|
|
|
| |
L. Enkele van Vondel's treurspelen.
Het aantal van Vondel's treurspelen is zóó
groot, dat schets en kenmerking van ieder stuk afzonderlijk hier veel te veel
ruimte zou innemen. Ik moet mij dus bepalen tot het bespreken van drie zijner
bijbelsche treurspelen als typen van de overige. Daarvoor kies ik den
Joseph in Dothan (van 1640), als het zuiverste
type van een gedramatiseerd bijbelverhaal en als het meest geliefde van
Vondel's stukken, dat - afgezien van den jaarlijks vertoonden
‘Gysbreght’ - zich het langst op het tooneel heeft weten te
handhaven en ook nu nog voor een zooveel moderner publiek de meeste
aantrekkelijkheid behouden heeft
1), vervolgens | | | | den
Jeptha (van 1659), als het stuk, waarmee
Vondel zelf een modeltreurspel heeft willen geven; en eindelijk den
Lucifer (van 1654), als in verhevenheid al zijne
andere treurspelen te boven gaande.
De geheele handeling van den
Joseph in Dothan geschiedt onder het zegenend
toezicht van een englenrei. Bij den aanvang van het stuk vinden wij Joseph
slapende bij een ‘bemoschten put, waerlangs de heirbaen loopt naer
Dothan’, en omgeven door de ‘hemelreien’, die ‘door
last des hemelvooghts hem naerstigh gadeslaen’ en den toeschouwer
mededeelen, dat zij voor Joseph ‘door steenrots, ruighte en doren den
wegh baenen naer 's werelts heerschappy’, opdat alzoo het stamhuis van
Abraham eenmaal zal kunnen heerschen over de geheele aarde en (door Jezus) ook
over ‘doot en afgront’. Deze rei trekt zich terug, wanneer Joseph
ontwaakt uit den slaap of liever uit een droom, waarin hij negen slangen had
gezien, die het op zijn leven toelegden, en de stem zijner overleden moeder had
gehoord, die hem had toegeroepen, te vluchten, omdat zijn leven gevaar liep;
maar daarop was het geweest, zooals hij zegt, als werd hem toegefluisterd:
‘schep moedt, o jongeling, Godt zal uw reize zegenen’. Getroost
door deze woorden en met het voornemen om aan zijne broeders zoo vriendelijk en
onderdanig mogelijk den groet over te brengen van hun vader, die hem tot hen
had afgezonden, gaat hij nu naar Dothan opweg. Aan het eind van dit korte
bedrijf spreekt de engelenrei het nog eens uit, wat de zin van het treurspel
is, namelijk ‘door lijden tot heerlijkheid’. Joseph is als de ruwe
edelsteen, die ‘slypens waert is en opheldert door 't schuuren’. Nu
nog ‘onvolwassen en zwack’, zullen zijne schouders door het juk der
dienstbaarheid te torsen geoefend worden om later in staat te zijn ‘een
rijck te schragen en een koning zelf te helpen draegen dat onverdraegelijcke
pack’. De droomen, hem door God gezonden, hadden dat reeds voorspeld.
Met het tweede bedrijf zijn wij in Dothan. Alle broeders, behalve | | | | Ruben, zijn bijeen en zien daar van verre op den top eens heuvels
iemand naderen. Weldra herkennen zij hem: het is ‘de droomer’. Hij
is tot hen afgezonden, om hen te bespieden en te verklikken, meenen zij; maar
nu is de gelegenheid gekomen om zich op hem te wreken. Als Judas daartegen nog
iets tracht in te brengen en het waagt te vragen, ‘wat dat kint misdaen
heeft’, barst hunne woede eerst recht los. Is hij niet vaders
troetelkind, die te hunnen koste een wit voetje bij hun vader zoekt te
verkrijgen? en is het niet zijn arglistig plan, om zich op die wijze tot heer
en meester van al zijne oudere broeders te maken? Wat er in hem omgaat bewijzen
immers zijne droomen, waarin hij alle andere schooven voor de zijne zag buigen
en ‘de zon en maen en starren met gebogen hoofden om zich heen zag
staen’. Dat plan moet verijdeld, Joseph moet gedood worden, zegt de sluwe
Levi, de hardvochtige Simeon, en Judas alleen kan tegen de anderen niet op. Hij
wijst er echter op, dat zonder toestemming van Ruben, den oudsten der broeders,
niets kan besloten worden, en als Ruben nu juist aankomt, licht hij hem al van
te voren in. Ruben is verontwaardigd, en of Judas, die zelf weinig geneigd is
zich ‘om Josephs wil in gevaer te steecken’, hem ook waarschuwt,
dat het levensgevaarlijk zal zijn zich tegen de woeste wraakzucht der anderen
te verzetten, Ruben heeft moed genoeg, om tegen hen op te treden. Met moeite
brengt hij hen er toe, naar hem te luisteren, als hij een welsprekend pleidooi
houdt voor zijn onschuldigen broeder, die ‘bloem van zestien jaer of
naulix zeventien, een kint zonder gal, gelijck de simple duiven’, en als
hij onder het dichterlijk beeld van ‘een schrickelijck gedrogh’ hun
den spiegel voorhoudt, waarin zij hun eigen ‘haet en nijt’
aanschouwen. Dat baat hem echter even weinig, als wanneer hij op hun gevoel
tracht te werken; en als hij heeft moeten inzien, dat zijn woord Joseph niet
meer redden kan, daar zij hem zelf aangrijpen en met den dood bedreigen,
bedenkt hij eene list. Er is een droge put: daarin moet men Joseph van honger
en dorst doen omkomen, zegt hij: zoo kunnen zij van Joseph verlost worden
zonder juist broederbloed te vergieten. Die raad vindt ingang en de engelenrei
besluit het bedrijf met een zang, waarin de onschuldige knaap, die op het punt
is zijn broeders argeloos te gemoet te treden, vergeleken wordt bij het ree,
dat zijn dorst komt lesschen aan de bron, waarbij de wreede jagers in
hinderlaag liggen. In zijne vlekkelooze reinheid is hij als de mor- | | | | genstar, waarvan
de glans zelfs bij de zon, ‘het oogh der waerheit’, niet
verbleekt.
Intusschen is Joseph aangekomen en met zijn hartelijken, vroolijken
groet vangt het derde bedrijf aan. Een engel, zoo vertelt hij, heeft hem den
weg naar Dothan gewezen; maar ‘stom als beelden’ hooren zijne
broeders hem aan, en eerst als hij, verbaasd en bedroefd, niets meer weet te
zeggen, barst de haat zijner broeders uit in bitteren spot met de door hen
gevreesde eerzucht van den knaap, die zelf aan heerschappijvoeren nooit dacht
en er slechts zijns ondanks van droomde. Zelfs dat hij knielend vergeving
vraagt voor hetgeen hij misschien onwetend tegen hen mocht hebben misdaan, kan
hen niet vermurwen. Onmeedoogend wordt hij naar den put gedreven. Nu verandert
het tooneel. Wij zijn bij den put, waarvan Ruben onderzoekt, of hij wel
waarlijk goed droog is, en als hij zich daarvan heeft overtuigd en te kennen
heeft gegeven, dat hij van plan is, Joseph daaruit heimelijk te verlossen,
komen de broeders met den knaap aan. Hij verschuilt zich en ziet nu, hoe Joseph
onder schimp en spot van zijn veelkleurigen rok, het geschenk zijns vaders,
beroofd en met een touw in den put neergelaten wordt. Is Joseph eenzaam in den
put achtergebleven, dan slaakt hij droeve klachten in een welluidenden
lierzang, maar het eenig antwoord, dat hij krijgt, is de weergalm van zijne
eigen stem. Nu verlaat Ruben zijne schuilplaats en troost hem met de belofte,
dat hij, zoodra de broeders ver genoeg weg zijn en hij een touw zal gehaald
hebben, hem zal komen verlossen. Intusschen hebben de engelen zich geschaard om
den put als om een duister graf, waarin Joseph als een heerlijke zon is schuil
gegaan om straks met nieuwen glans te verrijzen en na ‘veel jaeren van
ballingschap en bedruckten ondergang met zyn van Godt verlicht vernuft den
gouden troon te beschijnen’, die hem de macht zal verschaffen om
‘Jacobs kinderen en knaepen in een gastvrij lant te voeren’, waar
zij in onbezorgde rust van het idyllisch herdersleven zullen kunnen
gemeten.
