|
|
|
| |
X. De blijspelen van Asselijn, Bernagie en Alewijn.
De Fransche invloed, die zich reeds bij het begin dezer periode zeer
sterk op ieder gebied van onze letterkunde deed gevoelen, komt, zooals wij al
gezien hebben, ook bij ons blij- en kluchtspel van dien tijd uit.
Molière is dan bij ons het groote voorbeeld en
naast hem o.a.
Pierre Corneille,
Quinault,
Hauteroche en tegen het einde der zeventiende eeuw
Jean François Régnard, van wien de reeds
in 1703 jong gestorven Rotterdamsche dichter Mr.
Willem den Elger
1) in 1698 de klucht ‘Attendez-moi sous l' orme’ | | | | vertaalde als ‘Wagt me voor dat laantje’,
waar echter nauwelijks van een laantje sprake is, en
Dancourt, van wien in 1697 het kluchtspel
‘La maison de campagne’ als ‘Het
Hofstee leeven’, en in 1698 een ander kluchtspel
‘Les vendanges de Suresne’ als ‘De
wijnoogst’ vertaald werden door
Abraham de Wit den Jongen. Ook in het begin van
de achttiende eeuw zouden er van deze beide en van andere Fransche schrijvers
nog blijspelen worden vertaald, en hun trant zou ook bij ons worden
nagevolgd.
Toch waren het juist blijspel en klucht, die nog het langst hun echt
Nederlandsch karakter hebben bewaard, zooals dat zich openbaart in de spelen
van Coster en Bredero en hunne latere zwakkere navolgers. Wat meer is, het eind
der zeventiende eeuw heeft zelfs blijspelen opgeleverd, die als echt
Nederlandsche zedenschilderingen zeker voor de vroegere niet behoeven onder te
doen en ook als proeven van comische kunst naast die van Coster en Bredero met
eere mogen genoemd worden.
Zonder twijfel muntten daaronder uit de blij- en kluchtspelen van
Thomas Asselijn
1), dien wij reeds meermalen als dichter van oorspronkelijke,
zij het ook zeer middelmatige, treurspelen hebben aangetroffen, maar die sedert
1682 met goed gevolg ook in het blijspel zijne krachten beproefde, dus in zijn
ouderdom, want hij was reeds in 1620 geboren, en wel te Dieppe.
Reeds in zijne prille jeugd echter moet hij met zijn vader naar Holland zijn
overgekomen om, ondanks zijne Fransche geboorte, in staat te zijn, zich in de
taal en opvatting van zijn blijspel zoo volkomen Nederlander te betoonen, als
hij gedaan heeft. In 1644 was hij te Amsterdam boekbinder, wat
later karmozijnverver, maar in 1678 ging hij bankroet, en daar hij daarna
waarschijnlijk geene zaken meer deed, hield hij veel tijd over om
tooneelstukken te schrijven.
Zijn eerste blijspel, getiteld
Jan Klaasz of gewaande Dienstmaagt, is in 1682
gespeeld en in het volgende jaar gedrukt
2).
