De ontwikkelingsgang der Nederlandsche letterkunde. Deel 4: Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde van de Republiek der Vereenigde Nederlanden (2)


auteur: J. te Winkel


bron: Jan te Winkel, De ontwikkelingsgang der Nederlandsche letterkunde. IV. Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde van de Republiek der Vereenigde Nederlanden (2). De erven F. Bohn, Haarlem 1924, tweede druk.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

LX.
Vondel en Amsterdam.

Ofschoon geen geboren Amsterdammer, is Vondel altijd trotsch geweest op zijn burgerschap van Amsterdam en altijd bereid hare Regeering te dienen, wanneer zijne poëzie iets kon bijdragen tot den voorspoed en den luister der geliefde stad 1). Verheugde hij zich met groote vreugde over den vrede van 1648, hij deed dat in de eerste plaats, omdat die vrede nieuwen bloei verzekerde aan handel en scheepvaart van Amsterdam, zooals hij duidelijk te kennen gaf in zijn aan de vier Amsterdamsche burgemeesters, de ‘vredevaders’, opgedragen ‘Vredezang’: een der heerlijkste lierzangen, die wij van hem bezitten. ‘Amsterdam’, zegt hij daarin, ‘was noit zoo krachtigh op gewonnen slagh of ste, als op d' inkomst van den Vre’, een vrede, waarmee ‘na zoo veel slaghen 't wit van 't uitgetrocken zwaert’ getroffen was, namelijk de ‘Vryheit 't waerste pant van 't verdadight Vaderlant’. Nu kon Nederland weer overal in Europa veilig zijne handelswaren invoeren. ‘Hoor de zeelien en maetroozen danssen op den waterstroom,’ zoo riep Vondel zijn Amsterdam toe, ‘en uw vloten, zonder toom dondren en kortouwen lozen, daer ze brommen op de ree, toghtigh naer de rijcke zee. Zie de Batavieren trecken naer een nieuwen Oceaen langs een noit bezeilde baen, om meer weerelden t' ontdecken en te booren door een as zonder graetboogh en kompas. Overvloet met vollen horen, zwanger van gewas en schat, baert een weerelt in uw stadt’, zegt hij vol vertrouwen tot de Amsterdammers, die hij opwekt nu

[p. 356]

‘zolders boven zolders’ te bouwen, ‘verdroncke weide in polders’ te leggen en ‘het Haerlemsch meir tot lant’ te malen.

Tot dat laatste had hij ook reeds in 1645 Kennemers, Rijnlanders en Amstellanders trachten op te wekken, toen hij een gedicht ‘op het uitmalen van 't Haerlemmer meir’ had laten drukken op de ‘Nieuwe caerte’, die gevoegd was bij het ‘Provisioneel conceptontwerp tot de bedyckinge van de groote watermeeren’. Die ‘wrede Waterwolf’, die ook Amsterdam bedreigde, moest met vereende krachten bestreden worden: dat was hij met Leeghwater eens.

Voor niets vreesde hij meer, dan dat die heilzame vrede weer zou worden verstoord, en voor die vrees was wel eenige grond, rooskleurig zag het er ook na den vrede in Europa niet uit. ‘Men hoefde om Monsters niet te reizen naer Afrika’, want ook ‘Europe broedde ze in haer palaizen’, zeide hij in 1650, en daarbij dacht hij aan Maria de Medicis ‘de groote moeder van Europe’, als balling in armoede overleden, aan den Engelschen koning, door zijn eigen volk ter dood gebracht, aan den Turkschen sultan Ibrahim, met goedkeuring van zijne eigene moeder geworgd, aan Kandia, den Turken prijsgegeven door ‘'s Kristens trouloosheden’, en ook aan ‘Oranje, die, in 't harnas opgezeten, Hollant inruckte en, te helsch gebeten op Amsterdam, zijn dol rappier wenschte te stooten door 't hart des lants.’

