|
|
|
| |
| | | |
XLV. Gedichten van Doopsgezinden en Collegianten.
Buiten den kring der Contra-remonstranten en Remonstranten staat in
de zeventiende eeuw nog een groot aantal dichters, die tot andere kerkelijke
gemeenten behoorden, grootendeels tot de verschillende, nu eens meer
gescheiden, dan weder opnieuw vereenigde, gemeenten der Doopsgezinden. Ook van
hen is menige stichtelijke dichtbundel uitgegaan. Ofschoon door de
strengrechtzinnigen nauwelijks als broeders erkend, dikwijls verketterd, soms
niet eens meer als Christenen beschouwd, maken zij op den geschiedschrijver van
den godsdienst zoowel als van de dichtkunst den indruk van niet minder vroom en
stichtelijk, ja gewoonlijk zelfs van vromer en stichtelijker te zijn, dan de
rechtgeloovige leden der Gereformeerde kerken.
Onderscheidt men de menschen van dien tijd, zooals men ook die van
onzen tijd zou kunnen doen, in twee typen: vromen en wereldschen, dan mag men
deze onrechtzinnigen meestal tot de vromen rekenen, zelfs al neemt men niet
aan, dat ieder wereldling uit den aard der zaak ernst of godsvrucht mist. Menig
rechtzinnig lid der Gereformeerde kerken daarentegen was in zijn leven man van
de wereld, behagen scheppend in aardsche lusten, strevend naar wereldsche eer
en maatschappelijke welvaart, terwijl menig onrechtzinnige vrome daarvan
afkeerig was, in zijn denken steeds van het eeuwige vervuld. Vroomheid en
wereldsgezindheid zijn dan ook, onafhankelijk van iedere kerkelijke instelling,
persoonlijke gemoedstoestanden, als uitvloeisel van aard en opvoeding.
Behalve in deze beide typen kon men, en kan men nog, de menschen in
twee andere typen onderscheiden, wier verschil hoofdzakelijk berust op
maatschappelijke positie of op verstandelijke overtuiging aangaande de plaats,
die de Kerk behoort in te nemen in Staat en Maatschappij. De vertegenwoordigers
van deze beide typen werden destijds de kerkelijken en de politieken genoemd.
‘So van outs als in onse tijden in meest alle landen’, zeide
Hugo de Groot, ‘heeft men gemerct een groot verschil tusschen de
Politijcquen ende tusschen de Kerckelijcke persoonen over de theologische
questiën: alsoo de Theologanten alle saacken van | | | | religie hoogh
ghewoon zijn te weghen, als waarin haar wetenschap ende uytnementheydt boven
andere personen bestaat. De Overheden ter andere zijde, lettende op de rust van
de republijcque, meenen, dat in vele van die saken sonder verbreekingh van
Godes wet eenighe redelijcke accommodatie kan vallen: waaruyt dan dickmaal
ghebeurt, dat de Theologanten de Regierders uytkrijten als luyden dien de
Goddelijcke waarheydt niet ghenoegh ter herte en gaat; de Regierders ter
contraire de Kerckelijcken als onghevoechelijcke personen’.
De Groot nu, die in zijn tijd als het hoofd der
politieken kon beschouwd worden, was ongetwijfeld van nature een vroom man. Dat
waren ook b.v.
Camphuysen,
Brandt en
Oudaen, die alle aan de zijde der politieken
stonden. Daarentegen was
Daniël Heinsius, ofschoon
strengrechtzinnig Calvinist, een wereldsch man en als dichter, door zijn
inleven in den heidenschen tijd en zijn gebruik maken van mythologie, waarvoor
hij zelfs eene lans brak, iemand, die ten volle den indruk kon maken van wat
men een ‘paganist’ zou kunnen noemen. Alle renaissancemannen waren
dat min of meer; maar onder deze waren er toch ook verscheidenen, die innig
vroom konden genoemd worden. Men denke aan
Van Mander en
Vondel, terwijl daarnaast de werken van
Hooft, die niet alleen politiek, maar ook
wereldsch was, eene veel meer vaderlandsche, veel minder mythologische kleur
hebben. Vermelding verdient het, dat de bekende, reeds vroeger door ons
genoemde rector der Latijnsche scholen te Amsterdam,
Jacob Barendsz. Heiblocq, die tevens candidaat
in de theologie was, met het gebruik van mythologische namen niet was
ingenomen, en uitdrukkelijk zeide, dat hij ‘met voordacht Cupidoos,
Mercuuren en Jupijnen en andre Goden en Godinnen heeft gemijt’.
Zelfs heeft het paganisme juist de meeste bestrijding gevonden bij
onkerkelijken, bij vrome politieken, zooals
Camphuysen, van wien wij dat reeds hebben
gezien, en vooral bij
Joachim Fransz. Oudaen
1),die meermalen tegen het, zijns inziens onchristelijk, | | | | gebruik van mythologie te velde trok. Toen hij in 1662 deelnam aan de
bruiloft van Mr.
Joan Blasius, die een jaar te voren een
handboekje voor mythologie onder den titel ‘Geslachtboom van Goden
en Godinnen’ had uitgegeven, maakte hij van die gelegenheid
gebruik om in een bruiloftsdicht zijn wensch uit te spreken, dat al die
mythologische wanschepsels, ‘ofschoon ze uitzinnig met den naam van goden
blinken’, weer mochten verzinken in den duisteren afgrond, waaruit ze
opgerezen waren. Wilde men er zich mee verontschuldigen, zooals velen deden,
dat die godennamen niets anders waren dan ‘namen om cieraat te
geven’, dan nam hij de vrijheid ze ‘ellendig toeverlaat’ voor
dichters zonder eigen vinding, ‘arm bedelaars-gesmuk’ te noemen
1). Even onbewimpeld, als Oudaen hier zijn vriend
Blasius verweet wat hij in hem afkeurde, deed hij het negen jaar later
ook zijn vriend
Antonides, want als deze zich in de
‘voorreden’ voor zijn ‘Ystroom’
verontschuldigt tegenover diegenen, die ‘zich aen de naemen van goden en
godinnen stooten, omdat ze naer der heidenen gewoonte zweemen’, doelt hij
daarmee op Oudaen, die, hoe bijzonder ook met den
‘Ystroom’ ingenomen, hem dat duidelijk te kennen had gegeven.
