ingenomen door eene lange alleenspraak van Palamedes, eene welsprekende verdediging en verheerlijking van Oldenbarnevelt's beleid en eene scherpe afkeuring van de ‘dorperheyd’ der ‘onedele gemeente, het wispelturigh volck, dat, veel te los van hoofd, ghenooten dienst vergeet en leyder! 't quaed gelooft.’ Vooral ook de jaloerschheid van Agamemnon (d.i. Maurits), die ‘verwoet syn trousten raedmans edel bloet’ had gedronken, en de heerschzucht van Calchas en Eurypylus of de grootendeels uit Zuid-Nederland overgekomen priesters, die met hun Calvinisme God voorstellen als lust scheppend ‘in 't vernielen en 't ommebrengen van soo veel gedoemde sielen,’ worden er fel in gehekeld.

Eerst met het tweede bedrijf begint de eigenlijke handeling. Megaera ‘komt dan uut den afgrond klimmen’, Sisyphus voor zich uit drijvend, die, voor een oogenblik uit de hel verrezen, zijn zoon Ulysses (François van Aerssen) het listig plan inblaast, dat Palamedes ten val moet brengen. Ulysses moet namelijk een schat begraven onder den grond, waarop kort te voren Palamedes' tent had gestaan, en door Diomedes (in wien men Graaf Willem Lodewijk meende te herkennen) een nagemaakten brief van Priamus laten onderscheppen, waaruit, als hij echt geweest was, Palamedes' landverraad zou gebleken zijn. De aanslag gelukt volkomen:

[p. 403]

met het opgegraven goud en den valschen brief wordt de krijgsraad in den waan gebracht, dat Palamedes zich door den vijand heeft laten omkoopen, en trots het welsprekend pleit van Nestor (den raadsheer Junius) en het heftig verzet van Ajax wordt hij schuldig verklaard en onder pressie van Calchas en het ‘by hem opgestoockte graeu’ aan de krijgslieden overgeleverd, ‘die hem als eenen openbaeren verraeder uutleyden en steenighden’, welke terechtstelling door een bode levendig wordt afgeschilderd in het vijfde bedrijf, dat besloten wordt met het optreden van Palamedes' stamvader Neptunus, om Oates (dien men voor Van der Mijle hield) te troosten over zijns broeders (schoonvaders) dood, terwijl Koning Priamus er over juicht. En die troost bestaat in de voorspelling van de gruwelijke wraak, die door de goden op de moordenaars van den onschuldigen ouden staatsman voor hunne euveldaad zal genomen worden.

Het treurspel wemelt van toespelingen op Oldenbarnevelt en Maurits, op Van Aerssen vooral, op den dommen G.B. van Santen, den heftigsten van Oldenbarnevelt's rechters, die hier als Thersites optreedt, en o.a. ook op Hugo de Groot, dien men ‘in een kist voor boecken uutdroegh’; maar hoe kunstig ook de Grieksche geschiedenis tot in bijzonderheden is toegepast op Oldenbarnevelt en zijne tegenstanders met hunne valsche beschuldiging, dat hij zich door den vijand zou hebben laten omkoopen om het Bestand te sluiten, onmogelijk is het, alles in het stuk als toespeling te willen verklaren: veel er in behoort alleen in de Grieksche overlevering tehuis en wel, als het meest in het oog vallende, dat Palamedes hier ondanks den ‘veertighjaergen dienst’, waarop hij zich beroept, wordt voorgesteld als een man in de kracht van zijn leven, wiens vader Nauplius als koning van Euboea den dood zijns zoons overleeft.