Bij den aanvang van het vierde bedrijf zijn de broeders (behalve
Ruben) weer bijeengezeten en schijnbaar tevreden over hetgeen zij verricht
hebben. Alleen Judas kan zijne gewetenswroeging niet verbergen: hem klinkt nog
telkens Josephs weeklacht in de ooren, en daarom doet het hem genoegen, dat hij
van verre eene Arabische karavaan ziet naderen, want nu zal hij Josephs | | | | leven kunnen redden door hem aan den vrachtmeester van die karavaan te
verkoopen. De andere broeders vinden dat wel goed en dragen hem de
onderhandeling op. Weer hebben wij nu in het midden van het bedrijf
tooneelverandering en hooren wij Joseph in den put zijne klachten herhalen;
maar Judas doet hem naar boven komen en ‘veilt hem voor slaef’ aan
den vrachtmeester in een zóó levendig tooneeltje, dat de
handelende personen van Nieuwmarkt of Jodenbreestraat schijnen weggeloopen te
zijn om op het tooneel hunne negotie voort te zetten. Veel gedongen wordt er
van Judas' kant niet, ‘voor tien paer zilverlingen is 't koop’. In
een aandoenlijk lied beveelt Joseph zich nu aan bij zijn nieuwen meester, den
aan hem verwanten, ook uit Abraham gesproten, Ismaëller. ‘Och,
Ismaëller, druck my zacht, gelijck een telgh van uw geslacht’, voegt
hij hem toe, en met een ‘och vader, Benjamin, och Ruben’ volgt hij
zijn heer, van wien Judas met een ‘geluck met dezen knaep, geluck op uwen
toght!’ naar Semietische wijze afscheid neemt. Hoog verheft zich
Arabië op zijn phenix, zoo zingt de engelenrei nu, en schildert daarbij
dien vogel af met de schitterende kleuren, die Vondel dankte aan het
slot van Lactantius' gedicht ‘de ave Phoenice’, dat hij vertalend
overtrof. Maar, zegt de rei, ‘den rechten Phenix kent ghy niet, o blinde
Arabers’, want ‘den rechten Phenix, die gewis veel schooner dan uw
vogel is, hebt ghy voor een geringen prijs eerst nu in uw maght
gekregen’, en ‘dien onbekenden schat voert ghy naer Memphis en naer
Zonnestat’, waar weldra ‘de Nyl voor zyne Godtheit, voor zyn hooft,
't welck aller wyzen glans verdooft, de kroon met zeven tacken buygen
zal’. Zoo zijn dan de afgunstige broeders, om het gevaar te ontgaan, dat
Gods droomen hun van Joseph spelden, juist de bewerkers geweest van Josephs
toekomstige grootheid door hem daarheen te voeren, waar zijne schitterende
gaven waardeering konden vinden en waar hij, ten troon geklommen, hun vorst en
hun weldoener tevens zou kunnen worden.
Nog één bedrijf volgt er nu, om ook van den kant der
broeders de handeling af te sluiten, want de geheele verkoop is buiten Ruben
omgegaan. Deze komt nu bij den put met het plan zijn broeder te verlossen, en
als hij geen antwoord krijgt op zijne aanmaning om langs het uitgeworpen touw
op te klimmen, daalt hij zelf in den put af om den knaap te zoeken. Wanneer hij
hem niet vindt, barst hij in weeklachten en zelfverwijt uit. Hij kan niet
anders denken, | | | | of de gruwelijke broedermoord heeft toch plaats
gehad, en weer naar boven geklommen, ijlt hij nu naar zijne broeders om
zekerheid te erlangen. ‘Och, broeders, spreeckt toch: leeft het kint of
is het heen? Ten minste toont my 't lyck, opdat ik 't noch beween’, zoo
spreekt hij hen aan, wanneer hij hen allen (met uitzondering van Levi)
bijeengevonden heeft, en als hij van hen vernomen heeft wat er gebeurd is,
stort hij in bittere en droeve woorden zijne diepe smart daarover uit. Te
vergeefs tracht Judas hem te troosten met de wisselvalligheid der fortuin, die
reeds ‘menigh slaef in heerlijck bewint gezet heeft’; en als Levi
nu aankomt met Josephs rok, dan houdt Ruben tot die ‘pluim, waerin het
duifken stack, 't welck wreede havicken vervoerden’, de beroemd geworden
lyrische toespraak, waarin hij met stijgend zelfverwijt zich zelf het wilde
dier noemt, dat Joseph verslond. Dat de broeders hunne schuld zullen kunnen
verbergen voor hun vader door hem te vertellen, dat Joseph door een wild dier
is verscheurd, is een listig bedenksel van Levi, die nu zelf den rok met
bokkenbloed bestrijkt en besprenkelt, hem scheurt en sleurt en er de tanden in
zet om meer schijn van waarheid aan het leugenachtig verhaal te geven. Nadat de
broeders onderling het bloedgeld verdeeld hebben en ook Ruben gedwongen hebben,
zijn aandeel en daarmee een deel van de schuld, die op hen rust, te aanvaarden,
gaan zij naar Jacob op weg; maar Ruben blijft nog een oogenblik alleen achter
en besluit het stuk met eene uitvoerige, aanschouwelijke en aandoenlijke
schildering van den indruk, dien de tijding van Josephs dood op den ouden vader
moet maken. ‘Och d'ouders teelen 't kint en maecken 't groot met smart:
Het kleene treet op 't kleet: de groote treen op 't hart’: met deze
woorden eindigt het eerste deel van Josephs geschiedenis.
Onmiddellijk na de voltooiing van dit treurspel bewerkte
Vondel in een tweede treurspel, den
Joseph in Egypten, het vervolg der geschiedenis,
namelijk de mislukte poging van Potiphars vrouw, door hem Jempsar genoemd, om
den kuischen Joseph te verleiden, en zijne veroordeeling tot eeuwige
kerkerstraf door de valsche beschuldiging der teleurgestelde vrouw. Handeling
is er in dit stuk bijna niet. Het eerste bedrijf teekent ons Joseph als meest
vertrouwden en gewaardeerden dienaar van Potiphar en tegelijk als beschermeling
zijner schutsengelen, die ook hier den rei vormen. In het tweede en derde
bedrijf hooren wij Jempsars razende | | | | minneklachten, door hare
voedster aan Joseph overgebracht, en in het vierde bedrijf bereikt de strijd,
dien Joseph door zijne getrouwheid aan zijn meester en zijn eerbied voor de
heilige huwelijkswetten te strijden heeft, zijn hoogtepunt, als Jempsar hem in
persoon eene ontuchtige omhelzing wil afdwingen en hij genoodzaakt is, haar te
ontvluchten met achterlating van zijn overkleed, dat in het vijfde bedrijf als
bewijs voor zijne schuld wordt gebruikt, zoodat hij naar den kerker gevoerd
wordt om daar (als Christus) te ‘lijden met gedult, terwyl hy boet een
anders schult’.
Daar het stuk grootendeels bestaat uit pleidooien van Joseph, worden
wij als uitgelokt, het te vergelijken met het groote pleit van Joseph en
Sephyra, door
Cats in zijn
‘Selfstryt’, geleverd: doch dan blijkt het ons ook,
hoever
Vondel als dichter boven Cats staat,
niet alleen door het zooveel meer poëtische van zijne taal, maar bovendien
ook door zijn vermogen om zooveel gloeienden hartstocht in Jempsars woorden te
leggen, dat iemand met minder deugd en standvastigheid, dan Joseph bezat,
daartegen allicht niet bestand zou geweest zijn en geëindigd zou zijn met
Jempsars merkwaardige stelling tot de zijne te maken: ‘de reden leert het
my, dat ick u minnen moet, al schijnt het razerny’.
Met dit stuk had Vondel de geheele geschiedenis van Joseph
ten tooneele gebracht, want reeds vijf jaar te voren had hij
De Groot's
Sofompaneas of ‘Joseph in 't
Hof’ vertaald, waarin vertoond werd, hoe Joseph als onderkoning
van Egypte zijne broeders op de proef stelt en, na zich aan hen ontdekt te
hebben, hun kwaad met goed vergeldt. Zoo vormen dan deze stukken samen eene
trilogie, zooals wij er ook van de Grieken kennen; en evenals bij deze de
geheele trilogie op één dag werd vertoond, begon men in 1653 ook
Vondel's drie treurspelen op één avond achter elkaar ten
tooneele te brengen, nadat men er vroeger soms reeds twee op één
avond had gespeeld.
Vóór Vondel was Josephs geschiedenis al
meermalen door de tooneeldichters tot onderwerp van hunne stukken gekozen, met
name in het Latijnsche schooldrama, waarbij dan echter het geheele verhaal in
één stuk was samengedrongen, zoodat er van kunstige samenstelling
geene sprake kon wezen. Dat Vondel aan deze schooldrama's iets
ontleend heeft of zelfs heeft kunnen ontleenen, is mij niet gebleken; maar wel
waag ik het, te vermoeden, dat Vondel voor zijne stukken iets te
danken zal gehad | | | | hebben aan ‘Josephs Droef- en
Bly-eind Spel, niet min stichtelick als Droef en Vermaeckelick om lesen, in
drie bysondere spelen vervaetet’ door
Jan Tonnis (of
Johannes Antonisz.), burger van Emden, die
zijn eerste stuk reeds in 't begin van 1636 voltooid had en alle drie, te
Groningen gedrukt, in 1639 opdroeg aan ‘Borgemeesteren, Syndicus,
Raetsheeren en Secretarissen der wytberoemder Stadt Embden’.