Het vertoont de vermakelijke, schoon niet bepaald stichtelijke, geschiedenis
van een jongen pretmaker, Jan Klaasz, die op listige wijze den eer- | | | | zamen makelaar Jan Jaspers en Diwertje Gerbrandts, de vrome ouders van
zijne geliefde Saartje, dwingt in een tot driemaal toe geweigerd huwelijk van
hem met hunne dochter te bewilligen of, liever, te berusten. Wanneer Diwertje
namelijk aan Lijntje de meid den dienst heeft opgezegd en nu zonder dienstbode
is, weet Jan Klaasz, in vrouwenkleeren gestoken, zich met behulp van
Martijntje, de besteedster, en met medeweten van Saartje als dienstbode bij
haar te verhuren. 's Avonds bij donker gekomen, wordt hij niet herkend, en daar
de ouders bevreesd zijn, dat Jan Klaasz hunne dochter wel zou kunnen schaken,
draagt Diwertje aan de nieuwe meid op, goed op Saartje te passen, en heeft zij
het ‘by haar zelve zo overleid, als dat dit meisje alle nachten by haar
dochter slaapen zei.’ Jan Klaasz hoort dat met groot genoegen, maar als
hij den volgenden morgen zijn huiswerk moet doen, blijkt het al spoedig, dat
hij daarvan niet het minste begrip heeft, en moet Diwertje van een paar
buurmeisjes, die in het geheim genomen zijn, hooren, dat de gewaande
dienstmaagd ‘een knecht’ is. Nu kan Jan Klaasz natuurlijk zijne rol
niet verder spelen: hij vraagt vergiffenis, en hoe boos Saartjes ouders ook
mogen wezen, als hunne dochter flauw valt en schijnt te sterven, berusten zij
in het onveranderlijke, op voorwaarde dat Jan Klaasz belooft zich voortaan
ingetogener te gedragen.
Wie verlangt te weten, hoe de laatste scène der ontmaskering
van Jan Klaasz zich destijds op het tooneel heeft voorgedaan, kan die op het
Mauritshuis in Den Haag met pastel geestig door Cornelis Troost afgebeeld
vinden onder de vijftien crayonteekeningen, die men daar van Troost aantreft en
waaronder er negen zijn, die aardige tooneeltjes uit blij- en kluchtspelen
voorstellen, zooals zij tusschen 1737 en 1741 vertoond zijn.
Tot die negen behooren er ook nog twee andere uit de ‘Jan
Klaasz’, die tot de hoofdhandeling in geene betrekking staan, maar de
beroemdste, of volgens anderen de beruchtste, van het geheele stuk zijn
geworden. In het eerste van de twee komen Tjerk Hendriksz en Stoffel Thijsz,
twee vrome Mennisten of Kwakers, geheel in 't zwart met een stijf kraagje om
den hals en een hoogen tophoed op, bij de ouders van Saartje Jans, om de hand
hunner dochter te vragen voor hun jongen vriend Reinier Adriaensz, ‘een
Jongeman, die de deugd gelyk is,’ wat eene bijzonderheid is in deze
slechte tijden, nu er, zegt Diwertje, ‘onder de Broederen zo | | | | zwakken wierden gevonden, die 'er hart an 's weerelds goed zo hadden
verbonden, dat ze deur oneerlyk gewin zochten te verryken hunnen staet’,
ja, volgens Stoffel, ‘zelfs met onbehoorlyken woeker’ of
‘deur bedrog van goud te leeren maaken’, en die, als zij betrapt
worden, ‘met een schynheilig gelaet hun goudzucht bedekken’ en
zeggen, dat het ‘deur een verrukking of uit menschelyke zwakheid is
geschied.’
In het tweede tooneeltje, dat Troost in beeld bracht, zien wij dezen
Reinier Adriaensz. zelf optreden, nadat hij van Saartjes ouders verlof heeft
gekregen om met Saartje een praatje te komen maken. Zij houdt dien jongen
kwaker echter deerlijk voor den gek en geeft op de vermakelijkste wijze eene
scherpe en juiste critiek op de schijnheiligheid van die fijnen, die, wat een
gewoon mensch zijn wensch of zijne neiging noemt, voor den Heiligen Geest
uitgeven, waardoor ze kwansuis gedreven worden, ofschoon ‘men’ (dat
begrijpen ze zelf in een helder oogenblik) ‘somtijds niet weet, of men
van een goede of van een kwade geest bezeeten is.’ Ook komt het wel eens
zoover, ‘dat de geest teenemaal verzwakt is en 't vleis de overhand heeft
genomen:’ maar dan weet iemand als Reinier toch ook dat wel weer op
rekening van den geest te schrijven door te zeggen, dat ‘syn geest
getuigd om het vleis van Saartje Jans te begeeren’ en haar te trouwen
‘om alzo te zamen dit aardsche deel vruchtbaerlyk te beleeven.’