Geweldig was de indruk, dien het treurspel maakte, toen het in October of November 1625 met Vondel's naam op den titel het licht had gezien. De Remonstranten groeiden er in, ofschoon zelfs ook zij er van ontstelden en daarom, zooals hun predikant Carolus Niellius, er zich over verheugden, dat het hekelspel niet door een Remonstrant was gemaakt. Onmiddellijk schreef Reigersberch aan zijn zwager De Groot: ‘Hier is uutgecommen een tragedie van Palamedes, daer onder bedeckte namen het ongelijck aen den Advocaet gedaen wert verhaelt. Het is wel gemaeckt,

[p. 404]

wert veel gelesen’ 1). Ofschoon de verspreiding verboden was, volgde de eene druk den anderen met groote snelheid op; maar ook de tegenpartij hield zich niet stil. Er kwamen schimpdichten uit, waarin Vondel woordspelend ‘Mennoos Armer knecht’ werd genoemd, en sterk werd er bij de Regeering op aangedrons dat zij Vondel zou straffen.

Hij zelf vertrouwde aanvankelijk op de onmogelijkheid om het streng juridisch bewijs te leveren, dat onder deze Grieksche geschiedenis de moord van Oldenbarnevelt gehekeld was; maar spoedig begreep hij, dat het moreel bewijs voor zijne vijande voldoende zou zijn, en hij hield zich schuil, eerst bij zijne zuster Clementia 2), weduwe van Hans de Wolff († 1615), en toen deze voor zichzelf beducht begon te worden, bood Laurens Baeck, die vermoedelijk mede de hand in 't spel had gehad, hem eene schuilplaats aan 3). Had de Amsterdamsche Regeering niet gestaan op haar recht om zelf hare burgers te vonnissen, dan zou Vondel misschien naar Den Haag zijn gevoerd en had zijne stoutheid hem het leven kunnen kosten. Onder de Amsterdamsche regeeringsleden echter had hij ook nog andere vrienden en geestverwanten dan Albert Burgh, die hem had aangehitst. Vooral de Schout Jan ten Grotenhuys was hem genegen, en zoo slaagde de pensionaris Adriaen Pauw, de zoon van den oudburgemeester en oudvoorzitter van Oldenbarnevelt's rechters Reinier Pauw, er niet in, hem zwaarder dan met eene geldboete van driehonderd gulden te doen straffen, omdat hij, zooals het heette, ‘dingen hadde gesproken, die hij behoorde te zwygen’. Ruim een jaar later heeft Vondel aan Pauw zijne vijandschap betaald gezet met zijn in grappig Amsterdamsch gezongen ‘Nieu Lietgen van Reyntjen de Vos’.

Wel plaagde een schimpdichter hem met zijne boete, hem verdacht makend, dat hij zijn stuk alleen had geschreven ‘op hoop

[p. 405]

van grooter winst dan al sen Couse-Craem’, maar sinds de ‘Palamedes’ het land in rep en roer had gebracht, was Vondel in de geheele Republiek een beroemd man geworden en genoot hij bescherming en vriendschap van al wie onder de Amsterdamsche aristocratie tot de vrijzinnige partij behoorden en binnen weinige jaren in Amsterdam weer de regeering in handen zouden hebben, de Bickers en De Graefs, de Vlooswijcks en De Vlaminghs, de Sixen en Huydecopers.

Opgetreden voor de staatsgezinde partij en tegen de Gomaristen, was Vondel nochtans ver van zich bij de Remonstranten aan te sluiten. Hij bleef als vroeger tot de Waterlandsche Doopsgezinden behooren en toonde zelfs reeds in het volgende jaar zijne bijzondere belangstelling in de twisten, die daar gerezen waren tusschen den van Antwerpen afkomstigen Hans de Ries, sinds 1598 Waterlandsch leeraar te Alkmaar, die behalve godsdienstige prozaschriften ook een in 1604 herdrukt stichtelijk ‘Liedboeck’ heeft uitgegeven en die beweerde, dat men den in het Evangelie uitgesproken geest van Christus moest onderscheiden van hetgeen de letter der Schrift leerde, en Nittert Obbesz, die maar één Woord Gods aannam, de letterlijk op te vatten Heilige Schrift 1). Opmerkelijk is het, dat Vondel in dien strijd partij koos voor hetgeen de tegenpartij letterknechterij noemde, zooals blijkt uit zijn hekeldicht ‘Antidotum tegen het vergif der geestdryvers tot verdedigingh van 't beschreven Woord Gods’. Heftig trekt hij daarin te velde tegen die ‘droomers en propheten en sienders, met den geest der dwalingen beseten’, die voor ketterijen de deur wijd open zetten en den weg banen ‘tot duysend rasernyen’. Neen, zegt hij, ‘Gods Woord, door letters uytgedruckt’, is ‘gelyck een hamer, die rotsen stucken slaet, een schat en staf op den wegh’, zonder welken men ‘in 't onseker tast en vecht als in de locht’. Opmerkelijk noem ik deze partijkeus, omdat zij getuigt van Vondel's behoefte aan onwankelbaar gezag in geloofszaken, waardoor hij vijftien jaar later tot de Katholieke kerk zou worden gedreven.

