De ontwikkelingsgang der Nederlandsche letterkunde. Deel 3: Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde van de Republiek der Vereenigde Nederlanden (1)


auteur: J. te Winkel


bron: Jan te Winkel, De ontwikkelingsgang der Nederlandsche letterkunde III. Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde van de Republiek der Vereenigde Nederlanden (1). De erven F. Bohn, Haarlem 1923, tweede druk.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

XXXIII.
Vondel als de dichter van het Catholicisme.

De verwijdering van Hooft en Vondel, de beide heroën onzer litteratuur, werpt eene sombere schaduw op de schoonste, de zonnigste bladzijden der geschiedenis onzer letterkunde. En toch gaat ook uit die schaduw voor ons een poëtisch licht op over het leven onzer vaderen in dien gulden tijd. Vondel's overgang tot de Katholieke Kerk was daarin een veelbeteekenend feit.

Menigeen had dien overgang al enkele jaren te voren zien aankomen, want waar Vondel's hart heen trok was voor de bestrijders van zijn ‘Gysbreght van Aemstel’ reeds in 1637 niet twijfelachtig geweest, al werden eerst in de uitgaaf van 1659 vier versregels aan den engel Rafaël in den mond gelegd om aan te sporen tot volharding ‘by 't out geloof’. Ook kon Vondel in 1639, toen hij zijn treurspel Maeghden uitgaf, wel niemand diets maken, dat uitsluitend ‘groote zucht tot zyn geboorteplaats Agrippine’ hem den marteldood van St. Ursula met hare elf duizend maagden, van haar bruidegom Aethereus en van Paus Cyriacus had doen kiezen tot onderwerp van een treurspel, maar begreep iedereen,

[p. 482]

dat bovendien ook ingenomenheid met de door Protestant verfoeide heiligen- en reliquievereering zijne keus had bepaald. Immers, als op het eind van het stuk de geesten der door Hunnenpijlen doorboorde Ursula en Aethereus koning Attila en zijn maarschalk Juliaen op de vlucht hebben gedreven en Ursula's geest opnieuw aan Keulen's burgemeester en aan den aartsbisschop Aquilijn verschijnt om hun mee te deelen, dat door Attila's vlucht het beleg der bedreigde stad is opgeheven, wordt tevens voorspeld, dat weldra ook de overblijfsels der Driekoningen naar het ‘heiligh Agrippijn’ zullen gevoerd worden om daar in een ‘Driekoningskoffer’ den trots van de prachtige Domkerk uit te maken en er toe bij te dragen, dat de stad in het geloof zou blijven volharden ‘als een echte oprechte Roomsche dochter’, terwijl de aartsbisschop met zienersblik reeds de door Clematius gestichte ‘Maeghdekerck’ voor zich ziet, waar ‘Sinte Ursul noch feest noch ommegang’ zou ontberen.

Feitelijk echter had Vondel's overgang eerst plaats in 1641, zooals gebleken is uit de ‘Litterae Annuae’ der Jezuieten, aan wie ook Vondel zelf in een door hem medeonderteekend schrijven aan Paus Clemens X (van 1670) de eer zijner bekeering gaf. Deze waren dan ook, ofschoon bij placaat van 1612 uit de Vereenigde Gewesten verbannen, door de oogluikende vrijzinnigheid der Regeering overal als missionarissen ijverig werkzaam om bekeerlingen te maken, en slaagden daarin zóó goed, dat in al te angstvallige kringen zelfs voor verraad van het land aan den vijand kon gevreesd worden en de heftige Calvinisten geneigd konden zijn, ieder niet-strengrechtzinnige van papisterij te verdenken.

Welke missionaris het bepaaldelijk geweest is, die Vondel tot de Kerk bracht, is nog niet bekend. Men heeft aan Pater Petrus Laurentius gedacht, die in 1642 eene der drie toenmalige statiën te Amsterdam, namelijk die van den Krijtberg, stichtte, maar dan zou men althans wel een enkel gedicht van Vondel op dezen priester bezitten, zooals men een lijkdicht van hem heeft op Pater Augustinus van Teilingen († 1669), die ‘tot zijn hooge daegen het lastigh kruis geduldigh heeft gedraegen’ als pastoor der statie de Papegaai, wat hij reeds van 1620 af geweest was 1).

[p. 483]

Nog acht andere gedichten maakte Vondel op den stichter of op leden der Jezuietenorde, terwijl hij ook in 1657 met een viervoudigen lierzang zijne vreugde uitte over het herstel der Jezuietenorde te Venetië door de bemoeiingen van Paus Alexander VII, wiens inwijding en uitvaart hij eveneens met een lierdicht begeleidde. Zijn gedicht ‘Op het eeuwgetijde van den H. vader Ignatius de Loiola’, in 1656 gevierd, bewijst, hoeveel bewondering hij had voor den ‘soudenier’ van Jezus, die ‘Christus zegenrijken standert’ verhief tegenover de ‘slagordens van den Vorst der helle’ en aan zijne volgelingen het voorbeeld gaf om ‘godvruchtigheid en tucht en letterwijsheid in de steden’ te voeren en ‘in Oost en West by d'Indianen nieuw gebouwde kerken te doen rijzen’, zooals b.v. Franciscus Xaverius had gedaan, wiens ‘pater noster’ hij als eene kostbare nalatenschap reeds in het eerste jaar na zijne bekeering bezong en op wiens eeuwgetijde hij in 1652 een lofzang aanhief.

Was Vondel dus levenslang de Jezuietenorde dankbaar voor zijne bekeering, hoe kwam hij zelf aan de neiging om bekeerd te willen worden? 1). Op die vraag heeft reeds menigeen een antwoord trachten te geven, en daar het voor eene les van wereldwijsheid gehouden wordt, bij alle raadselachtige handelingen te zoeken, of het soms ook ‘de vrouw’ is, die de hand in 't spel had, heeft men dat ook hier gedaan. Men heeft Vondel's bekeering toegeschreven aan zijne liefde voor eene schoone weduwe (eene ‘welgegoede’, voegden zijne vijanden er bij) en later zelfs wat nader die weduwe als Tesselschade aangeduid. Men vergat dan echter, dat zij na Crombalch's dood zich ernstig had voorgenomen verder ongehuwd te blijven, terwijl in geen enkel geschrift

[p. 484]

of gedicht, door Vondel tot haar gericht, eenige andere toon dan die der vriendschap wordt gehoord, ook niet in het gedicht, waarmee hij aan haar onder den naam Eusebia in 1641 zijn ‘Peter en Pauwels’ opdroeg 1).