Die aanval van Willem II op Amsterdam was juist het gevolg geweest van den wensch der Amsterdamsche Regeering om den vrede te blijven handhaven tegen de politieke bedoelingen van den jongen stadhouder in. Daarom had Amsterdam weten te bewerken, dat de geleerde Dr. Geeraert Pietersz. Schaep als afzonderlijk gezant der Staten van Holland naar Engeland was gezonden, om zoo mogelijk het uitbreken van den oorlog met Engeland te verhoeden; maar dat ‘schaap in schapenland gezonden door de golven’ was de oorzaak geweest, dat, zooals Vondel in een hekeldichtje met den titel ‘Raadzel’ zeide, hier te lande de leeuwen in wolven herschapen waren en Isegrim (of Prins Willem) met eene geheele ‘Wollefskudde de koestal (of Amsterdam) na de strot gebeten en de wachters bij de keel in hun kot gesleept had.’

De Amsterdamsche Regeering had dan ook alleen zoo hardnekkig vastgehouden aan haar eisch tot afdanking van krijgsvolk, omdat de Prins, zooals zij vreesde en Vondel zeide, ‘ons Lant daer Vrede en Vryheit was geplant, met oorloghslasten zocht te

[p. 357]

plagen.’ Die woorden komen voor in een der twee gedichtjes, door hem gemaakt op de beide zijden van ‘Den gedenkpenning van den overval en afval’, kort na den dood van Willem II geslagen ter herinnering aan het feit, dat de Stadhouder Amsterdam met krijgsvolk had willen dwingen en tuchtigen, omdat die stad het uitbreken van een nieuwen, door den Prins gewenschten, oorlog tegenhield: ‘quia bella vetabat’, zooals op den penning te lezen staat. De blokhuizen, toen in allerijl aan den Amstel gebouwd om de stad tegen 's Prinsen leger te verdedigen, maar vier jaar later weer geslecht, zijn door Vondel in een gedicht vereeuwigd, en dat zijn ook in meer dan één gedicht de gebroeders Bicker, van welke Andries als oudburgemeester het sluiten van den Munsterschen vrede had doorgedreven tegen den zin van den Prins, en Cornelis als burgemeester van Amsterdam de ziel was geweest van het verzet tegen den stadhouder, en die daarom beiden door hem uit hunne ambten ontslagen, maar na zijn spoedig gevolgden dood, tot groote vreugde van Vondel daarin weer hersteld waren.

In deze gedichten was Vondel de woordvoerder der Amsterdamsche Regeering ook in dit opzicht, dat de toon, dien hij er in aansloeg, waardig en bezadigd was, in tegenstelling tot dien van andere hekeldichten uit dezen tijd, o.a. van de ‘Vertroosting over de doodt van zyne Hoogheit’, die in de Amersfoortsche uitgave van Vondel's Hekeldichten bij vergissing opgenomen en daardoor honderd vijftig jaar lang te onrechte aan hem toegeschreven is, maar waarschijnlijk door Pieter de Groot is gemaakt 1). Scherp, maar geestig, wordt daarin gezegd, dat de duizenden, die in den tachtigjarigen oorlog voor de vrijheid gesneuveld waren, deze vrijheid niet zoo krachtig hadden bevorderd, als door zijn dood deze Prins alleen had gedaan, die ‘levend ons van 't Spaans geweldt en stervende van 't zijn bevrijde’. Worden in dat gedicht 's Prinsen raadgevers, vooral door woordspelingen, vinnig gehekeld, ook Vondel verloochende zijn vroegeren hekeltoon niet, toen hij, in zijn ‘Grafschrift op een Musch’ als jachtvogel van zijn jongen meester, den beruchten griffier Cornelis Musch hatelijk afteekende.