Het sterkst sprak hij zich dienaangaande uit in een gedicht
vóór zijne prozavertaling van ‘Arnobius tegen de
Heidenen’, van 1677. Daarin noemde hij het gebruiken van
godennamen ‘den Alderhoogsten tergen’ en ‘met God en
Godsdienst schimpen’. Moet men ze slechts als ijdele namen en niets meer
beschouwen, wat heeft men dan, zegt hij, aan ‘die Griekse en Roomsche
poppen’, die ‘vunssige scherminkelbeenen, galgenazen, dor geraamte,
doo krengen van voorhenen?’ Maar hij vreest, dat zij voor de meesten meer
zijn dan namen, dat hij, die er zich van bedient, ‘zich van d'eigen geest
laat mennen, doch zyn dwaasheid niet wil weten met hen onvermomt te
erkennen’. Immers het leven van dezulken was dikwijls even
‘wellustig, wulps en welig’, als dat der overspelige goden. Ook in
zijn lijkdicht op
Vondel heet het spijtig van den modernen dichter:
‘'t Zyn goden wat hy denkt, 't zyn goden wat hy droomt, 't zyn goden voor
en naar, van onderen tot boven’, en in 1688 vermeide hij er zich in,
onder den | | | | titel ‘Godenpleit’, in
Nederlandsche verzen de Latijnsche gedichten te vertalen, waarmee Izak de
Schepper en Willem Siccama elkaar naar aanleiding van het gebruik der
mythologie hadden bestreden.
Dat zich hier eene ernstige overtuiging uitspreekt, en niet de
geheime jaloezie van den ongeleerde, die zich zoo menigmaal in soortgelijke
aanvallen op den geleerdere verraadt, blijkt wel hieruit, dat
Joachim Oudaen gerust tot den kring der
geleerden mocht gerekend worden, want, ofschoon hij te Rijnsburg,
waar hij 7 Oct. 1628 geboren was, zijn vader in de bakkerij moest helpen,
bezocht hij toch geregeld de Latijnsche school te Leiden; en ook
later, toen hij secretaris van
Scriverius geworden was, wiens Latijnsche
bijschriften op de graven van Holland hij in 1651 in Nederlandsche verzen
vertolkte, legde hij zich zóó ijverig op de Classieken toe, dat
hij in staat was in 1664 een geleerd en doorwrocht werk als ‘Roomsche
Mogentheid’ uit te geven, dat nog lang met vrucht door archaeologen en
beoefenaars van Romeinsche penningkunde is geraadpleegd. Toen echter had hij al
sinds vele jaren den kring der Leidsche geleerden verlaten, want in 1656 was
hij in het huwelijk getreden met Eeuwitje, de dochter van den Rotterdamschen
steenbakker Stout, en medebestuurder van diens steenbakkerij geworden, zooals
hij tot zijn dood (26 April 1692) bleef.
In Rotterdam was hij langen tijd de
hoofdvertegenwoordiger der poëzie, maar zijne Rijnsburgsche afkomst
verloochende hij niet. Ofschoon uit Remonstrantsche ouders gesproten, en steeds
in de politiek medestander der Remonstranten, gevoelde hij zich toch meer
geestverwant van de door zijn moeders familie gestichte sekte der Rijnsburgsche
Collegianten, wier geschiedenis hij in 1672 met groote ingenomenheid schreef
1). Hij behoorde dan ook
levenslang tot die vrome libertijnen, van welke wij reeds een type hebben
leeren kennen in
Camphuysen, met wien Oudaen bijzonder
ingenomen was, zoodat hij zelfs van diens werken eene standaarduitgave
bezorgde. Daar de Rijnsburgsche Collegianten, die ook buiten
Rijnsburg hunne bijeenkomsten hielden (in Amsterdam
sedert 1646), geen eigenlijk kerkgenootschap wilden vormen, | | | | konden
zij ook tot de hunnen rekenen, wie bij andere gemeenten aangesloten wenschten
te blijven, en zoo behoorde Oudaen dan te Rotterdam tot de
Waterlandsche Doopsgezinden, bij wie hij ook het ambt van diaken vervulde.
Voor deze gemeente heeft hij zelfs in 1684 zijne, vier jaar te voren
uitgegeven, vrije en gedeeltelijk op nieuwe zangwijzen gestelde psalmberijming
zoodanig omgewerkt, dat zij in de gemeente gezongen kon worden op de toen
overal gebruikte en algemeen bekende wijzen der Fransche vertaling van
Marot en
Beza. Dat was eene concessie van hem, want hij had dat
aanvankelijk juist niet willen doen, om geen gevaar te loopen door het
gebruiken van denzelfden vers- en strophenvorm, waarvan alle andere vertalers
zich hadden bediend, hunne uitdrukkingen onwillekeurig over te nemen.
Ook als dichter toch bezat
Oudaen een oorspronkelijken geest, afkeerig van
navolging, en zijne gedichten vertoonen dan ook inderdaad een eigen karakter.
Zij zijn krachtig van uitdrukking, wanneer het de hartstocht - meestal
verontwaardiging - is, die hem tot dichten drijft; maar geeft het onderwerp
daartoe minder aanleiding, dan zijn zij te weinig beeldrijk, te hard en stroef
en ook daardoor kennelijk onderscheiden van
Camphuysen's zoetvloeiende liederen, die toch zoo
groote aantrekkelijkheid voor hem hadden, en van
Vondel's hooge vlucht, die hem toch inderdaad in
verrukking bracht. Wanneer hij echter ‘dien adelaar’ nu en dan
poogde te ‘achterhalen door volglust aangenoopt’, bereikte hij niet
veel meer, dan duister te worden door ongewone en gezochte woorden te mengen in
de wat platte omgangstaal, waarboven hij zich in het algemeen bij zijn
schrijven moeielijk wist te verheffen.
Nochtans neemt hij onder de tweedenrangsdichters van dien tijd eene
eervolle plaats in, zoowel door zijne ‘Voorschaduwing van het
zegepralende riik onzes Heeren en Zaligmakers Jesu Christi en deszelfs
Heerlykheid op Aarde’ (van 1666), waarin hij, als geestverwant
van zijn vromen en nauwgezetten vriend Mr. Johan Hartighvelt, zijn geloof aan
de spoedige vestiging van het duizendjarig rijk uitsprak, en door zijne
‘Uytbreyding over het boek Jobs, in verscheyde
dichtmaat’ (van 1672), als door kleinere godsdienstige gedichten,
o.a. de vertaling van een ‘Hymnus van Coelius
Sedulius’, en door een bijbelsch treurspel, ‘Het
verworpen huis van Eli’ (van 1671). | | | |
Dat stuk is geheel geschreven in den classieken trant van Vondel's
treurspelen, waarvan Oudaen echter de dichterlijke verheffing in de
verte niet heeft weten te evenaren, allerminst in de reizangen, waarmee de
bedrijven besloten worden. De tooneelwetten zijn er streng bij in acht genomen,
zoodat de handeling zich dan ook in weinig meer dan vierentwintig uur afspeelt.