Toch zou men wel den naam eener vrouw kunnen noemen, die bij Vondel's bekeering betrokken was, namelijk dien zijner dochter Anna, die iets vóór haar vader tot de Katholieke kerk was overgegaan en zelfs als begijntje of klopje de tijdelijke kuischheidsgelofte had afgelegd. Daaruit is ook Vondel's vriendschap te verklaren voor Leonardus Marius, pastoor van de Oude Zijde niet alleen, maar ook overste van het Begijnhof, wiens ‘lykstaetsi’ Vondel in 1652 met een hartelijk klaaglied volgde, waarin hem o.a. de eer gegeven wordt, dat zijn ‘hant yder, die op een driesprong ysde’, den weg wees. Uit die woorden is niet zonder waarschijnlijkheid afgeleid, dat ook hij zijn aandeel zal gehad hebben aan Vondel's bekeering; maar dan volgt er tevens uit, dat Vondel zelf eenigen tijd op den driesprong gestaan heeft, vol angst, omdat hij niet wist, welken weg hij moest inslaan, ‘totdat hem door een klaerder blijck van 't Weereltlijck en Kerckelijck ontdeckt wiert in een schooner dagh de Perle, die verborghen lagh, waervoor men 't al met winst verliest.’

Vóór men hem geholpen had die ‘Perle’ te ontdekken, ‘bondt sijn jonkheit door errefleer zich aen één secte en geene meer’, zooals hij in 1650 in zijn ‘Toets-steen’ zeide ter weerlegging van de beschuldiging, als zou hij telkens van godsdienst veranderd zijn, eerst van Doopsgezind Remonstrant en daarna weder van Remonstrant Katholiek zijn geworden. De Arminianen hadden in hem alleen een politieken bondgenoot gehad, en alleen waar zij negatief tegen de gestrenge praedestinatieleer der Gomaristen optraden, was hij hun medestander geweest 2). Van de Calvinisten had hij slechts afkeer gevoeld, maar die afkeer behoefde hem nog

[p. 485]

niet in de armen van Rome te drijven. Wie zijn overgang wil verklaren, behoort alleen het oog te vestigen op de Mennonieten zijns tijds en zich dan af te vragen, wat hem in hun geloof onbevredigd liet, zoodat hij besloot de gemeente zijner ouders, waarvan ook hij eenmaal een ijverig lid was geweest, vaarwel te zeggen.

Vèr nu behoeven wij naar dat antwoord wel niet te zoeken. Wat toch was de onvervalschte leer der Doopsgezinden? Hij had gemeend het te weten, maar wist het niet meer. Er waren immers zoovele verschillende soorten van Doopsgezinden, die ieder hun eigen weg gingen, hunne eigen meening hadden, in overeenstemming met het individualistisch karakter van den Noordnederlander, dat te weinig strookte met zijne Brabantsche natuur. Er waren er velen, die in hun eigen geweten de stem Gods meenden te hooren; doch die stem sprak niet bij ieder dezelfde woorden. Er waren er nog meer, die de Schriften onderzochten en daaruit Gods wil meenden te kunnen opmaken; maar welk eene bron van strijd was dat geworden! Eenigen tijd had hij gemeend het veiligst te gaan door zich aan de letter der H. Schrift te houden; maar ook dat was hem gebleken nog geene zekerheid te kunnen geven. Woorden immers zijn wat zij gelden.

Had God zich inderdaad aan het menschdom geopenbaard - en Vondel schrok voor den twijfel daaraan met ontzetting terug - dan moest er ook een hooger dan persoonlijk gezag zijn, dat Gods woorden vertolkte, en dat hooger gezag nu leerde Vondel kennen in de van geslacht tot geslacht overgeleverde verklaring en aanvulling der bijbelboeken, die zuiver bewaard was gebleven in de Kerk van Rome met hare door den H. Geest bezielde kerkvergaderingen en hare onafgebroken reeks van plaatsvervangers van Christus op aarde, die door Gods genade in staat waren geweest de ware bedoeling van Christus aan elkaar en zóó aan het verre nageslacht over te brengen. Eerst toen hij geleerd had, den hoogmoed der persoonlijke overtuiging af te leggen en zich nederig te buigen voor het machtige kerkgezag, toen hij ‘door ootmoed was herboren’, gevoelde hij zich als een ‘van het hemelsche geslacht’, zalig in zijne verzekerdheid, gerust te midden van de telkens wisselende en elkaar bestrijdende meeningen zijner kettersche landgenooten.

Het eerste grootere dichtwerk, dat Vondel na zijne bekeering, nog in hetzelfde jaar, schreef, was zijn treurspel Peter en

[p. 486]

Pauwels 1), de verheerlijking van den eersten bisschop van Rome en van den grooten apostel der heidenen, in wier marteling Christus als het ware een tweeden kruisdood onderging. Christus echter was, zelf zondeloos, gestorven voor de zonden der menschheid, bij Peter en Pauwels werd juist de geestdrift voor het ondergaan van den marteldood uit schuldbesef geboren. Beiden toch hadden eene oude schuld uit te wisschen, die hun zwaar op het hart lag: de een zijne verloochening van Jezus, de ander zijne vervolging van de eerste Christenen. Deze maakte hun dood tot eene zedelijke noodzakelijkheid, en alzoo het treurspel tot eene ware tragedie, ook in Aristotelischen geest; maar juist omdat zij vrijwillig den dood zochten na eerst wonderdadig uit hunne gevangenschap verlost te zijn, omdat zij, uit diep berouw over het bedreven kwaad, door opoffering van hun leven getuigenis wilden afleggen van de waarheid hunner geloofsovertuiging, konden zij tevens werktuigen worden in Gods hand om in het goddelooze Rome der keizers die heilige kerk der pausen te grondvesten, wier rij, met Peter geopend, door Linus werd voortgezet.

Wèl is de ‘Peter en Pauwels’, evenals de ‘Maeghden’, de dramatiseering eener martelaarsgeschiedenis, maar tegelijk ook de voorstelling eener indrukwekkende wereldgebeurtenis: de overwinning van de Oude wereld door de Nieuwe. In de geesten van ‘Simon den toveraer’ en Elymas, bij den aanvang van het stuk (evenals de geesten bij Seneca) uit den afgrond der hel opgerezen om, in bondgenootschap met Cornelia, de opperpriesteres van Vesta, den bloedgierigen en wellustigen Nero aan te zetten tot vervolging der Christenen, is de oude, toen zoo diep vervallen, godsdienst van koning Numa verpersoonlijkt: het Heidendom, dat in Nero's verstandsverbijstering ondergaat. In Peter en Pauwels, de standvastige geloofskelden, die ‘triomfeeren’ konden, omdat zij ‘strijden, sterven, lijden’ hadden geleerd, openbaart zich de onweerstaanbare kracht en meesleepende gloed van den jongen godsdienst des Gekruisten, de wereldveroverende macht van het opbloeiende Christendom.