Evenmin verloochende hij dien toon, toen hij ‘Op d'oproericheit van den godtloozen Zeeuw Maximiliaen Teeling’, predikant te

[p. 358]

Middelburg, een scherp hekeldichtje uitzond, dat verscheidene tegengedichten uitlokte, en daardoor van Vondel zelf een nog veel grover vervolg onder den titel ‘Bloed-beuling.’ Afgezien van de onsmakelijke taal, waarvan Vondel zich hier bediende, was zijn aanval zeker gerechtvaardigd door de woorden, waarmee deze predikant in 1650 een nagelaten werk van zijn vader (‘Politycke Christen’) aan Prins Willem had opgedragen, en waarin hij niet alleen geklaagd had over de vele ‘Papisten, Remonstranten, vyanden van de Religie en Staet’, maar waarin hij zelfs den Stadhouder had geprezen, omdat deze ‘al stracx gearbeyt had, het begonnen werck (den vrede met Spanje) af te breecken,’ als ware er op de Spanjaarden toch niet te vertrouwen en als zou het uitbarsten van nieuwe burgertwisten het eenig gevolg van den vrede zijn.

Trad Vondel hiermee tegen de tegenstanders der Amsterdamsche Regeering op, in andere gedichten bezong hij hare vrienden en in 't bijzonder hare gasten, zooals wij reeds vroeger hebben gezien; want onder de eerbewijzen, waarmee de hooge bezoekers van Amsterdam overladen werden, vooral wanneer de Regeering daarmee politieke bedoelingen had, schenen lof- en eerdichten niet gemist te kunnen worden.

Ook bij de stichting van groote openbare gebouwen stelde de Overheid er prijs op, dat gedichten wereldkundig maakten, met hoeveel toewijding zij er voor zorgde, aan hare stad een grootsch aanzien te geven, haar uiterlijk te maken tot eene, die waardig was, ‘de kroon van Europe’ te dragen. Toen in 't vredejaar de eerste steenen gelegd waren van het nieuwe stadhuis, zong Vondel een ‘Bouwzang’ ter eere van de burgemeesters, wier zoons die eerste steenen hadden gelegd. Toen in 1652 het oude stadhuis verbrand was, maakte Vondel ook daarop een gedicht, maar voornamelijk om er nadruk op te kunnen leggen, dat weldra een ‘nieuw stadthuis gelijck een Fenix zou verrysen uit d'assen’ van het oude. Over het schitterend gedicht, bij de ‘Inwydinge van 't Stadthuis’ geschreven, toen dat in 1655 in gebruik genomen werd, hebben wij vroeger reeds zoo uitvoerig gesproken, dat wij er nu verder over moeten zwijgen.

Ook maakten wij reeds meer dan eens melding van Vondel's gedicht op den bouw van het ‘Zeemagazyn’ in 1658. Toch kan ik mij niet onthouden, er een gedeelte van aan te halen, omdat Vondel nergens zoo levendig en treffend den handelsbloei van Am-

[p. 359]

sterdam heeft geteekend als daar, in een tijd toen onze oorlogsvloten de vrije zeevaart voor ons veroverd hadden, geene ketens meer den doorvoer onzer koopvaarders afsloten, de straat van Gibraltar, de Sont voor ons geopend was en ‘het hooft van Kalis en van Doever Hollant den sleutel toestond.’ ‘Al wat ons dreighde is in zyn waterschulp gekroopen’, mocht Vondel toen met voldoening zeggen,

 

 
‘De weerelt is nu veil: men valle alom aen 't koopen
 
En aen 't verkoopen, aen 't bevrachten. Werckt en wint.
 
Nu packt, nu zackt en slaeft en draeft en weeft en spint
 
En schrijft en wrijft: de nacht is tot geen rust geboren.
 
Krioelt en woelt en vlieght, de schrijfpen tusschen d'ooren.
 
De Warmoesstraet, de Dam, de lange Nieuwe dijck
 
En 't Water, huis by huis, de winckels worden rijck.
 
De lakenreedery ziet andren in de kaerten
 
En slijt haer fijne stof en wol op alle vaerten.
 
De kruidenier verteert een gansch Oostindisch huis.
 
De zijdewinckel ruischt, gelijck een volle sluis,
 
Van treckgetouwen en van goude passementen.
 