Beide trilogieën onderscheiden zich in 't oog vallend hierdoor,
dat
Vondel, die tegen de wet van tijdseenheid niet
wilde zondigen, alleen drie hoofdmomenten uit Josephs geschiedenis op het
tooneel heeft gebracht en al het andere met groote kunstvaardigheid en
schijnbaar ongezocht in verhalen heeft weten te pas te brengen, terwijl bij
Tonnis alles wordt vertoond, waardoor bovendien
ook telkens, veel meer dan bij Vondel, de plaats der handeling
verandert. Een gevolg daarvan was ook, dat Tonnis bij dezelfde
episoden, die Vondel tot in bijzonderheden heeft kunnen uitwerken,
niet zoo uitvoerig heeft kunnen zijn, al zijn zijne spelen dan ook veel langer
dan die van Vondel. Tonnis' eerste spel bevat evenveel
versregels, als Vondel's beide treurspelen samen, maar Tonnis
behandelt daarin veel meer, want het eerste bedrijf, dat bij hem eerst in het
dal van Hebron speelt, bij Jacob, die zijn zoon Joseph naar Dothan zendt, en
ons verder Joseph onderweg en bij zijne broeders vertoont, bevat reeds de
geheele stof van Vondel's ‘Joseph in
Dothan’. Het tweede bedrijf doet ons zien, hoe Josephs bebloede
rok aan den diepbedroefden vader wordt gebracht en hoe de broeders zich
voornemen door hun gedrag tegenover hem weer goed te maken, wat zij misdaan
hebben. Met het derde bedrijf zien wij Joseph naar Egypte gevoerd, aan Potiphar
verkocht en bij dezen als hofmeester in de gunst. Het vierde bedrijf vertoont
den inhoud van Vondel's ‘Joseph in
Egypten’, waarbij wij Tonnis ter eere moeten nageven,
dat hij bij zijne voorstelling van Syphora's pogingen om Joseph te verleiden
het in levendigheid van handeling op Vondel wint. In het vijfde
bedrijf eindelijk vinden wij Joseph in den kerker, de droomen van schenker en
bakker uitleggend.
Tonnis' tweede spel vertoont ons Pharao, te vergeefs
verklaring zijner droomen zoekend en die ten slotte bij Joseph vindend, die
daarna onder den naam Psontonphanechus onderkoning van Egypte wordt en met
Assenat de dochter van den priester Putiphar, | | | | in het huwelijk
treedt. Het derde spel eindelijk geeft ons niet, zooals de
‘Sofompaneas’, eene episode uit Josephs handeling
met zijne, naar Egyptes korenschuren heengetrokken, broeders te zien, maar
vertoont die geschiedenis volledig. Ook in dit stuk is de handeling veel
levendiger dan bij De Groot-Vondel, wat bovendien in alle stukken van
Tonnis het geval is door het groot aantal
personen, dat er in optreedt, terwijl Vondel, in aansluiting aan het
zeer geringe aantal sprekende personen in de Grieksche treurspelen, van Josephs
broeders er slechts vier sprekende invoert en de zes of zeven andere alleen
‘zwygende’ of als figuranten doet optreden.
Ieder bedrijf (of ‘handeling’) wordt besloten met een
‘choor’, doch dat is ook nagenoeg het eenige wat Tonnis
van den classieken treurspelvorm heeft overgenomen: want evenmin als de dichter
de eenheidswetten van tijd en plaats heeft in acht genomen, heeft hij
vermenging van ernst en scherts vermeden. In zijne beide eerste spelen toch
treedt als comische figuur Potiphars dienaar Mus op, wiens gemeenzame taal
merkbaar afsteekt bij de taal, die Tonnis zijne personen overigens
doet spreken, ofschoon ook die, in vergelijking van Vondel's taal, op
den naam van poëtisch allerminst aanspraak kan maken.
Toch wordt men bij de lezing van Tonnis' spelen telkens
verrast door uitdrukkingen en gedachten, die ook bij
Vondel worden aangetroffen, en al kon
gelijkheid van stof en bron daartoe natuurlijk dikwijls aanleiding geven,
meermalen toch wekken zij het vermoeden, dat Vondel het werk van zijn
voorganger heeft gekend en onwillekeurig heeft gevolgd. Moeilijk valt het in
elk geval louter aan toeval toe te schrijven, dat in beide stukken Joseph zijne
klachten van uit den put naar boven zendt en dat Rubens woorden, als hij te
vergeefs getracht heeft Joseph uit den put te verlossen en aan zijne broeders
hunne misdaad verwijt, in beide stukken zoozeer overeenstemmen. Opmerkelijk is
het zeker ook, dat de beide door ons aangehaalde slotverzen van den
‘Joseph in Dothan’ in anderen vorm weer te vinden zijn in het
tweede bedrijf van Tonnis' eerste spel, waar Jacob als
‘spreeck-woort der voor-ouders’ aanhaalt:
‘Wanneer een Kindt met d'ouders speelt
En kinderlycke Deunkes queelt,
Soo treet het Vaeder op die schoot:
| | | |
Maer als het meerder ende groot
Tot Mannelycken ouder wert,
Soo treet het Vader op het hert’.
Verder stemmen
Vondel en
Tonnis - zeker niet toevallig - hierin overeen,
dat zij Potiphars vrouw om Joseph te verleiden juist gebruik doen maken van een
godsdienstig feest, waarvoor haar man met het geheele hofgezin afwezig is,
terwijl zij zelve om te huis te kunnen blijven zich ziek heeft geveinsd. Niet
minder treft het ons, dat Vondel, die als gewoonlijk in het geheele
stuk zijne personen in alexandrijnen doet spreken, in den aanvang van den
‘Joseph in Egypten’, zoowel aan de voedster als aan
Jempsar, in den dialoog bij afwisseling iambische versregels van vier voeten in
den mond legt en dat ook Tonnis Syphora en Milca, ‘haer
Maeght’, soms in korte versregels doet spreken ter afwisseling van de
(slecht gebouwde en herhaaldelijk tegen den regelmatigen klemtoon zondigende)
alexandrijnen, waarin overigens alle samenspraken zijner drie spelen geschreven
zijn. Natuurlijk behoeft dat alles niet te kort te doen aan de verdiensten van
Vondel, die uitstekend de kunst verstond, ruwe
steenen tot brillanten om te slijpen.
Ook bij het schrijven van zijn
Jeptha
1), dien wij nu gaan
bespreken, ontbrak het Vondel niet aan voorgangers, van welke hij er
twee zeker gekend heeft, namelijk
Abraham de Koning, voor wiens ‘Jephthahs ende
zijn eenighe Dochters Treurspel’ hij in 1615 zelfs een lofdichtje
had gemaakt, en
George Buchanan, wiens Latijnsch treurspel
‘Jephthes sive Votum’ (van 1554) hij ook noemt, doch
met de bijvoeging, dat deze dichter (en van De Koning had hij hetzelfde kunnen
zeggen) ‘zich te grof vergreepen heeft tegens’ de wet van
tijdseenheid en ‘tegens d' openbaere waerheit der bybelsche
historie’. Dat Vondel ook zelf in zijne | | | | voorstelling
van Jeptha's geschiedenis niet zuiver bijbelsch is, zullen wij straks zien;
doch de eenheid van tijd heeft hij nauwkeurig kunnen handhaven zonder daarmee
aan zijne stof geweld aan te doen, ofschoon hij bij niet-handhaving zeker meer
indruk had kunnen maken.
Nu behoort bij het begin van het stuk het afleggen der onzalige
‘offerbelofte’ reeds lang tot het verleden en zijn er ook reeds
twee maanden verstreken sinds Ifis, Jeptha's dochter, wier naam Vondel
aan Buchanan ontleende, haar over de Ammonieten zegevierenden vader te gemoet
trad en vernemen moest, dat die begroeting haar het leven zou kosten. Twee
maanden waren haar toegestaan om zich in het gebergte in den kring harer
vriendinnen (de Maeghden, die den rei vormen) tot sterven voor te bereiden.
Bij den aanvang van het stuk zijn die twee maanden om en wordt zij
door hare moeder Filopaie, aan wie noch Jeptha noch iemand anders iets heeft
durven zeggen van het beraamde offer, vol uitgelaten vreugde terug verwacht.
‘Indien oit vrou van blyschap sterven kon,’ zegt zij tot den
Hofmeester, zou zij nu moeten sterven, nu zij hare geliefde dochter op
denzelfden dag terug zal zien, waarop ook haar man, na eene tweede schitterende
overwinning (op de Ephraïmmers) behaald te hebben, als zegevierend
veldheer zal terugkeeren. De Hofmeester tracht haar op de droeve
‘staetsveranderingh’ (peripetia) voor te bereiden door haar aan de
wisselvalligheden van het lot te herinneren en tot gelijkmoedigheid aan te
sporen. Vergelijkt Filopaie hare dochter bij eene schoone bloem, bestemd om den
bruidegom, die haar zal plukken, overgelukkig te maken, de Hofmeester wijst op
de teerheid der bloemen, 's morgens zoo frisch en fleurig, 's avonds verwelkt.
Maar de Slotvooght komt als Jeptha's bode uit het leger om een uitvoerig
verhaal te doen van de op Ephraïm behaalde overwinning en daarmee tevens
Jeptha in zijne grootheid als krijgsheld te schilderen. Hoe zwak echter toont
zich diezelfde krijgsheld, wanneer wij den bode uit zijn naam Filopaie hooren
gelasten naar het leger te komen, daar wij weten, dat hij, die zelf het leger
reeds verlaten heeft, op deze wijze den strijd verijdelt, dien hij ongetwijfeld
over het offer met haar zou hebben moeten voeren, indien zij gebleven was.