Met dit stuk keerde
Oudaen terug tot de liefde zijner jeugd, want
reeds in 1648 had hij tegenover
Vondel's ‘Maria Stuart’ een
treurspel ‘Johanna Grey of gemartelde onnozelheyd’
geschreven, een jaar later gevolgd door ‘Koning Konradyn en Hertog
Frederyk’, twee stukken, die wat meer lyrisch van toon en wat
minder streng gebouwd zijn dan zijn laatste treurspel.
Willem Jacobsz. van Heemskerk
1), in 1613 te
Leiden geboren en door Oudaen ‘oudste zyner
vrinden’ genoemd, had bij hem met zijn treurspel
‘Hebreeusche heldinne’ (d.i. Judith) in 1647 den
lust opgewekt om ook in het treurspel iets te beproeven en hem daarbij met een
prijzend gedicht aangemoedigd. Levenslang, tot hun beider dood in 1692, zijn
zij vrienden gebleven, zooals ook uit verschillende onderling gewisselde
gedichten blijkt. Van beroep lakenbereider en in 1674 ook een der staalmeesters
van de Leidsche lakenhal, heeft Heemskerk zich toch meer bekend
gemaakt als ijverig en bekwaam glasgraveur, van wien nog een bijzonder groot
aantal kunstwerken bewaard is gebleven.
Daar
Oudaen het met
Vondel gemeen had, dat hij de kunst niet verstond,
‘vinger op den mond’ te leggen, en het ook bij hem werkte als
nieuwe most, die door de spon heenbarstte, kon er maar weinig belangrijks
gebeuren, wat hem geen lof- of strafdicht ontlokte. Voor zoover dat
staatsgebeurtenissen waren, komen wij er later op terug; maar het waren
dikwijls ook voorvallen op kerkelijk gebied of uitgaven van opzienbarende
dicht- of prozawerken. Zoo viel hij als krachtig voorstander van
gewetensvrijheid in 1662 en 1665 den Utrechtschen predikant Cornelis Gentman,
die ketterjacht had verdedigd, met twee gedichten aan, nadat hij ook reeds met
een gedicht tegen de ‘vierige yver der kettermeesters in Holland’
was opgetreden. De geloofsvervolging der Waldensen in 1655 gaf hem aanleiding
om in een gedicht | | | | ‘Wreed! wreder! alderwreedst!’ op den
verderflijken invloed te wijzen vari
Lipsius' vroegere verdediging van het ketterdooden en,
in het vijfde (en eenige) bedrijf van een treurspel,
‘Servetus’ te verheerlijken tegenover de
hardvochtige wreedheid van Calvijn.
Huygens noch
Vondel liet hij, zooals wij reeds zagen,
ongemoeid, toen zij geschreven hadden wat hij afkeurde, en dat hij afkeer van
het Catholicisme van zijn voorgeslacht geërfd en door redeneering nog
versterkt had, blijkt herhaaldelijk uit bitse uitvallen in zijne werken.
Daarentegen ging hij ter verdediging van den jong gestorven
Rotterdamschen predikant
Geeraardt Brandt den jongen in 1683 een
dichtstrijd aan, en verheerlijkte hij
Erasmus bij gelegenheid dat in 1677 diens, door Hendrick
de Keyser vervaardigd en te Rotterdam in 1622 opgericht, standbeeld op een
nieuw voetstuk werd gesteld, waarop ook nu nog een achtregelig bijschrift van
Oudaen te lezen is, ter eere van dat
‘licht der talen, zout der zeden, heerlyk wonder, waar, met de liefde, en
vrede en godgeleerdheid praalt’.
Bij rechtzinnigen stond Oudaen als Sociniaan te boek, en
ongetwijfeld ook te recht; maar sedert 1653 was het zeer gevaarlijk daarvoor
uit te komen, want toen hadden de Staten van Holland er zich over verontrust,
‘dat de Sociniaensche secte dagelijcks meer ende meer was toenemende ende
dat de Aenhangers derselver tot verbreydinge van hare dwalinghen albereyts
hadden begonnen op verscheyde plaetsen te houden haer t' samen-rottingen ende
bijeenkomsten .... maer ook hadden onderwonden door den druck gemeen te maken
vele van hare Sociniaensche Schriften ende Boecken, alle vol van lasteringhe
tegens de fondamentale gronden ende Hooft-poincten van de ware Christelijcke
Religie’; en dientengevolge hadden zij bij placaat met straffen van zware
boeten, correctie en verbanning allen bedreigd, die zulke samenkomsten hielden
of zulke geschriften uitgaven
1). Van dien tijd af vond Oudaen het geraden, alleen
anoniem voor de leer van Socinus op te komen, en dan nog wel meer als
verdediger dan als profeet.
Toch moet men daaruit niet opmaken, dat hij een vrijdenker was in
den tegenwoordigen zin des woords. Hij achtte zich integendeel juist den waren
voorstander van den Christelijken godsdienst. | | | | ‘Gods eer te
vord'ren was steeds zyn opperste oogemerck’, en daarvoor ‘wachtte
hy eer by God en prijs by alle vromen’. Stichtelijk dichter is
Oudaen dan ook in de eerste plaats, en
wijsgeeren als
Hobbes en
Spinoza waren hem een gruwel. ‘Laat vry Spinozen
en Des-Karten verzinken in hun dweepery!’ zeide hij (in 1688) in een lied
‘Op het huwelyk van Adriaan Verwer’, die reeds in 1683 een
merkwaardig lofdicht van hem ontvangen had voor zijn werk: ‘'t
Mom-aensicht der Atheïstery afgerukt, of Wederlegging van de geheele
Sedekonst van Benedictus de Spinoza’. Dat hier door Verwer de
atheïstery ‘ontdekt en in haar sluiphol agterhaalt’ werd, was
voor Oudaen eene rede tot vreugde en dankbaarheid, al had ook eenmaal
deze ‘vermomde atheïst’ te Rijnsburg onder zijne
vrienden een toevluchtsoord gevonden.