Toch heeft Vondel nooit de betrekkelijke waarde van het heidendom miskend, en allerminst de kunst der heidensche dichters, die ook na zijn overgang tot de Oude kerk zijne leermeesters

[p. 487]

in de poëzie gebleven zijn. Dat toonde hij reeds een jaar later, toen hij zich de moeite gaf de Heroides van Ovidius in proza te vertalen 1), niet om die vertaling uit te geven (zooals bij zijn leven ook niet is geschied), maar uitsluitend om zich te oefenen in den antieken briefstijl, dien hij zich wilde eigen maken voor een werk, dat hij terstond daarop aanving: zijne twaalf Brieven der Heilige Maeghden, martelaressen, of de ‘maeghdepalmen’ door hem toegewijd aan de ‘Hemelkoningin’, de ‘martelstarregordel’ door hem geofferd aan de ‘Zeestar’, die voor hem het licht was geworden ‘in 's weerelts nacht’.

Overgelukkig, dat hij zijne gemoedsrust in den schoot der oude moederkerk teruggevonden had, deed Vondel nu zijn uiterste best om ook anderen hetzelfde heil deelachtig te maken, waarvan hij zelf genoot. Zoo werd hij al spoedig ijveraar voor het katholieke geloof en schijnt hij ook meer anderen tot den Ouden godsdienst te hebben teruggebracht. In elk geval liet hij niet na, zooveel mogelijk in proza en dicht getuigenis af te leggen van zijne liefde voor de Katholieke kerk, en hare voortreffelijkheid ook voor anderen in het licht te stellen, zoodat hij daarmee voor alle tijden de dichter van het Catholicisme in ons land is geworden. Inderdaad, trotsch mag het Katholieke nageslacht er op zijn, dat bij ons geen kerkgeloof in schitterender gedichten verheerlijkt is dan het hunne, nadat onze grootste dichter voor dat geloof was gewonnen.

Natuurlijk, dat in zijn eigen tijd zijn rustelooze ijver voor dat geloof ook aan velen ergernis gaf en dat zijne geschriften op velen den indruk maakten van lasterschriften tegen de heilige zaak, waarvoor hunne voorouders goed en bloed hadden veil gehad; dat hij in de eerste plaats werd beschouwd als de man, die, ware het mogelijk geweest, weer alle gruwelen der inquisitie in het land zou hebben hernieuwd. Het allermeest waren het zijne oude vrienden, de Remonstranten, die hem zijn afval niet konden vergeven, maar die misschien nog niet zoo heftig tegen hem zouden zijn opgetreden, als het niet bekend geworden was, dat hij het was geweest, die onder de initialen R. C. (d.i. Roomsch Catholiek) den

[p. 488]

overmoed had gehad, hun grooten aanvoerder, tegen wien zij met eerbied en bewondering opzagen, Hugo de Groot, onmiddellijk na zijn dood voor te stellen als in zijn hart een voorstander van de Roomsche Kerk en misschien als geheim bekeerling gestorven.

Dat toch deed hij in 1645 door de uitgave van het prozaschrift Grotius Testament, waarin hij alles wat dienen kon tot verdediging of aanprijzing van de voornaamste leerstukken en instellingen der R.K. Kerk bijeenbracht uit De Groot's laatste geschriften, bepaaldelijk uit diens, kort voor zijn dood anoniem uitgegeven, ‘Rivetiani apologetici discussio’, als vervolg op zijne ‘Animad-versiones’ en zijn ‘Votum pro pace ecclesiastica’, in 1642 gericht tegen André Rivet, Leidsch hoogleeraar en later leermeester van Prins Willem II. Door ‘Grotius Testament’ gaf Vondel nieuw voedsel aan de verdenking van papisterij, waaronder de Remonstranten toch reeds bij velen stonden, en wakkerde hij veeleer den haat der Calvinisten tegen hen aan, dan dat hij hen zelf bewoog, het gewaande voorbeeld van Grotius te volgen, daar zij - en waarschijnlijk met recht - beweerden, dat iemand als Grotius, wiens hoogste ideaal een Christendom boven geloofsverdeeldheid was, zeer goed de overtuiging van anderen, en dus ook die van de Katholieken, waartoe ook zijne eigene moeder behoord had, kon waardeeren en er eene betrekkelijke waarheid in kon erkennen, zonder nog voor zijn eigen persoon diezelfde overtuiging voor te staan 1).

Nog in hetzelfde jaar, waarin ‘Grotius Testament’ verscheen, gaf Vondel, behalve een ‘Klaghte’ over den brand van de Nieuwe of St.-Katharinakerk, ter verheerlijking van zijn geloof nog een doorwrocht dichtwerk van drie jaren arbeids (schijnbaar te Keulen) uit, met zijne initialen op den titel, namelijk de ‘Altaer-Geheimenissen, ontvouwen in drie boecken’ 2). Ook dit werk is in de eerste plaats een strijdschrift: het wil door bestrijding der ketterij bekeeren tot de heerlijkheid van het altaar en is daarom een werk

[p. 489]

van ‘Godtvruchtigheit en Godtgeleertheit t'zamen’, waarbij historie, typologie en philosophie om strijd hare diensten moeten bewijzen; en toch is het geen droog leerdicht, maar frissche, stralende poëzie van het begin tot het eind, waarin stoute en lieflijke beelden en vergelijkingen elkaar als verdringen op den welluidenden maatslag van den iambischen vijfvoet. In drie boeken is de rijke stof verdeeld: in het eerste zingt Vondel ‘van d'Offerspijs der heilige Offerdisschen’ of de Communie, waarbij hem, als geestverwant van Calderon en zoon der middeleeuwen, eerst de schaduwbeelden van het Oude Testament eene flauwe voorstelling geven van dit altaarmysterie en vervolgens de apostel Johannes (met name Joh. VI) hem het geheim ten volle ontvouwt. Bij het tweede boek, waarin ‘Van Offereere’ of Aanbidding gehandeld wordt, is het een ander jongeling, die den dichter komt voorlichten, namelijk ‘Godtvruchtigheit d'Aertsengel’; en in het derde boek wordt de ‘eeuwige Offerhant’ of de H. Mis verklaard door ‘Sint Pauwels (met name in den Hebreeërbrief), die van boven neder quam, eene rol met brieven’ in de hand houdende als den grondslag van zijn betoog.

