|
|
|
| |
XXXVII. Werk en invloed van Cats na 1625.
Nadat
Jacob Cats zijn
‘Houwelick’ had uitgegeven, wijdde hij zich als
pensionaris van Dordrecht aanvankelijk vooral aan staatszaken,
waardoor hem in 1627 het voorrecht te beurt viel, als buitengewoon gezant naar
Londen te worden afgevaardigd, hetgeen hem de ridderketen van
St.-Joris bezorgde. In 1630 verloor hij zijne vrouw aan eene slepende ziekte.
Slechts twee dochters, Anna en Elisabeth, liet zij hem na, van welke de eerste
met Jonkheer Cornelis van Aerssen, drost van Breda, en de tweede eerst met den
later zoo beruchten griffier Cornelis Musch en vervolgens met Dirck Pauw in het
huwelijk trad. Beredeneerende, dat een weduwnaar van over de vijftig jaar
onverstandig deed met een nieuw huwelijk aan te gaan, bleef Cats nu
verder ongetrouwd, en in zijne eenzaamheid zocht hij zijn troost weder in de
dichtkunst. Dikwijls was hij er zoo mee vervuld, dat hij, als ‘in
barensnood’ verkeerende, 's nachts opstond, licht aanstak en opschreef
wat hem in den zin was gekomen, zooals hij vertelt in eene uitvoerige en tot in
kleine bijzonderheden volgehouden vergelijking van het ter wereld brengen
zijner papieren kinderen met hetgeen er in eene kraamkamer pleegt voor te
vallen.
In 1632 was het een groote bundel van niet minder dan 122
zinnebeelden, dien hij uitgaf onder den titel
Spiegel van den Ouden en Nieuwen Tijdt, en die
later wat gewijzigd en ook iets vermeerderd is. In drie deelen is het werk
verdeeld, en elk van deze wordt met een spreukenbundel in verschillende talen
besloten. Het eerste deel bevat zinnebeelden over kinderopvoeding, vrijerij en
liefdesverhoudingen, het tweede over huiselijke zaken en burgerlijk leven, het
derde over ambtsbediening en staatszaken en wordt met Christelijke bedenkingen
besloten. Van eene spreuk als opschrift voorzien, worden de aardige prentjes
verklaard in gedichtjes, gedeeltelijk in alexandrijnen, gedeeltelijk in
korteren versvorm, en besloten met een schat van zinrijke aanhalingen uit
allerlei | | | | schrijvers. Van alles wat
Cats schreef hebben de versjes van dezen bundel
misschien de meeste bekendheid verworven: hoort men soms nog iets van hem
aanhalen als gevleugeld woord, dan zal het licht uit dezen bundel zijn.
Van minder omvang en beteekenis is zijn daarop in 1633 gevolgd
dichtwerk
Klagende Maeghden, en nauwelijks had hij het
voltooid, of hij zette een veel grooter werk op touw, het omvangrijkste dat wij
van hem bezitten en dat, in 1635 voor de pers gereed, twee jaar later het licht
zag onder den titel ‘'s Werelds begin, midden, eynde, besloten in
den Trou-ringh, met den Proef-steen van denselven’. Wat
het voor een werk is, kunnen wij misschien het best aanduiden door het een
novellenbundel in verzen te noemen, waarin vijftien groote verhalen zijn
opgenomen, die zelfs soms nog - bij uitweiding - één of meer
kleinere vertelsels bevatten. Den inhoud dezer verhalen heeft Cats,
zooals hij zegt, ‘niet erdicht ofte in syn eygen breyn gesmeet, gelijck
het gebruyck van de Poëten veel plagh te wesen’, maar hij heeft
‘beter gevonden de geschiedenissen van goede schrijvers te
ontleenen’, en welke schrijvers dat waren heeft Dr. Worp voor ons
onderzocht
1), die tevens heeft
doen zien, hoe vrij hij soms met zijne stof omspringt door het tusschenvoegen
van eigen opmerkingen of het uitspinnen van allerlei bijzonderheden.
In vier afdeelingen heeft hij den bundel verdeeld. De eerste bevat
vijf ‘Trou-gevallen’, aan den Bijbel ontleend, o.a. het
‘Gront-Houwelick’ van Adam en Eva in het Paradijs, en, als een van
de levendigste verhalen, de ‘Maegden-roof van de Ben-jamyten te
Silo’. Van de vier verhalen der tweede afdeeling vermeld ik alleen de
‘Spoock-liefde, besloten met het houwelick van Cyrus en Aspasia’,
naar de ‘Varia Historia’ van Aelianus, waaruit ook onder de zes
verhalen van de derde afdeeling het uitvoerigste van alle, de ‘Opkoomste
van Rhodopis, een borgelicke dochter, tot de koninghlicke kroone’, is
genomen. In deze afdeeling vindt men ook het bekende ‘Trougeval tusschen
een Spaensch edelman ende een heydinne (Preciosa)’, dat hij, evenals weer
anderen na hem, middellijk ontleende aan ‘La Gitanilla de
Madrid’ (1613) van
Cervantes, terwijl de ‘Monita et exempla
politica’ van
Lipsius hem de stof leverden voor zijne
‘Mandraghende maeght’, d.i. | | | | de verdichte
liefdesgeschiedenis van Emma, de dochter, en Eginhard, den secretaris van Karel
den Groote. De andere verhalen zijn geput uit
Herodotus,
Plutarchus,
Diogenes Laërtius,
Athenaeus en
Achilles Tatius, uit
Ovidius,
Livius,
Plinius en de
Gesta Romanorum, en verder nog uit
Boccaccio's
Decamerone (V 9, X 4), uit ‘Il
Pecorone’ (1558) van
Ser. Giovanni en uit een werk van den rechtsgeleerden
Jean Papon. De vierde afdeeling eindelijk wordt geheel
ingenomen door twee onder den invloed van het Hooglied geschreven lange
bijeenbehoorende gedichten: ‘Lofsang’ en ‘Bruylofts-gedicht
op het Geestelick Houwelick’, door den dichter aan zijne beide, toen
gehuwde, dochters toegewijd.
