|
|
|
| |
| | | |
XLVII. Onze dichters tegenover Rubens en Rembrandt.
Van Rubens en Rembrandt
1) hebben wij nog slechts als in 't
voorbijgaan gesproken, toen wij over de betrekking van onze dichters tot de
schilderswereld spraken en o.a. zagen, dat Rembrandt door
Jan Vos aan de spits der schilders werd gesteld
en dat
Huygens met
Rubens en
Rembrandt in briefwisseling is geweest. Huygens
was het onder onze dichters, die het eerst Rembrandt als schildergenie der
toekomst heeft weten te erkennen.
2)
Wij bezitten namelijk van hem eene merkwaardige critiek op
verscheidene schilders van zijn tijd in zijne omstreeks 1630 geschreven
fragmentarische autobiographie, en terwijl hij daarin verschillende anderen
terloops vermeldt, Cornelis van Haarlem, evenals Hendrik Vroom, verouderd noemt
en den brutaal-ontuchtigen Johannes Torrentius, wiens verrassend weergeven van
de levenlooze natuur hij prees, slechts met eene mengeling van weerzin en
bewondering bespreekt, stelt hij er twee jonge schilders op den voorgrond, aan
wie hij eene schitterende toekomst voorspelt: Jan Lievens en Rembrandt
Harmensz. van Rijn. In smaak en levendigheid van gevoel stelde hij Rembrandt
boven Lievens, in stoutheid van vinding en grootschheid van onderwerpen en
figuren Lievens boven Rembrandt.
Van den laatste had hij toen juist een Judas gezien (die
verscheidene jaren geleden weer is teruggevonden), vol berouw die zilverlingen,
waarvoor hij Jezus verkocht had, aan de priesters terugbrengend. Daarvan zegt
hij: ‘Laat geheel Italië hier komen en al wat | | | | er schoons
en bewonderenswaardigs van de hoogste oudheid af is overgebleven: het gebaar
van den wanhopenden Judas alleen, die raast en huilt en vergiffenis smeekt
zonder dat zijn gelaat de hoop daarop uitdrukt, dat afschuwelijk gelaat, de
uitgerukte haren, het verscheurde gewaad, de verwrongen armen, de ten bloede
toe samengeknepen handen, de plotselinge kniebuiging en de deerniswekkende
ineenkrimping van dat lichaam onder de hevigste smart: dat alles plaats ik
tegenover de elegantie van het verleden en wensch ik te laten zien aan die
onwetenden, die wanen, dat tegenwoordig niets gedaan of gezegd kan worden, wat
de Oudheid niet reeds gezegd of gezien heeft. Waarlijk aan geen Protogenes,
Apelles of Parrhasius is ook maar iets in de gedachte gekomen van dat alles,
wat een baardeloos jongeling, een Hollandsche molenaar in ééne
figuur, afzonderlijk en met elkaar heeft weten uit te drukken. Geluk, mijn
vriend Rembrandt! Ilium, ja geheel Azië naar Italië te hebben
overgebracht beteekent minder dan dit, dat nu door een Nederlander, die
totnogtoe nauwelijks een stap deed buiten de muren van zijne vaderstad, de
hoogste roem van Griekenland en Italië op de Nederlanders is
overgegaan.’
Die woorden van
Huygens zijn bewaarheid, zij het ook al niet in
de zeventiende eeuw zelf, dan toch later. Toch was Rembrandt ook reeds in zijn
eigen tijd een schilder van grooten naam geworden. Huygens liet het
dan ook niet na, hem bij Frederik Hendrik aan te bevelen
1), voor wiens jachtslot te Honselaarsdijk hij van 1633 tot 1639
vijf tafereelen mocht schilderen, namelijk eene Kruisverheffing, Kruisafneming,
Graflegging, Opstanding en Hemelvaart. Later leverde hij aan Frederik Hendrik
ook nog eene schilderij, die de ‘Aanbidding der herders’
voorstelde. Door erfenis zijn al deze stukken naar Beieren gegaan, waar zij
zich nu in de Münchener Pinakotheek bevinden. Ook het portret van Huygens'
broeder Maurits (nu in Hamburg) heeft Rembrandt in 1632 geschilderd.
