De ontwikkelingsgang der Nederlandsche letterkunde. Deel 4: Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde van de Republiek der Vereenigde Nederlanden (2)


auteur: J. te Winkel


bron: Jan te Winkel, De ontwikkelingsgang der Nederlandsche letterkunde. IV. Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde van de Republiek der Vereenigde Nederlanden (2). De erven F. Bohn, Haarlem 1924, tweede druk.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

LIII.
Het tooneel door de Overheid begunstigd, door de Kerk bestreden.

Gedurende den tijd, waarin Jan Vos, die bij de regeerings-families zich zoo aangenaam had weten te maken, hoofd van den Schouwburg was, spreekt het wel van zelf, dat de Schouwburg door de Overheid in bescherming genomen en begunstigd werd; maar ook reeds eene verstandige staatkunde begreep, dat de Regeering in het tooneel een uitstekend werktuig bezat om de openbare meening te leiden en een tegenwicht te vormen tegen den kansel, vanwaar een groote invloed op het volk werd geoefend. Aardig drukte Jan Vos dit uit in het volgende puntdicht:

 

 
‘De Schouwburg en soldaat zyn 't Raadthuis overwaert:
 
Deez dient het door haar spel, die helpt het door zyn zwaerdt.
 
't Ontzagh van deeze twee kan 't vuur der outers blussen.
 
Waar spel noch krygsman is begeert de stoel het kussen.’

 

Trouwens Hooft had in zijne ‘Historiën’ reeds hetzelfde gezegd, namelijk dat, daar er ‘t' onzen tyden maar twee manieren oover waren om 't volk by de ooren te leiden, naamelyk van preekstoel en toonneel, de Majestraat geen maghtigher middel dan dit had

[p. 254]

om 't graauw een' rusthoudende onderdanigheit in te scherpen en haare achtbaarheit te hanthaaven teeghens 't gezagh der geestelyken.’ Werd de geestelijkheid nu van het tooneel aangevallen, dan, zeide Hooft van de zestiende eeuw, maar met het oog op de zeventiende, dan ‘loeghen de grooten in de vuist en deeden er ooghluikingh toe, op hoope dat, wen de geestelykheit hunne toeloop verloor, zich alles beeter tot een gemaatighde regeeringh souw setten.’

Daarom had de Regeering dan ook reeds vóór het optreden van Jan Vos als schouwburgregent het tooneel gehandhaafd en beschermd tegen de aanvallen van kerkelijke zijde, en had zij in het bijzonder meer dan eens hare ingenomenheid met Vondel te kennen gegeven, in wien zij, evenals later in Vos, reeds vroeger een trouw dienaar had gehad. Vandaar bv. dat in 1641 de Magistraat van Amsterdam eene vertooning van zijn treurspel ‘Gebroeders’ officiëel met zijne tegenwoordigheid had vereerd, zooals blijkt uit een ‘danckoffer’, door Vondel gebracht aan hen, die, als zij ‘zoo volhardden in kunst te queecken’, de bestuurders van den Schouwburg konden doen ‘hopen, allengs het grijze Athenen naer de kroon te steecken.’

Toen op het einde van 1645 de Poolsche gezanten Wenceslaus Lescinsky, bisschop van Warmeland, en Generaal Christoffel Opalinsky, die Louize Maria van Gonzaga, de bruid van den Poolschen Koning Wladislaw IV, van Parijs naar Polen geleidden en op de doorreis met haar ook eenige dagen te Amsterdam vertoefden, waar zij door Willem van Oranje namens zijn vader begroet werd, zong Vondel haar niet alleen een dichterlijken gelukwensch toe, waarbij hij nog eenige andere gedichtjes op hare afbeelding en haar bruidegom en op de gezanten voegde, maar woonden de hooge gasten, natuurlijk door den Amsterdamschen Magistraat begeleid, ook eene voorstelling in den Schouwburg bij. Daar werd toen de Aran en Titus van Jan Vos vertoond en, als nastukje, de inderdaad niet onaardige klucht Lichte Klaertje, die in hetzelfde jaar was gedicht door den tooneelspeler Jillis Noseman 1).

De heldin dezer klucht, ofschoon met Kaerel, haar pol, in het ‘eerlycke kroeghje’ van Brabantsche Mayken betrapt door Goose, haar man, en Jeuriaen, diens knecht, die zich als speellieden verkleed hadden, maar die ‘'t visje’ verzuimden ‘aen te tasten’,

[p. 255]

zoodra zij het zagen, weet, door nog vóór haar man te huis te komen en dan ijverig aan 't werk te gaan, het zóó slim aan te leggen, dat hij in tegenwoordigheid van den schout, wiens hulp hij had ingeroepen, moet eindigen met wat hij zag voor een droom te verklaren en haar nederig vergiffenis te vragen voor zijne ongegronde jaloezie. Wij hebben in deze klucht dus eene breedere uitwerking van het thema, dat de middeleeuwers reeds in de sotternie van Lippijn behandelden. Een jaar vroeger was Noseman met zijne eerste klucht, Hans van Tongen, naar Boccaccio's ‘Decamerone’ (IX 5) opgetreden, en later maakte hij er nog drie, die, behalve de laatste, ook ontuchtige minnarij tot onderwerp hebben, namelijk Beroyde Student van 1646, Bedrooge Dronkkaart of Dronkkemans hel van 1648 en Krijn onverstant of Vrouwen-Parlement van 1659, waarvan het nu wel vaststaat, dat zij van Jillis (niet van Jan) Noseman zijn.