Jeptha bedriegt hier zijne vrouw, evenals Agamemnon Klytaemnestra bedroog in
Euripides' ‘Iphigenia’; maar
in dat stuk, dat Vondel bij het schrijven van het | | | | zijne
levendig voor den geest stond en dat in menig opzicht ook door hem is
nagevolgd, mislukt Agamemnons list en heeft de aangrijpende strijd toch plaats;
en wij kunnen moeielijk nalaten het te betreuren, dat Vondel niet aan
een dergelijken strijd zijne krachten beproefd heeft. Na eenige aarzeling toch
laat hij Filopaie, die zoo gaarne hare dochter had afgewacht, vertrekken, en
onmiddellijk daarop komt Ifis met hare Maeghden uit het gebergte terug. De rei
herhaalt dan den zegezang, eens ter onzaliger ure door Ifis zelve over de
nederlaag der Ammonieten aangeheven, en Ifis, de schoone ‘roos van
Jericho’, voegt daaraan toe, dat haar ‘hart van weelde opluickt, nu
zy dezen dagh het offer naer vaders eisch voltrecken magh, den vaderlande en 't
volck ten zegen, ten prijs van Godt’.
Bij het begin van het tweede bedrijf vertelt Ifis, dat zij in de
eenzaamheid van het gebergte met het leven heeft afgerekend en zich geheel met
haar lot heeft verzoend. Zoo heeft
Vondel het dan versmaad, ons van den
hartroerenden en dramatischen strijd getuigen te doen zijn, waardoor Iphigenia
zulk een diepen indruk op de toeschouwers maakt. Ifis is reeds bij den aanvang
van het stuk de heroïsche figuur, het beeld der offervaardige
gehoorzaamheid, waartoe Iphigenia eerst op het eind van het stuk, bij het
toenemen harer zedelijke krachten, allengs is opgegroeid. Vandaar bij
Vondel eene betrekkelijke kalmte tegenover de heftige
gemoedsbewegingen in het Grieksche treurspel. Toch wenscht Ifis
vóór haar sterven hare moeder nog eens te zien en dreigt zij
zelfs naar het gebergte terug te zullen keeren, indien haar dat geweigerd
wordt; doch nu treedt de overwinnaar der Ephraïmmers zelf op, zegevierend
veldheer in schijn, rampzalig vader inderdaad, die ten volle beseft, hoe duur
hem zijne overwinningen te staan komen. In ‘het eickenbosch’
verscholen, heeft hij zijne vrouw zien voorbijrijden naar het leger, zooals hij
zegt; maar ook al is die list gelukt, toch kost het hem groote moeite al zijn
moed te verzamelen om het zware offer te brengen. ‘Een vorst, die meest
tot heil van 't algemeen leeft’, heeft voor zich persoonlijk maar
één belang, namelijk voort te leven in zijn nageslacht: en nu zal
hij zijn eenig kind zelf moeten dooden! Vreugde scheppen in de behaalde
overwinningen kan hij niet meer, en wanneer zijne dochter hem blijmoedig en
hartelijk te gemoet komt, kan hij alleen in zelfverwijt uitbarsten, dat hij
door ‘reuckeloos | | | | beloven’ zoo zware schuld op zich
geladen heeft. Dat hij zijne belofte, die hem ‘zoo dier aen Godt
verbint’, zou mogen breken, daaraan denkt hij geen oogenblik, evenmin als
Ifis, die gaarne alle schuld op zich neemt en het eene eer noemt, voor haar
vaderland te mogen sterven. Met eene bede van den rei tot ‘Aertsvader
Jozef’ om, uit den dood verrezen, zijne lieve nakomelinge te redden en
daarmee het vorstelijk geslacht van zijn zoon Manasse voor den ondergang te
bewaren, eindigt dit bedrijf.
Het derde bedrijf doet ons getuigen zijn van den droevigen strijd
over de vraag, of Jeptha vrijheid zou kunnen vinden, zijne belofte te breken.
‘Ick heb myzelf ten vyant!’ mocht hy wel uitroepen: ‘geen
vader leeft rampzaliger dan ick’. De Hofmeester meent dat het nog
twijfelachtig is, of Jeptha wel verplicht is het offer te brengen. Hij heeft
immers bij zijne belofte zulk een offer niet bedoeld en zou in elk geval,
vóór het te brengen, met priesters en wetgeleerden moeten
raadplegen: zij zullen kunnen uitmaken, of hier de letter of de zin der belofte
gelden moet. Jeptha gevoelt wel, dat hij de gunst des volks verliezen zal, als
hij dat wreede offer brengt, maar brengt hij het niet, dan verbeurt hij Gods
zegen en dat verbiedt hem zijn geweten. Toch wil hij den raad van Hofpriester
en Wetgeleerde wel hooren, die nu optreden om hem te betoogen, dat hij zijne
belofte zelfs niet mag houden, want God heeft immers aan de ouders de taak
opgelegd, hunne kinderen te beschermen, en voor zich zelf eischt Hij
‘gehoorzaemheit en geensins menschevleisch’. Jeptha meent echter,
dat zijne gehoorzaamheid hier alleen kan blijken uit zijne bereidwilligheid om
het offer te brengen. Tegenover God ‘steeckt hy in schult: belofte is een
verbant; syn heilige eed is hem een wet geworden’, die hem sterker bindt
dan Mozes' wet: gij zult niet dooden. Dat ‘Godts priester hem
ontslaet’ van zijne verplichting, brengt zijn geweten niet tot rust, en
daar hij zich niet gerechtigd acht, het offer nog uit te stellen, om ook nog
den raad van den hoogepriester, den middelaar tusschen God en den mensch, in te
winnen, besluit Jeptha met deze redeneering: door Gods geest gedreven, heb ik
de belofte gedaan: God wil dus ook, dat ik die houd. Slechts met moeite weet de
Hofmeester den Wetgeleerde en den Hofpriester over te halen, bij het plechtig
offer tegenwoordig te zijn: immers Jeptha is altijd hun beschermer en weldoener
geweest en in dat moeielijk oogenblik behooren zij hem ter zijde te | | | | staan en ook zijne dochter door hunne tegenwoordigheid te steunen,
ofschoon Ifis moedig en gehoorzaam genoeg is om getroost haar leven te offeren,
zelfs nadat haar vader geweigerd heeft te voldoen aan haar verzoek om
vóór haar dood hare moeder nog eens te mogen zien. Intusschen is
door den Hofmeester een bode naar Filopaie gezonden, en nu stort de rei den
innigen wensch uit, dat het haar te beurt moge vallen, hare dochter door Gods
beschikking gered te zien, zooals eenmaal Jochebed haar zoontje gespaard
zag.
Dat die wensch ijdel was, leert het vierde bedrijf. Alles is voor de
droeve plechtigheid in gereedheid gebracht. Jeptha kan niet van inzicht
veranderen, maar gevoelt zich diep ongelukkig en hoopt, dat er een engel zal
afdalen, door God uit den hoogsten hemel neergezonden, om hem te gebieden het
‘slaghzwaert onbloedigh in de scheede te steecken’. Alleen Ifis is
getroost. Als de vrome bruid des Heeren, die, wanneer zij haar offer brengt,
tegelijk alle wereldsche banden afsnijdt, zoo zegt ook Ifis, gereed zich
‘tot heil van 't vaderland’ blijmoedig op te offeren, tot haar
vader: ‘Nu kerm, nu klaegh niet meer. Gy waert dus lang myn vader, myn
behoeder; nu ken ick Godt: geen vader, geene moeder heeft langer deel aen Ifis,
als voorheen: die naem heeft uit. De Godtheit is alleen myn vader en myn moeder
beide t' zamen’; en zoo gaat zij voort met eene aandoenlijke en tegelijk
verheffende afscheidsrede, die in menig opzicht herinnert aan den
afscheidsgroet, door
Euripides'
Iphigenia aan het leven gebracht, en die daarvoor in
poëtische waarde zeker niet onderdoet. ‘Verheught stapt zy nu ten
outer op den galm van den Maeghdenrei’, die in een heerlijk lied de deugd
der kinderlijke gehoorzaamheid en de macht der zelfverloochening bezingt.
Als het vijfde bedrijf begint, is het offer gebracht; maar nu heeft
Jeptha ook zijne laatste krachten uitgeput. Als een gebroken man staat hij daar
voor den Hofpriester. Hij heeft een afschuw van zichzelf, dien
‘schelmschen dochterslaghter, aertsmoordenaer, bloetschender,
wetverachter, die naer den mont der wetgeleerden noch Godts priester niet wou
luisteren. Och! och! Nu gaen te spa, te spa zijne oogen open’. Hij komt
tot volledige schulderkentenis (agnitio). In zelfgenoegzamen trots heeft hij
gemeend aan God, die vrijmachtig over alles kan beschikken, te moeten geven,
wat hij Hem lichtvaardig beloofde, ook al handelt hij daarmee | | | | in
strijd met Gods wet, en daarbij heeft hij aan de inspraak van zijn eigen
geweten grooter gezag toegekend dan aan de uitspraak der door God ingestelde
priesterschap, waar het gold Gods wil te leeren kennen. De ware gehoorzaamheid
aan hoogere macht, het verzaken van ‘eigen zin’ voor hooger bevel
heeft zijne dochter hem door haar verheven voorbeeld geleerd, nu is hij bereid
tot iedere boetedoening, die de Hofpriester hem zal willen opleggen. Voor hem,
‘die zich wil laeten leeren’ en schuld bekent, zegt de Hofpriester,
is er altijd ‘hoop op Godts gena’. Nu moet Jeptha zich naar den
Aertsofferaer te Silo begeven, die hem de middelen zal aanwijzen om Gods
vergiffenis te verwerven. Zelfs is het gewenscht, dat hij onverwijld vertrekt,
om niet door zijne tegenwoordigheid te veroorzaken, dat de droefheid zijner
vrouw, die in aantocht is, met nog grooter heftigheid uitbarst, wanneer zij den
moordenaar van haar kind ziet.