De rentenier besteet zijn gelt op hooger renten.
 
De Beurs valt veel te naeu. De Wisselbanck vertelt
 
Een schat van Krezus aen 't gereede wisselgelt.
 
De Waegh is afgemat van waren af te weegen,
 
En roept om arbeitsvolck, tot aen den hals verlegen.
 
De Spaensche zilvervloot wordt hier aen gelt vermunt,
 
In 't aenzien van den haet, die niemant zegen gunt.
 
Nieu Nederlant, bezaeit, belooft ons maght van koren,
 
Een ander Polen schijnt voor Hollant daer geboren.
 
De Geldersman en Sticht en Yssel, Maes en Wael
 
En Rijn en Merwe en Eems, de steden allemael
 
Gedyen by den oogst der Zeevaert. Alle menschen
 
Begroeten Amsterdam.’

 

Daarom dan ook kon hij vrijmoedig tot ieder de opwekking richten:

 

 
‘Bemin dan Amsterdam, de glori van uw steden,
 
Den pijler van den Staet, de trouwste van uw leden,
 
Die, onvermoeit getrouw, by 't lant heeft opgezet,
 
Wat zy met zweet vermoght: die uit haer beurze redt
 
De nootdruft van den Staet, zoo menighwerf verlegen.
 
Zy heeft gelijck een zon met haeren rijcken zegen
 
Haer buren toegestraelt, gekoestert en verwermt,
 
In koele schaduw elck gehanthaeft en beschermt.’

 

Toen in 1661 een geheel ‘nieu raethuis gebout’ werd door de ‘Raeden ter Amiraliteit t' Amsterdam’ (nu het Zuidelijk gedeelte van het Stadhuis op den Oudezijds-Voorburgwal) schreef Vondel ook daarop een gedicht, waarin hij de krijgsdaden onder het bestuur van dezen ‘Zeeraet’ en ook de voor 't vaderland gesneuvelde

[p. 360]

zeehelden: ‘Heemskerk, Tromp, helt Witte, Floris en Galen’ herdacht, om te eindigen met deze karakteristieke verzen:

 

 
‘Men spoel met wijn de zorgen van het hart,
 
De drooghten zijn gevaerlijck voor de kielen.
 
't Waer jammer dat ze aen laeger wal vervielen.
 
De wijn verheught den geest en heelt de smart.
 
Dus moet de vloot des koopmans gaen en keeren,
 
En banck en beurs stoffeeren, zwaer van gout;
 
Dus zeegne Godt dit Zeehof, nieu gebout,
 
Terwijl we in vrede en oorlogh triomfeeren.’

 

Ook voor verschillende Amsterdamsche gebouwen maakte Vondel korte opschriften. Het meest bekend zijn de drie keurige versjes die nog altijd in de Kalverstraat te lezen zijn boven de poort van het Jongensweeshuis (‘Wy groeien vast in tal en last: ons tweede vaders klagen. Ay ga niet voort door deze poort, of help een luttel dragen’) en tegen de zijmuren vóór die poort. Vooral dat aan de Noordzijde is te mooi om hier te ontbreken: het luidt: ‘Geen armer wees op aerde zwerft, dan die der weesen Vader derft. Der weesen Vader derft hy niet, die weesen troost in haar verdriet. Dies sla uw oogen op ons neer: ons aller Vader trooste u weer.’

Ook dichtte hij eene dichterlijke ‘Bede voor het Walenweeshuis’, toen nog in de Laurierstraat gelegen, maar in 1671 verplaatst naar de Vijzelgracht, hoek Prinsengracht, waar men het, kunstig gepenseeld, nog altijd in de Regentenkamer kan lezen. Ook kon men nog lang in de Regentenkamer op een bord vier versregels van Vondel aantreffen in het nu tot Paleis van Justitie verbouwde ‘Aelmosseniershuis’, op de Prinsengracht bij de Leidschestraat, waarvan Jan Vos, die er hoofdprovoost van was, in 1664 den eersten steen legde en den lof zong in zijn uitvoerig gedicht ‘Op 't weeshuis van d' arme vremdelingen t' Amsterdam.’