In Augustus 1646 treffen wij den Deenschen gezant Korfitz Ulefeld in den Amsterdamschen schouwburg aan om daar Rodenburg's Casandra te zien vertoonen en, als nastukje, Infidelitas ofte ontrouwe Dienstmaagt (van 1644), eene der kluchten van Abraham Bormeester, waarin de ontrouwe dienstmaagd Seelitje van de gelegenheid dat zij alleen in huis is gebruik maakt om zich door drie minnaars tegelijk te laten vrijen en met hen goede sier te maken. Misschien bewerkte Bormeester dit stukje, dat hij aan Judith de Hoogh opdroeg, naar een Engelsch origineel. Van denzelfden schrijver noemden wij reeds de klucht ' t Nieuwsgierig Aegje, en bovendien schreef hij nog in 1643 de Klucht van Doeden, bewerking van het bekende verhaal van den man die aan zijne vrouw, zonder dat zij hem herkent, de biecht afneemt, uit Boccaccio's ‘Decamerone’ (VII 5), en de klucht van Sytje Fobers, ook wel, naar den door zijn medevrijer bedrogen minnaar van Sytje, de klucht van Joost Krimp of, daar deze zich in eene ton verstopt, de ‘klucht van de ton’ genoemd 1).

Bij gelegenheid dat Vondel's Salomon in 1650 gespeeld werd

[p. 256]

‘vereerden Burgemeesteren en Regeerders der Stadt Amsterdam 't vertoonen met haar Ed. bijzyn’ en werden zij door Jan Vos welkom geheeten met eenige dichtregelen, die tevens eene verheerlijking van Vondel's poëzie waren.

Daar Vondel's Maria Stuart in 1646 niet ten tooneele gebracht werd, was de storm, die er wegens dat treurspel tegen hem opstak, buiten den Schouwburg omgegaan, al zal het misschien op de kerkelijke partij een onaangenamen indruk gemaakt hebben, dat Jan Vos, zoo spoedig nadat hij met zijn gedicht ‘Aan d'algemeene Rymers of galbrakers, toen J. v. Vondel het treurspel van Maria Stuart had uitgegeven’, krachtig voor Vondel in de bres was gesprongen en daarover in een pamflet ‘Aen de Papiste Galschryvers Jan Vos en sulck goetje’ (in 1647) niet minder vinnig was berispt, toch met goedvinden der Regeering in het college van Schouwburgregenten zitting had gekregen. Vondel's Lucifer echter gaf aan de kerkelijken aanleiding om zich te wreken over de nederlaag, die zij bij hun verzet tegen zijn ‘Gysbreght’ geleden hadden 1).

Den 5den Februari 1654, drie dagen nadat het stuk op den Schouwburg vertoond was, op den dag zelf, waarvoor eene tweede opvoering was aangekondigd, vergaderden predikanten en ouderlingen van den Amsterdamschen kerkeraad en beklaagden zij zich er over, dat in een stuk, ‘van den val der enghelen handelende, op een vleesselijcke manier de Hooghe matery van de diepten Godes met veele ergherlijcke en ongheregelde verdichtselen wert voorgestelt’, zoodat zij na overleg besloten, de predikanten Henricus Rulaeus en Harmanus Langelius met den ouderling Elyson naar Burgemeesteren af te vaardigen om te verzoeken, dat dien avond en vervolgens de opvoering zou worden verboden. Burgemeesteren waren hun ditmaal ter wille: wel was er geen tijd meer om de voorstelling dien avond te beletten, maar voor 't vervolg werd het vertoonen van den ‘Lucifer’ verboden.

Toch hield kort daarop Otto Badius, Vondel's oude tegenstander, eene opzienbarende preek, waarin hij er heftig tegen

[p. 257]

te velde trok, dat ‘de comediespeelen niet alleen niet en wierden achtergelaten, maar dat men comediën verbeelde, die Godts naem ten hooghsten lasterlijck waren. Ende wie doet dat? Wie laet dat toe?’ vroeg hij: ‘Die het behooren te weeren’. De kerkeraad was dan ook met het verbod tegen de vertooning van den ‘Lucifer’ nog niet tevreden: ook den verkoop van het gedrukte stuk wilde men verboden zien. Aanvankelijk waren Burgemeesteren daartoe niet te bewegen: immers juist het verbodene bezit voor velen groote aantrekkelijkheid, meenden zij; maar zóó groot schijnt toch de ergernis ook buiten den kring der streng-rechtzinnigen geweest te zijn, dat de Overheid voor hernieuwden aandrang bezweek en ten slotte besloot, dat ‘uut Respeckt van den Kerckenraet de tragedie door haer last zou opgehaelt worden’, 't Gevolg was, dat er in 1654 zes uitgaven van den ‘Lucifer’ verschenen.