Meer in bijzonderheden den ‘Trou-ringh’
te bespreken is hier ondoenlijk, maar dit kan er toch wel van gezegd worden,
dat de verhalen zich zeker niet minder aangenaam zullen hebben laten lezen dan
de vele prozanovellen, die destijds tot de gewone lectuur behoorden, en dat
alleen het snoeimes noodig zou zijn om er in onzen tijd dankbare lezers aan te
bezorgen. Dat het in Cats' eigen tijd aan lezers niet ontbrak, blijkt
wel uit de mededeeling van den uitgever, dat van geen der werken van vader
Cats zoovele exemplaren in twintig jaar zijn verkocht; en dat zegt nog
al iets voor een zoo kostbaar werk, als men weet, dat er vóór
1655 van den ‘Spiegel’ omstreeks vijf en twintig duizend en van het
‘Houwelick’ omstreeks vijftig duizend exemplaren gedrukt zijn. Niet
weinig ook heeft het bijgedragen tot den roem van
Anna Maria Schuermans, ‘'t wonder-stuck van
onsen tijt’, wier portret met eerbrief, lofdichtje en een geheelen
catalogus van hare verdiensten en begaafdheden tot het voorwerk van het boek
behoort
1).
Cats zelf meende met zijn
‘Trou-ringh’ aan Holland iets geschonken te hebben,
‘waerdoor men overlangh noch sijner sou gedencken’, en was er
zóó mee ingenomen, dat hij het tegelijk ook in Latijnsche
vertaling wilde doen verschijnen; en daarvoor heeft hij
Barlaeus, maar niet terstond en slechts
gedeeltelijk, weten te winnen; en toen deze geen lust had het werk verder voort
te zetten, heeft de Haagsche rechtsgeleerde
Cornelis Boey, Zeeuw van geboorte als Cats en
door eene psalmberijming en andere middelmatige Nederlandsche en Latijnsche
gedichten bekend, er nog de vertaling van sommige verhalen aan toegevoegd, | | | | terwijl
Cats zelf de geschiedenis van Jacob, Lea en Rachel in Latijnsche
verzen als ‘Patriarcha bigamos’ heeft overgebracht. Onder den titel
‘Faces Augustae’
1)
verscheen in 1643 dit werk, dat echter slechts van ongeveer de helft der
verhalen eene zeer vrije en zeer bekortende vertaling leverde.
Kort vóór de ‘Trou-ringh’
het licht zag, namelijk in 1636, was aan
Cats de eer te beurt gevallen, met algemeene
stemmen benoemd te worden tot Raadpensionaris van Holland en West-Friesland in
plaats van Adriaen Pauw, met wien hij reeds in 1630 op de voordracht had
gestaan, maar die toen boven hem verkozen was, omdat men liever niet aan een
Zeeuw dat hooge ambt in Holland gunde. Nu echter bleek zijne afkomst geen
beletsel meer. Ook had men hem reeds te voren opgedragen het ambt tijdelijk
waar te nemen, terwijl Pauw als gezant in Frankrijk verwijlde. In 1645 werd hij
bovendien nog tot Groot-zegelbewaarder en Stadhouder van de leenen benoemd. Van
het raadpensionarisschap zeide hij zelf later, in overeenstemming met zijne
plechtige verklaring vóór de benoeming, ‘ick had het niet
gesogt en 't is my evenwel in stilheyt toegebrogt’.
‘Godt geeve, dat het hem ende den lande zaeligh zy’,
schreef Hooft, toen hij het vernam, zeker niet zonder daaraan
eenigszins te twijfelen. Aan Cats zelf is dan ook het bekleeden van
dat aanzienlijk ambt, het gewichtigste in de Republiek naast dat van de
Stadhouders, altijd zwaar gevallen naar zijn eigen getuigenis; maar zijne
volgzaamheid bij voldoende kennis en bekwaamheid maakte hem er juist zoo
geschikt voor in een tijd, waarin Frederik Hendrik zeker geen zelfstandig man
in dat ambt naast zich zou geduld hebben en ook de Staten van Holland inzagen,
dat niets zoo noodig was als het vermijden van binnenlandsche twisten.
Wel is Cats in zijn ambt meermalen als officiëel
redenaar opgetreden, zooals een paar maal bij de ontvangst van vorstelijke
personen en bij de inhuldiging van Willem II als stadhouder, maar overigens is
er door hem zoo weinig zelfstandigs verricht als bekleeder van eene
waardigheid, die zoo grooten invloed verschaft had aan Oldenbarnevelt en
verschaffen zou aan Johan de Witt, dat Willem II hem in 1650 de gevangenneming
der invloedrijkste leden van de Hollandsche Staten en den reeds ondernomen
aanslag | | | | op Amsterdam eenvoudig kon mededeelen, zonder dat hij iets
anders van hem behoefde te verwachten dan verbazing, ontsteltenis en
onderworpenheid. De onverwachte dood van den jongen Prins drong hem echter naar
voren. Het houden van de Groote Vergadering in 1651 moest hij voorbereiden, en
hij opende en sloot die dan ook namens de Staten van Holland met lange, schoon
door de Staten zelf vooraf nog zeer bekorte, redevoeringen, die in hare
breedsprakigheid beter geschikt waren om gelezen, dan om aangehoord te worden.
Na afloop der vergadering vroeg hij echter zoo dringend om ontslag, dat hij het
op het eind van 1651 verkreeg; en zijne dankbaarheid daarvoor uitte hij in een
dankgebed tot God, dat hij in de Statenvergadering zelf knielend uitsprak. Eene
beoordeeling van deze openbare vroomheidsuiting komt alleen hem toe, die zich
in staat acht alles mee te voelen, wat er toen in het hart van Cats is
omgegaan.