Verder weten wij, dat ook
Scriverius (wiens portret in 1662 door Frans
Hals geschilderd werd) ‘twee braave groote stukken van Rembrandt’
bezat en dat er zich in de verzameling van Mar- | | | | ten Kretser ook
Rembranden bevonden, wat
Lambert van den Bos aanleiding gaf om in zijn
gedicht op Kretser's Konstkabinet tot Rembrandt te zeggen: ‘Elck weet wat
eer dat ghy kont halen, wanneer ick slechts u name noem.’ Jan Jacobsz.
Hinlopen was in het bezit van een in 1660 geschilderd stuk van den meester, dat
zich nu in het Ruminiantzof-museum te Moskou bevindt en Haman voorstelt, bij
Esther en Ahasverus te gast. Voor dat stuk, evenals voor eenige andere
schilderijen in het huis van dien kunstlievenden Amsterdamschen schepen, heeft
Jan Vos een dichterlijk bijschrift gemaakt. Hij
deed dat ook voor het portret (nu in de Gemälde Galerie te Cassel), dat
Rembrandt in 1632 schildèrde van Lieven van Coppenol, maar de lof geldt
hier, zooals gewoonlijk bij de gedichten op portretten, meer den persoon, die
voorgesteld werd, dan den schilder, die het beeld op doek bracht.
Trouwens ook Lieven van Coppenol was kunstenaar in zijn vak, de
pennekonst. Hij was zelfs ‘de fenix aller pennen’, volgens Jan
Vos, en heeft zich dan ook als zoodanig door velen, bv. door
Westerbaen meer malen, en ook door
Vondel, in lofdichten verheerlijkt gezien
1). In
Daniël de Lange eerden Vondel,
Anslo en Vos, in François de
Bruine en Willem Verjannen De Decker, in Peter en Johannes Serwouters
Vondel en Vos, in Hendrick Meurs Vondel en in Dirk
van Oorschot Vos hunne kunstgenooten, allen door ‘'t bexken van
de pen’ tot hunne bewonderaars sprekend, evenals ‘de vier gewijde
Bekjens, die met oordeel 't wit papier witter toonden door de trekjens van de
vlugge vederzwier’, van wie
Tengnagel spreekt
2). Van deze vier zijn ons
David en Hendrick Beck ook bekend door verscheidene gedichten
in handschrift, tusschen 1617 en 1634 door hen gemaakt. In een ander
calligraphisch handschrift zijn van
David Beck van Keulen talrijke sonnetten op
Prins Maurits bewaard gebleven en ook een ‘Poeme aan syn
Exellentie’ in alexandrijnen
3). Verder dichtte hij niet minder dan vijftig
sonnetten voor den winterkoning van Boheme, waarvan er een ‘aen den
Coning van Boheme’ voorkomt in het eerste, door mij genoemde
handschrift, | | | | dat ook een groot aantal andere gedichten van hem
bevat, en ook eene geestelijk-allegoriseerende uitbreiding van
‘Het Hoogeliedt Salomons’
1), door hem in 1622 te
's-Gravenhage, waar hij toen woonde, in negen zangen samengesteld.
In dien bundel, waarvan alle gedichten gedateerd zijn, vindt men o.a. ook een
‘Sonnet op de doodt des Prinsen Maurits van Oraigniën’, en een
ander op den dood zijner vrouw, die daaruit blijkt, reeds in Dec. 1623
overleden te zijn. In hetzelfde handschrift (dat ook de meeste gedichten van
Anna Visscher bevat) komen ook twee gedichten van zijn
broeder Henrick voor. Een derde ‘Sonnet Ter Eeren van Deught, Eer
ende Constlievende Jonge Dr. Pieternelle Broeckhuyzen’ is, in
schoonschrift, in mijn bezit.
Van onze dichters vereeuwigde Rembrandt er twee door zijn penseel:
Krul in 1633 en
Jeremias de Decker in 1659. Het eerste dezer
portretten bevindt zich nu te Cassel, het tweede in de Hermitage te St.