Sterker bewijs nog van zijne vrees voor afdwaling van den
openbaringsgodsdienst levert zijne vertaling (1687) van het Latijnsche
geschrift, waarmee Georgius Mebius het beroemde boek van Antonie van Dalen over
de orakels der Ouden bestreed, en vooral het gedicht, dat hij er aan deed
voorafgaan en waarin hij niet onduidelijk te kennen gaf, dat, wanneer men
eenmaal begonnen is in den godsdienst der Heidenen niet anders te zien dan
priesterbedrog in plaats van er de geheimzinnige macht van den Booze in te
verafschuwen, men gevaar loopt, ook andere geheimenissen te willen verklaren
als bedrieglijk menschenwerk, en waar zou dan misschien het einde zijn! Men
ziet, Oudaen kon, hoe vrijzinnig ook tegenover bindende
leerstellingen, den duivel nog niet verbannen uit zijne godsdienstige
wereldbeschouwing, zooals spoedig daarop de Amsterdamsche predikant Balthazar
Bekker zou durven wagen.
Onder de bijzondere vrienden van Oudaen treffen wij
verschillende vrome Libertijnen aan, meerendeels ook tot de Rijnsburgsche
Collegianten behoorende: vooreerst zijn broeder
Frans en zijne beide zwagers,
Joan Dionysz. Verburg en
Joannes Bredenburg
1), die tot op zekere hoogte geestverwant, maar toch ook
bestrijder van Spinoza was o.a. door zijn vasthouden aan het wondergeloof,
waaraan Spinoza reeds was ontgroeid. Het meest heeft hij zich bekend gemaakt
door het belangrijk aandeel, dat hij nam aan | | | | de langdurige, naar
hem genoemde, ‘Bredenburgsche’ twisten van 1672 tot 1691, die er
toen onder de Collegianten woedden en waarbij zijne voornaamste tegenstanders
de niet onbekwame, maar zedelijk niet hoog staande Frans Kuiper en Abraham
Lemmerman waren. Ofschoon Bredenburg zelf voortdurend op
verdraagzaamheid aandrong, zagen daarbij dikwijls zeer heftige en persoonlijke
pamfletten in proza en verzen het licht, totdat de weinig verkwikkelijke strijd
met den dood der voornaamste kampvechters eindigde. ‘Lykzangen op
het afsterven van Johannes Bredenburg’ door zijn zwager
Oudaen en door
Joost van Geel, die zijn medestrijder tegen
Kuiper en Lemmerman was geweest, leeren ons, dat hij 28 Aug. 1691 te
Rotterdam overleed.
Bevriend was Oudean verder met den geleerden Daniël de
Breen, den bekenden Amsterdamschen staatsman Mr. Koenraad van Beuningen en den
chirurgijn
Jacob Ostens
1)
(† 1678), die te Rotterdam leeraar der Doopsgezinden was
geworden en in 1651 ook een stichtelijken dichtbundel heeft uitgegeven,
getiteld ‘Liefde Son, omstralende de hoedanigheyt der
tegenwoordige genaamde Christenheyt’. Met
Spinoza stond hij als vriend in
briefwisseling.
Tot Oudaen's vriendenkring behoorde ook nog de zooeven
reeds genoemde Rotterdamsche figuurschilder
Joost van Geel
2) (geb. 1631
† 31 Dec 1698), wiens
Gedichten te Rotterdam in 1724, dus lang na zijn
dood, verzameld werden uitgegeven door Kornelis van Arkel Het zijn meerendeels
‘stichtelyke zangen’ maar ook geboort- en lijkdichten, en ook
eenige mengeldichten, waaronder (bl. 267-301) een lang gedicht in
alexandrijnen, ‘De bloeiende kerk, Aen de Remonstrantsche
Christenen’, dat ook over de Rijnsburgers handelt en de voornaamste
Collegianten bij name noemt. Onder zijn schilderwerk komt ook een zelfportret
voor, dat, door Jacobus Houbraken gegraveerd en door Joan de Haes van een
vierregelig bijschrift voorzien, aan de uitgaaf zijner Gedichten is
toegevoegd.
Andere vrienden van Oudaen waren de liefhebber-schilder
Heiman Dullaert, van wien wij reeds spraken, en diens medeleerling bij
Rembrandt, de Dordsche schilder
Samuel Dirksz. | | | |
van
Hoogstraten
1) (geb. 1627 †
1678), die zich in de kunstgeschiedenis door werk en leer bij zijne
tijdgenooten vrij wat aanzien verworven heeft en ook als dichter (o.a. met twee
treurspelen ‘Dieryk en Dorothé of de Verlossing van
Dordrecht’ in 1666 en ‘De Roomsche Paulina of
bedrogen kuischheid’ in 1668) is opgetreden, en diens jongere
broeder, de Rotterdamsche boekverkooper
Frans van Hoogstraten (geb. 1632 † 1696),
die veel in proza en verzen uit het Latijn heeft vertaald en als dichter
stichtelijke zangen en zinnebeelden schreef, o.a. in 1668 ‘Het
Voorhof der Ziele’ bij zestig prentjes van Romeyn de Hooghe,
wiens etsnaald zich ook leende om
Oudaen's ‘Uytbreyding van het boek
Jobs’ te versieren.
Wenscht men kennis te maken met een groot aantal stichtelijke
dichters uit de zeventiende eeuw, dan heeft men slechts den
‘Lust-hof der Zielen’ op te slaan, in 1681
uitgegeven en later meermalen herdrukt. Daar vindt men van een zestigtal
stichtelijke dichters liederen, ‘waarvan eenige noit in druk geweest en
de overige uit veele gedrukte Lied-boeken gezocht, byeen vergaaderd en in ordre
gesteld zijn door
Claas Stapel’
2), een
remonstrantsch Collegiant en notaris te Hoorn, waar het
vrouwenhofje, dat hij er met twee anderen stichtte, zijn naam nog in eere
houdt. Tot zijn bundel droeg hij zelf met twaalf liederen bij en in zijne
‘Voorreede’ schreef hij, dat hij ‘geen onderscheid gemaakt
had in de Autheuren van wat naam, gezindheid of volk dezelve mochten zijn, als
ze anders maar de naam van rechte Christenen konden draagen, God'-lijk en
Hemels gezind waaren, en onder dat volk sorteerden, die het Lam volgen waar het
ook heenen gaat, doordien hy voor vast en zeker hield, dat geen bloote opinie
of nette waarheidsbevattinge van duistere verschillen, inzonderheid die de
mensch beeter noch erger maaken, iets, maar het nieuwe schepsel, de
onderhoudinge van Gods gebooden en het leevendige geloof, daadig | | | | door de liefde, alleen zal gelden ten daage, als wanneer den Rechter
van leevenden en dooden den gantze ring des aardboodems rechten en aan de
belijders zijnes naams niet zoozeer het verstand, als goede werken beloonen
zal.’