Toch wilde Vondel allerminst kettermeester zijn, zooals zijn klinkdicht ‘Misbruick des kerckelycken bans’ bewijst, dat ‘een geweldenaer in Christus koninkrijk’ noemt wie ‘Christenen ont-

[p. 406]

zeit zeit den Christelyken beker’ 1). Hierdoor toonde hij zich geestverwant van den vrijzinnigen Lubbert Gerritsz., die eerst leeraar der Vlaamsche Doopsgezinden te Hoorn was geweest, van 1603 tot zijn dood in 1612 als zoodanig te Amsterdam bij de Waterlanders optrad en daar gematigder denkbeelden op het stuk van ban en mijding kon verkondigen, dan er heerschten bij de Oude Vlamingen en Oude Friezen. Bij het portret van dezen ‘nae der Kercken vreede soo vuyrigen’ man maakte Vondel een bijschrift, zooals hij trouwens ook bij dat van Hans de Ries heeft gedaan.

Tegen Gomaristische ketterjagerij trad hij eerst in 1627 weer op met een zijner meest beroemde en geestige hekeldichten, De Rommelpot in 't Hane-kot, gericht tegen de haantjes van den kerkeraad, predikanten als ‘'t haentje dickkop van de Mase’ of Adriaen Smout, ‘'t kalkoensse haentje’ of ‘Jacobus Trigland en ‘haentje clopper’ of Johannes Cloppenburg: jonge hanen, die al even onverdraagzaam waren als die van ‘het ouwe hock’ en, gesteund door leeken als ‘Oogentroost’ of Dr. Karel Lenaertsz., ‘Trompman’ of Simon Verdoes, ‘Corteboef’ of den stadssecretaris Boudewijn Kortenhoef, en ‘'t malle ventje’ of den oudschepen Jan Willemsz. Bogaert, uit hun ‘hanekot’ een hunner medebroeders, namelijk ‘Coppen’ of Cornelis Hanekop, hadden uitgepikt als een ‘geveynsden ketter, een Christen songder giest en letter, een wye deur en ruyme poort, een sielverleyer’ - en waarom? Omdat hij openlijk op den kansel zijne afkeuring te kennen gegeven had over het schandaal, dat ‘grauwe geusen wonnen 't huys te Monkelbaen’ of m.a.w., dat het door geestdrijvers opgeruide grauw eene godsdienstoefening der Remonstranten met steenworpen verstoord en hunne vergaderplaats geplunderd had en nog meer zou misdreven hebben, als de kloeke majoor Nicolaes Hasselaer het niet verhinderd had.

Vondel's liedje bleef niet onbeantwoord, zooals Hasselaer niet onberispt bleef, maar de Stedelijke Regeering strafte enkele der plunderaars, bleef aan den van zijne bediening ontzetten Hanekop zijne jaarwedde uitbetalen en toonde zoo, dat zij de

[p. 407]

Remonstranten tegen handtastelijkheden en geestelijke opruierij in bescherming wilde nemen en zelf baas wilde blijven tegenover de bemoeizieke predikanten, die zich door God aangesteld waanden als wachters op den toren.