Toch was de vierenzeventigjarige grijsaard daarmee nog niet aan het
eind van zijne staatsmansloopbaan. Op het eind van het jaar werd hem de
hopelooze opdracht gegeven, met Dr. Gerard Schaep en Paulus van der Perre als
gezant naar Londen te gaan om te beproeven, of hij het uitbreken
van den dreigenden oorlog met Engeland nog kon verhinderen. In het Engelsche
parlement hield hij eene Latijnsche redevoering en in den Staatsraad twee
andere, maar aangenaam was zijn leven in Engeland niet, te minder omdat tijdens
zijn verblijf feitelijk, zij het ook niet officiëel, door Tromp's
voortvarendheid de oorlog reeds was uitgebroken. ‘Ons dienaers syn
beschimpt en dickmael oock gesmeten’, zegt hij, ‘en menig schamper
lied en menig slim gedicht wiert voor ons huys geplackt, oock in het helder
licht’. Bij volksoploopen werd zelfs zijn leven bedreigd, zoodat hij
blijde was, toen hij in het midden van 1652 de terugreis mocht aanvaarden
1).
Sinds dien tijd leefde hij als Groot-zegelbewaarder, maar overigens
ambteloos (want eene poging om zich in 1655 tot Raadsheer in het hof van
Holland te doen benoemen mislukte) op zijn landgoed Sorghvliet,
dat hij in 1642 in het duin tusschen Den Haag en Scheveningen was begonnen aan
te leggen en waarop hij in | | | | 1652 onder toezicht van zijn schoonzoon
Pauw een huis liet bouwen. Dáár genoot hij weder van het
buitenleven, dat hem altijd zoozeer had aangetrokken; dáár
ontving hij zijne vrienden, liefst predikanten, van welke er zelfs twee
geregeld bij hem kwamen preeken; dáár kortte hij zich verder den
tijd en zelfs zijne slapelooze nachten met het maken van verzen in grooten
overvloed.
Toen in 1655 de eerste uitgaaf verscheen van ‘Alle de
Wercken van Jacob Cats’ vond men daarin, behalve al de vroeger
verschenene, nog bovendien:
Ouderdom, buytenleven en hofgedachten op
Sorghvliet;
Invallende gedachten op voorvallende
gelegentheden;
Afbeeldinge van het huwelick onder de gedaente van een
Fuyck;
Doot-kiste voor de Levendige (of Sinnebeelden uyt
Godes Woordt aenwijsende de kortwijligheyt, ydelheyt en onzekerheyt van 't
menschelijck bedrijf), waarop eene ‘Tsamen-sprake tusschen de Dood en een
Oud man’ en eene andere ‘tusschen ziel en lichaam’ volgen, en
eindelijk ook een soort van herdersspel, dat zelfs in 1655 op den
Amsterdamschen schouwburg vertoond is,
Koningklyke herderin Aspasia getiteld: eene
slechts zeer middelmatige dramatiseering van hetzelfde aan
Aelianus ontleende verhaal, dat hij ook reeds in den
‘Trou-ringh’ had verteld. Een ander verhaal uit den
‘Trou-ringh’ werd in 1658 onder den titel ‘Zariades en
Odatis ofte geluckige Droom-liefde’ gedramatiseerd door
Jacobus Havius, den oudsten zoon van Mejuffrouw
Cornelia Havius, bij Cats sedert den dood zijner vrouw ‘gouvernante van
de huyshoudinge’ en hoog door hem gewaardeerd
1).
Huygens kon in de latere dichtwerken van
Cats weinig smaak vinden. ‘Het heele Boeck van Cats is ick en
weet niet wat’, schreef hij in een onuitgegeven puntdichtje, en inderdaad
van deze uitdrukking heeft Cats, evenals van andere zinledige
versvulsels, schromelijk misbruik gemaakt, wat wij hem hier trouwens lang niet
voor het eerst verwijten
2). Toch bood
Huygens aan ‘aller dichtren bestevaer’, zooals hij hem
noemde, op den eersten | | | | dag van 1658 een nieuwejaarswensch in rijm
aan als tegengeschenk voor het lofdichtje, dat hij aan Huygens voor zijne
‘Korenbloemen’ had doen toekomen. Zoo hadden dan de beide dichters
op hun ouden dag, nadat Cats stadgenoot van Huygens geworden
was, de oude vriendschapsbetrekking weer hersteld, die omstreeks 1634 voor
korten tijd verstoord was geweest tengevolge van een misverstand over
geldverlies, door Huygens geleden bij eene mislukte financiëele
onderneming (indijking in Engeland), waarin Cats zich te
roekeloos had gewaagd. Ofschoon Cats niet zóó
uitsluitend poëet was, dat voordeelige geldbelegging, vooral in den vorm
van landwinning, hem onverschillig liet, mag men hem toch allerminst verwijten,
meer op geldvergaren bedacht te zijn geweest, dan een voorzichtig huisvader
behoort te zijn, te minder omdat hij er zelf ten volle van overtuigd was, dat
het voor den rijke een zwaarwichtig (en daarom dan ook te meer prijselijk) werk
was, godvruchtig te blijven of, zooals hij zelf in een dikwijls misverstaan
distichon zeide: ‘Het is een deftig werck en waert te sijn gepresen,
Godtzalig en met een ook rijck te mogen wezen’.