Achter die uitgaven had Vondel nog een ‘Noodigh berecht over de nieuwe Nederduitsche misspellinge’ gevoegd, gericht tegen den Amsterdamschen predikant Petrus Leupenius, die in 1653 eene niet onverstandige spellingleer, ‘Aanmerkingen op de Neederduitsche taale’, had uitgegeven en zich nu terstond met een ‘Naaberecht’ op Vondel's ‘Noodigh berecht’ verdedigde. Met het spellingverschil tusschen beiden behoeven wij ons hier niet in te laten, maar wel mogen wij opmerken, dat Vondel door zijn onbeduidenden spelaanval Leupenius als 't ware heeft uitgelokt, ook zijn vonnis over de ‘afgryselyke’ Lucifer te vellen, als het werk van ‘een snoode Aardworm’, die zich vermat ‘den helderen Heemel, daarmen de Sonne noch de Maane niet behoeuft, in synen donkeren Schouwburg te vertoonen, den Heemelschen Geesten vleeschelyke bewegingen aan te trekken en te stellen tot voorbeelden van die geile lusten, die doorgaans op syn Tooneel worden uitgegooten: gruwelen, die hem niemand heeft ingesteeken dan Lucifer, syn Meester, de Vaader der leugenen’. Niet gematigder zijn de woorden, waarmee Leupenius zijn ‘Naaberecht’ besluit: ‘Ik hoop, dat de spookerije van Lucifers val een voorspook is van synen eigenen vall, wanneer de menschen, siende syne ydele vermeetelheid, een walginge van zulk een stinkend aas sullen krygen. En God doe hem die genaade, dat hy, gevallen synde, door een waare boetvaerdigheid mag opstaan, eer dat hy teenemaal vervalle by synen Lucifer in de onderste Helle, in de vlamme van het onuitblusschelyk vier’.

[p. 258]

Ook aan andere aanvallen ontbrak het niet. Een onbekende schreef een liedje ‘Op Joost van Vondels Gruwel-spel’, waarin het ‘o jeemy, o jeemy-rijm’ op ‘Akademy’ van Vondel's eigen ‘Otter in 't Bolwerck’ gebruikt werd en de dichter zelf ‘die lant-Pest Lucifer’ en ‘een averechtse morgensterr’ werd genoemd. Van een anderen anonymus verscheen een gedichtje ‘Tegen Vondels Lucifer’, waarin deze opmerkelijke aantijging voorkomt, dat Vondel zijn stuk ‘quansuys tot stichtelijke Leer’ schreef, maar inderdaad ‘opdat hy Eng'land gae te keer’. Dat meende blijkbaar ook Joachim Oudaen, die niet alleen zelf reeds in 1650 Cromwell ‘den vermomden Lucifer’ had genoemd, maar bij des Protectors dood een gedicht schreef onder den titel ‘De neergeplofte Lucifer, treurspel, te Londen vertoont in Mey 1659’.

Te loochenen is het dan ook niet, dat voor deze opvatting wel eenige aanleiding bestond. Had Vondel in 1644 in zijn ‘Morgenwecker der Sabbatisten’ deze niet uitgemaakt voor volgelingen van ‘Lucifer, die naer zijn Scheppers scepter stont?’ en had hij niet in 1649 in zijn hekeldichtje ‘Op den Vadermoort in Groot-Britanië’ Cromwell ‘vermomden Lucifer’ genoemd? Had ook Jan Vos, die voor den ‘Lucifer’ vertooningen en een lofdicht had gemaakt en die, blijkens verschillende puntdichten, niet minder dan Vondel op Cromwell gebeten was, niet geschreven: ‘Toen 't heir der Englen viel, quam 't in uw eilandt neer: zoo kreeg 't der Englen naam en Lucifer tot heer’? Had eindelijk Vondel het ‘berecht’ vóór zijn stuk niet zelf besloten met de verklaring, dat hij het stuk geschreven had ‘ten klaren spiegel van alle ondanckbare staetzuchtigen, die zich stoutelyck tegens de geheiligde Maghten en Majesteiten en wettige Overheden durven verheffen’? Het is bijna niet mogelijk, dat Vondel, die zijn ‘Lucifer’ schreef tijdens den eersten Engelschen oorlog en reeds lang in verschillende hekeldichten Cromwell en de Parlementspartij had aangevallen, onder het schrijven van zijn treurspel niet meermalen aan Cromwell als type van den ‘staetzuchtige’ zal gedacht hebben. Geheel iets anders echter, dan te meenen, dat Lucifer in zijne verbeelding dikwijls de trekken van Cromwell zal hebben aangenomen, is het beweren van den ons onbekenden dichter, dat Vondel's bedoeling zou geweest zijn, de Engelsche omwenteling voor te stellen en den naderenden ondergang van Cromwell te voorspellen onder den vorm der Lucifers-

[p. 259]

mythe, zooals hij eenmaal Oldenbarnevelt in den schijn van Palamedes op het tooneel had gebracht. Voor zulk eene politieke allegorie zou hij zeker niet eene zoo heilige stof gekozen hebben noch, indien hij er eene bijbedoeling mee gehad had, die op eene zoo grootsche wijze hebben kunnen behandelen, als hij deed. Wie er onder zijne tijdgenooten eene allegorie in zagen, hebben er natuurlijk de verhevenheid niet van kunnen begrijpen en er eene ergerlijke profaneering in moeten afkeuren.