Petersburg. De Decker was met het zijne zeer in zijn schik en er bijna
trotsch op, zooals hij zegt, dat ‘onzes tyds Apell’ zich
verwaardigd had, hem af te beelden, ‘en dat niet om wat loons daer uit te
mogen spinnen, maer louterlyk uit gunst: uit eenen eed'len trek tot onze
Zanggodinnen, uit liefde tot de kunst’; en, het een roekeloos ondernemen
achtend, ‘door rym-pen of gedicht den roem te willen queken van zyn
beroemd penceel’, zond hij hem daarvoor geen lofdicht, maar een rijmend
‘dank-bewys’, dat nochtans den hoogsten lof inhoudt.
Vóór de schilder met dezen zijn arbeid begon, drukte beider
vriend Henrick Waterloos den ‘wytberoemden schilder’ wel
op het hart, dat hij nu geen gewoon mensch, maar ‘een paerel der
poëten’ te schilderen kreeg en dus nu wel ter dege ‘zyn
grootmeesterschap’ te toonen had door ‘zyn pinseel in heldre
hemelglansen te dopen’
2).
Voor Waterloos zelf had Rembrandt in 1638 een
‘Verrezen Christus’ geschilderd, aan Maria Magdalena verschijnend
(nu | | | | in het Buckingham Palace), en onder de spreuk ‘micat
inter omnes’ schreef De Decker daarop een klinkdicht, waaruit
ons blijkt, dat de dichter vooral getroffen was door de juistheid, waarmee de
geest van het bijbelverhaal was weergegeven door het levende en
uitdrukkingsvolle der figuren en daarbij ook door ‘de grafrots hoog in de
lucht geleid en ryk van schaduwen’, die ‘oog en majesteit aen all'
de rest van 't werk’ gaf.
In
Vondel's werken komt
Rembrandt's naam maar eenmaal voor. Op een portret van
den gestrengen leeraar der Waterlandsche Doopsgezinden te Amsterdam, Cornelis
Claesz. Anslo, in 1640 door Rembrandt met rood krijt geteekend (nu in de
Albertina te Weenen), als studie voor het portret, dat hij in het volgende jaar
van hem schilderde (nu in de Gemälde-Galerie te Berlijn), maakte
Vondel dit gedichtje: ‘Ay, Rembrant, maal Cornelis stem. Het
zichtbre deel is 't minst van hem: 't onzichtbre kent men slechts door d'ooren.
Wie Anslo zien wil, moet hem hooren’. Hoe ongaarne missen wij hier iedere
aanduiding, dat onze grootste dichter ook Rembrandt als onzen grootsten
schilder heeft weten te waardeeren! Maar te vreezen is het, dat de grootheid
van Rembrandt's genie onopgemerkt aan hem voorbij is gegaan.
Wie zich daarover zou willen verwonderen, beginne liever met zich te
ontworstelen aan de tirannie der alledaagsche kunstdweperij, die slechts in
ééne bepaalde richting het genie weet te vinden en te vereeren.
Naast Rembrandt's kunst heerschte er in zijn tijd nog eene andere kunst, die
men, in plaats van haar allereerst met die van Rembrandt te vergelijken,
veeleer op zich zelf moct leeren begrijpen en bewonderen, want ook die andere
kunst had hare grootmeesters, en daaronder, als zonder eenigen twijfel den
eersten,
Petrus Paulus Rubens, dertig jaar vóór
Rembrandt geboren en vijf en twintig jaar vóór hem overleden.
Dat Rubens bij velen te onzent in de zeventiende eeuw zeer in eere
was, is bekend. Reeds terloops vermeldden wij, dat
Anna Visscher persoonlijk met hem bevriend was.
Hij schonk haar met een Latijnsch bijschrift een exemplaar der gravure van
Lucas Vorsterman (1620) naar eene zijner Susanna's, en op zijne (ook door Jonas
Suyderhoef gegraveerde) schilderij, die eene moeder met haar kind voorstelt,
was zij zoo ‘verlieft’, dat zij die in 1621 naschilderde, zooals
zij aan Rubens in een gedichtje meedeelde, waarin zij zelfs zijn raad vroeg
over de manier om witte verf te | | | | krijgen, die niet geel werd.