Dat hier de groote kerkleeraar Thomas van Aquino ook Vondel's leermeester was geweest, blijkt voldoende. Meer echter dankte hij nog aan de ‘Disputationes’ van Bellarminus; maar ook onder de levenden had Vondel wijze mannen gevonden, wier invloed op hem zich ook bij het schrijven van dit dichtwerk deed gelden, en wel bepaaldelijk Leonardus Marius, die in 1639 te Antwerpen ‘Amstelredams eer ende opcomen, door de denckwaerdige miraklen aldaer geschied aen ende door het H. Sacrament des Altaers’ had uitgegeven om daarmee in herinnering te brengen, dat het derde eeuwfeest van 't Mirakel der Heilige Stede in 1645 stond gevierd te worden 1). Nog meer onder den invloed van dat geschrift staat het gedicht, dat Vondel voor 't eerst achter de uitgaaf zijner ‘Altaer-geheimenissen’ liet drukken, namelijk het

[p. 490]

‘Eeuwgety der Heilige Stede t'Amsterdam’, toegewijd ‘aen d'oude burgerij’, en nog gevolgd door een kort gedicht, ‘Kenteken des afvals’, dat aan het eind het ‘stuiten van Kristus eeuwigh offer’ of het verbieden van de misbediening gelijkstelt met het ‘blusschen van de zon des Godtsdiensts’.

Een storm van verontwaardiging ging daarover op, en zelfs Hooft kon zijn leedwezen niet ontveinzen. Reeds vroeger, toen Vondel met vinnige hekeldichten gestreden had voor eene partij, die ook Hooft op zijne wijze voorstond, had de Drost bedenkelijk het hoofd geschud over den vechtlust, waaruit wel nooit de zoo gewenschte vrede kon geboren worden; en ook nu kon hij nauwelijks begrijpen, hoe iemand op bijna zestigjarigen leeftijd, waarop men toch eindelijk naar rust begint te verlangen, er nog lust in had, zoo tartend op te treden en zoovelen tegen zich in 't harnas te jagen. ‘Vondel heeft een veirs gemaakt op 't wonder, waaraf de Heilige Stee haaren naam draagt’, schreef hij aan Van Baerle, ‘en laat het openbaarlijk voor de boekwinkels ten toon hangen, gelyk de voorvechters de messen in de luifen steeken om de oogen van de verbygangers te tergen als met zeggen: wie 't hart heeft pluike. My deert des mans, die geenes dings eerder moede schijnt te worden dan de ruste’. Misschien had hij toen reeds ‘Der Poëten Vegt school’ gezien: een bundel, waarin Vondel's ‘paepsche rijmen’ met de heftige antwoorden er op bijeenverzameld waren. Hij vreesde, dat het Vondel wel weer eene nieuwe boete zou kunnen kosten, zooals bij het schrijven van zijn ‘Palamedes’, of, nog erger, dat ‘d'een oft d'ander heetharsen, by ontyde, de handen aan hem moghte schenden, denkende dat er niet een haan naa kraayen zoude’.

Dreigend genoeg toch waren de schimpdichten, waarmee Vondel's verheerlijking van ‘het verdichte wonder’ en van de ‘paapsche misse, die vervloekte afgoderye’ (zooals het in den Heidelbergschen Catechismus heet) was begroet; en toen er een verdediger voor hem was opgetreden, die zijne ‘nakrabbelaers’ bespotte, had een dezer, die zich ‘prudenter’ teekende, hem ‘ouwe geck, overgeven leugen-dichter’ gescholden en het volk toegeroepen: ‘Schuymt dit schuymsel in het rijse, delght in tijdts den Paepsen Hont’.

Van beter gehalte was de ‘Kracht des Geloofs’, een uitvoerig gedicht van Jacob Westerbaen, waarin met ernstig en waar-

[p. 491]

dig betoog en zelfs met gepaste vereering voor Vondel als dichter de grondslag, waarop de geheele leer der ‘Altaer-geheimenissen’ steunt, werd weggeredeneerd, nadat eerst op hatelijke wijze al Vondel's vroegere hekeldichten bij name in de herinnering teruggeroepen waren en betreurd was, dat zulk een man ‘de kerck, die hy had helpen bouwen’, nu weer verlaten had en ‘smaek vond in grollen en legenden, in Roomsche keucken gebrouwen’, en dat hij ‘den Ouwel nam met sulcke luy, die eens de mutsaert voor de ketters’ ontstaken. Hij mocht wel, zoo besluit het gedicht, aan den Tibergod vereerd worden om, als weerhaan op de Englenburcht geplaatst, te ‘drayen daer voor Innocent den Tiende’, aan wien Vondel ook reeds in 1644 een lierzang als ‘Olyftack’ had aangeboden, waarop destijds evenmin een antwoord was uitgebleven. Achter Westerbaen's gedicht vindt men nog een met P geteekend, ‘Toegift’, waarin, met toespeling op Vondel's spreuk ‘Justus fide vivit’, spottend gezegd werd: ‘Soo een rechtveerdig mensch door het Geloove leeft, hoe seecker gaet gy dan, Heer Vondel, boven and'ren! Gy hebt strax weer een nieuw, als u het out begeeft: de beesten dijen best, die veel van wey verand'ren.’

Misschien is Westerbaen's gedicht eerst in 1647 verschenen, want het schijnt in verband te staan met het toen (schijnbaar te Schiedam, maar inderdaad te Rotterdam) uitgegeven tweede deel van ‘J.V. Vondels Poesy’. Het verschijnen van dien bundel was Vondel onaangenamer dan alle schimpdichten, die er op hem uitgegeven werden. Hij zelf had in 1644 toegelaten, dat onder den titel ‘Verscheide gedichten’ voor het eerst eene verzamelde uitgave van zijne kleinere gedichten in 't licht werd gezonden, in 1650 onder den titel ‘Poesy’ nog eens vermeerderd herdrukt; en in eene narede ‘aen zynen afwezenden vrient’ had hij, uitgezonderd eenige met name genoemde grootere dichtwerken, alles wat die bundel niet bevatte, maar wat vroeger door hem was uitgegeven, ‘den nacht der vergetenisse toegedoemt’ en streng verboden die ‘op zijnen naam buiten zijn kennis en bestemminge te drucken’.