Op dit zoo uitnemend geslaagde hekeldicht, in vroolijk spottenden toon, vol grappige zetten en treffende woordspelingen, en uitnemend geschikt om door een liedjeszanger bij het gemommel van den rommelpot gezongen te worden, liet Vondel in de eerstvolgende vier jaar nog vele andere volgen, die wel verdienden uitvoerig besproken te worden, doch hier toch maar met enkele woorden vermeld kunnen worden, omdat eene toelichting, waardoor zij volkomen begrepen en genoten zouden kunnen worden, tot afdalen in te kleine bijzonderheden zou verplichten 1).

Overigens ondervond Vondel bij zijne hekeling ook steun van anderen, waarschijnlijk zelfs van Coster, die wel achter de schermen moest blijven, maar toch vermoedelijk de dichter was van eene in 1628 verschenen en 1 Juni van dat jaar vertoonde klucht, Kallefs-val (d.i. Calvinus' val) getiteld, waarin ‘Blinde Yver’ de geestelijke heerschzucht vertegenwoordigt en o.a. Mieuwes en Jaucke de spotvogels zijn, die er den draak steken met de Amsterdamsche predikanten Roelof Pieteers (d.i. Rudolphus Petri), El-ja-zeer (d.i. Eleazar Swalmius), Dry-aakers of Kalkoen-neus (d.i. Trigland) en Smout, en waarin met welgevallen aan Vondel's Palamedes herinnerd wordt, die de Staten neep, terwijl dit spel

[p. 408]

voornamelijk tegen de Kerk en hare onwaardige dienaars gericht was 1).

Vondel zelf schreef in hetzelfde jaar 1628 den ‘Boeren-Categismus’, een gesprek tusschen Poëet en Student, ter beschimping van eene onvoorzichtige uitspraak der theologische faculteit te Leiden, door Cloppenburg uitgelokt, dat Amsterdamsche schutters geen eed behoefden af te leggen aan officieren, wier gehechtheid aan het gereformeerde geloof betwijfeld kon worden. Dat toch werd toen door de Amsterdamsche Regeering, op straffe van ontschuttering, geëischt, waardoor meer en meer het vertrouwen der onderliggende partij gewassen was, terwijl de tegenstand van den kerkeraad meer en meer zijn invloed op de Amsterdamsche Regeering verzwakte, tegen welke de predikanten dan ook van den preekstoel heftig uitvoeren. Zóó weinig was de Amsterdamsche Overheid - in dezen gelijkgezind met de Rotterdamsche - geneigd, zich door de geestelijke heeren de les te laten lezen, dat zij den 8sten Sept. 1630 den Remonstranten zelfs oogluikend toeliet, hunne kerk op de Keizersgracht in te wijden met eene preek van den eertijds verbannen hoogleeraar Simon Episcopius. ‘Den goeden God sy lof en Amstels wijsen Raed, dat den verdruckten nu dees tempel open staet’, juichte Vondel in zijn gedicht op de ‘Inwying van den Christentempel t'Amsterdam’, terwijl hij een ander gedichtje maakte onder een ‘Afbeeldsel van den Christentempel’, waarvan de Regeering de verspreiding echter verbood omdat zij met hare toegeeflijkheid niet gepraald wenschte.

Nu scheen ook voor Hugo de Groot de tijd gekomen om uit zijne ballingschap terug te keeren. In Parijs had hij sedert zijne ontvluchting uit Loevenstein geleefd van een hem door den Koning toegekend pensioen, maar geen ambt gezocht, omdat hij altijd bleef hopen op een omkeer in de staatkunde van zijn vaderland na den dood van Prins Maurits en door Frederik Hendrik, in wien hij zijn vriend zag. Doch deze had hem niet durven uitnoodigen, terug te keeren, en daar hij zich steeds onschuldig veroordeeld rekende wilde hij zelf, dat zijn terugkeer tevens eer-en rechtsherstel voor hem zou zijn. Nu echter meende hij, dat de toestanden zooveel veranderd waren, dat hij het wel durfde wagen openlijk weer den