Door zijn ‘Palamedes’ echter had Vondel zijne tijdgenooten als uitgelokt, achter zijne stukken telkens vermomde hekeling te zoeken. Zoo zagen zij in zijn Koning David herstelt de herstelling van Karel II van Engeland, en zou hij bij zijn Faëton ‘naar 't oordeel van zommige scherpziende kunstminners het oog gehadt hebben op het hoogh bestaan des Konings van Vrankryk tegens den Paus, toen zyne Majesteit voldoening eischte van 't ongelyk hem in den persoon van zynen Gezant aangedaan’, zegt Brandt. Hij zelf was op dergelijke uitleggingen geenszins gesteld, en had zelfs in 1638 een treurspel Messalina, dat reeds voltooid en in studie genomen was, weer verscheurd, omdat men door eene onvoorzichtige uitlating van hem in Messalina Amalia van Solms en in Claudius Frederik Hendrik was gaan zien.

Niet beter dan het Vondel toen gegaan was, ging het hem twee eeuwen later, toen Jonckbloet en Van Lennep tegelijkertijd en onafhankelijk van elkaar vele vernuftige gronden aanvoerden, om te betoogen, dat Vondel in zijn ‘Lucifer’ eene allegorie van onzen opstand tegen Spanje had willen geven. Ware dat inderdaad het geval geweest, dan zou dat zeker aan den scherpzienden blik zijner vijanden niet ontgaan zijn, en een nader onderzoek heeft dan ook de ongegrondheid er van aangetoond. Evenmin kan ik aannemen, dat Vondel bij ‘Lucifer’ in de verte aan Wallenstein zou gedacht hebben, want dat het stuk aan Keizer Ferdinand III is opgedragen, voor wien Vondel's vriend Sandrart destijds werkte, en tot wiens troon hij dus toen den weg had weten te vinden, zou daarvoor alleen kunnen pleiten, wanneer wij inderdaad wisten, dat Wallenstein's verzet tegen den Keizer ook maar eenigen indruk op hem gemaakt had; maar hij, die voor bijna niets wat er in Europa voorviel onverschillig bleef, spreekt van Wallenstein nergens ook maar met een enkel woord. Bij de ‘staetzuchtigen’, die zich in 't vervolg aan Lucifer mochten spiegelen, heeft Vondel blijkbaar in

[p. 260]

de eerste plaats, en misschien wel uitsluitend, aan Cromwell moeten denken 1).

Natuurlijk kon Vondel de aanvallen op zijn ‘Lucifer’ niet onbeantwoord laten. Hij gaf twee liedjes uit: ‘Speelstryt van Apollo en Pan’ of de bekende mythe van het plompe kunstoordeel, dat aan Midas zijne ezelsooren bezorgde, en ‘Uitvaert van Orfeus’, waarin hij verhaalde van Orpheus, die (evenals hij) de hemelbestorming door de Reuzen bezongen had en tot loon daarvoor door dronken Bacchanten verscheurd was. Vertelde Vondel in dat lied, hoe ‘een zeeslang, wit van tong, zich wrong’, dan kon ieder daarin eene duidelijke toespeling zien op den Zeeuw Petrus Wittewrongel, die in 1638 predikant te Amsterdam was geworden en van den kansel dikwijls heftig tegen den Schouwburg uitvoer.

Maar deze ‘trompetter van de Zeeuwen tergde een nest vol Spreeuwen’, zooals Vondel zeide, toen hij in 1655 ook verder tegen het tooneel te velde trok in zijn uitvoerig geschrift ‘Oeconomia Christiana of Christelycke Huishoudinghe’. Hij veroordeelde daarin wel niet volstrekt alle tooneelpoëzie en vond het ook ‘wat anders, een stichtelycke Comedie ofte Tragedie te dichten ende die te lesen, als de selve op een Heydensche wijse met soo veel toestel tot vleeschelick vermaeck om geld te spelen’. Blijkbaar had hij niet het minste begrip van de moeielijke en veel studie vereischende tooneelspeelkunst en zag hij in het beroep van den tooneelspeler slechts een vernederend, den mensch onwaardig bedrijf, waarbij men geld verdiende met zich te laten bewonderen of om zich te laten lachen. Bovendien achtte hij het gevaar der zinnelijke bekoring veel grooter bij aanschouwelijke voorstelling dan bij eenvoudige lezing, en

[p. 261]

daarin had hij zeker geen ongelijk, evenmin als in zijne kenschetsing van de meeste tooneelstukken, waarvan hij den inhoud ‘soo grouwelick’ noemde, ‘dat alle vroome gemoederen daervan een afkeer ende grouwel moesten hebben’, want, zeide hij, ‘die is in 't gemeen geyl en dertel, vol onkuisheydt, wreet, bloedigh, meest ontleent uyt de Heydensche Comediën ende Tragediën, die vol superstitiën, grouwelicke afgoderyen, Godtslasteringhen ende versierde fabelen ende leugenen zijn’. En daarbij ergerden hem dan nog bovendien in vele stukken de ‘beschimpinghen ende bespottinghen van Religie ende Godsdienst’ of wat hij, zooals bij den ‘Lucifer’, daarvoor met zijne opvatting van den godsdienst wel moest houden.