Dit nu werd toch gedaan in dat tweede deel, waarin vooral zijne oude hekeldichten bijeenverzameld waren en ook wel dergelijke gedichten, die men alleen aan hem toeschreef zonder voldoende zekerheid te hebben, dat hij ze ooit gemaakt had. ‘Men

[p. 492]

mengt der andren rijm, ook leuren, in mijn schriften’, zeide hij later, maar troostte zich met de bijvoeging: ‘doch wie mijn stijl verstaet, kan 't een van 't ander schiften’: iets wat evenwel zelfs nu nog niet gemakkelijk valt. Tot die onechte gedichten behoorden ook zestien versregels 1), waarin op de Katholieke kerk de meer gebruikelijke scheldnaam ‘Babylonsche hoer’ wordt toegepast en gezegd wordt, dat zij ‘in de wereldt saeyt het heyloos zaet waervan men sulcke vruchten maeyt’, als b.v. de moord op Hendrik den Groote geweest was. In het uitvaartgedicht op dien vorst, lang te voren door Vondel in 't licht gezonden, heetten die versregels voor te komen, ofschoon zij niet worden aangetroffen in de oudste uitgave, die wij van dat gedicht kennen die van 1622 dagteekent. Ongetwijfeld was dat gedicht echter reeds in 1610 afzonderlijk gedrukt, maar ongelukkig is van die eerste uitgaaf geen enkel exemplaar bewaard gebleven, zoodat wij nu niet met zekerheid weten, in hoever men te goeder trouw is geweest met deze versregels aan Vondel toe te schrijven. Mij komt het niet onwaarschijnlijk voor, dat zij inderdaad achter (en niet, zooals het heet, in) Vondel's gedicht waren afgedrukt en daarom ook Vondel's werk konden schijnen, maar daaraan door een ander (bv. den vermoedelijken uitgever Pers of Abraham de Koning) waren toegevoegd.

Niet alleen nu zijn deze zelfde verzen ook achter Westerbaen's ‘Kracht des Geloofs’ afgedrukt, maar bovendien ook komt de prozavoorrede voor dit zoogenaamde tweede deel van ‘Vondels Poesy’ naar den inhoud grootendeels, en zelfs hier en daar in woorden en uitdrukkingen, overeen met een gedeelte van Westerbaen's gedicht. Slechts in één opzicht is er verschil. In ‘Kracht des Geloofs’ worden uitvoerig de ‘Altaer-Geheimenissen’ bestreden, maar wordt met geen woord gerept van ‘Grotius

[p. 493]

Testament’, terwijl daarvan in de voorrede als van eene ‘onbeschaamtheit’ wordt gesproken en verder wordt aangewezen, ‘door wat valscheidt Vondel de Hollanders getracht had in te scherpen dat den Heere De Groot zoo Papist was, als Hy is’. Van ‘Grotius Testament’ heeft dit tweede deel van ‘Vondels Poesy’ dan ook blijkbaar zooveel mogelijk een tegenhanger willen zijn, om voor de valsche voorstelling, door Vondel van de Groot's geloofsovertuiging gegeven, hem als met gelijke munt te betalen. Was Grotius, de Remonstrant, door Vondel als Katholiek voorgesteld, hier werd twijfel voorgewend, of de liefde van den eertijds zoo Remonstrantsgezinden Vondel voor het Catholicisme wel oprecht gemeend was; ook hier werd echt met onecht vermengd; ook hier werden schijnbewijzen uit Vondel's eigen gedichten aangehaald om den indruk te geven, dat hij tot een kerkgenootschap had behoord, waartoe hij feitelijk nooit was toegetreden; en ook hier was het adres van den drukker niet het ware, terwijl tegenover Vondel's onderteekening der narede R.C. hier de voorrede met P. (d.i. natuurlijk ‘Protestant’) onderteekend was 1).

Wie nu heeft Vondel deze poets gebakken? Bij mij lijdt het geen twijfel, of Westerbaen heeft er den stoot toe gegeven en de jonge Geeraardt Brandt heeft het werk uitgevoerd. Het laatste is trouwens reeds vroeger op verschillende gronden hoogstwaarschijnlijk gemaakt en schijnt zelfs door Brandt op lateren leeftijd en onder bedekte termen erkend te zijn, toen hij er berouw van had, Vondel terzelfder tijd, waarin hij hem vriendschappelijk bezocht, anoniem zoo bitter te hebben gegriefd. Wij willen echter aan Brandt zijne dubbelzinnige houding vergeven, niet alleen om zijn later berouw, maar vooral ook, omdat hij zooveel mogelijk wat hij aan Vondel had misdaan heeft trachten goed te maken, voornamelijk door samen met Vollenhove in 1682 eene eerste werkelijk volledige uitgave van Vondel's kleinere dichtwerken in het licht te zenden en daarbij dat voortreffelijk ‘Leven van Joost van den Vondel’ te schrijven, dat voorgoed Vondel gemaakt heeft tot het middelpunt onzer litteratuurgeschiedenis der 17de eeuw.

Intusschen had Vondel reeds een jaar te voren, in 1646, opnieuw getuigenis van zijn katholieken ijver gegeven in zijn

[p. 494]

treurspel ‘ Maria Stuart of gemartelde Majesteit’ 1), waarin hij haar laatsten levensdag dramatiseerde en haar marteldood deed verhalen en betreuren. Aan haar achterkleinzoon, den Paltsgraaf Eduard, die evenals hij tot de Katholieke kerk was overgegaan, droeg hij het stuk op. De jongste gebeurtenissen in Engeland waren voorzeker voor hem de aanleiding geweest om dit onderwerp te kiezen. Reeds in 1641 had hij zijne ergernis getoond over de terechtstelling van den Ierschen onderkoning, den Graaf van Strafford, en in 1644, toen de Puriteinen in Engeland meester waren en Koning Karel I als balling in zijn eigen land rondzwierf, had hij reeds eene ‘Klaghte’ aangeheven ‘over de weerspannelingen in Groot Britanje’, de nazaten der moordenaars van haar, ‘die 't aertsche Rijck versmade om 't Kristaltaer’, en had hij, behalve nog een paar andere hekeldichten, ook een ‘Morgenwecker’ geschreven voor de ‘Sabbatisten’, wier ‘scepterstormen’ hen tot volgelingen gemaakt had ‘van Lucifer, die naer zijn Scheppers scepter stont’.

Evenals eenmaal in Maria Stuart de majesteit van het koningschap bij Gods genade was aangerand en de Katholieke koningin was gestorven als martelares voor haar geloof, zoo vergrepen de Presbyterianen zich ook nu, meende Vondel, in Karel Stuart aan de vorstelijke majesteit en de Katholieke kerk, voor welke Karels heimelijke sympathie geen geheim meer gebleven was. Vandaar dan ook, dat hij in het derde bedrijf van zijn treurspel aan Burgon, Maria's lijfarts, deze profetie in den mond legde:

 

 
‘Ick sie Britanje noch in 't uiterste gevaer;
 
De stale vuist des Schots verwart in 't Engelsch hair;
 
De rechtbijl scherp gewet op 's Konings Stedehouders
 
En 's Kantelbergers hals; het graeuw op zijne schouders
 
Des Ouderlings gezagh verheffen op de straet
 
En Londen hoofdeloos verscheuren zijn gewaet.’
[p. 495]