Saartje Jans antwoordt hem echter eerst, dat ‘de geest by haar zo vaerdig
niet en is’, en als hij toch blijft aandringen, zendt zij hem weg met de
opmerking, ‘dat hy van nu voortaen het weerom komen wel mag
vergeeten’, want dat ‘haar geest dat tegenwoordig zo
getuigd.’ En is hij vertrokken, dan vertelt zij aan Jan Klaasz en
Martijntje van zijn bezoek, spottend met de ‘temery’ van dien
kwaker en met het gewichtige ‘zo, zo,’ dat hij met langzaam
hoofdknikken op alles wat zij zeide ten antwoord gaf en dat door het
schouwburg-publiek met onuitblusschelijk gelach werd aangehoord.
Maar ook met groote ergernis door velen, die er den weerklank van
vernamen en wisten te bewerken, dat het stuk tot nader order niet gespeeld zou
worden.
Asselijn gaf het dan ook uit om te doen zien,
dat het onschuldiger was, dan het gerucht uitbazuinde, en voegde er eene
voorrede aan toe, waarin hij de beschuldiging, dat er bepaalde personen in aan
de kaak waren gesteld, ongegrond noemde en zich verdedigde, dat hij Martijntje
zoo onfatsoenlijk had | | | | laten praten, als bij haar beroep van
kraamuitlegster en koppelares paste.
Die voorrede werd aangevallen in een, ‘T'Saamenspraak
over de klucht van Jan Klaasz tusschen een Poëet, Commediant en Liefhebber
der Poëzy’, waarin beweerd werd, dat wel zestien passages
bij den druk waren weggelaten, die op het tooneel waren uitgesproken, dat de
societeit der Mennisten was beklad en de Heilige Schrift misbruikt was, dat de
dienstboden er uit konden leeren hare vrouwen onbeschaamd te bejegenen, kortom,
dat ‘tooneelspel’ nu niet meer ‘leersaam’ maar
‘eerloos’ tijdverdrijf was geworden, toonende ‘in kort
begrijp alle ongeregeldheid, daar 's Werelds oog om lacht, maar 's Hemels oog
om schreit.’ In een uitvoerig en zakelijk ‘Antwoordt tegens
De Zamenspraak van Jan Klaasz’ verdedigde
Asselijn zich hierop; en hij toonde zich
verheugd, dat burgemeesteren zijn blijspel niet afkeurden, daar zij toelieten,
dat het gedrukt en verkocht werd.
Daarbij bleef het echter niet. Er verscheen nog eene samenspraak
‘Kristalyne bril’, een
‘Kluchtpraetje’, ‘Een bysonder Liedt
over de kluchtige Jan Klaesz op syn zo, zo, zo,’ en
‘Een vermakelijck Liedt’, waarin gespot wordt:
‘Wat hebben de Broeders begonnen tegen Jan Claesz sijn klucht! Och,
hadden sy 't noyt besonnen, zoo, zoo, zoo bleven sy buyten gerucht!’ In
dialoogvorm kwam er nog een ‘Verdragh of
Vreedeschrift’ uit, waarin Jan Jaspersz zich beklaagt over alle
geschriften, die er over het geval met zijne dochter zijn uitgegeven, maar de
drie kwakers uitnoodigt, de zaak uit de wereld te helpen door met hem, met Jan
Klaasz, met Martijntje, met ‘den seer vromen vriend Asselijn en alle sijn
commedianten en Poëeten’ een maaltijd te houden, die Saartje Jans
wel zal bereiden, omdat zij zoo bedreven is in de kookkunst. Ten slotte is er
nog een andere dialoog te vermelden, ‘De Geestdrijvende so, so, of
de Klucht van 't Nickers-Praetjen’, waarin het geheele verloop
van den twist in herinnering wordt gebracht en Charon wordt uitgenoodigd, al
die pamfletten mee te nemen naar de Onderwereld, waar Pluto begeerig is om de
klucht te zien spelen. Hier op aarde, heet het, is het maar beter verder den
vrede te bewaren.