Hooft maakte vijf kleine dichtjes ‘op
Rubens schilderij der swemmende maeghden’: waarschijnlijk de vlucht van
Clelia voorstellende, zooals er van Rubens een in de Dresdener Galerie te zien
is.
Huygens was vol schrik en bewondering voor een
‘Medusakop’ van Rubens, dien hij ten huize van zijn vriend Sohier
te Amsterdam zag, maar te ijselijk vond om in eene woonkamer opgehangen te
worden, ofschoon hij den schilder ‘een der wonderen van deze
wereld’ noemde.
Menigeen onder onze Amsterdamsche patriciërs stelde er hoogen
prijs op, één of meer stukken van Rubens te bezitten. Op
Kommerrust, de in een uitvoerig dichtstuk door
Jan Vos bezongen hofstede bij Naarden, waarin
de rijksontvanger van Holland, Mr.
Joan Uytenboogaardt (vereeuwigd door tal van portretten
o.a. van Govert Flinck en ook door de etsnaald van Rembrandt) zich in de
edelste voortbrengselen van natuur en kunst verlustigde, kon men toen zijn
Amazonenstrijd voor Troje bewonderen, die zich nu in de Pinakotheek te
München bevindt, en dien Jan Vos in het genoemde gedicht aldus
beschreef:
‘Hier woên de legers om elkander te doen wijken.
Daar trapt de paardehoef op leevenden en lijken.
Gins stort de ruiter van de brug tot in de vloedt.
Het laage water wast en rookt van bruizendt bloedt.’
Nog een ander stuk van Rubens, dat zich nu eveneens in de
Pinakotheek te München bevindt, namelijk het schrik- en indrukwekkend
tafereel van Saulus' bekeering door het verblindend bliksemlicht, werd door
Jan Vos in dichtregelen nageschilderd. Ook is een van Rubens'
martelaarsstukken, een ‘Sint Laurens, daar hy gebraaden wordt,’
door hem van een bijschrift voorzien; en weer van eene andere zijde kon men
Rubens leeren kennen in de woning van Jan Jacobsz. Hinlopen, waar
‘Vrou-Venus koets’ zich vertoonde, omgeven door ‘wolken vol
van dartle minneschaaren’, kleine Cupido's, die ‘hun stompe pylen
wetten’, zooals wij al weer weten van Jan Vos, die ook daarvan
eene dichterlijke beschrijving gaf.
Ook voor
Vondel was, wij zagen het reeds, ‘Rubens
de glori der penseelen onzer eeuwe’, die in het Noorden, volgens hem,
slechts één ‘genan’ had, Pieter Lastman, door
Vondel om dezelfde deugden, die hij ook in Rubens bewonderde, zoo hoog
vereerd, namelijk om zijne natuurgetrouwheid en de ordinantie of schikking | | | | zijner
figuren. Op Rubens' ‘dooden Leander in d'armen der zeegodinnen’
maakte hij, evenals Jan Vos, een lofdichtje. toen dat stuk in bezit
van Pieter Six was gekomen, nadat het vermoedelijk (maar als ‘Hero en
Leander’ vermeld) van 1637 tot omstreeks 1644 behoord had tot de door
Rembrandt bijeengebrachte kunstschatten.
Hoe goed
Vondel het karakter van Rubens' kunst begreep
1),
hebben wij reeds gezien, toen wij uit de opdracht van het treurspel
‘Gebroeders’ zijn ontwerp van een, alleen in zijne
verbeelding bestaand, schilderstuk van
Rubens aanhaalden. Vondel's kunst was dan ook ten
nauwste aan die van Rubens verwant. Wat hem bovenal in Rubens aantrok, was
hetzelfde wat wij ook in zijne eigene grootere dichtstukken kunnen bewonderen,
het was het dramatisch karakter zijner tafereelen vol leven en beweging, het
geweldige, alles aandurvende, hemelbestormende zijner doeken, de kleurenweelde
en de volle lichtgloed, die ons uit zijne werken tegenstraalt; en het was,
behalve de natuurgetrouwheid van het schitterend coloriet in vleeschkleur,
kleederdos of wat ook, bovenal de onuitputtelijkheid van vinding bij de
veelzijdigheid zijner onderwerpen en de kunstige groepeering der onderdeelen,
want dat laatste hield Vondel voor het moeielijkste en daarom ook voor
het hoogste in de kunst.