Overal in dit lyrische drama, maar vooral in de reizangen der Staetjofferen, klinkt de stem van het heden door het verleden heen, hoe diep Vondel ook overigens al het aandoenlijke van dat verleden moge gevoeld hebben. Dat Vondel in dit stuk, als historiespel, ten aanzien van de vroegere en latere gebeurtenissen in Maria's leven en ook ten aanzien van hare onschuld, volkomen in overeenstemming was met een protestantsch geschiedschrijver, William Camden, wiens ‘Rerum Anglicarum et Hibernicarum Annales, regnante Elisabetha’ (van 1625) hij nauwkeurig, meermalen zelfs woordelijk, heeft gevolgd, vrijwaarde hem niet tegen de verontwaardiging der Calvinistische partijdigheid, voor wie het gewoonte geworden was, zonder nauwkeurige onderscheiding, het ontzettend gevaar, dat eenmaal van de Armada gedreigd had, op rekening te stellen van Maria Stuart, en in het doodvonnis, geveld door eene zoo getrouwe bondgenoote als Elisabeth, eene rechtvaardige straf te zien.

Het regende weder schimpdichten op Vondel, ‘den onbeschaemden paepschen leughen-dichter’, zooals hij genoemd werd in een ‘Vasten-avontsgift’, die op eene Schotsche ‘Distelroe’ volgde. Zelfs de ‘Geest van de Coningin Elisabeth’, door Vondel eene bloeddorstige Herodias genoemd, werd ‘uyt den grave opgheweckt’ om haar lasteraar te lijf te gaan, en zekere juffrouw Gondina van Weert verwierf van verschillende kanten lof- en dankdichten voor het ‘Vagevier’, dat zij in heftige alexandrijnen voor Vondel stookte. Tegenover zijne ‘Maria Stuart als gemartelde majesteit’ gaf de Haarlemsche schilder Steven Teunisz. van der Lust in een ander treurspel eene veel minder historische, maar zijns inziens ‘Ongheblanckette Maria Stuart’ te zien, terwijl Joachim Oudaen als tegenstelling eene protestantsche ‘Johanna Grey’, het slachtoffer der katholieke Maria Tudor, tot de heldin maakte van een treurspel, waarvoor hij, zooals hij zeide, de stof uitsluitend uit ‘Roomsch-gesinde schrijvers’, zooals Thuanus en André du Chesne geput had; doch als dichters traden beiden Vondel slechts met looden schoenen na.

Vondel had zijne ‘Maria Stuart’ anoniem uitgegeven ‘te Keulen in d' oude druckerye’, zooals het heette. Toch werd eene boete van honderd tachtig gulden hem opgelegd en door zijn uitgever Abraham de Wees betaald. Blijkbaar zag de Regeering den ondergang van Karel I te gemoet en wenschte zij moeielijk-

[p. 496]

heden met het Engelsche parlement te voorkomen. Toen in 1649 Karel gedeeld had in het bloedig lot zijner grootmoeder, schreef Vondel bij dien ‘vader-moort’ zes vinnige versregels op Cromwell, den ‘vermomden Lucifer’, dien hij vijf jaar later aan de kaak stelde als ‘Protector Weerwolf’ of ‘Milord Isegrim’, onder wiens schijnheilige dwingelandij de ‘arme Gentelmans’ toen gebukt gingen, terwijl hij in 1650 eene ‘Graf-naeldt’ oprichtte voor den Graaf van Montrose, gesneuveld bij eene poging om Karel II in Schotland tot koning te doen uitroepen.

Na de hevige aanvallen, die Vondel's optreden als katholiek dichter tengevolge had, zou men er zich misschien over kunnen verbazen, dat hem reeds een jaar later werd opgedragen, het feeststuk te maken, waarmee de Munstersche vrede op den Schouwburg, min of meer officiëel zelfs, zou worden gevierd. Men moet dan echter bedenken, dat verreweg de meerderheid der bevolking van ons land vredelievend en verdraagzaam was, en dat deze meerderheid toen, al sprak zij zich in het openbaar uit den aard der zaak minder uit, toch ten slotte den meesten invloed oefende op den loop der zaken, terwijl de heftigheid der uiterste partijen ten gevolge van den plomperen toon en de ruwere zeden dier dagen aan ons nu nog grooter toeschijnt dan zij inderdaad was. Het leven had er wat meer kleur door, maar de haat was daarom nog niet feller.

Natuurlijk begreep Vondel zeer goed, dat hij van het tooneel voor geheel Amsterdam met hare Regeering niet als voorstander van de goddelijke macht der koningen en van de heerlijkheid der Katholieke kerk mocht optreden, en wel allerminst bij gelegenheid, dat de zegepraal van volks- en godsdienstvrijheid op staats- en kerkdwang gevierd werd als een door alle Europeesche vorsten en prelaten erkend feit. Evenzeer begreep hij, dat bij de feestvreugde zijn gewone treurspeltoon niet paste. Hij koos zich daarom den vorm van het herdersspel en gaf in zijn Leeuwendalers zijn eerste (en laatste) ‘landspel’, zooals hij het noemde, reeds in 1647 gedicht en zelfs gedrukt, maar eerst den 7den Mei 1648 vertoond, toen de Vrede van Munster wel reeds geteekend, maar nog niet plechtig afgekondigd was.

Daar hij den tachtigjarigen oorlog niet meer was blijven beschouwen als een opstand tegen vorstelijke dwingelandij en kerkelijke heerschzucht, stelde hij zich dien nu het liefst voor, zooals hij

[p. 497]

zich in de laatste dertig jaar ook het meest had kunnen voordoen, als een onderlingen strijd namelijk der beide helften van Nederland-Leeuwendaal, de Zuidelijke onder Lantskroon, de verpersoonlijking der Aartshertogen, van welke hij de ‘godtvruchtige Isabella’ in een lijkdicht bij hare uitgestelde begrafenis als ‘vredemoeder’ verheerlijkte, en de Noordelijke onder Vrerick, den door hem zoo vaak bezongen en nu, kort vóór het sluiten van den vrede, overleden Frederik Hendrik. Als stam- en godsdienstverwant van het Zuiden, maar voedsterzoon en staatsburger van het Noorden, had hij de vijandelijke verhouding der gescheiden deelen van dat geliefde Leeuwendaal reeds lang betreurd, en vurig uitgezien naar den dag, waarop aan dien strijd, die telkenjare bloedige offers vorderde, door den wil der Godheid een einde zou komen. En nu had dan de Godheid gesproken: nu mochten in Adelaert en Hageroos, de edelste jeugd van beide landstreken, zich ‘Zuidt- en Noortzy paren’: ‘de tweedragt was vervaren, het was al boter tot den boom, men zong al Pais en Vre’. Zoo was voor Vondel het feest van den Munsterschen vrede in de eerste plaats het verbroederingsfeest van Zuid en Noord, die, al zou ook ‘voortaen de Noortzy een Vryheit op zich zelf blijven’, toch in het vervolg weer één zouden kunnen zijn door de liefde hunner zonen en doehteren. Deze geest spreekt duidelijk uit het geheele landspel, en wie verder nog (ik zeg het Vondel na) ‘neuswijs in alle personaedjen, vaerzen en woorden geheimenissen zoeckt, zal ze 'r niet visschen’ 1).