Na zijn vertrek treedt dan ook Filopaie op, en geweldig is de
uitbarsting harer smart, als zij verneemt wat er gebeurd is. Eerst als de
gordijn op den achtergrond is opengeschoven, waar de rei der Maeghden de
rouwplechtigheden voor Ifis vervult, en als haar de ‘dootbus’ met
de asch harer dochter in handen gegeven is, die zij kussen en omhelzen kan,
gaat de bitterheid der droefheid bij haar in zachtzinniger smartgevoel over en
krijgt zij zelfbeheersching genoeg om ook zelve in eene lyrische rouwklacht
hare dochter de beweenen. Maar ook hare verbittering op haar echtgenoot moet
plaats maken voor zachter gevoelens, en dat bewerkt ten slotte de Hofpriester
door er vooreerst op te wijzen, dat ‘de hemel dien slagh des doots,
indien het hem beliefde, had kunnen beletten’, maar het niet gedaan
heeft, omdat hij wilde, ‘dat ieder zich aen Jeptha spieglen zou en
wachten van dit reuckeloos beloven’, en door daaraan vervolgens nog eene
voorspelling toe te voegen, waarmee
Vondel zoo gaarne zijne treurspelen besloot,
omdat hij meende in dien vorm het best de tragische verzoening (katharsis) van
den toeschouwer met Gods wereldbestuur tot stand te kunnen brengen. Hier is de
voorspelling, dat Jeptha, na zich te Silo met God en den Aertspriester verzoend
te hebben, later waardig gekeurd zal worden om ‘voor ieder op den hoogen
zegewagen der Heiligen in 't midden der Hebreen ten toon gevoert, geviert en
aengebeen’ te worden. Immers zijn hoogmoedig vertrouwen op de
voortreffelijkheid van eigen inzicht was, nadat | | | | hij het
lichtvaardige zijner belofte had ingezien, zijne eenige fout gebleven: toen
hij, eenmaal tot inkeer gekomen, zich verootmoedigd had en hem daarom
vergiffenis kon worden geschonken, waren ook de nevelen weggevaagd, die zijne
groote deugden, vooral zijn onbaatzuchtigen ijver voor God en vaderland, belet
hadden te stralen in haar vollen luister.
Het komt mij voor, dat dit treurspel behoort tot de meest
persoonlijke, die
Vondel geschreven heeft, in dien zin, dat hij
daarin eene episode uit de geschiedenis van zijn eigen zieleleven bij zijne
bekeering heeft behandeld, waarom hij er dan ook zooveel prijs op gesteld
heeft, het te maken tot ‘een toneelkompas’ voor aankomende dichters
om ‘de gewenschte haven van de volkomenheit der tooneelkunste in te
zeilen.’ Blijkbaar heeft hij er de uiterste zorg aan besteed, en zelfs de
alexandrijnen, waarvan hij zich anders bijna altijd in zijne treurspelen
bedient, hier vervangen door ‘vaerzen van tien en elf lettergreepen,
naerdien’, zooals hij zegt, ‘de edele heer Ronsard, de vorst der
Fransche dichteren, deze dichtmaet hoogdravender oordeelt en beter van zenuwen
voorzien en gesteven dan d' Alexandrijnsche van twalef en dertien
lettergreepen, die, zoo veel langer, naer zijn oordeel, flaeuwer vallen en meer
op ongebonde rede trecken’. Ook de karakterschildering der handelende
personen is zorgvuldig door den dichter overwogen, en dat het stuk in geen
enkel opzicht strijdt met de Aristotelische aesthetica, wordt algemeen
erkend.
Natuurlijk is streng in acht nemen van de regels eener kuntsleer
alleen nog niet voldoende om een meesterstuk te scheppen, zelfs niet in het oog
der aanhangers van diezelfde kunstleer. De keus van de stof o.a. is niet
onverschillig, vooral niet wanneer het eene bekende stof is, die wijziging
eischte om den dichter zelf te kunnen bevredigen, want dan vloeien uit de
tweeslachtigheid der stof voor den bewerker groote moeielijkheden voort; en dat
was hier het geval. Vondel is hier, zonder het te vermoeden, afgeweken
van het op zichzelf eenvoudige en begrijpelijke bijbelverhaal om het - onder
theologischen invloed - in zijne voorstelling te vervormen tot een casuistisch
probleem, waarvan het treurspel eene oplossing tracht te geven, die natuurlijk
den Protestant veel minder zal bevredigen dan den Katholiek.
Zooals het verhaal ons in het Boek der Richteren is overgeeverd,
verplaatst het ons in eene nog ruwe maatschappij, die | | | | aan den vader
het recht over leven en dood zijner kinderen toekent, en die gelooft, dat de
godheid zich door offers kan laten bewegen en menschenoffers niet afkeurt.
Jeptha handelt geheel in overeenstemming daarmee, en uit niets blijkt, dat zijn
volk zijne handelwijze heeft afgekeurd: integendeel hij heeft godvruchtig
gehandeld, en zijne dochter, die zich gewillig laat offeren, eveneens. Dat
offer heeft het vaderland gered en daarom gaan dan ook nog jaren later vrome
Israëlietische maagden ter beevaart naar het graf van haar, met wier dood
haar vader de overwinning kocht voor zijn volk.
Ook zoo kan het verhaal stof zijn voor een aangrijpend treurspel,
wanneer de dichter ons maar voor een oogenblik weet over te plaatsen op het
lager standpunt van zedelijkheid, dat de Israëlieten toenmaals innamen.
Neemt men echter voor de Israëlieten een hoogeren beschavingstoestand aan,
namelijk dien van de Christenen der zeventiende eeuw, zoodat hunne priesters en
wetgeleerden wel niet anders kunnen oordeelen, dan de Christelijke priesters
eeuwen later zouden doen bij eene geheel andere opvatting van het wezen der
godheid, dan zal daarvan van zelf het onaangenaam gevolg zijn, dat de held den
indruk moet maken van onder alle personen in het stuk de eenige te zijn, die op
dat lagere zedelijkheidsstandpunt is blijven staan. Niet, dat hij zich
uitsluitend op zijn geweten beroept, stelt hem laag in ons oog, want ware hij
niet een zedelijk achterblijver geweest, dan zou zijn geweten hem hetzelfde
hebben gezegd wat hij nu van de priesters moet hooren, en dan had niemand hem
een beroep daarop ten kwade kunnen duiden. Zoo heeft dan
Vondel of liever de Theologie, die in de
Israëlieten volstrekt het heilige, uitverkoren volk en in hun
zelfzuchtigen oorlogsgod den lateren, door Christus verkondigden, Hemelschen
vader wilde zien, den ongelukkigen bijbelschen Jeptha overgeplaatst in eene
maatschappij, waarin hij niet past en dus wel eene zonderlinge, onsympathieke
en in den grond toch zeer beklagenswaardige figuur moest worden: het
tegenovergestelde van een treurspelheld en een heilige.
Vondel's
Lucifer
1) is het tragische
voorspel op het hoofd- | | | | moment in de wereldgeschiedenis: de
Menschwording van God. De voorstelling van Lucifers opstand tegen God is in den
geest der kerkvaders en daardoor in de kerkelijke overlevering langzamerhand
gegroeid uit enkele bijbelplaatsen, die onwillekeurig tot de wording der
Lucifersmythe aanleiding gaven.
Vondel heeft ze bijeengebracht in zijn
‘berecht’ vóór het stuk, waarin hij er tevens op
wijst, hoe de meening der godgeleerden verschilt ten opzichte van de nadere
uitwerking dezer voorstelling, zoodat dus aan den tooneeldichter in dezen
groote vrijheid gelaten werd. Van die vrijheid heeft hij, zooals hij zegt,
inzonderheid gebruik gemaakt om reeds vóór den opstand Gods
menschwording bedektelijk te doen aankondigen, omdat hij daardoor te beter het
tragisch karakter van dien opstand in het oog kon doen vallen.
Zóó immers kon hij doen zien, hoe Lucifer, jaloersch op den
mensch, omdat deze boven de engelen begunstigd zou worden, wanneer God zelf
zich zou verwaardigen de menschelijke gestalte aan te nemen, door zijne
pogingen om dat te verhinderen (eerst zijn opstand tegen God en vervolgens
zijne verleiding van den mensch) | | | | juist de door God gewilde
omstandigheden doet ontstaan, waaronder Gods menschwording uit liefde voor het
gevallen menschdom moest plaats grijpen. Zóó blijkt het dan in
Gods plan te hebben gelegen, dat Lucifer door zijn opstand juist dat zou
bewerken, wat hij er mee hoopte te verijdelen
1). Alleen door dat in het oog te houden kan men het verheven
karakter van dit treurspel ten volle begrijpen, indien men zich althans weet te
plaatsen op het door Vondel ingenomen orthodox-kerkelijk standpunt, de
verhevenheid der rechtzinnige leer van zonde en voldoening weet te erkennen en
niet blind is voor de grootsche gedachte, die er gelegen is in de voorstelling
der eenheid van 's menschen eindig wezen met het eeuwig wezen der godheid in
den persoon van Christus. Daarbij doet het niets ter zake, of men het door
Vondel als waar aangenomen geloofsstelsel veeleer
houdt voor het gewrocht van begrip en verbeelding der voorgeslachten, dan voor
de ook nu nog verdedigbare formuleering eener wetenschappelijke
wereldbeschouwing.