Daar kwam echter nog bij, dat Rubens, evenals hij zelf, in alle
onderdeelen de natuur getrouw volgend, toch tegelijk, door algemeen geldende
schoonheidsregels te huldigen, die anderen (en Rembrandt zelfs opzettelijk)
verwaarloosden, maar die in Vondel's oog onaantastbaar waren, aan het
geheel zijner tafereelen het karakter wist te geven van eene bovenaardsche
schepping der verbeelding. De beeldrijkheid zijner eigene poëzie vond hij
bovendien terug in de allegorieën van Rubens, die daarbij evenmin
mythologie versmaadde als hij zelf, en die zich een geleerd schilder toonde,
zooals hij zelf een geleerd dichter trachtte te zijn. Bedenkt men daarbij, dat
Rubens de Renaissancekunst wist te vervlaamschen, zoodat de Romeinsche goden en
godinnen in prachtstukken van Vlaamsche of Brabantsche mannen en vrouwen met
sterke spieren, mollige vleeschronding en zilverachtigen huidglans werden
om- | | | | geschapen, zooals Vondel ook de Oudheid wist te
verhollandschen, en dat beiden ook hierin overeenstemden, dat zij die
genationaliseerde Oudheid tot dienares wisten te maken van dezelfde Katholieke
kerk, die zij met hunne kunst hebben verheerlijkt, dan zal men begrijpen, dat
voor Vondel Rubens wel de grootmeester der schilderkunst moest zijn,
en niet Rembrandt.
Rembrandt's groote verdiensten toch liggen elders.
Natuurgetrouw in het weergeven van geest en leven, beeldt hij het uiterlijke
der natuur, het bijkomstige, òf niet altijd even getrouw af, òf
weer wat getrouwer dan verlangd werd door hen, die het leelijke in de
werkelijkheid op ernstige stukken liefst weggedoezeld of verfraaid wenschten.
Toont ook Rembrandt zich een meester in het groepeeren, het is niet de harmonie
der lijnen, die de veelheid der figuren en kleuren bij hem tot eene eenheid
maakt, zooals bij Rubens, maar de harmonie der in elkaar overvloeiende
kleurschakeeringen onder de tooverwerking der bundels lichtstralen, die het
geheel als eene eenheid beheerschen en waarin ook reeds zijne tijdgenooten
oordeelden, dat zijne kracht gelegen was, zoodat zijn leerling
Samuel van Hoogstraten in zijne
‘Inleiding tot de Hoogeschool der Schilderkunst’
(van 1678) van hem zeide: ‘wonderlijk heeft zich dezen Rembrant in
reflexeeringen gequeeten, ja het scheen of deze verkiezing van 't wederom
kaetsen van eenich licht zijn rechte element was.’