Had zijn landspel Vondel eenigermate uit de theologische sfeer gerukt, waarin hij voor en na zijne bekeering zoo lang had geleefd, ook in 't vervolg namen theologische studiën een groot deel van zijn tijd in beslag. Ongetwijfeld heeft hij jaren lang besteed aan een groot leerdicht, dat hij in 1662 uitgaf onder den titel Bespiegelingen van Godt en godsdienst 2). Drie jaar te voren had hij als proeve reeds ongeveer vierhonderd verzen uit het vijfde boek er van (vs. 875-1252) afzonderlijk in het licht gezonden onder den titel ‘Onderwys van het geloofshooftpunt der H.

[p. 498]

Dryeenigheit’, hoofdzakelijk gericht tegen Faustus Socinus en zijne aanhangers, als ‘de godtloose Ostorot en Frans [Davidsz.] te Zevenbergh’ (door Van Lennep, grappig genoeg, voor ‘Ostrogothen en Franschen’ gehouden). Slechts twee versregels, die niet in de ‘Bespiegelingen’ voorkomen, heeft hij aan dit fragment toegevoegd, namelijk: ‘Zoo ziet men 't louter woort van 't schuim der ongodisten in assche en enckel roock en smoock veralchimisten’, als bewijs dat in zijn geest Faustus Socinus zich vereenzelvigd had met doctor Faust, den duivelskunstenaar uit het volksboek.

Ook dit dichtwerk bleef niet onaangevochten. Anoniem nam Oudaen het voor de Socinianen op met een nog wat uitvoeriger gedicht: ‘Naerder onderrechtingh, vereyscht op het onderwijs der dry-eenigheydt’, waarin o.a. aan Vondel verweten wordt, dat hij ook de hulp van Talmud en Heidensche schrijvers als Plato had ingeroepen om de overoude heiligheid van het getal drie te bewijzen. Oudaen zag daarin terecht een ijdel spel, dat hem nog te meer mishaagde, omdat hij vermenging van Christelijk en Heidensch niet kon dulden, terwijl Vondel met zijne liefde voor symboliek ook de mythologie niet versmaadde, als zij hem maar goede zinnebeelden verschafte voor zijne Christelijke denkbeelden.

Het groote leerdicht ‘Bespiegelingen van Godt en godtsdienst’ behoefde, ook buiten katholieke kringen, geen aanstoot te geven, daar het gericht was tegen ‘d'ongodisten, verlochenaers der Godtheit of goddelycke Voorzienigheit’, wier aantal nu juist destijds zoo bijzonder gering wel niet was, maar die het niet zoo licht waagden, openlijk voor hunne meening uit te komen. De aanvallen werden dan ook meest tegen heidensche schrijvers en wel bepaaldelijk tegen Lucretius gericht, en vervolgens ook tegen de Socinianen. Terwijl het gedicht ook blijken geeft van bekendheid met natuurphilosophische werken en stelsels, en zich ook op sterrekundig gebied beweegt, bestrijdt het de leer der eeuwige zelfbeweging in de natuur en gaat het, tegenover de theorie van Copernicus, nog uit van de juistheid der Ptolemaeische voorstelling van de aarde als het onbeweeglijke middelpunt des heelals. Om de poëtische waarheid van Vondel's wereldbeschouwing volkomen te gevoelen, moet men beginnen met zich terug te verplaatsen op zijn, in de 17de eeuw nog door velen ingenomen, Ptolemaeisch standpunt.

[p. 499]

In vijf boeken is het werk verdeeld. In het eerste geeft Vondel zijne bewijzen voor het bestaan van God, in het tweede onderzoekt bij de eigenschappen, die God noodwendig bezitten moet; het derde boek bespreekt Gods werken; het vierde betoogt de onmisbaarheid en de beteekenis van den godsdienst, waarna in het vijfde gronden worden aangevoerd, waarom alleen in een bovennatuurlijk geopenbaarden godsdienst, zooals de Katholiek-Christelijke, de ware godsdienst mag worden gezien. Als stelselmatig betoog is dit gedicht te vergelijken bij De Groot's ‘Bewys van den waren godsdienst’, dat Vondel natuurlijk door en door kende; maar wie het vergelijkt, zal tevens kunnen zien, hoeveel dichterlijkor Vondel's opvatting van den godsdienst was, zoodat hij door zijn onvermoeid beeldend vernuft zelfs in staat was, nu en dan het dorre geraamte der abstracte redeneering tot een bloeiend lichaam te maken, dat althans bekoort, wanneer de redeneering ook al niet overtuigt.

Hooger echter staat het leerdicht, dat hij in 1663 liet volgen en dat veeleer een lyrisch epos zou kunnen genoemd worden: De Heerlyckheit der Kercke 1). In drie boeken verhaalt hij daar, in den lyrischen toon der verheerlijking, ‘ingang, opgang en voortgang’ van de Kerk, of m.a.w. haar zinnebeeldig voorbestaan in de geschiedenis der menschheid vóór Christus' komst, zooals Augustinus dat had leeren zien, vervolgens hare stichting door Christus, zijne apostelen en martelaren tot op hare zegepraal door Constantijn den Groote, en eindelijk hare verdere ontwikkeling en uitbreiding door het beteugelen der ketters en het herwinnen van het, helaas! weer verloren, Heilige land. ‘Dus verre was zyn zangh de Heerlyckheit der Kercke op 't spoor van 't heilzaem licht gevolght’, toen de stemmen der afvalligen om hem heen hem beletten zijn tafereel te voltooien, zoodat hij slechts kon eindigen met eene bede: ‘Verlicht ze, o Heer, die 't licht der vaderen verlaeten, verzamel uw verstroide uit Oost en West byeen, opdat ze, in ééne koy vergadert, zich gewennen één herder, en zijn stem

[p. 500]

te hooren en te kennen’, Aan Paus Alexander II droeg hij het gedicht op; of het dezen ook bereikt heeft, is onbekend.