Het tooneel, waarop de ‘Lucifer’ speelt,
is de hemel. Daar treffen wij bij het begin van het stuk Belzebub, ‘den
Raet van 's Hemels Stedehouder’ (Lucifer), aan, in afwachting van Belial,
dien hij heeft afgezonden ‘om uit te zien, waer ons Apollion magh
blijven’. Apollion toch was door Lucifer naar de aarde gezonden om zich
met eigen oog te overtuigen van den heilstaat, waarin Adam, Gods jongste
schepping, in het Paradijs verkeert. Spoedig komt nu Belial de nadering
aankondigen van Apollion, die snel als ‘een vliegend vier’, als
eene verschietende ster door de negen hemelsferen van de aarde naar den hemel
komt opstijgen. Een oogenblik nog en Apollion vertoont zich, geheel in
verrukking over hetgeen hij op aarde heeft aanschouwd. ‘Een gouden tack
met ooft van karmozyn en gout’ brengt hij als eene proeve der aardsche
heerlijkheid mede uit het Paradijs, dat hij vervolgens afschildert als een
lusthof, zóó bekoorlijk, dat de engelen, zooals | | | | Belzebub zegt, hun ‘Paradys om Adams hof verwenschen
zouden’. Maar in dien lusthof is de mensch, de koning eener geheele
dierenwereld, nog het schoonste van alles: een dubbele engel, niet alleen
geest, zooals de engelen des hemels, maar ook lichaam, en als zoodanig eene
harmonische wezenseenheid. En die mensch zal zich tot in het oneindige kunnen
vermenigvuldigen, want ‘in een hemel zonder vrouwen kennen de misdeelde
engelen geen gespan van tweederhande kunne’, zooals de menschen, wier
‘leven is beminnen en wederminnen met een onderlingen lust, onendelyck
gelescht en nimmer uitgebluscht’. ‘Natuurs penseel, geen verf, maer
zonnestralen’, zegt Apollion, zou het vereischen, Adams ‘bruit naer
't leven af te malen’, want ‘engelen, hoe schoon ze uw oogh
behaeghden, zyn slechts wanschapenheen by 't morgenlicht der maeghden’.
Toch waagt Apollion zich aan eene beschrijving, en wel met zóó
goed gevolg, dat er in onze geheele letterkunde maar weinig is aan te wijzen,
wat in poëtisch schoon het hier van Eva geschilderde beeld evenaart. Als
‘eeuwigh en onsterflijck’ door de vrucht van den boom des levens te
eten is de mensch reeds aan de ‘engelen, zijn broederen, gelijck’;
maar door zijn vermogen om ‘zijn wezen uit te storten in
duizent-duizenden’ is hij, zooals Belzebub opmerkt, ook ‘maghtigh
den engelen over 't hooft te wassen’. Duidelijk blijkt het nu: alleen om
den mensch heeft God alles geschapen.
Nog duidelijker blijkt dat, als Gabriël, Gods geheimnistolk,
door een breeden rei van engelen omstuwd, optreedt om Gods bevelen af te
kondigen. God bouwde inderdaad, zegt hij, ‘'t wonderlyck en zienelyck
Heelal der weerelt zich zelf en oock den mensche ten geval en sloot van
eeuwigheit het Menschdom te verheffen oock boven 't Engelsdom’. Eenmaal
zelfs, zoo kondigt hij aan, zal ‘het eeuwigh Woort, bekleet met been en
âren’, als heer en rechter over engelen zoowel als menschen
verschijnen, en als die heer in ‘menschelyck gestalt’ zegevierend
zijn troon in den hemel zal innemen, ‘dan schynt de heldre vlam der
Serafynen duister by 's menschen licht en glans en goddelycken luister’.
Daarom moeten ook nu reeds de engelen den mensch dienen, daar ‘wie Adam
eert, het hart van Adams vader wint’. Hoe de engelen ‘in
dryderhande ry en negenvoudige orden onderscheiden worden’, laat
Vondel nu, in aansluiting aan de geestenleer
van Gregorius den Groote en Pseudo-Dionysius, door Gabriël
uiteenzetten, | | | | die hun daarop beveelt, elk in de hem aangewezen
sfeer zijne plichten te vervullen en vooral Adam te dienen en te beschermen,
hem op de handen te dragen.
Als Gabriël heeft uitgesproken, valt de rei der engelen in met
den beroemden zang: ‘Wie is het, die zoo hoogh gezeten, zoo diep in 't
grondelooze licht, van tyt nog eeuwigheit gemeten noch ronden, zonder
tegenwight by zich bestaet?’ en den tegenzang: ‘Dat 's Godt,
Oneindigh eeuwig Wezen van alle ding, dat wezen heeft.’ Inderdaad is in
deze zangen van Hem, dien ‘verbeelding, tong noch teken kan
melden’, alles gezegd wat de diepzinnigste wijsbegeerte ooit van God
heeft kunnen uitdenken om van Zijne onuitsprekelijke grootheid een flauw
denkbeeld te geven. Met een ‘heiligh, heiligh, driemael heiligh!’
besluit de toezang van den rei deze hymne. Gods ondoorgrondelijk besluit moet
voor de engelen ‘bondigh’ (d.i. verbindende) zijn, Gods bevel
moeten zij aanbidden en hem eeren in Adam, zonder nadere uitlegging van het
waarom: immers ‘al wat Godt behaeght is wel’.
Staande op zijn strijdwagen opent Lucifer het tweede bedrijf, maar
geen lichtglans omstraalt het gelaat van ‘Godts Morgenstar’. Nu in
het menschenpaar eene ‘dubbele star’ verrezen is, is het met zijn
luister gedaan, zegt hij vol spijt en bitterheid. De engelen zijn door God
onherroepelijk veroordeeld om slaven der menschen te worden: tegenspraak geldt
hier niet. Belzebub geeft hem gelijk en schildert zijne vernedering en zijne
dienstbaarheid aan dien ‘aerdtworm, uit een klomp van aerde en klay
gekropen’, met zulke schrille kleuren af, dat Lucifer, daardoor
geprikkeld, uitroept: ‘Dat zal ick keeren, is het anders in myn
maght!’ Aan die woorden herkent Belzebub den fieren Lucifer, den
machtigen stedehouder Gods. De mensch mag niet boven de engelen verheven
worden. Deze moeten hunne oude rechten weten te handhaven, en daarmee stemt
Lucifer in: ‘laet zwichten al wat wil, ick wyck niet éénen
voet. Is 't noodlot, dat ick vall’, dan wil ik vallen ‘met deze
kroon op 't hooft’. Veel liever ben ik ‘d'eerste vorst in eenigh
lager hof, dan in 't gezalight licht de tweede of noch een minder’, zegt
Lucifer, en met die woorden wacht hij Gabriël af, die reeds vermoedt, wat
er in hem omgaat. Tegenover hem ontkent Lucifer dan ook geenszins zijn spijt.
Gods besluit is hem een raadsel, dat hij gaarne zou zien uitgelegd, maar
‘veel weten kan altyt niet vordren, somtyts schaden’, antwoordt
Gabriël: | | | | ‘de Hooghste ontdeckt ons slechts wat hy
geraden vint’, en Lucifer, die totnogtoe ‘zyn kroon voor Godt
alleen gebogen’ heeft, zal die nu ook moeten buigen ‘voor 't
besluit der Godtheit’. Maar met dat besluit, zegt Lucifer, verkleint God
zijn eigen Majesteit, en wanneer hij er zich tegen zou verzetten, zou het zijn
om te ‘yvren voor Godts eere, om Godt zyn Recht te geven’. Te
vergeefs brengt Gabriël nog in herinnering, dat God ‘het punt,
waerin zyn hoogheit is gelegen’, zelf het best kent: wanneer hij
vertrokken is, zegt Lucifer tot Belzebub, dat hij vast besloten is, alles op
het spel te zetten en zich door niemand te laten trotseeren. Apollion, die nu
optreedt, moge ook al wijzen op het gevaarlijke, het hopelooze zelfs van een
opstand tegen God, Lucifer toont zich onvervaard. Hij wil ook niet strijden
tegen God, maar tegen Gods veldheer Michaël, zijn gelijke, zegt hij, en
draagt nu aan Apollion op, met Belial te overleggen, hoe het best het vuur der
ontevredenheid onder de engelen kan aangestookt worden, zooals deze beide
daarop ook doen. De opstand moet van de nu reeds morrende engelen uitgaan,
meenen zij, hunne leus moet zijn: ‘den mensch in eeuwigheit ten hemel uit
te sluiten’, en, wanneer zij omzien naar een hoofd voor den opstand, moet
Belzebub als schoorvoetend hunne partij kiezen en Lucifer eerst aarzelend zich
aan hun hoofd plaatsen, alsof hij om hunnentwil zich opofferde. Dan zullen zij
hem te beter steunen. Wanneer zij heengaan om dat plan uit te voeren, spreekt
de rei der getrouwe engelen zijne droefheid uit over den rossen gloed, dien 's
hemels heilig licht verspreidt, nu het ‘door wolcken en bedroefde
nevels’ belet wordt in vollen glans te stralen.