Wittewrongel moge hier misschien eenigszins overdrijven, wie eerlijk wil zijn moet zijne goede bedoelingen waardeeren en kan er alleen tegen aanvoeren, dat de onbeperkte heerschappij eener puriteinsche levensbeschouwing als de zijne het leven van den mensch tot zulk een saai, kleurloos en eentonig bestaan zou maken, als men zelfs zijn vijand nog niet zou toewenschen. De wereldlijke Overheid rekende het zich tot een plicht, daartegen te waken, en nam het Vondel dan ook niet kwalijk, toen hij in zijne aan haar opgedragen ‘Inwydinge van 't Stadthuis’ van 1655, waarvoor hij met een zilveren kop of schaal beloond werd, het vertoonen van zijn ‘Lucifer’ op deze wijze in herinnering bracht:

 

 
‘De Schouburgh licht de stadt, gelijck de morgenstar,
 
En schuift tooneelen op, daer Engel Lucifer
 
Uit zijnen hemel ploft en starrelichte stoelen
 
In 't onuitbluschbre vier der helsche zwavelpoelen;
 
Een treurspel om een hart van diamant als glas
 
Te brijzelen tot stof, te kneên als maeghdewas,
 
Naerdien 't veranderen van heil in ongelucken
 
Noit grooter ommezwaey in 's trotsen brein kon drucken.’

 

Onmiddellijk nadat zijn ‘Lucifer’ verboden was, schreef Vondel een ander treurspel met een soortgelijk onderwerp, maar aan de fabelen der heidenen ontleend, zijn Salmoneus, om aan den Schouwburg de gelegenheid te geven, den voor ‘Lucifer’ aangeschaften tooneeltoestel nog eens te gebruiken en zoo aan de Godshuizen de door het verbod geleden schade te vergoeden. Het schijnt echter, dat de schouwburg-regenten er bezwaar tegen hadden, het tuk ten tooneele te brengen, zelfs nadat het ‘seer verandert en verbetert’ was. Drie jaar althans heeft het moeten duren vóór de

[p. 262]

opvoering inderdaad plaats had 1); maar ‘toen men (in 1657) toereede om Salmoneus in den doorluchtigen Schouwburgh ten tooneele te voeren’, noodigde Vondel de vier burgemeesters en ook ‘het Raethuis, dat den Schouwburgh op holp bouwen’, met een gedicht uit ‘om Salmoneus val t' aenschouwen’, en ongetwijfeld hebben burgemeesters aan die uitnoodiging gehoor gegeven, want daaraan zal hij wel de vrijmoedigheid ontleend hebben, om aan het, in hetzelfde jaar uitgegeven, stuk een ‘berecht aen alle kunstgenooten en voorstanders van den Schouburgh’ toe te voegen, waarin hij niet alleen het tooneel in het algemeen, maar ook in het bijzonder de bijbelstof op het tooneel verdedigde en aantoonde, ‘dat het tooneel, eene ry van eeuwen in eere gehouden, gehanthaeft en oock gehanteert van Keizeren, Koningen, Vorsten, Veltoversten, Staeten en letterwyzen, voor geen gewelt van eenen hoop dringeren en dommekrachten zwicht’. ‘Nochtans’, voegde hij er bij, ‘past het den voorstanderen der tooneelen niet altijd stomme honden te zyn, maer hunne loffelijcke kunst tegens dwersdryvers en tooneelvlegels te verdaedigen, opdat het stichtelijck gebruick des Schouburghs in aenzien en eere blyve’.

Wie dit Vondel euvel moge geduid hebben, zeker niet één der burgemeesters, Cornelis van Vlooswijck, voor wiens zoon Nikolaes hij juist even te voren een ‘Tooneelkrans’ gevlochten had, toen deze in hetzelfde jaar (13 en 27 Januari) als liefhebber-tooneelspeler had uitgemunt in de titelrol van ‘Philedonius’, een Latijnsch zinnespel, ‘by Dr. Franciscus van den Enden door zijne Latynisten ten tooneele gevoert.’ Deze merkwaardige man 2) was 2 Febr. 1602 te Antwerpen geboren en aanvankelijk geneigd in de orde der Jezuieten te treden, maar kwam daarvan terug evenals, na te Leuven gestudeerd te hebben, van zijn voornemen om priester te worden, wat hij dan ook onmogelijk maakte door in 1642 een huwelijk aan te gaan. Ruim twee jaar later was hij te Amsterdam metterwoon