Tusschen deze beide groote dichtwerken in, ook nog in het jaar 1662, gaf Vondel zijn Johannes de Boetgezant 1) uit, zijn eenig episch gedicht, want zijne Constantinade werd vóór de voltooiïng weer verscheurd en van zijn plan om ‘naer 's Mantuaners wetten den krijghshelt Bato met opklinckende trompetten in top te voeren naer den eisch van 't vrye lant, door twalef boecken heen’, waarvan hij in zijn ‘Parnasloof’ of opdracht zijner vertaling van Virgilius' werken in verzen aan Cornelis de Graef in 1660 sprak, schijnt later niet meer gekomen te zijn.

Men zou ‘Johannes de Boetgezant’ eene dichterlijke levensbeschrijving kunnen noemen, rijk aan levendige, met gloed en kunst geschilderde tafreelen, waaronder dat van den dans van Herodias' dochter uitmunt; maar wie het liever beschouwen wil als een heldendicht in zes zangen, kan daarvoor wel het een en ander aanvoeren. Een episch karakter toch heeft reeds het begin van het dichtstuk, waarin ‘de vader der genade’ zijn engel Gabriël afvaardigt om Johannes op te dragen als boetprediker de komst des Verlossers aan te kondigen. Daar Vondel hier het begin van Tasso's epos bijna op den voet heeft gevolgd, en ook Milton in zijn ‘Paradise lost’ daarvan gebruik heeft gemaakt, is overeenstemming van Vondel met Milton hier zeer verklaarbaar. Episch ook is in den vierden zang het (weder aan Tasso en Milton herinnerend) optreden van Lucifer in zijn helraad en zijn afvaardigen van Apollion, die hoogepriester en koning tegen Johannes moet opzetten en zoo den Dooper in het verderf moet storten. Episch is eindelijk het slot, waar Johannes, na zijne onthoofding naar het voorportaal der hel afgedaald, door aartsvaders en profeten begroet wordt als wegbereider ook dáár van den Verlosser, die gereed staat de macht der hel te breken en zijne getrouwen met zich ten hemel te voeren.

Eindelijk schreef Vondel nog in 1667 ter eere van de missie der Jezuieten in China zijn, over het algemeen als tooneelstuk niet bijzonder geslaagd, in elk geval weinig aangrijpend treur-

[p. 501]

spel Zungchin 1), dat wel den ondergang van den Chineeschen dwingeland Tsoeng-tsjing in 1644 en den val der Ming-dynastie na de overrompeling van Peking door de opstandelingen onder Lykungzus ten tooneele voert, maar misschien nog meer den Keulenaar Adam Schal, ‘overste der priesteren van de Societeit’, die tot zijn dood in 1666 grooten invloed in China heeft gehad en daar veel heeft gedaan tot verbreiding van het Christendom. Ook wordt het stuk besloten met het verschijnen van den geest van Franciscus Xaverius, die den ondergang van Zungchin's bestrijder voorspelt en tevens den bloei van het Christendom in China onder de regeering van Sjoen-tsji, den grooten khan der Tartaren. De in 1655 gedrukte ‘ De bello Tartarico historia’ van Martino Martini heeft aan Vondel grootendeels de stof voor zijn treurspel verschaft, en daarnaast waarschijnlijk ook het in 1667 uitgegeven groote werk over China van den bij Vondel bekenden en zelfs in een gedicht door hem geprezen geleerden Jezuiet Athanasius Kircher.

Behalve deze grootere dichtwerken en zijne ‘Kruisklacht’, eene fraaie vertaling van het ‘Stabat mater’, zouden wij nog talrijke kleinere gedichten kunnen noemen, die bewijzen, dat geene gebeurtenis van eenige beteekenis voor de Katholieke kerk, vooral in onze gewesten, maar toch ook daarbuiten, ongemerkt aan Vondel voorbijging. Zoo ontlokte in 1654 de troonsafstand, later de bekeering en ‘blijde inkomste in Rome’ van de Zweedsche Koningin Christina, die trouwens ook reeds vroeger door hem bezongen was, hem dank- en jubelliederen. Zoo volgde hij met gezangen de gebeurtenissen in het Duitsche rijk, voortdurend door de Turken bedreigd, zooals hij reeds was begonnen in 1634 met zijn gedicht ‘Op de tweedraght der Christe Princen’, die ‘vast malkanderen in 't hair saten, terwjl d'erfvyant, de felle Turck, in sijn vuist lachte’ (op muziek gezet door Cornelis Thymans Padbrué in 1640), en zooals hij nog bleef doen in 1670, toen hij een dichterlijken lauwerkrans vlocht voor den Graaf van Koningsmark, die nog eene laatste, zij het ook vergeefsche, poging had gedaan om te verhinderen, dat Kandia in handen van den Sultan viel.

Groot ook is het aantal liederen, door hem aan pausen,

[p. 502]

bisschoppen (zooals Philippus Rovenius, aartsbisschop van Utrecht in partibus) en vooral aan hem bevriende priesters toegezongen bij hunne inwijding of uitvaart of bij andere gelegenheden. Ook was de Jezuietenorde niet de eenige kloosterorde, waarin hij belang stelde. Verscheidene andere kloosterdichten schreef hij, zooals op Bruno van Keulen, den stichter der Karthuizerorde, op den oudprior der Antwerpsche Carmelieten, Karel Couvrechef, en op een drietal Minderbroeders. Voor ‘Sinte Clare’ hief hij zelf een lofzang aan, aan ‘de geestelijke maeghden’, die ‘van drie staeten den besten, den staet van 't maeghdeleven’, hadden gekozen, legde hij er een in den mond. Aan twee van die maagden, aan zijne nicht Anna Bruining en aan Margarita Krulis 1), reikte hij met diep gevoelde poëzie, die van groote ingenomenheid met het geestelijk leven getuigt, den ‘Maeghdepalm’ toe, toen zij hare professie deden in de orde der Clarissen, en toen Dina Noordijck en later Joanna en Helena Blezen als begijn of als klopje hare geloften van zuiverheid en gehoorzaamheid aflegden, vereeuwigde hij hare ‘staetsie’ met zijne zangen.

Zoo mag dan met recht Vondel bij ons de dichter van het Catholicisme worden genoemd en is het ook geen wonder, dat al wat katholiek is hier te lande hem met devote liefde, bijna als een heilige, vereert, en hem beschouwt als den dichter, die het hoogst bereikbare bereikt heeft: het verhevenste te bezingen in den voortreffelijksten vorm en op de veelzijdigste wijze, naar inhoud en vorm tegelijk. En inderdaad, in zijn lateren levenstijd waren voor Vondel godsdienst en poëzie samengesmolten tot ééne hoogere eenheid van het verhevene en het schoone: zijne poëzie was godsdienst geworden, zooals zijn godsdienst poëzie. Als zoodanig moge ook de niet-katholiek de grootsche schepping van dezen dichtervorst bewonderen.