Lang schijnen de vertooningen van ‘Jan Klaasz’ niet
verboden te zijn geweest, want reeds in 1683 kwam Asselijn voor den
dag met een ander blijspel, ook in drie bedrijven, dat er een vervolg | | | | van was en tot titel had:
Kraambedt of Kandeel-Maal van Zaartje Jans, vrouw van Jan
Klaazen. In de opdracht daarvan zegt
Asselijn, dat hij, tegenover de voorstelling
van Jan Klaazen in het vorige stuk ‘als een persoon van een zeer
argherlijk en ongebonde leeven’, hem in dit vervolg ‘te voorschijn
bracht in een ander kleed, waarin hy zich veinst de Deugd te verbeelden, onder
welke vermomming hy zijn trouw te buiten gaat en tot echtschendery
vervald’. Zijn stuk heeft, zegt hij, dezelfde strekking als
Molière's Tartuffe, al heeft het dan ook in werkelijkheid een geheel
ander karakter.
Ook in dit stuk treedt de kwaker Reinier Adriaensz, die intusschen
met eene Engelsche getrouwd is, weer op met zijn ‘zo, zo’, waarvan
de nu schijnvrome Jan Klaasen de echo vormt met zijn telkens herhaald
‘wel, wel, dat is goed, dat is goed’; en ook hier weer worden,
evenals in het vorige stuk, ‘de Poolsche broeders van Krakou (of liever
Rakou) bespot, wat de Regeering niet mocht afkeuren, omdat zij hier te lande
als Socinianen zelfs door placaten (doch gewoonlijk niet in werkelijkheid)
werden vervolgd.
Natuurlijk is het ‘kandeel-maal’ zelf het hoofdtooneel
in het stuk, waar, geheel in Bredero's trant, de slechte zeden van den tijd het
onderwerp van het gesprek zijn, vooral de overdadige weelde en de
losbandigheid.
Maar welk een figuur maakt op 't eind de schijnheilige kraamheer,
wanneer hem tot besluit van het kandeelmaal nog eene tweede kraamvrouw,
Hillegonde Roelants, die hij tijdens zijn huwelijk had verleid, met haar kind
in eene bakermat te huis bezorgd wordt! Vooral ook dat tooneeltje is door
Asselijn met onmiskenbaar gevoel voor het komieke en bijzonder talent
in het weergeven van de karakteristieke volkstaal behandeld, en de ouders van
Saartje Jans spelen ook daarbij de hoofdrol, al blijkt het nu ook, dat het geen
‘steiloorigheid’ van hen was, maar een bewijs van hun helder
inzicht, toen zij zich zoo halsstarrig tegen een huwelijk van hunne dochter met
Jan Klaasz verzetten.
Deze beide stukken van
Asselijn zijn bijzonder populair geworden: het
eerste is de geheele achttiende eeuw door telkens weer vertoond, en zelfs op
kinderprenten vindt men de geschiedenis van Jan Klaasz als dienstmaagd en ook
van het kandeelmaal afgebeeld. Dat de vromen nu maar zoo verstandig geweest
zijn, te zwijgen, is begrijpelijk, want zij zagen nu zelf in, dat Diwertje
gelijk had, toen zij in het begin van dit tweede stuk zeide: ‘Wat | | | | zijnder al boekjes van geschreven! hadden die woelwaters de pot maer
toegedekt, waar het niet alles in vergeetelheid ebleeven?’