[p. 263]

gevestigd, eerst als boekhandelaar, maar later (sinds 1652 ongeveer) als rector van eene bijzondere Latijnsche school, die zich in de bescherming van het Amsterdamsch patriciaat mocht verheugen, en waar, als herinnering aan zijne opvoeding in een Jezuietencollege, door zijne leerlingen meermalen Latijnsche tooneelstukken werden uitgevoerd. In Febr. 1654, bij de bruiloft van Petrus Melis en Cornelia van Vlooswijck, liet hij door hen het ‘Verhaal van de verwoestinge des stadts Troje’ met levende beelden voorstellen, waarbij dat alles verklaard werd door voordracht van stukken uit Virgilius' ‘Aeneis’. Het tekstboekje, dat daarvan toevallig is overgebleven, bevat naast de verzen van Virgilius ook de prozavertaling daarvan door Vondel. In 1656 volgde dan eene eerste voorstelling van zijn Latijnsch drama ‘Philedonius’ 1), en, door den goeden uitslag daarvan aangemoedigd, trachtte hij zijne leerlingen met Latijnsche stukken ook op den Schouwburg te doen optreden, doch ondervond grooten tegenstand van den kerkeraad, die hem een ‘paeps schoolmeester’ noemde, wat hij ook was, want tot zijn dood is hij katholiek gebleven, al bleef hij ook bevriend met Spinoza, die de classieke talen van hem geleerd had en, naar men vermoedt, voor zijne dochter Clara Maria eene hopelooze liefde heeft gekoesterd. Door den steun van Van Vlooswijck gelukte het hem in 1657 en 1658 zijne leerlingen meermalen op den Schouwburg te doen optreden, tweemaal met zijn ‘Philedonius’ en ook met de ‘Andria’ en ‘Eunuchus’ van Terentius. In 1671 verhuisde hij naar Parijs, nam er eenig aandeel aan eene samenzwering tegen den Koning, werd gevangen genomen en in 1674 ter dood gebracht.

In 1658 werd het reeds genoemde hekeldicht ‘Tegen Vondels Lucifer’ nog eens herdrukt in den verzamelbundel ‘Apollos Harp’, die zoo goed als zeker door Geeraardt Brandt bijeengebracht is. Het ving aldus aan: ‘De heilige Ark van Gods verbond staet op der Fielesteenen grond in Dagons huis, nu Joostens dicht den troon van 't drymael heilig licht sloot in een Rijmkist, met gespeel ontslooten op het boos toonneel’; en geenszins onwaarschijnlijk komt het mij voor, dat deze verzen voor Vondel de aanleiding zijn geweest om zijn, in 1660 vertoond, treurspel Samson te schrijven,

[p. 264]

waarmee hij blijkbaar ook eene ‘heilige wraeck’ heeft willen nemen op de bestrijders van zijn ‘Lucifer’. 1)

Bijna het geheele derde en vierde bedrijf van dat stuk toch dienen daarvoor. Samson zal op verlangen van de vorstin van Gaza in Dagon's tempel, ‘in de kercke een spel van zinnen speelen’. De vorst, die een voorstander van het tooneelspel was, dat ‘alleen van dommekracht misprezen’ en niet door ‘het snaterbecken van alle aexteren en spreeuwen verbluft wort’, had aanvankelijk wel verwonderd uitgeroepen: ‘Tooneelspel in een kercke en van een blinden Jood!’ maar de vorstin had geantwoord: ‘Of Dagonist of Jode, is dit geschil zoo groot, wie speelt of waer men speelt?’ en zoo was ook de vorst voor de zaak gewonnen. Zelfs de aartspriester, niet ‘als aen een stroo gebonden’, zooals andere ‘naugezette priessters’, had zijne toestemming gegeven, omdat toch de bedoeling was, ‘met dit spel Godt Dagon te vereeren’. Toch begon men argwaan te krijgen en te vreezen, of ‘hier het Jodendom geen oproer onder brouwde’, en raadpleegde daarom de koorwaarzeggerin, die uitdrukkelijk verklaart, dat ‘dit Joodtsche treurspel Godts kerck en Godt schoffeeren zal’ en dat de toestemming van den vorst niets beteekent, omdat ‘de weereltwijzen in 't heiligh steeckeblint zijn’. ‘Op een kercktooneel zal die groote stoockebrandt in zijn hart den godtsdisch beschimpen’, zegt zij; maar de zaak is al beslist, zij komt te laat met hare waarschuwing: alleen ‘wanneer men tijdigh spreeckt met raet en overlegh van een vergaderinge uit alle priesterdommen, dan kan men tegenspraeck door kerckgezagh verstommen:’ nu kan het spel niet meer belet worden. Woedend vertrekt daarop de waarzeggerin met de bedreiging: ‘De Schouburgh moet verzincken met Dagons kercke en al wat, aen dien gruwel vast, op koorwaerzeggery noch ons waerschuwing past.’ Onduidelijk zijn zeker deze toespelingen niet.