In 1658 gaf
Cats nog een soort van berijmde gezondheidsleer
uit onder den titel
Tachtig-jarige bedenckingen, en tevens eene
schildering van zijn
Tachtig-jarig leven en huys-houdinge op
Sorghvliet, geschreven op verzoek van zijn neef Antonius Thysius,
hoogleeraar in de rechten te Leiden; maar met deze langdradige en stichtelijke
gedichten heeft Cats, evenmin als met zijne andere op Sorghvliet
vervaardigde dichtwerken, zijn roem bij het nageslacht kunnen vermeerderen:
veeleer heeft hij er daarmee afbreuk aan gedaan. Tegenover de laatste werken
van Huygens, die nog altijd met genoegen te lezen zijn, kunnen wij van de zijne
niet anders zeggen, dat dat zij in toenemende mate lijden aan de kwalen van den
ouderdom. Zichtbaar namen de krachten van Cats dan ook af. Toen
Huygens in 1660 vernam, dat Cats bezig was zijn reeds door
ons genoemd en wegens den inhoud belangrijk
Twee-en-tachtig-jaerig leven te beschrijven, gaf
hij zijne vrees te kennen, dat 's dichters ‘leven uyt sou syn eer dat syn
leven uyt was’, doch die vrees was ijdel, want reeds in 1657 was het werk
voltooid en in de beide volgende jaren werd er nog slechts een klein stukje
bijgevoegd. Cats heeft het dus tijdens zijn leven niet willen laten
drukken, en eerst in 1700 is het uitgegeven, dus veertig jaar na | | | | zijn dood, want den 12den September 1660 is Jacob
Cats op Sorghvliet overleden, met het gebed op de lippen, dat hij voor
zijne laatste ure in rijmvorm geschreven had. In handschrift liet hij nog
één dichtwerk na,
Ghedachten op slapeloose nachten, dat ‘tot
een ghedachtenisse ghesonden werd aen d'Heer Jan Lambrechts binnen
Brugghe’ en in 1689 te Brugge van de pers kwam.
Aan lijkdichten en grafschriften ontbrak het hem niet.
Huygens maakte er niet minder dan vijf voor den
man, die, volgens hem, ‘soo menigh blad had naegelaten, daer all de
naer-eeuw een geschall van lof en eer af maken sal’: een voorspelling,
die niet is uitgekomen.
Henrick Bruno noemde hem in een gedicht op zijn
dood het ‘grootste Parnassi licht, niet genoegh te roemen’,
Westerbaen, die hem, evenals anderen, op zijne
laatste verjaardagen met gedichtjes geluk wenschte, maakte ook een grafschrift
op hem, waaruit wij reeds enkele uitdrukkingen aanhaalden, en wees, toen in
1661 de Amsterdamsche tooneeldichter en uitgever
Jan Jacobsz. Schipper een tweeden druk van
‘Alle de Wercken’ van Cats ter perse legde, in een
lofdicht op zijne buitengewone populariteit, ook onder het welgestelde publiek.
Immers zes jaar te voren had Schipper het gewaagd ‘so kostelijck een
werck’ met ‘pracht van so veel Prenten’ in 750 exemplaren te
doen drukken, zoodat men vreezen moest, dat ‘de goede Schipper Jan aan
den grond zou zitten’ vóór hij ze aan den man gebracht had,
maar wel integendeel was de geheele oplaag binnen weinige jaren uitverkocht en
bleef de vraag zóó groot, dat het omvangrijke werk opnieuw ter
perse moest gaan.
Voor den eersten druk had ook reeds
Jeremias de Decker, die overigens geen navolger
van Cats kan heeten, een lofdicht gemaakt, waarin de bekende uitspraak
gevonden wordt, ‘dat Cats alleen door zijn gedicht meer blinde sielen
brogt tot licht, meer dertele tot schamen als all' ons dichters t'samen’.
Vooral ook wekte het bewondering bij De Decker, dat Cats,
‘die altijd is beslet geweest met soo veel sware dingen en
staets-bekommeringen, meer dichts gedaen heeft als de geen', die nauwelijcx iet
anders deen, en in syn besig leven soo veel en wel geschreven’.
Als bewijs van het hooge aanzien, waarin Cats stond, kan
men ook hierop wijzen, dat verschillende dicht- en prozawerken aan hem werden
opgedragen, nadat
Huygens met zijne opdracht van het
‘Costelick Mal’ daartoe het voorbeeld had gegeven. Zoo | | | | droeg
Pers hem den tweeden druk van zijn
‘Bellerophon’ op,
Gillis Jacobsz. Quintijn in 1629 zijn hekelend
dichtwerk ‘De Hollandsche Liis met de Brabantsche Bely’,
Joan de Brune de Jonge in 1644 zijn
‘Wetsteen der Vernuften’,
Gerard Wiiten van Soetermeer in 1650 zijn te
Leiden uitgegeven gedicht ‘Het Houwelick van de herderinne Roseliine ende
den herder Thiter’, Mr.
Jonas Cabeljau
1) in 1657 zijne
‘Treurbrieven der blakende vorstinnen en minnebrieven der vorsten en
vorstinnen van P. Ovidius Naso en Aulus Sabinus, op gelijk getal vaerzen in
Nederduitsche wijzen overgezet’, en zong
Cornelis Hendricksz. Udemans van Veere hem in
1658, bij het nederleggen der laatste door hem bekleede staatsambten, een
afzonderlijk uitgegeven gedicht toe, getiteld ‘Het grove Pack-Kleedt
af-getrocken van het lastigh' pack des Werelts’.
Een bewonderaar van Huygens, op wiens ‘Daghwerck’ hij
een lofdicht schreef, en dien hij in een paar kortregelige versjes navolgde,
namelijk de Leidsche dichter
François le Bleu, wijdde aan Cats en aan
Huygens samen in 1642 zijn in 1659 herdrukten dichtbundel
Minnevlam, waarin de tweeëntwintigjarige
jongeling grootendeels als Thyrsis zijne liefde tot en zijn rouw over den
vroegen dood van zijne Amaril uitzong en ook in enkele andere verzen zijne
nieuw ontwaakte liefde voor Cassandra uitte. Men zou dien bundel bijna een
dagboek zijner reine en innige liefde kunnen noemen in vloeiend gerijmde, uit
het hart gekomen verzen, waarvan het pastorale waas al zeer doorzichtig is en
waarin de smart al even natuurlijk, naief zelfs, en eenvoudig is uitgestort als
de verrukking der jonge liefde. Bijgevoegde mengeldichten bevatten o.a. een
gedicht op de verloving van Prins Willem en Maria van Engeland en een
‘Minnaers-wapen’, dat tot tegenhanger van
Cats' ‘Maegden-wapen’ moet strekken. Aan
Daniël Heinsius droeg hij ook een
verdienstelijk gedicht op, getiteld ‘Mithridates, koning van Pontus,
laetsten afscheyd’.