En waar is allegorie, waar mythologie bij Rembrandt te vinden? De
enkelen, die goden bij hem heeten, zijn in 't geheel geene goden meer; 't zijn
menschen geworden als alle andere menschen, die hij schilderde, alsof hij,
zooals zoovelen onder zijne Doopsgezinde geloofsgenooten, in echte mythologie
godslastering zag. En is ook zijne kunst bovenal eene godsdienstige kunst,
evenals die van Rubens voor een groot deel is, zij is zuiver Protestantsch,
reeds hierom, dat zij uitsluitend bijbelsch is en ons wel meermalen, evenals
Rubens, naar den stal van Bethlehem verplaatst, maar ons nooit eene Madonna te
zien geeft, zooals Rubens zoo dikwijls deed. Zijn, tegenover de vele tafereelen
uit Jezus' lijdensgeschiedenis, bij Rubens de Oudtestamentische voorstellingen
in de minderheid, juist deze, evenals die van Jezus' gelijkenissen, trokken
Rembrandt bijzonder aan. Martelaars- en Mirakelstukken, waarmee Rubens zoovele
kerken heeft versierd, zijn geene onderwerpen voor Rembrandt's penseel. | | | |
Gaat Rubens bij zijne opvatting van bijbel en legende altijd uit van
de kerkelijke overlevering, al drukt zijn genie er ook het stempel der
oorspronkelijkheid op, zoodat hij ze ook voor het vervolg opnieuw getypeerd
heeft, Rembrandt kent geene traditie: hij leest zijn bijbel als een vroom
Noordnederlander, als voedsterzoon van het vrijgevochten Leiden, dat om
gewetensvrijheid te behouden hongerdood niet vreesde. Hij is zich bewust van
zijn recht om het tafereel der bijbelsche geschiedenis te zien, zooals hij het
wil zien, met eigen oogen, met eigen geest; en zoo zeer leeft die geschiedenis
voor hem, dat hij haar niet ziet als op een afstand of in het ver verleden
geschied, maar als weer geschiedend op het oogenblik zelf, met menschen, die
hij kent en uit het volle leven - het leven ook van de Jodenbuurt, waar hij
woonde - als wegpakt om ze in zijne geschiedbeelden eene plaats te geven.
In Rembrandt, die, zooals
Pels het later Samuel van Hoogstraten
nazeide, ‘alles uit zichzelf te weeten onderwond, zich aan geen grond en
snoer van regels wilde binden’ en alleen op zijne oogen vertrouwde, in
Rembrandt openbaart zich bij alles, en het duidelijkst bij zijne
vroom-piëtistische bijbelopvatting, dat individualisme, dat hem tot een
type maakt van den Hollander, zoodat wij het dan ook evenzeer bij andere
bijbelschilders zijner dagen aantreffen, bij Jan Lievens en Jan Steen, om van
Rembrandt's eigen leerlingen te zwijgen; maar dat eerst tot het scheppen van
meesterstukken kon meewerken, wanneer het een individualisme was van iemand als
Rembrandt, met zijne vaardige en geoefende techniek, zijne onvermoeid
arbeidende geestdrift, zijn kleur- en lichtgevoel en zijn fijnen, helderen
geest, die van al wat hij zag of hoorde of las terstond begreep, wat er het
wezenlijke en wat er het bijkomstige van was. En het beangstigende van dat
individualisme had Vondel juist uit den kring van Rembrandt's
geestverwanten doen wegvluchten en hem eene veilige rustplaats doen zoeken aan
de voeten der Goddelijke Majesteit van het kerkgezag, waarvoor hij ook Rubens,
zijn genialen geestverwant, naast zich neergeknield vond.
Dat
Vondel overigens niet alleen met Rembrandt's
kunst, maar ook met den schilder persoonlijk bekend is geweest, valt moeielijk
te betwijfelen. Vooreerst toch toonde hij zich bekend met Rembrandt's
schoonbroeder Wijbrand de Geest, die met Hendrikje Uylenburgh, Saskia's zuster,
getrouwd en te Leeuwarden hofschilder der Friesche stadhouders was. In een
aardig lof- | | | | dicht vergelijkt hij hem bij Prometheus, daar ook hij
‘de zon haar heiligh vuur durfde ontstelen en de vingers zengen om leven
in zijn beelt te brengen’ en daar ook hij, ‘om op 't aardrijck 't
licht te malen, den hemel plonderde van zijn stralen’.
Vervolgens mag persoonlijke bekendheid van Vondel met Rembrandt
hieruit worden afgeleid, dat beide kunstenaars een gemeenschappelijken Maecenas
bezaten in dien Jan Six of burgemeester Six, wat hij trouwens eerst in
1691, na beider dood, geweest is, in wiens ‘Pandora’ hunne werken
elkaar ontmoetten en wiens naam door hun roem over de geheele wereld vermaard
is geworden. Voor het portret, dat Rembrandt reeds in 1641 van Six' moeder,
Anna Wijmers, maakte, schreef Vondel een vierling, en een ander voor
dat van den zoon, den ‘geleerden en beleefden jongeling’, zooals
deze ‘in 't bloeienst van zyn jeught, verlieft op kunst en wetenschap en
deught’, was afgebeeld, zonder dat wij weten door wien, want in 1647,
toen Rembrandt hem het eerst schilderde en meesterlijk etste tegelijk, was
Six (14 Januari 1618 geboren) nauwelijks meer een jongeling te noemen,
en zeker was hij dat niet meer in 1654, zooals Rembrandt hem toen afbeeldde in
den rooden mantel en met den hoed op 't hoofd, in onzen tijd onder zoovele
andere kunstschatten het prachtstuk in de woning van zijn nazaat, Prof. Jan Six
te Amsterdam
1).