[p. 409]

vaderlandschen grond te betreden. In October 1631 kwam hij te Rotterdam aan, maar hij zag zich in zijne goede verwachtingen bedrogen. In December werd hem te kennen gegeven, dat men hem in hechtenis dacht te nemen, en daarop vertrok hij naar Amsterdam, waar hij op de bescherming der Regeering rekende. Ook weder te vergeefs, ofschoon zijne vrienden, waaronder Hooft, moeite deden, zijn banvonnis opgeheven te krijgen. Vondel, die reeds in 1628 aan ‘den getrouwen Hollander’, zooals hij hem noemde, zijne vertaling van Seneca's Hippolytus had opgedragen, begroette hem met een ‘Wellekomst’ en sloot toen zeker met hem die innige vriendschap, waaraan de dood van den grooten balling geen einde kon maken, want balling moest hij blijven, misschien omdat hij zelf niet bereid was een deemoedig verzoekschrift in te dienen, misschien ook omdat de terugkeer van een man als hij, die de hoofdman zijner partij was geweest, te veel ergernis aan de Calvinisten zou gegeven hebben. Toen hij in het volgende jaar zijne vrijheid al te zeer bedreigd zag, verliet hij noode weer zijn vaderland. In 1635 werd hij tot Zweedsch gezant bij het Fransche hof benoemd, wat hij bleef tot kort vóór zijn dood, toen hij naar Stockholm werd opontboden. Over Amsterdam, waar zijne vrienden hem hartelijk onthaalden, reisde hij in 1645 naar de Zweedsche hoofdstad, waar hij ontslag nam uit den staatsdienst. Op zijne terugreis vandaar overleed hij 28 Aug. 1645 te Rostock, door Vondel met een ‘ Uitvaertlied’ uitgeluid.

In of even vóór 1630 had Vondel nog eenige hoog ernstige, gestrenge en dichterlijk-puntige hekeldichten in alexandrijnen geschreven, zooals in de eerste plaats de aan Hooft opgedragen Roskam 1), tegen de heerschappij van onder gehuichelden godsdienst verborgen baatzucht, geldgierigheid en oneerlijkheid in het alge-

[p. 410]

meen gericht, maar niet tegen iemand in het bijzonder: immers, zegt de dichter, ‘sprack ick klaerder spraeck, ick sorg, men sou me dreygen met breuck en boeten of te levren aen den beul; want waerheyd (dat 's al oud) vind nergens heyl nocht heul: dies roemt men hem voor wijs, die vinger op den mond leyd’; en dan laat hij er op volgen, wat zoo teekenend is voor zijn eerlijk karakter en vurigen geest: ‘O, kon ick oock die konst! maer wat op 's harten grond leyd, dat weltme na de keel: ick word te stijf geparst, en 't werckt als nieuwe wijn, die tot de spon uytbarst’.

Bij dit gedicht sloot zich de Harpoen aan, waarin onder den naam Godefried het ideaal van den predikant wordt geschetst tegenover Wolfaardt, het type van den heerschzuchtigen, oproerkraaienden en scheurmakenden geestelijke, en het gedicht Haec Libertatis ergo op de papieren noodmunt, uitgegeven tijdens het beleg van Leiden, toen het nog de vrijheid en niet de heerschappij van Calvijn was, waarvoor men streed. Daarin worden weer persoonlijke aanvallen gedaan, niet alleen op Smout en Cloppenburg, maar ook op den al te gestrengen Leidschen schout Bont en den burgemeester Jacob van Broekhoven, wien Coster onmiddellijk nog iets toegaf in zijn klein gedichtje ‘Drukfaut in 't Papiere Geldt’. Even persoonlijk is Vondel's niet in alexandrijnen, maar in korte versregels geschreven ‘Medaellie voor de Gommariste kettermeester en inquisiteur te Dordrecht’, vermoedelijk de predikant Gosewinus van Buytendijk.