Petrus Wittewrongel antwoordde in 1661 met een tweeden druk van zijne ‘Oeconomia Christiana’, door hem aan de Amsterdamsche Regeering opgedragen, die er hem tweehonderd vijftig gulden voor vereerde, en lokte daarmee onmiddellijk van Vondel een beknopt tegenschrift in proza uit: ‘Tooneelschilt of pleitrede voor het tooneelrecht’, dat nog in hetzelfde jaar door eene wat uitvoeriger

[p. 265]

‘Tooneel-schildsverplettering’ van een onbekend schrijver gevolgd werd. Op de bewijsvoering der beide pamfletten kunnen wij hier niet ingaan, en merken nog alleen op, dat Vondel met lof gewag maakte ‘van de geschicktheit en bequaemheit der Societeit (van Jezus) in het manieren, regelen en zedevormen der leergierige jongkheit, hetwelck zy mede uitwerkt door Godtvruchtige en stichtelijcke tooneelspelen en tooneeldanssen, wijt afgescheiden van lichtvaerdigheit en bederf van goede zeden, by haer ten hooghsten gehaet’; dat Wittewrongel's stelregel: ‘schryf speelen, maer speel niet’ in zijn oog, evenals in dat der schouwburgregenten, eene onbegrijpelijke ‘wonderspreuck’, een uit de lucht gevallen orakel was; en dat, naar hij zegt, ‘de schouburghhoofden met geene reden konden vatten, dat men het tooneel zoo schendigh over de hekel behoorde te haelen, en betuigden, dat de schouburgh t' onrecht van afgoderye en hoererye, hun in der waerheit onbekent, eerloos en schaemteloos geschantvleckt wert.’

In 1662 werd er een nieuwe aanval op het tooneel gedaan door zekeren Jacob Koeman met zijn uitvoerig dichtwerk in alexandrijnen, getiteld ‘Schouwspels Beschouwing ofte ware afbeelding van de hedendaeghse Tooneelhandel’ 1), gedeeltelijk een zinnespel, waarin List, als trawant van Lucifer, om in den geest zijns meesters Gods goede bedoelingen met de menschen zoo mogelijk te verijdelen, het ‘tooneelspel’ uitdenkt, ten einde met ‘dit vergift’, onder den bedrieglijken naam van ‘leersaem tytverdryf’ toegediend, de ziel der menschen te vermoorden. Wetende, dat hij zich als dichter met Vondel of zelfs met anderen toch niet meten kon, stelt hij zich in de voorrede van dit dichtwerk met grootere nederigheid dan noodzakelijk was voor ‘als een ongeletterde, onnosel in rym, onkundigh in redenkunst, ongeoeffent in welsprekentheit, onbequaem om Duits en Onduits van elckandere te schiften, onaengenaam zoo in de uitvinding als schickinge der stoffe: kortom als een die van brein en styl boers en slecht is.’ Het is hem in zijn, verder tot een vriend gericht, betoog dan ook uitsluitend te doen om alle gebreken van den Schouwburg in een helder licht te stellen, en daarin is hij ook voldoende geslaagd, want na de lezing van zijne verzen kunnen wij de gedachte moeielijk van ons afzetten, dat er destijds al heel veel op het tooneel niet door den beugel kon en dat

[p. 266]

vooral de kluchten en tusschenspelen daar zelfs voor den reine nauwelijks meer rein konden genoemd worden, de lusten bovenmate prikkelden en alle gevoel van schaamte uitroeiden bij wie er met genoegen en bij herhaling toeschouwer van was.

Dat Koeman veeleer wat te eenzijdig op de gebreken lette, dan zich aan overdrijving schuldig maakte, bewijzen de gedrukte spelen, die ons bij de lezing toch nog maar eene schaduw vertoonen van hetgeen op het tooneel met zijne volle realiteit te zien was. Zelfs velen, die niet tot ‘de fijnen’ behoorden, een ‘slordig’ praatje wel konden verdragen en om een ‘ontijdig’ grapje wel konden lachen, werden door den overvloed van bandelooze dartelheid en plompe vuilheid zoozeer geërgerd, dat zij niet dan bij bijzondere gelegenheden naar den Schouwburg gingen; en ernstig berispte De Decker, reeds vóór 1660, in een puntdicht den vader, die toeliet, dat zijne dochters kamers en tooneelen bezochten, ‘alwaer men niet en hoort als ongewassen kout, alwaer men niet en ziet als parten van bordeelen.’ ‘Telen vóór trouwen’ was er, zeide hij, het gevolg van. De tijd naderde dan ook meer en meer, dat er eene ingrijpende hervorming van tooneelzeden en tooneelstof zou plaats hebben en dat alles wat aan het bordeel herinnerde van de planken zou worden weggegeeseld.

Die hervorming hebben Wittewrongel en Koeman met hunne geschriften althans verhaast, evenals zij er ook toe hebben meegewerkt, dat alles, wat den godsdienst aanging, zooveel mogelijk van het tooneel geweerd werd. Hoe weinig ook anderen dan streng-gereformeerden destijds daarvan nog gediend waren, bewijzen ook de aanvallen, die Vondel nog in 1664 wegens zijn, niet eens ten tooneele gevoerden, Adam in ballingschap te verduren had van den vrijzinnigen collegiant Jan Pietersz. Beelthouwer, die den engel Uriël opriep om ‘Vondel sich tegen onzen eerste vader Adam te doen verantwoorden’ in een kort hekelspel, waarin als Vondel's ‘hulp-genoten’, doch te vergeefs, ook ‘sijn Bieghtvader, Bisschop en Geleerde der Catholycken’ optreden; en van den vromen libertijn Jacob Steendam, die in een hekeldicht den grijzen dichter een ‘stockoude sonder schaemt’ noemde, omdat hij, schaemteloos Gods naem en sijn onsichtbre troone en Adam in 't Paradijs durfde op 't toneel vertonen.’