Dat de dichttrant van
Cats ook op vele, vooral stichtelijke, dichters
grooten invloed heeft gehad, spreekt van zelf; maar juist dat, waarin zijne
geheel eigenaardige aantrekkelijkheid bestaat, heeft men niet kunnen navolgen,
en alleen zijn vloeienden, | | | | vaak dreunenden en al te regelmatigen
versvorm, zijne breedsprakigheid, ook waar het platte en alledaagsche zaken
geldt, en de koppeling van godsdienstbespiegeling en wellustbeschouwing in
één gareel heeft men ongelukkig wèl kunnen nabootsen en
nog overdreven.
Is zijn invloed op zijne meeste Zeeuwsche vrienden ook nog niet
overheerschend, meer komt die uit bij zijne Dordsche vrienden, die zoo groot in
aantal waren, dat zij aanleiding hebben kunnen geven om van eene door
Cats gestichte Dordsche dichtschool te spreken
1). Bij elk van die hoogst
middelmatige dichters kunnen wij hier natuurlijk moeielijk afzonderlijk
stilstaan. Wij moeten ons voor de meeste bepalen tot verwijzing naar de ‘
Beschrijving der stad Dordrecht’, het prachtwerk
in 1677 door
Matthys Jansz. Balen uitgegeven ter
verheerlijking van de eerste der stemmende steden van Holland en vooral van de
Dordsche patriciërs, die er in de zeventiende eeuw eene eer in stelden,
kunstbeschermers en min of meer ook kunstbeoefenaars te zijn.
Onder deze namen gemakkelijk de eerste plaats in de heeren van het
huis Develstein in de Zwijndrechtsche waard, die daar gaarne geleerden en
kunstenaars ontvingen en een kring vormden, waarin niet minder kunstliefde,
maar wel veel minder begaafdheid gevonden werd dan in den Muiderkring. Eerst
zetelde daar tot aan zijn dood in 1631 de burgemeester
Willem van Beveren, die het in den Geuzentijd
verwoeste slot weer liet opbouwen, daarna zijn zoon Cornelis, ridder
van St. Michiel, die in 1663 overleed, en ten slotte diens zoon
Willem, gestorven in 1672. Al deze Van Beverens hebben ook
Nederlandsche verzen gemaakt, maar Cornelis het meest.
In dien kring ontbrak het evenmin als te Muiden aan begaafde en
dichtlievende vrouwen, zooals
Cornelia Blanckenburg,
Anna van Blocklandt, wier huwelijk met Cornelis
Boey door Nicolaes Ruysch een huwelijk van Minerva met Apollo
werd genoemd,
Maria de Witt,
Catharina en
Wilhelmina Oems,
Anna van Beverwijk en
Maria van Akerlaecken; maar ver werden deze
overtroffen | | | | door
Margareta van Godewyck (geb. 31 Aug. 1627
† 2 Nov. 1677), die in geleerdheid en kunstvaardigheid zelfs Anna Maria
Schuermans naar de kroon trachtte te steken, daar zij behalve de meeste moderne
ook de classieke talen en zelfs het Hebreeuwsch beoefende, terwijl zij niet
alleen in het Nederlandsch, maar ook in het Latijn en Fransch verzen maakte,
die niet gedrukt werden, maar nog in handschrift worden bewaard
1).
Haar vader, de Dordsche praeceptor
Pieter van Godewyck (geb. 3 Febr. 1593 †
11 Aug. 1660) gaf vele, nu vergeten, gedichten in Catsiaanschen trant uit,
zooals in 1646 ‘Der Vrouwe-lof’, en gezangen op den
Munsterschen vrede, maar is in herinnering gebleven door zijn didactisch
blijeindend spel ‘Witte-Broots-kinderen of bedorven
Jongelingen’ (van 1641), eene bewerking van het schooldrama
‘Dyscoli’ (1603) van
Cornelius Schonaeus, maar merkwaardig om dat de bewerker
daarin de Dordsche volkstaal ten tooneele bracht
2).
Eene andere Dordsche, maar oorspronkelijk Utrechtsche dichteres was
Elisabeth le Petit, wier gedichten zijn
opgenomen in den bundel
Poëzy. Wereldlijke en Geestelijke (Dordrecht
1661) van haar Dordschen echtgenoot Cornelis van Overstege (geb. 26
Dec. 1625 † 19 Oct. 1662)
3).
Van de verdere Dordsche dichters, die Cats tot veerbeeld
namen, vermeld ik alleen den Dordschen predikant
Jacobus Lydius
4), vooral bekend door zijn prozageschrift ‘Belgium
gloriosum’, dat hij ook vertaalde als ‘'
t Verheerlikte of verhoogde Nederland’, en
Matthijs van de Merwede (eigenlijk
Van Muylwijk
5), heer van Clootwijk, die een deel van Europa doorreisde en van
zijn losbandig leven in Rome onbeschaamd | | | | getuigenis
aflegde in zijn dichtwerk ‘Uytheemsen oorlog ofte Roomse
Min-triomfen voorgevallen en beschreven in 't jaar 1647-1650’, en
uitgegeven na zijne terugkomst in 1651: een zoo wulpsch werkje in Ovidiaanschen
trant, dat het door beulshanden verbrand werd, maar juist daarom menigen
herdruk beleefde. Daarna gehuwd en bekeerd, versneed hij zijne pen en dichtte
hij in Catsiaansche verzen den bundel ‘Geestelicke
minnevlammen’ (1653), waarin o.a. eene berijming van het Hooglied
naast andere stichtelijke gedichten voorkomt.