Door den opgang van deze beide stukken aangemoedigd, schreef
Asselijn er nu nog twee vervolgen op: 't eerst
in 1685 de
Echtscheiding van Jan Klaasz en Saartje Jans,
waarin, terwijl Jan Jaspersz door zijn ondeugenden schoonzoon bijna geheel
geruïneerd blijkt en de echtscheiding ten koste van veel geld aan
advocaten en procureurs in orde komt, Saartje Jans zich laat schaken door haar
dokter, wiens gilde er zeker niet minder geestig in gehekeld wordt, dan
Molière dat soms in zijne comedies deed; en vervolgens in 1691
‘De schijnheilige vrouw met de uitvaard van Jan Jaspersen,
vader van Saartje Jans’.
In dit stuk wordt de hoofdrol gespeeld door de schijnheilige
Levyntje van Dockum, die tegen haar zin met een aanspreker getrouwd is en zich
voordoet alsof zij buitengewoon ingetogen leeft en steeds eerzaam in de werken
van vader
Cats, vooral in diens ‘Houwelyck’ en
‘Selfstrijd’, zit te lezen, maar intusschen zich door haar vriend
Flip Rondemont in het wafelhuis van Mr. Koert op wijn en wafelen laat
trakteeren, waar zij echter door haar man en hare moeder betrapt wordt en op
belofte van beterschap vergiffenis krijgt. Ook hier ontbreekt het aan aardige
zedenschilderingen niet en zit men veel ‘te praaten van de bedorven tijd
en hoe de mensch 'er tot de ooren toe in steekt’, maar van Jan Jaspersz
wonen wij er alleen de uitvaart, onder de leiding van Levyntje's man,
gedeeltelijk bij, en bij die gelegenheid vernemen wij ook, hoe het met de
personen uit de vorige stukken is afgeloopen. ‘Jan Klazen is allang in
Oostindiën op Batavia in 't siekhuis overleden’; Hillegonde Roelants
is weinige dagen na hare bevalling gestorven; Saartje Jans ‘is, zederd
dat 'er dat doktertje verliet, geweest schier voor alle man’, en Diwertje
heeft ‘nog een lyfrentje, daer ze het mee zel konnen stellen’,
totdat de dood een einde zal komen maken aan haar armzalig bestaan.
Deze beide vervolgstukken schijnen veel minder opgang gemaakt te
hebben dan drie andere kluchtspelen, die van
Asselijn gedurende de geheele achttiende eeuw
op het repertoire zijn gebleven, namelijk
De stiefmoer (van 1684),
De stiefvaar (van 1690) en
De spilpenning of verkwistende vrouw (van
1693).
De eerste klucht vertoont ons een man, die na den dood zijner vrouw
zijne dienstmaagd, eene Moffin, getrouwd heeft en nu, even- | | | | als zijne
ongelukkige voordochter, deerlijk door haar getiranniseerd wordt, maar, als ten
slotte zijn geduld ten einde raakt doordat zij drie Hannekemaaiers, haar vader
en hare beide broers, die plat Duitsch praten, te goed doet, haar op
hardhandige manier toont, dat het verkeerd is, een goed man kwaad te maken, en
dat het nu zijne beurt is om man en voogd te wezen.
Een pendant van deze klucht is ‘De
stiefvaar’, waarin Antonia, eene koopmansweduwe, Marten Kroes,
den onbeschaafden pakhuisknecht van haar man, getrouwd heeft, maar nu ook moet
aanzien, dat van haar eigen voorkind knechtswerk verlangd wordt, terwijl zijn
halfbroer door het onderwijs van een paedagoog en een dans- en schermmeester
als heer wordt opgevoed. Ook hier wordt de juiste verhouding hersteld, namelijk
door het groote geldverlies, dat Marten Kroes als koopman lijdt en dat hem min
of meer onder curateele van zijne vrouw plaatst, die daarop goedvindt niet
langer op echtscheiding aan te dringen, zooals zij aanvankelijk had gedaan.