Hoe verbitterd Vondel destijds was op hen, die de gewetensvrijheid verkortten, blijkt wel hieruit, dat hij over hen Gods wraak - geheel te onpas - inriep in een later weer door hem geschrapte slotstrophe van zijn ‘Triomftorts’ over de nederlaag door ‘'t Gewapent Scheld’ in 1631 geleden, toen het ‘t'seyl ging’ om ‘den leeu in syn nest te doorschieten’. Maar, genoopt door Hollands admiraal, rees deze op, ‘geterght tot wraeck, en sloegh syn klaeu in 't Slaeck’, zoodat den vijand niets overbleef, dan in overijling en met schande het lijf te bergen. In hetzelfde jaar schreef Vondel nog zijn ‘Decretum horribile’ tegen Calvijn's leerstuk der eeuwige uitverkiezing en verdoemenis, en zijn ‘Blixem van 't Noord-hollandsche Synode’, die, te Enkhuizen vergaderd, zich verzet had tegen het besluit, dat de Amsterdamsche Regeering in het begin van 1630 genomen had om aan een paar regeeringspersonen zitting in den kerkeraad te geven en een onruststoker als Smout

[p. 411]

uit de stad te verbannen, nadat Cloppenburg reeds vrijwillig in ballingschap was gegaan.

In denzelfden tijd zullen wij, meen ik, de ongedateerde gedichten op Oldenbarnevelt hebben te plaatsen: ten eerste het kleine meesterstukje ‘Geuse-vesper of siecken-troost voor de vierentwintich’ 1) rechters van den Advocaat, met het aandoenlijk begin: ‘Hadt hy Hollandt dan ghedragen onder 't hart, tot syn afgeleefde dagen, met veel smart, om 't myneedigh swaert te laven met syn bloet, en te mesten kray en raven op syn goet?’ en de ernstige slotvermaning: ‘Spiegelt, spiegelt u dan echter, wie ghy zijt: Vreest den worm, die desen rechter 't hart afbijt! Schent uw' handen aen geen Vaders, dol van haet; Scheldt gheen vroomen voor verraders van den Staet!’ Scherp is het ‘Gespreck op het graf van Joan van Oldenbarnevelt’, in den vorm van een echolied geschreven naar aanleiding van een Latijnsch echolied, dat anoniem verscheen, en roerend de herinnering aan den staatkundigen moord bij de verjaring van ‘'sLands treurspel’ of het ‘Jaergetyde van Joan van Oldenbarneveld, vader des vaderlands.’

Bij deze hekelende klaagliederen sluit zich aan, ofschoon het blijkbaar veel later (omstreeks 1658) gemaakt is, het beroemde gedichtje op ‘Het stockske van Joan van Oldenbarnevelt’ 2), dat de weemoedigste herinneringen bij Vondel opwekte, toen hij het later (het was toen in het bezit van Westerbaen, die er ook een gedichtje op schreef) onder de oogen kreeg, zooals wij het tegenwoordig nog in het Vondelmuseum kunnen zien, het stokje, dat ‘vrydoms stut en Hollants vader gestut heeft op het wreet schavot, toen hy voor 't bloedigh zwaert moest knielen’, en dat hem vroeger zoo dikwijls ‘voor een derden voet in 't gaen streckte by 't klimmen op de hooge trappen, als hy, belast van ouderdom, papier en schriften, overleende en onder 't lastigh lantspack steende’,

[p. 412]

hij, die, ‘hoe krom gebuckt, noit krom ging’. ‘Nu stut en styft ghy noch myn dichten,’ zoo besloot Vondel, en ongetwijfeld had onze groote dichter geen dankbaarder stof voor zijne poëzie kunnen vinden; maar even ontwijfelbaar is het, dat niet eeuwenlang zoo velen over den dood van den grijzen staatsman zouden hebben meegetreurd, als Vondel's poëzie hun niet stille tranen van ergernis en weemoed had ontlokt.