Een jaar later zou
Vondel een meer van waardeering dan van
dichterlijke geestverrukking getuigend gedicht aanbieden ‘ter bruiloft
van Joan Six en Margarite Tulp’, de dochter van den, op Rembrandt's
‘Anatomische les’ als practisch geleerde voorgestelden, doctor en
lateren burgemeester Nicolaes Tulp. Ongetwijfeld zal Vondel, evenals
wij dat van Rembrandt weten, Six bezocht hebben op zijne hofstede
‘Elstbroeck binnen Hillegom’, waarvan hij den lof zong in een
allerliefst ‘danckoffer voor ooft en wiltbraet, hem uit die hofstede
toegezonden’ door Six, die daar toen als jong echtgenoot alles
te genieten had wat het leven den fijnbeschaafden, in alles belangstellenden
man in zoo rijken overvloed bieden kan. | | | |
Wij leeren er
Six tevens uit kennen als beoefenaar van het
‘Veltgedicht’, en inderdaad mag hij als dichter in onze
litteratuurgeschiedenis ook eene plaats voor zich eischen, al is zijne
dichterlijke nalatenschap niet groot
1). Vooreerst
kennen wij van hem eenige kleinere Latijnsche en Nederlandsche verzen, en
daaronder ook een ‘Brief aen Cloris’ met de
vermelding van zijn eigen schilderijenkabinet, ‘daer’, zooals hij
zegt, ‘'t gerucht zoo luyt van blaest, daer soo veel voor staen verbaest,
die my om 't gezicht soo vryen’, en verder een gedicht op Muiderberg,
voor zijn vriend Hendrik Hooft geschreven.
Van meer omvang zijn zijne beide tooneelwerken: een blijspel
Onschuld in 1654 op den Amsterdamschen Schouwburg
vertoond, maar eerst in 1662 gedrukt, en waarvan de stof door hem ontleend werd
aan het begin van het tweede deel van
Mateo Aleman's roman ‘Guzman de
Alfarache’, en een treurspel
Medea (van 1648). Ofschoon getrouw aan den streng
classieken treurspelvorm naar het model van
Seneca, van wien in het tweede bedrijf zelfs een tooneel
geheel is vertaald, is Six bij zijne opvatting der persoon van Medea
afgeweken van de classieke overlevering: vooreerst omdat hij ‘geen
verwarmde spyse wilde opdisschen’, vervolgens omdat hij te veel realist
was, om Medea als toovenares te willen voorstellen, en eindelijk omdat hij met
haar, als onverdiend door Jason verstooten, te veel medelijden gevoelde, om
haar in de oogen der toeschouwers hatelijk te kunnen maken. Inderdaad valt hier
een fijner kunstgevoel dan bij de meeste tooneeldichters te waardeeren, terwijl
het poëtisch gehalte der goedgebouwde alexandrijnen niet zelden gunstig
afsteekt bij het vele middelmatige, dat destijds van het tooneel af gezegd
werd. De uitgave der ‘Medea’ is versierd met eene ets van
Rembrandt, die de bruiloft van Jason en Creüsa voorstelt.
|
1)Voor Rubens zie men, onder veel meer, Ch.
Ruelens en Max Rooses, L'oeuvre de Rubens, Anvers 1886-1909 VI dln.; Max
Rooses, Rubens' leven en werken, Amst. 1903; P. Genard, Rubens.
Aanteekeningen over den meester en zijne bloedverwanten, Antw. 1877 en H.