Men vindt in dien bundel dan ook, naast liederen van Gereformeerden
en Remonstranten, vooral een groot aantal van Doopsgezinden, o.a. van den
Dordschen leeraar
Tieleman Jansz. van Bracht, bekend door zijn
prozawerk ‘Bloedigh tooneel der Doopsgezinde en wereloose
Christenen’ (van 1660).
Ook aan gedichten van Rijnsburgsche Collegianten ontbreekt het er
niet. Van
Joannes Bredenburg treft men er niet minder dan
achttien in aan, van
Barend Joosten Stol twintig, en dan verder nog
van
Jan Evertsz. Geesteranus, van
Joost van Geel en zelfs van
Adam Boreel, heer van Duynbeke, in 1603 te
Middelburg geboren en in 1667 overleden en van diens jongeren
vriend
Galenus Abrahamsz. de Haan, 8 Nov. 1622 geboren
te Zierikzee, te Leiden in de medicijnen gepromoveerd
en sedert 1648 leeraar bij de Vlaamsche Doopsgezinden van het Lam.
Deze man, die, volgens een lofdicht van
Jan Zoet, ‘geen mensch aan zyn verstand
wou binden, en graag zyne onvolmaakthaid beleed’, die als een
‘wakkre haan, daar 't onverstand op beet, het al overkraaide in 't
straffen van de zonden’, maar die allengs meer en meer Sociniaan bleek te
zijn, werd in 1660 fel bestreden door Samuel Apostool en twee andere
ambtgenooten van hem, waardoor er vier jaar later nieuwe scheuring in de
Vlaamsche gemeente kwam en zijne tegenstanders, die voor hem het veld hadden
moeten ruimen, in de Zon kerk gingen houden, terwijl Galenus zich in
het Lam handhaafde en zelfs in 1692 benoemd werd tot een soort van Doopsgezind
hoogleeraar, wat hij tot zijn dood in 1706 gebleven is
1).
Onder de pamfletten, die naar aanleiding van dezen geruchtmakenden
strijd werden uitgegeven, waren er ook verscheidene in dichtmaat, doch ons
bestek laat niet toe, daarover breeder uit te weiden, evenmin als over de
schimp- en hekeldichten tegen de Kwakers van
William Ames en
William Caton (van 1657 tot 1662, en 1670), tegen de
Labadisten (van 1666 tot 1671) en van de | | | | elkaar fel bestrijdende
Cartesianen (onder Joannes Coccejus en Abraham Heidanus) en Voetianen of
aanhangers van Gysbertus Voetius. Eene bloemlezing er van vindt men in de
‘Nederduitse en Latynse Keurdigten’, in het begin
der achttiende eeuw door Pieter van der Goes (d.i. Pieter van der Veer) te
Rotterdam uitgegeven.
Niemand bedroefde zich destijds over de verdeeldheid der Christenen
meer dan een vriend van
Oudaen, de Haarlemsche geneesheer
Petrus Langedult, lid der Vlaamsch-Doopsgezinde
gemeente en tevens ijverig Collegiant, zooals ook duidelijk uit zijne vrome
dichtwerken blijkt, o.a. uit een treurspel, dat hij in 1684, drie jaar
vóór zijn dood, uitgaf, getiteld ‘Christus lydende
en verheerlykt’, of, liever, eene trilogie, waarvan elk stuk vijf
bedrijven heeft, met reizangen besloten. Men zou dit tooneelwerk een
protestantsch mysteriespel kunnen noemen, waarin zelfs de duivels niet
ontbreken, maar dan toch geschreven in den classieken vorm, van welken de
dichter veel studie had gemaakt, blijkens zijne uitvoerige voorrede, die wel
eene geleerde verhandeling over het tooneel mag genoemd worden en vooral
geschreven werd als warm pleidooi voor de groote, ook ethische, waarde van
tooneelvertooningen tegen
Plato en de zich op dezen beroepende predikanten.
Het stuk is evenmin voor het toenmalig tooneel hier te lande
geschikt als een ander - voorzoover ik weet onuitgegeven - treurspel van hem,
dat ik in handschrift bezit en dat, onder den titel ‘De Babylonise
Toren der hedensdaagse Christenen’, de jammerlijke verbrokkeling
der Christenheid in allerlei elkaar verketterende sekten met veel theologische
kennis duidelijk in 't licht stelt en met veel vrijzinnige vroomheid betreurt.
Dat laatste gebeurt vooral op het eind der bedrijven in reien van
‘Vrede-liev ende Christenen’ en van ‘Soekers’ of
‘Wachters’, de aanhangers der van 1656 tot 1662 te Amsterdam door
William Ames vertegenwoordigde Engelsche sekte, die geene zichtbare kerk op
aarde wilden erkennen, vóór Jezus zelf teruggekeerd zou zijn om
zijn rijk op aarde te stichten. ‘Set al dat breyn-geschift, dat
doorn-gesplits ter zijden’, laat hij ten slotte door Gabriël
verkondigen, ‘keert terug tot de oude leer’, de leer van
‘liefde, vrede, trou, geloof en nedrigheyt’, staakt den ijdelen
arbeid om kerken te willen reformeeren, ‘leeft stil, dient malkaar in
deugden’ en voegt u het liefst bij hen, ‘die minst regeren, minst
aan kerk-gewoontens binden en niet na breyn-geloof, maar slechts na werken
vragen’. | | | |
Dat die eindelooze scheurmakerij en twist over nietigheden, waarover
Hugo de Groot zich zoo had bedroefd, eindelijk de vrome
gemoederen begon te verdrieten, is niet vreemd, en dat er vooral in de rijen
der Doopsgezinden mannen en vrouwen waren, die smachtten naar een algemeen
Christendom boven geloofsverdeeldheid, kan men volkomen begrijpen, als men door
Langedult niet minder dan veertien verschillende sekten van
Doopsgezinden, die er geweest of toen nog waren, in zijn treurspel hoort
opnoemen. Al die zoo hoogmoedige bemoeiingen met leer en leven van anderen -
want daaruit kwam de scheuring meest voort - bracht menig twijfelmoedige, zegt
Langedult, tot wanhoop, ja tot waanzin en zelfmoord. Anderen, dat
bannen en mijden, dat bestraffen en kwellen, dat twisten en redekavelen moede,
zochten den vrede voor hun gemoed bij het eeuwenheugend gezag der oude kerk van
Rome, tot welke zij ten slotte terugkeerden. De Calvinisten, die bij al hunne
dogmatische gestrengheid niet altijd de vroomsten waren, kwamen er licht toe,
de leden der kleinere sekten van papisterij te verdenken, en in zooverre niet
zonder grond, als in de zeventiende eeuw, en vooral in het tweede kwart er van,
menigeen uit den kring der Remonstranten (zooals bv. de geleerde theoloog
Bertius) en nog meer uit dien der Doopsgezinden (zooals bv. Vondel) tot de
Katholieke kerk is overgegaan.