Beide stukken zijn nog geheel in den trant van de oude klucht: ruwe, maar
drastische woorden zijn er schering en inslag en geven er hoofdzakelijk het
komieke karakter aan.
‘De Spilpenning’ daarentegen is weer een
blijspel in drie bedrijven, dat ons midden in eene oudhollandsche schoonmaak
verplaatst, maar eene, waarbij het bespottelijk royaal toegaat door de
verkwisting van Joanna, de vrouw van een aanzienlijk koopman. Dat er aan het
geld van haar man ook wel opkomen is, daarvan heeft zij geen begrip: zij laat
fijn linnen spinnen, kleedt zich in samaars van de nieuwste mode, koopt
sieraden en porcelein, drinkt thee van dertig gulden het pond, noodt hare
vriendinnen op oesters en andere fijne lekkernijen, verspeelt haar geld met
kaart en verkeerbord en doet op de aucties in sterfhuizen verbazende inkoopen
van zilver en kunstwerken. En heeft zij op het oogenblik geen gereed geld, dan
verkoopt zij hare kostbare kleeren, die na een paar maanden in haar oog al
ouderwetsch zijn, aan Joden en uitdraagsters. Om daar zekerheid van te hebben,
verkleeden haar man en haar vader zich als ‘smouzen’ en hare moeder
zich als eene mofsche uitdraagster, en als zij dan nog bovendien met hare
vriendinnen bij het kaartspel betrapt wordt, bestaat er alle aanleiding om haar
‘steekint’ te maken: een goede raad, dien haar man dan ook aan alle
anderen, ‘welke met diergelyke spilpenningen belast zyn’, meegeeft
bij het verlaten van den schouwburg. | | | |
Van andere klucht- en blijspelen, die
Asselijn nog maakte, is het voldoende den titel
te noemen, namelijk
Melchior baron de Ossekop (van 1691),
De schoorsteenveger door liefde (van 1692), de
vroeger reeds vermelde
Kwakzalver (van 1692) en
Gusman de Alfarache (van 1693), en eindelijk
De Dobbelaar, welk stuk echter eerst in onzen
tijd naar het handschrift (op de stadsbibliotheek te Haarlem) is gedrukt
1).
Dat Asselijn nog altijd een goeden naam in onze litteratuur
heeft behouden, dankt hij veel meer aan de beste van zijn dozijn blijspelen en
kluchten dan aan zijn half dozijn treurspelen, dat nu geheel vergeten is. Toch
was hij zelf meer dan met die blijspelen ingenomen met zijne treurspelen en
noemde hij ‘onder het gantsche beloop der Dichtkunst de treurstoffe de
verheevenste’ in de opdracht van zijn laatste werk, waarmee hij van het
tooneel afscheid nam, zijn bijbelsch treurspel
De belegering en hongersnood van Samaria van
1695. Nog zes jaar daarna heeft hij geleefd: in Juli 1701 is Thomas
Asselijn ten huize van zijn zoon Lodewijk overleden.
Van
Pieter Bernagie
2) bezitten wij, behalve drie treurspelen en een
zinnespel, waarover reeds het een en ander is opgemerkt, nog tien kluchtspelen.
Met die van Asselijn komen zij hierin overeen, dat hunne voornaamste
verdienste bestaat in de aardige zedenschilderingen en dat er zelfs nog minder
kunst aan de verwikkeling in is besteed, terwijl de dichtvorm bij beide
schrijvers zóó vrij is, dat er gewoonlijk meer van berijmd proza
in regels van zeer ongelijke lengte, dan van verzen sprake kan zijn.
Daarentegen verschillen zij in het oog vallend van die van Asselijn
doordat de taal er veel beschaafder is en er niets in voorkomt, wat ook maar
eenigszins aanstootelijk kan genoemd worden.