De beste der Dordsche dichters was Mr
Johan Cornelisz. van Someren
1) die in 1655 Dordrecht, waar hij 3 Juli 1622
geboren was, verliet om pensionaris van Nijmegen te worden; maar
12 Dec. 1676 overleed hij in Dordrecht, na in 1666 griffier van de
Chambremi-partie geworden te zijn. Hij verwerkte onderwerpen uit de Oudheid tot
vier treurspelen, beoefende ook vaderlandsche oudheidkunde en toonde zich
Catsiaan en inderdaad niet onverdienstelijk dichter met een in 1666 uitgegeven
bundel: ‘Uytspanning der vernuften, bestaende in Geestelycke en
Wereltlycke Poëzye’, waarin ook verscheidene gedichten zijn
opgenomen van zijne toen reeds overleden vrouw
Elisabeth Vervoorn, met wie hij van 1648 tot 1657
getrouwd was. Ook verscheidene andere leden der familie Van Someren
maakten Catsiaansche verzen.
Buiten Zeeland en Dordrecht treffen wij nergens den invloed van
Cats zoo sterk aan als bij de leerdichten van
Krul, die wij reeds bespraken, en ook bij den
Hoornschen rijmelaar
Jacob Coenraedsz. Meyvogel, bepaaldelijk bij
diens bundel ‘Vermakelycke Bruilofts-kroon’, in vier
deelen, gewijd ‘Aen de Jonge Jeught, de Onder-getrouwde, de Getrouwde en
de Aendachtige, vergeleken by de Morgen-stont, de Voormiddagh, de Namiddagh en
de Avont-stont’, waarin Catsiaansche zinnebeelden voorkomen en o.a. ook
een ‘Avontuerlycke Vryagie van Coridon en Silvia’ en eene
‘Minne-klacht of t' Samenspraeck tusschen Philis en Philida’, die
sterk aan Cats' dialogische gedichten en aan zijn
‘Trou-ringh’ herinneren. Bij de groote menigte
liederen, die er ook in voorkomen, had de schrijver een ander voorbeeld, maar
geheel onder Cats' invloed staat weder een door hem in 1646 uitgegeven
langdradig en plat rijmwerk: ‘Gulden-Spiegel | | | | ofte
Opwekkinge tot Christelijke Deugden’. Vele jaren vroeger,
namelijk in 1634, had Meyvogel ook reeds een drieledigen bundel
uitgegeven onder den titel ‘Schatkist der Liefde’,
waarvan het eerste deel twee jaar vroeger was ‘voortgebracht in tijdt van
vrolijckheyt’, het tweede een ‘Rouw-klacht in tijdt van
droefheyt’ inhoudt en het derde handelt over de ‘broosheyt des
menschelijcken levens’. De godsdienst kon wel geen schameler kleed
aantrekken dan zij in deze bundels heeft gedaan, en zoo zal men ook moeielijk
ergens plomper en onkuischer behandeling van eene bijbelstof kunnen vinden dan
in zijn treurspel met onjuisten titel: ‘Thamars ontschakingh of de
verdoolde liefde van Ammon’, waarin, in het midden van de
zeventiende eeuw, ook nog de allegorische personen Deugt en Valsche Schyn
optreden.
Al deze werken van
Meyvogel zouden hier geene vermelding
verdienen, als zij niet herhaaldelijk, nog tot op het eind van de achttiende
eeuw, herdrukt waren en dus gretig gelezen moeten zijn door een publiek, dat
letterlijk alles stichtelijk kon vinden, als er ook maar bijbelstof en
preekstoelwoorden in gemengd waren. Wij leeren er uit, hoe veredelend in
godsdienstig en aesthetisch opzicht de lezing der gedichten van Vader
Cats heeft moeten en kunnen werken in een tijd, waarin nog voor
duizenden zielen de draf van Meyvogel dagelijksch brood kon wezen,
maar ook, hoe zij plompe geesten in een verkeerd spoor konden leiden, wat zich
weer wreekte in het veroordeelend vonnis, dat later over het dichtwerk van
Cats zelf zou worden geveld.
Was de invloed van
Cats op vele onzer dichters der zeventiende
eeuw niet gering, ook buiten onze Republiek deed die invloed zich krachtig
gelden, met name in Duitschland, waar de vele vertalingen zijner
werken er niet weinig toe bijdroegen. In 1636 verscheen de eerste vrije
bewerking van een dichtwerk van Cats, namelijk van zijne
‘Galathea ofte Harders-Clachte’ in de
‘Artige deutsche Gedichte’ van
Zacharias Lund, wiens oorspronkelijke werken in dien
bundel ook duidelijk bewijzen, dat Cats zijn zeer bewonderd voorbeeld
was. Ook over andere vertalingen zijn wij door de onderzoekingen van Johannes
Bolte en Sophie Schroeter ingelicht
1). Zij vermelden zelfs twee ver- | | | | talingen van den
‘Self-stryt’, de eerste van 1647 door
Ernst Christoph Homburg, die reeds in 1642 in zijn bundel
‘Schimpffund Ernsthaffte Clio’ dichttrant en
gedachten van Cats bij verscheidene zijner eigene gedichten had
overgenomen, en de tweede veel minder verdienstelijke van 1648 door
Johann Bürger.
De ‘Kinderspelen’ werden in 1657 met
eenige vrijheid verdienstelijk in het Hoogduitsch overgebracht door Johann
Heinrich Amman, terwijl Georg Greflinger enkele gedichten uit de
‘Klagende Maechden’ vertaalde; maar boven alles was het de
‘Trou-ringh’, die de aandacht trok. Niet minder dan
negentien maal is daaruit tusschen 1644 en 1659 een verhaal vertaald door acht
verschillende dichters, en wel, daar sommige verhalen meer dan eens vertaald
werden, drie verhalen uit de eerste en drie grootere en zes kleinere uit de
tweede afdeeling. Het eerst werd van het laatste kortere verhaal,
‘Grafhouwelick’, in 1644 eene goede vertaling gegeven door Johann
Peter Titz, die ook in eigene gedichten Cats navolgde. Daarna gaf (in
1651) Georg Neumark de vertaling van vier verhalen uit, die deels letterlijk,
deels vrij zijn overgebracht, maar door het invoegen van schilderingen en
moralisaties nog breedsprakiger geworden zijn, dan zij in het oorspronkelijke
reeds waren. Daarentegen heeft Albino von Weissenfels in 1652 het
‘Trougeval van koning Ulderich en Phryne Bocena’ overgebracht in
bekortend gemaniëreerden stijl, maar toch ook met eigen invoegsels. Georg
Greflinger gaf (1652-53) de vertaling van vier verhalen en C. Chr. Dedekind
bracht er in 1654 drie woordelijk over, maar door misverstaan van het
Nederlandsch dikwijls geheel verkeerd en zelfs onzinnig. Even letterlijk, maar
veel beter, ofschoon blijkbaar met veel moeite, vertaalde Timotheus Ritzsch er
drie (1655-57). Van twee verhalen dankte men in 1659 eene goede vrij
letterlijke vertaling aan Jacobus Schwieger, en van één verhaal
in hetzelfde jaar ontving men eene onbeholpen, door eene menigte hollandismen
ontsierde, vertaling van Johann Tonjola. Onder deze zijn er wel drie van de
‘Vrystermart’, dat dus blijkbaar bijzonder beviel, en wel van
Greflinger in 1652, van Ritzsch in 1655 en van Schwieger in 1659.