Met het derde bedrijf zien wij de vruchten van Apollions en Belials
werk. Morrende en weeklagende zitten de ontevreden engelen bij elkaar en dof
klinkt het ‘helaes, helaes, helaes, waer is ons heil gevaren!’ uit
hun mond als het geloei eener oproerige menigte, die zich door de aan God
getrouw gebleven engelen niet kan laten troosten, nog minder tot berusting in
Gods wil kan laten bewegen. Wanneer de getrouwen de hulp van Belial en Apollion
inroepen om de morrenden tot bedaren te brengen, verklaren deze zich daartoe
buiten staat: immers ‘zij steunen op hun recht!’ en zijn niet
ongehoorzaam geworden aan Gods wil, maar God zelf is van wil veranderd en
daarover zijn zij terecht ontevreden. Belzebub, die nu verschijnt, ziet met
genoegen, dat de ontevredenen ‘groeien in getal’, en ofschoon hij
hun gelijk geeft, dat zij | | | | over onrecht klagen, veinst hij hunne
oproerige gezindheid af te keuren. ‘Met smeecken moght ghy best en eerst
uw' wensch verwerven’, voegt hij hun toe; maar zij zien meer heil in een
onverhoedschen aanval en verlangen, dat Belzebub zich aan hun hoofd zal
plaatsen. Hij weigert echter: alleen verklaart hij zich bereid, hun ‘voor
te treden naer den troon van 't groot palais’ om langs vreedzamen weg
naar hun doel te streven, en bemiddelend treedt hij dan ook voor hen op, als
Michaël verschenen is, om, vóór het oproer uitbarst, de
straf aan te kondigen, die op de misdaad zal volgen. Deze sommeert hen, de
wapens terstond neer te leggen en niet langer muitziek samen te rotten. Als zij
zich onwillig toonen en zich op Lucifer beroepen, vertrekt Michaël met de
getrouwe engelen om bij God zijn beklag in te dienen.
Nu vertoont zich Lucifer op zijn strijdwagen, en dringend smeeken de
ontevreden engelen hem, zich aan het hoofd van den opstand te plaatsen. Ook hij
erkent, dat zij gegronde reden hebben om zich gebelgd te toonen, maar hoopt,
dat God hun ‘dees belleghzucht vergeve’. Hun verzoek om hun
aanvoerder te zijn wijst hij aanvankelijk af, maar als Belzebub het
ondersteunt, geeft hij zich, schijnbaar tegen zijn zin, gewonnen; en nu laat
hij zich op een troon plaatsen om als hun vorst gehuldigd te worden, waarop de
Luciferisten, ‘te gelyck by Godt en Lucifer’ zwerend, hem
‘het wieroockvat’ toezwaaien en hem verheerlijken met
‘muzyck, bazuinen en schalmeien’, om dan vervolgens ten strijde te
trekken onder het marschlied, dat ons met zijne trochaeïsch-dactylische
versmaat, door vier iamben besloten, den dreun hunner voetstappen bij het
tromgeroffel ook in woorden doet hooren: ‘Op, treckt op, o ghy
Luciferisten, volght dees vaen! Ruckt te hoop al uw krachten en listen. Treckt
vry aen. Volght dezen Godt op zyn trommel en trant. Beschermt uw Recht en
Vaderlant’. Als nu de laatste scharen zijn weggetrokken onder het zingen
der godslasterlijke woorden: ‘wy met triomf kroonen Godt Lucifer:
Bewieroockt hem, aenbidt zyn ster!’ besluit de rei der getrouwe engelen
dit bedrijf met een klaagzang over de ‘Staetzucht’, die zoo
jammerlijk den vrede in den hemel verstoort.
Gabriël deelt bij den aanvang van het vierde bedrijf aan
Michaël mee, dat Lucifer, ‘in zyne trou verandert, trompet en trom
roert en des hemels derde deel’ onder zijn standaard verzameld heeft; en
nadat Michaël zich door zijn schildknaap Uriël de wapenrusting | | | | heeft laten aandoen, trekt hij aan de spits zijner heerscharen op om
‘Godts oorlogh te voeren’. Een tweede tooneel vertoont ons Lucifer
aan het hoofd der zijnen, vol strijdlust en moed, omdat uit alle rangen der
engelen voortdurend nieuwe aanhangers zijne partij komen versterken.
Vóór den strijd spreekt hij zijne troepen toe. ‘De tiranny
der hemelen zal verkeeren in eenen vryen Staet’, als zij hem ‘voor
't hooft van hunnen vrydom kennen’, zegt hij, en nu hernieuwen zij hun
eed van trouw aan God en Lucifer tegelijk. Maar nog eene uiterste poging wordt
er gedaan om den strijd te verhoeden. Rafaël, die Gods Barmhartigheid
vertegenwoordigt, zooals Gabriël de Waarheid en Michaël de
Gerechtigheid, treedt op om Lucifer te bezweren, dat hij, nu het nog tijd is,
den dollen krijgstocht stake. Hij wijst hem op zijne tegenwoordige
heerlijkheid, die hij roekeloos verspeelt door zijn misdadig opzet: ‘den
olyftack der genade’ biedt hij hem aan. Lucifer echter verontschuldigt
zich: hij strijdt niet tegen, maar onder God; zijne ‘helden hebben Godt
en Lucifer gezworen’ en wenschen alleen tegen Michaël voor de hun
wettig verleende handvesten en rechten te strijden. Dat is eene valsche leus,
waardoor de Alwetendheid zich niet laat bedriegen, zegt Rafaël: Lucifer en
zijne engelen hebben geene andere rechten, dan die God hun gegeven heeft en ook
weer ontnemen kan; en als redeneering niet baten mag, dan smeekt hij Lucifer
met hartelijken aandrang, dat hij toch niet blindelings zijn wis verderf te
gemoet moge gaan. Nog is er genade te wachten. Rafaël belooft zijn
middelaar bij God te zullen zijn. Die liefdevolle woorden maken op den
Stedehouder diepen indruk, zijn schuldbesef (de anagnorisis) ontwaakt, en
zoodra dat gebeurt, breekt het licht des verstands weer heen door de nevelen
van hoogmoed en nijd, die zijn geest hadden verblind. ‘Of ergens schepsel
zoo rampzaligh zwerft als ick!’ roept hij uit: ‘de neerlaegh is
zwaer te myden’, het was ‘de snootste ondanckbaerheit’ zijn
Schepper af te zweren, en het baat hem niet, voor het Goddelijk licht zijne
‘verwatenheit te vermommen’; dat ziet hij nu helder in. Een
oogenblik staat hij in twijfel; maar wie zich tot volksleider opwerpt, houdt
daarmee op, zijn eigen meester te zijn: hij denkt de volksmassa aan te voeren,
maar wordt slechts door haar vooruit gestuwd. Teruggaan is voor hem onmogelijk
geworden: dat ontwaart hij met schrik. ‘Hier baet geen deizen: neen, wy
zyn te hoogh geklommen!’ roept hij uit, en daar klinkt het
trompetgeschal, | | | | waarmee Michaël het sein tot den aanval geeft.
De Luciferisten hooren dat met opgewondenheid. Zij wanen zich reeds zeker van
de overwinning; maar inderdaad is de nederlaag al geleden, want Lucifer heeft
alle zelfvertrouwen verloren, en als Apollion hem aanmaant ook van zijn kant
het sein tot den aanval te geven, is het alleen de wanhoop, die aan zijne
besluiteloosheid een einde maakt. Hij blaast den aanval en trekt met de zijnen
ten strijde. Voor Rafaël blijft nu niets anders over dan met den rei van
getrouwe engelen neer te knielen en zich in gebed te richten tot den
‘Vader, die geen wieroockvat, noch gout, noch lofzang waerder schat dan
godtgelatenheit en stilte van 't schepsel’, en genade af te smeeken voor
den ongelukkige, die zelf weet, dat alle hoop op genade ijdel is.
Bij het begin van het laatste bedrijf is de geweldige strijd
gestreden en komt Uriël daarvan aan Rafaël verslag geven in een
verhaal, dat van de stoutste dichterlijke verbeelding en van het machtigste
uitbeeldingsvermogen getuigt. Met zijne driehoekige slagorde (het zinnebeeld
der Drieëenheid) is Michaël, als een adelaar op zijne prooi, van
boven neergestreken op den boog der halve maan (het zinnebeeld van het
Ongeloof), door Lucifers legerscharen gevormd, en heeft dien in het midden
doorboord. Te vergeefs heeft Lucifer tot driemaal toe beproefd Michaëls
diamanten schild te klooven, waaruit Gods heilige naam den muiteling
tegenschitterde. Michaël ‘klinckt den wrevelmoedigen zyn
bliksemstrael door helm en hooft in d'oogen, zoodat hij achteroverstort’
uit zijn met Leeuw en Draak (de zinnebeelden van Hoogmoed en Nijd) bespannen
wagen, die met hem in den afgrond verzinkt, waarin hij neerploft, onderweg
veranderd ‘in een wanschapenheit’, eene mengeling der ledematen van
zeven dieren, die de zeven hoofdzonden vertegenwoordigen. ‘Dat leert de
Staetzucht Godt naer zyne kroon te steken’.