Dat deed ook
Reyer Anslo
1), die in zijn tijd onder de beste dichters meetelde, al maken
zijne, in 1713 verzamelde, gedichten juist geen bijzonder grooten bundel uit.
Zijn naam, gelijk aan den vroegeren naam van de stad Christiania, herinnert aan
zijne Noorsche afkomst, maar in 1626 was hij uit doopsgezinde ouders te
Amsterdam geboren en zelf werd hij daar op twintigjarigen leeftijd
bij de, sinds 1644 vereenigde, Hoogduitsche, Friesche en Waterlandsche
gemeenten van den Toren gedoopt.
Van 1644 dagteekent ook zijn eerste gedicht: een door
gemaniëreerdheid ongenietbare bruiloftszang. Twee jaar later schreef hij
het eerste zijner grootere gedichten: ‘De martelkroon van
Steven’, dat hij aan
Hadrianus Junius, den rector van de Latijnsche school der
Nieuwe Zijde opdroeg ‘uit dankbaarheit voor | | | | zijn geleerde
lessen’. Het is nog een anti-katholiek gedicht, niet alleen omdat de
dichter er, naar Junius' leer, dat wonderen spoediger worden geloofd dan
verricht, opzettelijk, alle aan Steven toegeschreven mirakelen uit heeft
weggelaten, maar vooral omdat hij er, zonder dat de stof het vereischt, het
pausdom ‘afgoderij’ noemt en den paus iemand ‘die zich
verheft als een Godt op Babels Tempelrots’. Niet onverdienstelijk volgde
hij er den stijl in van
Vondel, ofschoon hij overigens meer bewondering toonde
voor
Hooft, aan wien hij ook zijn
‘Zegetempel’ opdroeg, het uitvoerigste der vele
gedichten, waarin hij Frederik Hendrik verheerlijkte.
Toch gold zijn lof nog meer de ijdele koningin van Zweden,
Christina, Gustaaf Adolf's dochter, die het type was van de kunstlievende en
geleerde, maar daarom nog niet verstandige vrouw, en die zoowel daarmee als met
het tentoonspreiden van vorstelijke praal en mildheid ook anderen dan den
jongen Anslo wist te verblinden. Toen zij haar tweeëntwintigsten
verjaardag beleefde, wijdde hij haar een verjaardicht, en wat later eene ode,
waarin hij haar verheerlijkte als ‘de Zweedsche Pallas’, zooals zij
zich ook had laten afbeelden als hoofdfiguur van een groot tafereel, dat de
door haar gestichte bibliotheek versierde. Onze agent aan het Zweedsche hof,
Michiel le Blon, wist hem van haar als belooning eene gouden keten te bezorgen,
eene eer, die hem met den ook zóó door haar beloonden
Vondel op ééne lijn stelde; maar
in zijn dankdicht (getiteld ‘Papier voor gout’)
noemde hij dat zelf ‘gelyken loon aan ongelijke pennen’ en besloot
hij met deze woorden: ‘zoo veel als myn nederig gedicht voor 't heerlyk
rym des grooten Vondels zwicht, zooveel te meer heb ik u dank te weten’.
Een jaar later, in 1650, bezong hij haar nog eens, en toen zij in 1654, om
openlijk tot de Katholieke kerk, waarin ook hij zelf toen juist was opgenomen,
te kunnen overgaan, afstand had gedaan van hare kroon en Zweden verlaten had,
om, op hare reis ook Holland bezoekend, te Rome haar verder leven door te
brengen, prees Anslo haar in eene ode nog eens, omdat zij de
‘evangelische parel, het Katholyk geloof, het Roomsche
Godtskleinoot’ gekocht had voor de vorstelijke macht, ofschoon zij met
‘ryk en kroon hare majesteit niet afgeleit’ had, die men nu
‘te Rome in nedrigheit nog hooger pralen zag’.
Onder Anslo's kleinere gedichten vinden wij, behalve
brui- | | | | lofts- en lijkzangen, verscheidene, waarin gejuicht wordt over
het sluiten van den Munsterschen vrede en over de grondlegging van het
Amsterdamsche stadhuis in het vredejaar, welk laatste gedicht zoozeer door
Burgemeesteren gewaardeerd werd, dat zij er Anslo eene zilveren schaal
voor vereerden. Aan zijne moeder Hester Willems die, nadat zijn vader Beyer
Claesz. Anslo reeds in 1631 gestorven was, met Jan Rodenburgh was hertrouwd,
droeg hij in 1648 met een hartelijk en vroom gedicht een bundel
Bybelstof op, of (231 korte)
Byschriften op de Historien en Afbeeldsels der gantsche H.
Schriftuur, bestemd tot onderschriften van bijbelsche prenten; maar
eigenlijk was dat een verbeterde tweede druk (zonder de prenten) van een bundel
bijschriften, die hij in hetzelfde jaar reeds in het Latijn, Fransch, Duitsch,
Engelsch en Nederlandsch had uitgegeven, als bewijs van zijne zeldzame
bedrevenheid in vreemde talen.
Een ander groot dichtwerk was zijn eenig treurspel
‘De Parysche bruiloft’, in 1649 uitgegeven
met eene opdracht aan Michiel Ie Blon, maar zeker reeds wat vroeger door hem
gemaakt en alleen, zooals hij zegt, uitgegeven ‘ter gunste van een, die
hem zoo lief was als het licht’; en wie die ééne was, valt
niet moeielijk te gissen, daar wij onder zijne gedichten er ook een vinden,
waarin hij zich ‘voor eeuwig en altoos verplicht’ rekende aan
Magdalena Baeck, de oudste dochter van Hooft's zwager Joost Baeck, indien zij
zich wilde verwaardigen zijn treurspel te lezen.
Zijn treurspel schijnt beter te zijn opgenomen dan zijne
liefdesverklaring, waarvan wij het lot verder niet kennen, want het is 14 Nov.
1650 op den Amsterdamschen schouwburg vertoond en minstens zeven maal herdrukt.