Driemaal is ook Cats' herdersspel van de
‘Koningklyke herderin Aspasia’ vertaald, het laatst
in 1744 door A.G. Uhlich als ‘Schäferspiel Elise’. Dat schijnt
tevens de laatste vertaling geweest te zijn, die er in Duitschland
van eenig werk van Cats
| | | | is gemaakt, maar in het begin der
achttiende eeuw was Cats in Duitschland blijkbaar nog zeer in trek,
want niet alleen gaf Cosmus Conrad Cuno in 1707 eene stijve, pruikerige
vertaling van de ‘Maeghden-Plicht’, maar zelfs verscheen van 1710
tot 1717 te Hamburg in acht deelen eene volledige vertaling van alle werken
onder den titel: ‘Des unvergleichlichen holländischen Poeten
Jacob Cats sinnreiche Wercke und Gedichte’. Drie dichters hadden
daaraan hun arbeid besteed: Ernst Christoph Homburg, A.E. von Raeszfeldt, die
zich het beste van zijne taak kweet, en Barthold Feind, die verreweg het
grootste aandeel aan het werk had en die er ook eene aesthetische reactie mee
bedoelde tegen de gemaniëreerdheid en bombastische hoogdravendheid der
tweede Silezische school, waarvan ook hij in zijne jeugd een aanhanger was
geweest, maar waarvan hij een afkeer gekregen had, zoodat hij door zijne
vertaling der gedichten van Cats zijn landgenooten heeft willen
leeren, weer natuurlijk en eenvoudig in de poëzie te zijn. Hij noemde het
bij Cats ‘eine grosse Kunst und ein unfehlbares Kennzeichen
seiner geschickten Feder und Fähigkeit des Verstandes, dass er die Sachen
so natürlich und dabey rein und wohlfliessend beschrieben’.
Dat Opitz groote Nederlandsche gedichten van
Heinsius en
De Groot vertaalde, hebben wij reeds gezien
1). Gryphius heeft bijzonder veel aan
Vondel te danken, wiens werken hij leerde
kennen, toen hij in 1638 te Leiden studeerde. Ook in 1647 kwam hij
nog eens te Amsterdam en heeft toen zeker
Vondel's
Leeuwendalers gelezen. Althans zijne
Geliebte Dornrose is daarvan in vele opzichten
afhankelijk. Zijne
Catharina von Georgien verraadt den invloed van
Vondel's
Maeghden en zijn
Der sterbende Papinianus van den
Palamedes, en Vondel's
Gebroeders is zelfs tamelijk nauwkeurig door hem
in zijne
Gibeoniter vertaald
2).
Het zelfde stuk is ook in het Hoogduitsch vertaald door D.E. | | | | Heidenreich,
Rache zu Gibeon oder Die sieben Brüder aus dem Hause
Sauls. Trauerspiel, Leipzig 1662.
Van
Jan Vos is de
‘Medea’ vertaald en, door
Hieronymus Thomae, ook de ‘Aran en
Titus’
1). Van
Camphuysen en
Lodensteyn zijn verscheidene gedichten in het
Duitsch nagevolgd en vertolkt, en Barthold Feind bracht, behalve gedichten van
Cats, ook (in 1702) den ‘Lof der Geldzucht’ van
Jeremias de Decker in Duitsche verzen over.
Cats was dus niet de eenige Nederlandsche dichter, waarmee de
Duitschers in vertaling kennis konden maken; maar van geen ander dichter is
zooveel en zoo bij herhaling vertaald als van hem. Van alle Nederlandsche
dichters is alleen
Cats in Duitschland waarlijk
populair geweest en een tijd lang niet minder dan
Heinsius bewonderd.
Wanneer wij echter geneigd zouden zijn, ons daarin te verheugen, dan
moeten wij wel bedenken, dat daardoor bij de omwenteling, die er in 't midden
van de achttiende eeuw in de Duitsche poëzie plaats had, en waarop al
spoedig de glansperiode der Duitsche letterkunde volgde, Jacob Cats
voor het type van den Nederlandschen dichter gold, en dat men nog meer dan eene
eeuw lang in Duitschland de waarde der Nederlandsche poëzie, zelfs uit
haar bloeitijd in de zeventiende eeuw, is blijven afmeten naar de gebrekkige
vertalingen van Cats' gedichten, die zich daarin nog platter en breedsprakiger
voordoen, dan zij werkelijk zijn, en al het naïefvernuftige en
eenvoudig-natuurlijke verloren hebben, dat zelfs de best geslaagde vertaling
niet voldoende heeft kunnen weergeven.