Nu treedt zegevierend Michaël op, begroet door het triomflied
van den engelenrei: ‘Gezegent sy de Held, die 't goddeloos gewelt, en zyn
maght en zyn kracht en zyn standert ter neder heeft gevelt!’ Maar als de
laatste klanken van het ‘Prys en eer zy den Heere aller Heeren!’
nog nauwelijks zijn weggegolfd, komt Gabriël de droeve lotverwisseling
(peripetia) aankondigen met zijn: ‘Helaes, helaes, helaes, hoe is de kans
gekeert!’ ‘Och, Adam is gevallen!’ klinkt het als ‘een
donderslagh in d'ooren’. Belial heeft | | | | op Lucifers bestel ook
den mensch tot afval van God verleid. Zóó echter kan dat groote
drama niet eindigen: de verzoening (katharsis) moet nog volgen. Wel zullen de
menschen zich nu niet meer mogen voeden met de vruchten van den boom des levens
en zullen de booze geesten, in den afgrond der hel gekluisterd, vreeselijk
moeten boeten voor hunne schuld, maar eenmaal zal ‘de Godtheit uit het
zaet van d'eerste vrou den Stercken verwecken, die de Slang, den Draeck het
hooft zal pletten’, zoo voorspelt Gabriël. En de Sterke is, dat
weten de toeschouwers, God zelf, die de menschelijke gestalte zal aannemen. In
hoopvolle verwachting ziet nu de engelenrei de komst te gemoet van den
‘Verlosser, die, uit liefde herstellend wat in Adam wert verloren, 't
vervallen menschdom eens van Adams errefschult zal verlossen’ en zoo het
mogelijk zal maken, dat de nakomelingen van het eerste menschenpaar voor het
verloren paradijs ‘een schooner paradijs hierboven’ zullen innemen
om de plaats der gevallen engelen te bekleeden om den troon van God.
De zondeval, hier slechts door Gabriël verhaald, zou later door
Vondel in een afzonderlijk treurspel,
Adam in ballingschap, in bijzonderheden worden
uitgewerkt, en had Vondel in Noord-Nederland Christus ten tooneele
mogen brengen, dan zou hij ongetwijfeld ook zijn Zuidnederlandschen
geloofsgenoot vóór geweest zijn en met het tafereel der
‘Menschwording van het Woort’ dit grootsche mysteriespel hebben
voltooid.
|
1)Afzonderlijke uitgaven met inleiding en
aanteekeningen bezitten wij van den Joseph in Dothan van J.L. Peters,
Venloo 1882 en A.M. Verstraeten, Gent 1886-87. Voor oudere en nieuwere
opvoeringen van den ‘Joseph in Dothan’ zie men D. Fuldauer in
‘De Gulden Winckel’ XVI (Sept. 1917) blz. 129-133. Over het
stuk zie men: J. Macquet, Proeven van dichtkundige letteroefeningen II
Utrecht 1783 bl. 1-36, A.M. Verstraeten, Studiën over Vondel en zijn
Jozef in Dothan, Gent 1886 en J. te Winkel, Bijdrage tot de
wordingsgeschiedenis van Vondel's Joseph-trilogie in Derde Verslag der
Vereen. Het Vondel-Museum, Amst. 1908 bl. 18-28. Eén der bewijzen voor
den invloed door Jan Tonnis met Josephs Droef- en Blij-eind spel, Embden
1639 op Vondel geoefend, namelijk dat Vondel's slotregel: ‘Het kleine
treet op 't kleet, de groote treen op 't hart’ ook bij Tonnis in
eenigszins anderen vorm voorkomt, is bestreden door de opmerking, reeds bij
Tonnis zelf te vinden, dat wij hier met een spreekwoord te doen hebben. Men zag
daarbij echter over het hoofd, dat de sterkste bewijskracht niet hierin gelegen
is, dat beiden dit spreekwoord in hetzelfde stuk aanhalen, maar dat zij, wat
zonder invloed van Tonnis aan te nemen eene te groote toevalligheid zou zijn,
het beiden in den mond leggen van Jacob, wanneer hem zijns zoons rok wordt
vertoond, te meer daar Jacob het niet eens volkomen terecht aanhaalt, omdat
‘op het hart treden’ hier zeker niet geldt van Joseph en evenmin
kan gelden van diens broeders, vanwelke Jacob immers toen nog niet wist, wat
zij tegenover hem misdreven hadden.
1)Met Inl. en Aant. is de Jeptha
afzonderlijk uitg. door T. Terwey, Gron. 1890. In het Hoogduitsch is de
‘Jeptha’ vertaald door Ferd. Grimmelt, Münster 1869 en door
Lina Schneider, Cöln 1887, maar verkort als
‘Bühnenbearbeitung’, daar het stuk 17 Nov. 1887 bij Vondel's
driehonderdsten verjaardag ‘auf dem Kölner Stadttheater’ is
gespeeld. Over den ‘Jeptha’ zie men J. Macquet, Proeven van
dichtkundige letteroefeningen II Utrecht 1783 bl. 37-63, die daar ook eene
vergelijking gaf van Vondel's Jeptha met die van George Buchanan, later
aangevuld door G. Kalff, Oud Holland XII (1894) bl. 47-51. Verder zie men H.E.
Moltzer in zijne ‘Studiën en Schetsen’, Haarlem 1881 bl.
217-252 en in De Ned. Spectator 1890 No. 26 en 49 en L. Simons in het
tijdschrift ‘Het Tooneel’ XVII 1887 bl. 40-70, herdrukt in zijn
bundel ‘Besproken plaatsen’, Amst. 1891.
1)Met Inl. en Aant. is de Lucifer
afzonderlijk uitg. door J.M. Schrant, Gent 1856, door A.M. Verstraeten, Gent
1884, 4 dr. (bezorgd door J. Salsmans) Gent 1902, en door N.A. Cramer, Zwolle
(1891). Van den ‘Lucifer’ verschenen vijf Hoogduitsche
vertalingen le door Luise von Plönnies, Berlin 1845, 2e door Max Werner
Quadt, Aachen 1868, 3e door Ferd. Grimmelt, Münster 1868, 4e door G.H. de
Wilde, Leipzig, 1869, 5e door Marie von Seydewitz, 1917. In Fransch proza
vertaald is de ‘Lucifer’ uitg. in de ‘Chefs-d'oeuvre des
théâtres étrangers’ XVIII Paris 1824. Eene
Engelsche vertaling gaf L.Ch. van Noppen, Vondel's Lucifer, translated from
the Dutch, New-York 1898, met platen, eene biographie van Vondel, eene
bibliographie van den Lucifer en eene vergelijking van Vondel en Milton.
Zelfs in het Hongaarsch is de ‘Lucifer’ vertaald, nl. door Zsigmond
Nagy, en daarover hield Gusztáv Heinrich eene voordracht, gedrukt als
‘Vondel Lucifer-jéröl Nagy Zsigmondtól’ (gedrukt
in de Jaarboeken van het Kisfaludy-Genootschap, XLV, 1910-11 p. 99-124).
Over den ‘Lucifer’ is geschreven door J. Macquet, Proeven van
dichtkundige letteroefeningen III Utrecht 1786 bl. 41-109 en door J.
Salsmans, Luciferiana in de Dietsche Warande en Belfort, Gent 1902.
Over de quaestie, of de Lucifer eene politieke allegorie zou zijn, zie men
beneden, blz. 258-260, Over de quaestie, of Milton het een en ander voor
zijn ‘Paradise lost’ en voor zijn ‘Samson’ aan Vondel
zou ontleend hebben, bestaat eene uitgebreide litteratuur, voornamelijk van A.
Fischel, The life and writings of Joost van Vondel, Liverpool 1854; J.W.
Brouwers, Joost van Vondel Dichtwerk, Roermond 1861 en andere
geschriften; Nic. Beets, De Paradijsgeschiedenis en de Nederlandsche
dichters in ‘Verscheidenheden, meest op letterkundig gebied’,
II Haarlem 1864; E.W. Gosse, A Dutch Milton in ‘Cornhill
Magazine’, May 1877 en ook in zijne ‘Studies in the literature of
northern Europe’, London 1879; George Edmundson, Milton and Vondel a
curiosity of literature, London 1885; August Müller, Ueber Miltons
Abhängigkeit von Vondel, Berlin 1891 en J.J. Moolhuisen Vondel's
Lucifer en Milton's Verloren Paradijs, 's-Grav. 1895. De overeenstemming
van beide dichters zal vermoedelijk wel niet door ontleening van Milton aan
Vondel moeten verklaard worden, maar het gevolg zijn van de bewerking der hun
beiden gemeenzame bijbelstof, met de uitlegging daarvan, en van beider
bekendheid met Hugo de Groot's Adamus exul.
1)P. Leendertz Jr. heeft in Tijdschrift XLII
(1923) bl. 116-130 nog eens weer, en terecht, betoogd, dat het slot van den
Lucifer onmisbaar is en de val van Adam de noodzakelijke voorwaarde voor Gods
menschwording, maar het spijt mij, dat hij geheel over het hoofd heeft gezien,
dat ik hier volkomen hetzelfde betoogde. In Vondel's oog is Gods menschwording
zoo iets verrukkelijks, dat zij met Adams val of het ontstaan der zonde niet te
duur is betaald. Lucifer is hier (schoon Vondel het niet waagt dat
uitdrukkelijk te zeggen) onbewust de uitvoerder van Gods raadsbesluit, zooals
Satan in het boek Job en Mefistofeles in Goethe's Faust dat bewust
zijn.
|
|