Het is, niet zonder invloed van Seneca, opgesteld in den gewonen classieken
vorm, met reizangen van ‘Navarroische Maagden’ aan het eind van
alle bedrijven behalve het vijfde. Bijzonder levendig kan men het stuk juist
niet noemen. Catharina de Medicis, die er de hoofdrol in vervult, heeft drie
bedrijven noodig om met listige redeneering haar zoon, Koning Karel IX, over te
halen tot het verraderlijk laten ombrengen van den admiraal De Coligny en de
andere Hugenooten. Anjou, Guise en de Kardinaal de Bourbon zijn haar daarbij
behulpzaam in het uitvinden van drogredenen en het beramen van plannen. Door
allerlei geveinsde handelingen moeten de argwanende Hugenooten, De Coligny,
zijn schoonzoon Teligny, en Condé | | | | in slaap worden gewiegd,
en op het eind van het derde bedrijf is dat alles vrij wel gelukt. Maar bij het
begin van het vierde bedrijf wordt Hendrik van Navarre, die juist met Margareta
van Valois in het huwelijk trad, uit zijn slaap opgeschrikt door
moordgeschreeuw op straat, en Condé komt hem daarop de verschrikkingen
van den Bartholomeusnacht meedeelen. Een oogenblik verdenkt hij te onrechte
zijne vrouw van medeplichtigheid; maar op 's Konings belofte, dat zijn leven
gespaard zal blijven, stelt hij zich gerust. Bij het begin van het vijfde
bedrijf is het gruwelstuk volbracht. Het hoofd van De Coligny wordt den Koning
aangeboden en deze heeft het gebeurde gezien in een folterenden, zijn geweten
wakker schuddenden droom, waarin de geest van Teligny hem de toekomst voorspelt
en daarin vooral ook het huwelijk zijner weduwe Louise de Coligny met Willem
van Oranje en de geboorte van hun zoon
Frederik Hendrik, tot wiens verheerlijking het stuk
blijkbaar geschreven is, maar die het zelf niet meer heeft kunnen lezen. De
stof voor zijn treurspel heeft Anslo zoo goed als uitsluitend geput
uit Hooft's ‘Henrik de Grote’, maar
bevendien schijnt hij ook het een en ander ontleend te hebben aan een ander
treurspel met hetzelfde onderwerp:
Carel de Negende anders Parysche Bruyloft,
reeds in 1645 door
Lambert van den Bos gedicht.
Niet lang nadat
Anslo's treurspel van de pers was gekomen, namelijk
31 Aug 1649, verliet de dichter Amsterdam om eene reis naar Rome
te ondernemen met Hooft's zoon,
Arnout Hooft
1), bij wien zich ook
eenige andere jonge mannen, Kieft, Hudde, Ooms en Blom vroeger of later
aansloten. Niet zonder weemoed, misschien ook onder den indruk zijner hopelooze
liefde voor Magdalena Baeck, nam hij afscheid van geboortestad en vaderland.
Nog nauwelijks buiten de grenzen van ‘'t lieve vaderlant, zoo waardt als
't leven’, werd hem, zooals hij in een gedicht ‘Op de
Rijnstroom’, 12 Sept. 1649 ‘by 't Binger-Logh’
geschreven, zelf verklaart, ‘'t hart flauw als 't dacht om al zijn bloet,
om vrient en vreemt, in zyn zoo teer gemoet zoo diep gekropen.’ Hij ging,
zooals hij daar zegt, naar Rome om er bij de jubeljaarsfeesten van | | | | 1650 tegenwoordig te zijn en er dan tevens ‘voor des Tybers
Myterkroon Latyn te spreken.’
Dat laatste heeft hij ook inderdaad gedaan. Zijne bedrevenheid in
het Latijn stelde hem in staat Latijnsche dichtstukken te maken, van welke er
ons ook nog eenige zijn bewaard, o.a. verscheidene ter eere van Paus Alexander
VII, en ook een hekelend grafdicht op den bij dezen paus zoo gehaten kardinaal
De Mazarin in 1661. In Nov. 1649 kwam hij met zijne vrienden te Rome aan, maar
toen Arnout Hooft en de anderen in 1650 weer naar hun vaderland terugkeerden,
bleef
Anslo in Italië achter, om het nooit weer
te verlaten.
Dat hij reeds vóór de reis plan zou gehad hebben te
Rome tot de katholieke kerk over te gaan en dat die overgang dan
ook reeds in 1651 zou hebben plaats gehad, is vroeger te onrechte beweerd
1). Eerst drie jaar later moet die overgang hebben plaats gehad.
Aanvankelijk schijnt hij te Rome vooral te hebben verkeerd in de daar gevormde
Nederlandsche schildersbent; en dat hij hunne kunst hoog stelde, toonde hij nog
in zijne laatste levensjaren met zijn gedicht
‘Schilderkroon’ en nog een ander, dat hij ook aan
den schilder Adriaen van der Kabel toewijdde.
Toen zijn vriend
Jan Six van Chandelier hem in 1654 bezocht,
stond deze verbaasd, want, zooals hij ons vertelt, ‘Hy had Menno
uitgetrokken, gingh in lange knunnikrokken.’ Blijkbaar had zijn overgang
in datzelfde jaar plaats gehad. Hij kwam toen in dienst van den kardinaal Luigi
Capponi, bij wien hij zich tot den geestelijken stand voorbereidde. In 1656
kreeg hij de tonsuur en de beide lagere orden, en het volgende jaar werd hij te
Rome voor eenigen tijd ‘camerlengo’ der broederschap van S. Maria
in Campo Santo. Toen moest het lang duren, vóór hij in den
geestelijken stand hooger op klom, want eerst 18 Sept. 1666 werd hij tot
sub- | | | | diaken gewijd, maar tot priester heeft hij het nooit gebracht.
Te Perugia is hij 16 Mei 1669 overleden.
Te Rome heeft hij nog maar enkele kleinere gedichten gemaakt en
één uitvoerig dichtwerk, waartoe ‘De Pest tot
Napels’ hem in 1656 stof gaf. Alle ellende, waarvan hij daar
getuige was, wordt den lezer treffend voor oogen gesteld door eene reeks
verhalen van, naar 't schijnt, in dien vreeselijken pesttijd te Napels ook
werkelijk voorgevallen afschuwelijkheden; en daar bij groote volksrampen
gewoonlijk de schandelijkste ondeugden, die zich anders zorgvuldig trachten te
verbergen, onbeschaamd voor den dag treden en ook deze door den dichter breed
worden uitgemeten, maakt het gedicht in de eerste plaats een gruwelijken
indruk: het wekt veeleer afkeer dan ontroering. Dat het inderdaad indruk maken
kan, heeft het aan de goed gekozen woorden te danken, doch eigenlijk
dichterlijk is de taal maar zelden. Anslo, die te voren er wel eens in
geslaagd was, door den toon zijner verzen aan Vondel te herinneren, doet ons
bij den aanvang van het gedicht, wanneer hij een algemeenen indruk van de
pestwoede geeft, ook nog van verre aan hem denken, maar als hij spoedig daarop
tot den verhaaltrant overgaat, daalt zijn stijl, zoodat wij allengs niet meer
Vondel, maar Cats meenen te hooren; en zelfs het gebed tot God om de nog
overgeblevenen te sparen, waarmee het gedicht eindigt, is zuiver Catsiaansch
van gedachte en taal.