Een distichon van Vondel was ook nog lang te lezen boven den Oostelijken uitgang naar de groote galerij van het Dolhuis aan de Westzijde van den Kloveniersburgwal, nu ingericht tot kerk der Hersteld evangelisch Luthersche gemeente. Het Mannentuchthuis of Rasphuis op den Heiligeweg droeg wel geen opschrift van Vondel, maar ‘Op d' afbeeldinge van de tucht, boven de tuchtpoort uitgehouwen’, schreef hij toch een klein gedichtje; en zoo hebben wij ook twee gedichtjes van hem op de Beurs. Van het eene weten wij, dat het in 1643 met eene kunstig ontworpen en keurig gegraveerde omlijsting van S. Savry aangeboden werd door den

[p. 361]

beursknecht. Geestig wordt daarin het ‘doorluchtigh koopslot’, het ‘meesterstuck van Keizer’ toegesproken door een dichter, die den handel kende en er, toen hij het gedichtje schreef, nog veel geld mee verdiend had. Toch wist hij ook toen al, dat ‘Beursgeloof eb en vloet is’, dat ‘de Beurs oock haer Martelaren heeft en winst met den wint verandert’, dat de ‘vast als een postpaert op en neer dravende wissel’ niet zelden van den heer een knecht maakt en even moeielijk te berijden is, als het ros Beyaart; dat men zich wel tegen zeegevaar kan verzekeren, maar niet tegen den verzekeraar, kortom dat men vrij de ‘koopfortuin mag mistrouwen’, daar ‘het Beursgeluck komt en gaet’ en Karthago, Tyrus en Sidon leeren, wat de toekomst ook aan Amsterdam zal kunnen brengen.

Ver verwijderd nochtans scheen die toekomst in Vondel's tijd, toen aan ‘Heere- en Keizersgracht marmersteene vloeren gelegd, gevels hemelhoogh opgetrocken’ werden, toen men ‘de wanden der graftpallaizen in tapijt kleedde, zonder kosten te ontzien, toen de schoorsteen met haer posten daar van louter marmer glom’ en bij het beklimmen der hooge stoepen de leuningen van die tronen onzen Adel steunden. Daarvan liet Vondel den voorredenaar van zijn landspel ‘Leeuwendalers’ gewagen, toen hij de vertegenwoordigers van dien nieuwen Holandschen adel toesprak, die, evenals de Romeinsche consuls, hun recht op den naam van patriciër dankten aan hunne eereplaats ‘op 't gouden Kapitool’ van eene wereldstad als Amsterdam.

Tegen die machtige patriciërs, die vroede vaderen, zag Vondel bewonderend op, en hij heeft ze ook vaak in zijne gedichten verheerlijkt, hun zoo dikwijls in de hoffelijkste bewoordingen zijne werken opgedragen, dat men uit zijne volledige werken eene bijna volledige lijst zou kunnen opmaken van de namen dergenen, die in de zeventiende eeuw in Amsterdam macht en aanzien genoten, en van hunne echtgenooten en kinderen tegelijk. Hunne bruiloften heeft hij met liederen meegevierd, hun overlijden met lijkzangen betreurd, hunne afbeeldingen heeft hij van bijschriften voorzien, de kunstwerken, die hunne paleizen versierden, geprezen. Eenige van hen treden natuurlijk in zijne poëzie meer op den voorgrond dan andere, zooals de Baeck's, de Bicker's, de De Graef's, de Hinlopen's en de Van Vlooswijck's; maar deze treft men dan ook herhaaldelijk aan en andere slechts nu en dan. In 1658 gaf hij een geheelen bundel kleine gedichten uit op de ‘Afbeeldingen der stam-