Zoo is daar de, ook wel door Nederlanders nageprate, fabel in de
wereld gekomen, dat ons volk een weinig dichterlijk volk zou zijn, in elk geval
in dichterlijken aanleg verre voor onze Oostelijke naburen zou moeten
onderdoen, voor dezelfde naburen, die onzen Cats als den grooten
poëet bewonderden en navolgden in een tijd, waarin
Hooft en
Vondel en ook nog wel anderen hier te lande
veel meer in eere waren dan hij. Had men deze toen in Duitschland meer kunnen
waardeeren dan Cats, dan zouden ongetwijfeld de Duitschers eene betere
herinnering hebben bewaard aan den tijd, waarin de Nederlandsche dichters hunne
leermeesters en voorbeelden waren.
|
1)Zie J.A. Worp, De bronnen van den
Trou-ringh van Cats in Noord en Zuid XX (1897).
1)Voor Anna Maria Schuermans zie men G.D.J.
Schotel, Anna Maria van Schurman, 's-Hertogen bosch 1853.
1)Zie daarover J.A. Worp, De Latijnsche
vertaling van Cats' Trou-ringh in Tijdschrift VI (1886) bl. 18-39.
1)Een verslag van die gezantschapsreis gaf
George de Mey, naar een handschrift afgedrukt door G.D.J. Schotel, Geschied-
Letter- en Oudheidkundige Uitspanningen, Utrecht 1840, bl.
203-214.
1)Aan deze zijne huishoudster, Cornelia Baers,
weduwe van Matthias Havius, droeg Cats (evenals aan zijne acht kleinkinderen)
uit dankbaarheid voor hare trouwe zorgen zijne ‘Hof-gedachten’
op.
2)Misschien is het niet algemeen bekend, dat
het bij Cats telkens voorkomend ‘ik en weet niet wat’ toen eene
mode-uitdrukking was onder de Fransche ‘précieux’ en
‘précieuses’ en door hen aan het Italiaansch ontleend. In
1635 hield Gombault in de Académie française eene geheele
voordracht over ‘je ne scay quoy’. Zie Ferd. Brunot, Histoire de
la langue française, III (Paris 1909) p. 67.
1)Voor Jonas Cabeljau (geb. te 's-Gravenhage
in 1623) zie men mijne ‘Bladzijden uit de Geschiedenis der Ned.
Letterkunde’, Haarlem 1882, bl. 60 vlg. en 77 vlg.
1)Van de Dordsche dichters vindt men een goed
overzicht bij J.L. van Dalen, De Dordtsche dichtschool in ‘De
Tijdspiegel’ 1905, en voor het middelpunt daarvan, het kasteel der Van
Beverens, G.D.J. Schotel, Het slot Develstein in zijne ‘Geschied-,
letter- en oudheidkundige uitspanningen’, Utrecht 1840 bl. 53-128, en
voor vermaarde vrouwen uit Dordrecht in zijne ‘Letter- en Oudheidk.
avondstonden’, Dordrecht 1841.
1)Als bewijs van hare beroemdheid strekt, dat
hare biographie ook is opgenomen in de ‘Levensbeschrijvingen van eenige
voornaame, meest Ned. mannen en vrouwen’, 2 dr, (1795) IV bl.
235-240.
2)Voor Pieter van Godewyck zie men Jacobus
Scheltema, Geschied- en Letterkundig Mengelwerk, III, 3 (1823) bl.
86-96. Zijne ‘Witte-broots-kinderen’ is opnieuw uitg. door G.D.J.
Schotel, Utrecht 1867.
3)Zie voor hem J.L. van Dalen in Oud Holland
XXV bl. 30-48.
4)Van Jacobus Lydius (eig. Toetssteen, geb. 5
Oct. 1610 † 1679) zie Jacobus Scheltema, Geschied- en Letterkundig
Mengelwerk III 3 (1823) bl. 131-138. Voor zijn bitter, maar vermakelijk en
indertijd veel opzien barend werk Den Roomschen Uylen-Spiegel, Dordrecht
1671, door hem ‘getrocken uyt verscheyden oude Roomsch-Catholijcke
Legende-boecken ende andere Schrijvers’ en fel bestreden door pater
Cornelius Hazart van Antwerpen, zie men Joh. Bolte, Tijdschrift XIII bl. 93
vlg.
5)Voor Matthys van de Merwede zie men J.L. van
Dalen, Matthys van de Merwede, heer van Clootwyck, Oud Holland XVIII bl.
95-111.
1)Voor Johan van Someren zie men Jacobus
Scheltema, Geschied- en Letterkundig Mengelwerk III, 3 (1823), bl.
138-143.
1)Voor de vele vertalingen van Cats' werken in
het Hoogduitsch zie men Joh. Bolte, Tijdschrift XVI bl. 241-244 en Sophie
Schroeter, Jacob Cats' Beziehungen zur deutschen Literatur, Heidelberg
1905.
1)Voor den invloed der Ned. litteratuur op de
Hoogduitsche, ook na Opitz, zie men J.B. Gillet, De Ned. letterkunde in
Duitschland in de zeventiende eeuw, in Tijdschrift XXXIII (1915) bl. 1-31,
en Julius Schwering, Zur Geschichte des niederl. und spanischen Drama's in
Deutschland, Münster 1895.
2)Voor den invloed van Vondel op Gryphius zie
men R.A. Kollewijn, Ueber den Einflusz des hollaendischen Dramas auf Andreas
Gryphius, Amersfoort-Heilbronn (1880), te onrechte bestreden door Louis G.
Wysocki, Andreas Gryphius et la tragédie allemande au XVII
siècle, Paris 1893. Dat ook het nieuwste werk over Gryphius: Willi
Flemming, Andreas Gryphius und die Bühne, Halle 1921 met Vondel's
invloed en dien van het geheele Ned. tooneel op Gryphius te weinig rekening
heeft gehouden, is aangetoond door J.H. Scholte in ‘Museum’ XXX
(1922) bl. 18-20.
1)Voor de bekendheid der treurspelen van Jan
Vos in Duitschland zie W. Creizenach. Die Tragödien des Holländers
Jan Vos auf der deutschen Bühne in zijne ‘Studiën zur
Geschichte der dramat. Poësie im siebzehnten Jahrh’, 1886 en
daarover weder J.A. Worp in De Ned. Spectator 1886 No. 40 en 41.
|
|