Knackfuss, Rubens 5 Aufl. Bielefeld-Leipzig 1898. Voor Rembrandt zie
men, om slechts enkele werken te noemen, C. Vosmaer, Rembrandt. Sa vie et
ses oeuvres, La Haye 1868, 2 éd. 1877: Emile Michel, Rembrandt.
Sa vie, son oeuvre et son temps, Paris 1893 (ook in het Eng.
London-New-York 1903); H. Knackfuss, Rembrandt 4 Aufl. Bielef.- Leipz.
1897; Adolf Rosenberg, Rembrandt. Des Meisters Gemälde in 405
Abbildungen, Stuttgart-Leipzig 1904; J. Veth, Rembrandt's leven en
kunst, Amst. 1906; C. Hofstede de Groot, Die Urkunden über
Rembrandt, Haag 1906 en tal van opstellen en mededeelingen van A. Bredius
en J. Six in Oud Holland en elders.
2)Voor Huygens als eersten waardeerder van
den jongen Rembrandt zie men J.A. Worp, Constantijn Huygens over de
schilders van zijn tijd, in Oud Holland IX (1891) bl. 106-136.
1)Zeven brieven van Rembrandt, tusschen 1636
en 1639 daarover aan Huygens geschreven zijn, behalve in Worp's uitgave van
Huygens' Brieven, ook gedrukt bij C. Hofstede de Groot, Die Urkunden
über Rembrandt, Haag 1906, no. 47, 48, 65-69, ten deele ook in
facsimile.
1)Op het door Rembrandt geëtste portret
van Coppenol werden ook nog gedichtjes vervaardigd door J. Boogaard, H.F.
Waterloos en Jacobus Heyblocq, die het in zijn zesregelig gedichtje
‘Rembrandt's meesterstuck’ noemde. Zie C. Hofstede de Groot, Die
Urkunden über Rembrandt, Haag 1906, no. 219, 220, 262.
2)Zie Tengnagel's Amsteldamsche
Lindebladen, Anno 1639 bl. 22.
3)Zie daarvoor C.G.N. de Vooys, Oud Holland
XXXVII bl. 177-188.
1)De volledige titel is: ‘Canticum
canticorum, dat is Het Hooge-liedt Salomons, inhoudende de geestelijke en
eeuwige liefde tusschen Jesus Christus ende zijne kercke onder de persoenen
ende namen van Bruydegom ende Bruydt. Poëtelijk geparafraseert ofte
uytgeweydt. A o. 1622 in 's Gravenhage aengevangen 13 May ende
voleindt 21 dito 1622.’
2)Over Rembrandt's portret van Jeremias de
Decker (waarop, evenals op den schilder, ook J. van Petersom nog een lofdichtje
maakte) schreef K.H. de Raaf, Oud Holland XXX (1912) bl. 1-5, en aldaar, bl.
6-8 over den ‘Verrezen Christus’ in Waterloos' bezit.
1)Vondel's geestverwantschap met Rubens
toonde ik aan in mijne rede Rubens en Vondel in Handelingen van het
XXIXste Taal- en Letterkundig Congres te Brussel, 1906, bl. 381-395.
1)Over het door Vondel bezongen portret van
Jan Six zie men J.H.W. Unger, Oud Holland II bl. 133 en over Vondel en
Rembrandt in hunne betrekking onderling en vooral tot Jan Six zie men J.F.M.
Sterck, Oorkonden over Vondel en zijn kring Bussum 1918, bl. 290-298. Op
het geëtste portret van Six bestaat ook een achtregelig lofdichtje van
Jacob Lescaille. Zie C. Hofstede de Groot, Die Urkunden über
Rembrandt, Haag 1906 no. 223.
1)Voor de acht gedichten van Six, opgenomen
in ‘Verscheyde Nederduytsche Gedichten’, I en II, Amst. 1851-53,
waarvan het tweede deeltje door den uitgever (G. Brandt) ook aan hem werd
opgedragen, zie men G. Penon, Bijdragen tot de Geschiedenis der Ned.
Letterkunde, Gron. 1881, I bl. 53-57, II bl. 63 vlg.
|
|