[p. 362]

heeren en zommige telgen van de Graven, Boelensen, Bickeren en Witsens, toegewyt den edelen en gestrengen Heere Andries de Graeff, ouden Raet en Rekenmeester, nu out Burgemeester en Zeeraet t' Amsterdam.’ Wel heeft, zooals Brandt zegt, ‘Vondel, die zoo veel groote personaadjen, Prinsen, Vorsten, Koningen en Helden verplichtte door onsterffelyken lof, hun toegezongen, onder deze met al zyn dichten en edelen arbeidt niet éénen Mecenas of Augustus kunnen winnen’, die hem op zoo hoogen ouderdom in de gelegenheid stelde onbezorgd te leven, maar de Amsterdamsche patriciërs hebben zich tegenover hem niet ondankbaar betoond.

In 1657, toen hij zeventig jaar oud was, brak voor Vondel een benauwde tijd aan. Vijf jaar te voren had hij zich geheel teruggetrokken uit den zijde- en kousenhandel, dien hij vroeger dreef, en dezen geheel overgelaten aan zijn zoon Joost, die toen sinds een paar jaar met zijne tweede vrouw, Baertjen Hooft, was getrouwd. Hij had ook met zijne dochter Anna zijne oude woning in de Warmoesstraat, waar ‘de Trouw’ uithing, verlaten en op de Prinsengracht eene woning betrokken naast het hoekhuis van de Berenstraat. Hij was toen in goeden doen, want blijkens zijn ons bewaard gebleven testament van 1655 bezat hij, na reeds veel geld aan zijn zoon geleend te hebben, nog veertig duizend gulden.

De jonge Joost echter was een slecht koopman, een opvliegend mensch en, evenals zijne tweede vrouw, verkwistend van aard. Na korten tijd makelaar geweest te zijn, werd hij in November 1656 insolvent verklaard, en zijn vader, die tot curator in zijne zaak was aangesteld, trachtte nu, ook door eene reis naar Denemarken, nog te redden wat er te redden viel. Het gat echter was te groot om gestopt te kunnen worden. Zelfs bleven er nog schulden onbetaald, nadat alle ‘middelen en goederen, die Vondel voor desen had gehad, gegaen ende geconsumeert waren tot assistentie van syn soon.’ Toen de dichter dat getuigde, was zijn zoon, in 1659 gedwongen naar Oostindië te vertrekken, reeds in het volgende jaar op de reis daarheen overleden 1).

Vondel was alzoo tot volslagen armoede vervallen. Zijne dochter Anna moest met haar klein kapitaaltje hem onderhouden en tevens zorgen voor de opvoeding van de niet geheel onbemiddelde

[p. 363]

kinderen uit het eerste huwelijk van den jongen Joost: Adriaen, Willem en Maria. De eerste van deze overleed in 1664, twintig jaar oud, ‘Maria's Uitvaert’ betreurde de grootvader in een lijkdicht, toen ook zij, in 1668, op denzelfden leeftijd stierf, en in 1670 schreef hij voor het graf van den zesentwintigjarigen Willem: ‘Gun Willem van den Vondel rust. Dees jonge bloem verging met lust en liet den grafworm luttel spys. De ziel zocht Godt in 't Paradys.’

Hoog noodig was nu voor Vondel in deze kommervolle omstandigheden eenige financiëele steun, en die gewerd hem ook van de zijde zijner patricische beschermers op verzoek van zijn neef Joan de Wolf, die zich daartoe wendde tot de later meermalen door Vondel met verzen vereerde Anna van Hoorn, de vrouw van Burgemeester Cornelis van Vlooswijck. De betrekking van boekhouder aan de bank van leening viel toen juist te begeven en Vondel werd daar in 1658 mee begiftigd op eene, voor dien tijd niet zoo geringe, jaarwedde van zes honderd vijftig gulden 1). Voor broodsgebrek was hij dus bewaard, maar een kunstlievend vorst zou gedaan hebben, wat eene Republikensche Regeering niet mocht doen, hem de jaarwedde hebben toegekend zonder hem te verplichten daarvoor aan eene bank van leening boek te houden.