Vraagt men, waarom de Amsterdamsche Regeering toch nog het tooneel, dat zooveel ergernis gaf, bleef beschermen, dan herinner

[p. 267]

ik aan onze vroegere opmerking, dat de Regeering het tooneel noodig had als werktuig tegen de heerschzuchtige Gereformeerde kerk, waartoe toen vier vijfde gedeelte der bewoners van ons land en ook zeer vele regeeringspersonen niet eens behoorden. Van eene staatskerk kan er dan ook in de zeventiende eeuw hoogstens alleen in naam sprake zijn, maar zeker niet in werkelijkheid. De Graaf de Holac schreef omtrent dezen tijd: ‘Si on considère les personnes, qui gouvernent l'Hollande et principalement Amsterdam, ils ne sont ou que des papistes en leurs coeurs ou libertins, qui est à dire des athéistes; et une personne de considération m'asseura ces jours, qu' à leur grand regret il n'y ait que deux ou trois des vrays protestants entre tous les gouverneurs icy’ 1). Dat moge wat overdreven zijn, maar zeker is het, dat - om nu van Amsterdam maar alleen burgemeesters te noemen - Jacob de Graef libertijn was en Jan van de Pol, Cornelis van Vlooswijck, Simon van Hoorn, Hendrik Hooft, Gerardt Claesz. Hasselaer en Jan Munter óf zelf Remonstrant waren óf althans hunne kinderen bij de Remonstranten lieten doopen.

Daaruit is dan ook te verklaren, dat, toen in 1664 het hevig woeden van de pest het raadzaam maakte, den Schouwburg te sluiten, zooals wegens de pest ook al in 1655 gedaan was, de Amsterdamsche Regeering deze gelegenheid waarnam om aan den wensch van Jan Vos en zijne vrienden te voldoen en verlof te geven, den Schouwburg te verbouwen, al wist men ook, dat die verbouwing in de eerste plaats verlangd werd om aan de vertooningen een nog meer de zinnen streelend karakter te kunnen geven.

Nauwelijks echter was de nieuwe Schouwburg, na het ophouden van de pest-epidemie, 26 Mei 1665 ingewijd, of het krijgsgevaar, dat gedurende den tweeden Engelschen oorlog ook Amsterdam bedreigde, was voor de tegenstanders van het tooneel weer eene gereede aanleiding om op sluiting aan te dringen, en moeielijk viel het aan de Regeering onder deze omstandigheden dien aandrang te weerstaan. Slechts negen maal was de nieuwe Schouwburg bespeeld, toen 23 Juni de sluiting van Overheidswege bevolen werd.

Gaarne zou men gezien hebben, dat hij nooit heropend, en liefst,

[p. 268]

dat hij tot een kerkgebouw ingericht was; en dat Burgemeesteren tot de heropening op 8 Februari 1666 besloten, was dan ook den Kerkeraad niets naar den zin. Petrus Leupenius werd daarom met den ouderling Dirck Aertsen afgevaardigd om zich bij Burgemeesteren te beklagen. Zij achtten zich verplicht, zooals zij zeiden, ‘als wagters op den thoorn gestelt’, te waken tegen het zedenbederf, dat door den Schouwburg in de hand werd gewerkt. Burgemeesteren echter antwoordden hun toen, dat zij zelf ‘diegenen waren, sonder dewelcke de wagters op den thoorn niet mogten komen; oock dat bij brandt ofte eenich ander ongemack de thoornwagters niet, als op ordre en in maniere door Haer Edelen den wagters voorgeschreven, brandt ofte ongeluck mogten blasen’; en Burgemeesteren waren van oordeel, dat er ‘in het openen van het Schouburgh nog geen reden was om brandt ofte ongeluck te blasen’ 1).

Daarmee moesten de afgevaardigden vertrekken en de Schouwburg bleef open tot 9 Juni 1672, toen niet zoozeer de oorlogstoestand nieuwe sluiting noodzakelijk maakte, als wel de gisting, die er toen in het land heerschte, en de politieke stukken, die er toen juist weder vertoond waren en ergernis aan Engeland en Frankrijk konden geven, zooals de ‘Karel Stuart of Rampzalige Majesteit’ van Jan Dullaert, reeds van 1652, en ‘De Parysche bruiloft’ van Reyer Anslo, in 1650 het eerst op het tooneel gebracht, of ‘Carel de negende, anders Parysche Bruyloft’ van Lambert van den Bos, dat reeds van 1645 dagteekent.

Jaren heeft die sluiting toen geduurd, want eerst in Februari 1678 mocht de Schouwburg heropend worden op sterk aandringen der Regenten van het Wees- en Oudemannen-huis; maar omdat de vele klachten over ‘misbruyken en ongeregeltheden’ niet ongegrond gebleken waren, werd daarbij uitdrukkelijk de voorwaarde gesteld, ‘dat dezelve van vele aanstotelijkheid soo tegens de eerbaerheid en de betamelijkheid der zeeden, alsmede van Godsdienst of 't geen van dezelve is dependerende soodanig werde gesuyvert dat sij zoude sijn buyten alle opspraek en sulx voortaen een nut ende leerzaem tijdverdrijf’.