|
1)Van Oudaen gaf David van Hoogstraten eene
zeer uitvoerige levensbeschrijving, door hem geplaatst achter het derde deel
van Joachim Oudaens Poëzy, Amst. 1712, III dln., door H.K. Poot nog
aangevuld met Gedichten van Joachim Oudaen, nooit voor dezen in het licht
gegeven, Delft 1724. In beide verzamelingen werden echter zijne groote
dichtwerken niet opgenomen, evenmin als zijne Toneelpoëzy, die ook
te Amst. in 1712 herdrukt werd, doch zonder zijn ‘Haegsche
Broedermoort’. Brieven van en aan hem werden meegedeeld door G. Penon,
Bijdragen II (Gron. 1881) bl. 109-154, III (Gron. 1884), bl.
76-79.
1)Voor Joan Blasius' ‘Geslachtboom der
goden en godinnen’ en Oudaen's afkeuring daarvan zie men mijne
Bladzijden uit de Geschiedenis der Ned. Letterkunde, Haarlem 1882, bl.
46-49.
1)Zie zijn prozawerk ‘Aanmerkingen Over
het Verhaal van het eerste Begin en Opkomen der Rynsburgers’, Rott. 1672.
Voor de latere geschiedenis der Rijnsburgsche Collegianten zie men (E. van
Nijmegen), Historie der Rijnsburgsche vergadering,.Rott. 1775; J.C. van
Slee, De Rijnsburgsche Collegianten, Haarlem 1895 en C.B. Hylkema,
Reformateurs, Haarlem 1900-1902 II dln.
1)Voor Willem van Heemskerk als dichter zie
men G. Penon, Bijdragen tot de Geschiedenis der Ned. Letterkunde II
(Gron. 1881), bl. 33-35, en als glasgraveur A.M. Pareau, Ned. glasgraveurs
en glasetsers en hun werk in het Jaarverslag van het Kon. Oudheidk.
Genootschap te Amsterdam, 1900, bl. 26-38.
1)Voor het placaat tegen de Socinianen zie
men W.J. Kühler, Het Socinianisme in Nederland, Leiden 1912, bl.
141-143.
1)Voor Bredenburg zie men J.C. van Slee,
De Rijnsburgsche Collegianten, Haarlem 1895, bl. 115-120, 125-127,
238-266; C.B. Hylkema, Reformateurs II (Haarlem 1902) bl. 243 vlgg., en
W.J. Kühler, Het Socinianisme in Nederland, Leiden 1912, bl.
241-248.
1)Voor Ostens zie men K.O. Meinsma,
Spinoza en zijn kring, 's-Grav. 1896, bl. 228, 341, 343, 449.
2)Voor Joost van Geel als schilder zie men P.
Haverkorn van Rijsewijk in Oud Holland, XVI bl. 32-50.
1)Voor Samuel van Hoogstraten en zijn
leerboek Inleyding tot de Hoge Schoole der Schilderkunst (Dordrecht
1679) zie men Arnold Houbraken, ‘Groote Schouburgh der Nederl.
konstschilders en schilderessen’, Amst. 1718-21, III dln., II bl. 156
vlgg.; P.S. Schull, die van hem eene levensbeschrijving gaf vóór
den door hem bezorgden herdruk van S. van Hoogstraten's Dieryk en
Dorothé of de Verlossing van Dordrecht, Dordrecht 1833, en vooral
G.H. Veth, Oud Holland VII bl. 129-148. Vgl. voor hem en zijn broeder Frans ook
nog H.J.A. Ruys, Oud Holland XXXI, bl. 176 vlg.
2)Voor Claas Stapel zie men J.C. van Slee.
De Rijnsburgsche Collegianten, Haarlem 1895, bl. 191 vlg. en A.W.
Bronsveld, Stichtelijke poëzie uit de zeventiende eeuw in
‘Stemmen voor Waarheid en Vrede’, 1922 bl. 559-579.
1)Over wat toen als de
‘Lammerenkrijg’ de aandacht van velen trok en over Galenus
Abrahamsz. de Haan en andere Collegianten zie men W.J. Kühler, Het
Socinianisme in Nederland, Leiden 1912, bl. 152-199.
1)De hoofdbron voor onze kennis van Anslo is
nu H.H. Knippenberg, Reyer Anslo. Zijn leven en letterkundig werk Amst.
1913. Dat Anslo's voornaam Reyer was, staat eerst vast sinds 1875: Zie J.G.
Frederiks, Taal- en Letterbode VI, bl. 315. Verzameld zijn zijne dichtwerken
eerst uitg. als R. Ansloos poëzy, uitgegeven door Joan de Haes,
Rott. 1713.
1)Deze heeft een dagverhaal van die reis
neergeschreven, dat nog in handschrift op de Amsterdamsche
Universiteitsbibliotheek berust en waaruit het een en ander is meegedeeld door
J.G. de Hoop Scheffer in Dietsche Warande X bl. 325-336, en door J.F.M. Sterck
in Jaarboekje van Alberdingk Thijm, 1891 bl. 247-268.
1)Op grond van de Litterae Annuae der
Jezuieten en de daarop berustende ‘Acta missionis in comitatu
Hollandiae’, die hier echter, zooals Knippenberg aantoonde, in zich zelf
en met andere strijdige berichten hebben geboekstaafd of zich voor 't minst
zeer onduidelijk uitdrukken. Geheel verwerpelijk is de door K. Vos in De Gids
LXX (1906) bl. 317-328 uitgewerkte stelling, dat Anslo reeds vóór
zijn vertrek naar Rome door Ned. Jezuieten zou bekeerd zijn om daarmee de
liefde van Magdalena Baeck te winnen, van wie ik reeds vroeger beweerde, en
Knippenberg nader bevestigd heeft, dat zij nooit katholiek is geworden, althans
in 1663 nog gereformeerd was. Wel ging hare zuster Debora, doch eerst in 1653,
tot het catholicisme over. Als gissing, maar ook niet meer dan dat, zou ik de
mogelijkheid willen opperen, dat Anslo's doopsgezinde familieleden het huwelijk
met eene gereformeerde als Magdalena hebben tegengegaan en hem daardoor, huns
ondanks, naar het buitenland en als gevolg daarvan, in de armen van Rome hebben
gedreven.
|
|