Nochtans, het werk daar schijnt hem niet te hebben neergedrukt, want het is alsof na 1658 's dichters scheppingskracht eer toe dan afnam. Tien jaar later evenwel, toen hij zijn eenentachtigste jaar bijna volleefd had, begon hem de werkzaamheid aan de bank zwaar te vallen. Hij wendde zich toen tot Burgemeesteren met het verzoek om wegens zijn hoogen leeftijd, ‘behoudens zijn tractement, emeritus te worden verklaert’, en door deze werd bij besluit van 10 Augustus 1668 ‘goet gevonden sijn versoeck toe te staen.’ 2)

Van zijne vrijheid maakte hij nu gebruik om nog één groot dichtwerk te vervaardigen, namelijk zijne vertaling van Ovidius Herscheppinge 3), dat hij, met behulp van Antonides, in 1671 uitgaf met etsen van Abr. Blooteling naar Ant. Tempeest en eene dichterlijke opdracht aan Dirck Buysero. Daarna begint zijne ar-

[p. 364]

beidskracht snel te verminderen, maar toch hield hij het verzenschrijven nog tot 1674 vol. Na in 1673 nog een geestig gedichtje voor den 26sten verjaardag van zijn neef Peter de Wolf, den eigenaar der buitenplaats Wolf-en-Hoeck met hare vermaarde oranjerie in de Purmer 1), geschreven te hebben, dichtte hij in 1674 o.a. nog de bruiloftsdichten voor zijne lieve vriendin Agnes Blok, die toen als weduwe van zijn neef Joan de Wolf een tweede huwelijk aanging met Sybrant de Flines, en bij wier eerste huwelijk in 1649, toen, zooals hij zeide, ‘de liefde den Wolf en het Lam verbond’, hij ook reeds een ‘Mayboom’ geplant had. Nog vijf jaar heeft Vondel daarna geleefd, na den dood zijner dochter in 1675 verzorgd door het gezin van den laatsten hem overgebleven kleinzoon, zijn naamgenoot, die de grootste moeite had om als schoenmakersgezel den kost te verdienen en later, evenals zijn vader, naar Oostindië vertrokken is.

Niet dan langzaam namen de krachten af van den man, wiens lichaam even sterk bleek als zijn machtige geest, en eerst in den ouderdom van een en negentig jaar 2) is hij den 5den Februari 1679 overleden. Drie dagen later werd zijn lijk uit het huis ‘de witte molen’ op 't Singel bij de Huiszittensteeg (nu Raadhuisstraat) ‘door veertien poëten of liefhebbers van poësye’ uitgedragen en in de Nieuwe kerk begraven. Zijn vriend Jan Six versierde zijn graf met dezen versregel: ‘Vir Phoebo et Musis gratus Vondelius hic est’ 3). De zilveren begrafenispenning, aan de lijkdragers uitgedeeld, met zijne beeltenis aan de eene en een zwaan aan de andere zijde, geeft hem den naam, die hem zoo met recht toekomt: ‘D' oudste en grootste poëet,’ De Schouwburg bleef evenmin als bij Hooft's dood achter om den gestorven treurspeldichter te eeren. Daar werden zijne ‘Josephs’ vertoond, voorafgegaan door een voorspel van Govert Bidloo: ‘Joost van Vondels Lyckstacy.’ Onder de lijkdichten, die hem betreurden, trekken er drie bijzonder

[p. 365]

de aandacht, die van Johannes Vollenhove, van Joachim Oudaen en van Joannes Antonides van der Goes. 1).

Oudaen overtrof in het zijne zich zelf. De gloed, die er in zijne verzen komt, wanneer verontwaardiging hem vervult, straalt ons uit dit gedicht tegen, tegelijk met het vuur der liefde en den glans der bewondering. Het ergerde hem, dat eene jongere dichtbent, ‘niets bezwaarlijk achtend voor die willen’, zich aanmatigde, met te weinig eerbied van ‘Neerlands Hooftpoëet’ te spreken, ofschoon ‘een eenig blad van Vondel’ in de schaal gelegd tegen ‘het opgestapelt werk der dichtren altemaal’ nog door zijne zwaarte het overwicht zou behouden. En hoe onuitputtelijk rijk was Vondel's dichtschat! Oudaen geeft er een overzicht van door achtereenvolgens de meeste treurspelen, waarmee hij Grieken en Latijnen evenaarde, met enkele trekken te kenmerken, zijne godgewijde dichtwerken en groote lofdichten, de voornaamste zijner lierzangen en scherptandige hekeldichten in herinnering te brengen en zijne vertalingen te prijzen als vervat in een voorbeeldig Duitsch, dat niemand zou kunnen overtreffen. Hij vreesde, en terecht, dat ‘de Dichtkonst, die Vondel voerde in top’, ook met hem haar hoogtepunt had bereikt en nu langzamerhand weer zou dalen, zooals al het ondermaansche, dat ‘zyn opkomst en zyn bloey, zyn stilstand heeft en dood’, maar zelfs aan het graf van den in zoo hoogen ouderdom zoo zacht ontslapen dichter vond hij ‘geen stoffe van treuren of beklag.’ De sterfdag van dezen onsterfelijke mocht men ‘als zyn geboortedag vieren.’

Van niet minder geestdrift en van nog vuriger liefde getuigt het uitvaartslied van Antonides, die het betreurde, dat hij den grijzen dichter, dien hij als een vader lief had, de oogen niet had mogen sluiten en niet nog eens ‘dien vegen mont het aengename woort van zoon’ had mogen hooren uitstamelen. Eenmaal had hij zelf tot de jongere dichtbent behoord, die waande Vondel voorbijgestreefd te zijn, maar juist daarom had hij zich uit hun kring teruggetrokken, want voor hem was Vondel de ‘Vorst en Vader der poëeten’ gebleven, door wien ‘de dichtkunst van trap tot trap in Nederlant was opgehemelt.’ Evenals Oudaen bracht ook hij achtereenvolgens de voornaamste van Vondel's dichtwerken, zoo ver-

[p. 366]

scheiden van trant en stof, in herinnering, maar hij was niet als Oudaen gestemd om zijn sterfdag als een geboortedag te vieren, want daarvoor was hij ook persoonlijk te innig aan hem gehecht geweest. Hij betreurde het, dat ‘nu 't vier van die doordringende arendsoogen als met een zwarten nacht en wolken overtogen’ was, en dat hij nu nooit meer uit ‘dien mont den gront der dichtery zou leeren’, maar voortaan op eigen wieken zou moeten drijven. Te Amsterdam, zeide hij, waar de groote Dichter, ofschoon aan den Keulschen Rijn geboren, het ware leven aan den IJstroom ontvangen had en waar nu zijn gebeente rustte, zou geen praalgraf voor hem kunnen gebouwd worden, grootsch of kostbaar genoeg om hem naar verdienste te eeren, en hij besloot met deze profetische woorden: ‘Zoolang men Neerduitsch dicht verstaet en houd in waerde, zal meer en meer zyn lof zich spreyen over d' aerde’.

Deze woorden begonnen in de negentiende eeuw in vervulling te komen, toen een Engelsch geleerde (George Edmundson, in 1885) 1) in eene monographie Vondel met Milton vergeleek, een Duitsch geleerde (A. Baumgartner, in 1882) en een Fransche (Camille Looten, in 1889) ieder eene uitvoerige biographie van Vondel schreef, en vijf zijner treurspelen in het Hoogduitsch werden vertaald en daaronder de ‘Jeptha’ tweemaal en de ‘Lucifer’ vijfmaal, terwijl de ‘Lucifer’ ook in het Engelsch, ‘Lucifer’ en ‘Gysbreght’ ook in het Fransch werden overgebracht.