Alle kluchtspelen van Bernagie zijn van 1684 tot 1686 voor
het eerst gespeeld en onder de zinspreuk ‘Latet quoque utilitas’
uitgegeven, maar ‘latet’ had wel ‘paret’ mogen luiden,
want het nut is in het spel van Bernagie niet verscholen, maar
vertoont er zich telkens met groote duidelijkheid. De dichter heeft de les van
Ho- | | | | ratius, dat het nuttige met het aangename verbonden moet worden,
niet in den wind geslagen en zelfs zegt hij, dat ‘door redeneeringen de
menschen hunne fouten met derzelve gevolgen aan te wyzen en te beschimpen, van
de deftigste het bekwaamste middel geoordeeld werd omme op de Schouwburg
teffens ende te vermaaken ende de zeden te verbeeteren’. Men kan zelfs
niet ontkennen, dat het nuttige tegenover het vermakelijke wat al te zeer op
den voorgrond treedt en dat Bernagie daarom als comisch dichter voor
Asselijn weer moet onderdoen.
Had Asselijn voortdurend om ‘eigen vindingen’
geroepen en dat uitsluitend vertalen van Fransche stukken afgekeurd, ook
Bernagie had de ‘gemeene klagte tegen de Schouwburg en
dichters’ vernomen, ‘dat niet dan verwarmde huspot, spellen uit het
Fransch vertaald, ten tooneele werden gevoerd’, en wilde door
oorspronkelijke stukken te schrijven de klagers tevreden stellen, maar merkte
toch op, dat men aan zulke stukken dan ook niet de hoogste eischen mocht
stellen en ‘den geest der aankomelingen niet mocht afschrikken en
uitblusschen door voor vodden te schelden alle spellen, dewelke niet bestaan by
de beste stukken der voortreffelykste Fransche meesters.’ Eerst
langzamerhand kon men, meende hij, ‘de volmaaktheid naderen, die met
zulken helderen glans in die groote meesters uitblinkt.’
Met zijne voorkeur voor oorspronkelijk Nederlandsche stukken hing
ook samen zijne ingenomenheid met de echt vaderlandsche zeden, die in zijn tijd
zóózeer door het nabootsen van Fransche zeden werden bedreigd,
dat hij op de jongeren onder zijne tijdgenooten wel een ouderwetschen indruk
moest maken door telkens in zijne kluchtspelen den lof te zingen van het in
zijn oog zoo voortreffelijk en onafhankelijk voorgeslacht tegenover het aan
navolging van het vreemde geheel verslaafde nageslacht.
In geene zijner kluchten komt dat duidelijker uit dan in
De belachchelyke jonker, waarin twee jonge mannen
dingen naar de hand van Johanna, Neeltjes dochter, namelijk Karel, een
eenvoudige koopmanszoon, die goed op zijne zaken past, al is hij ook niet
onbedreven in die kunsten (b.v. schermen en dansen), die destijds door een
welopgevoed jonkman beoefend moesten worden, en Eduard, die deze kunsten boven
alles stelt, maar er toch door Karel ver in wordt overtroffen, en die van
kantoorzaken weinig begrip heeft, maar die aanvankelijk op het jonge meisje een
gunstiger | | | | indruk maakt dan zijn mededinger, omdat hij geheel naar
de nieuwste mode zwierig gekleed is en zijne taal ‘entrelardeert’
met het zooveel ‘doucer en aangenamer’ Fransch, daar ‘bot
Hollandsch wat plat’ en zonder vermenging met het vreemde alleen goed is
‘voor 't kenaalje en 't volkje in de achterstraaten.’ Dat deze
belachelijke jonker ten slotte tegenover den solieden Karel in al zijne
nietswaardigheid aan de kaak wordt gesteld en voorgoed alle hoop op de hand
zijner schoone moet verliezen, is het werk van Johanna's oom Joris, een Indisch
gast, die, na dertig jaar afwezig geweest te zijn, zijn vaderland nu voor 't
eerst terugziet en alles daar tot zijne verbazing geheel veranderd en geenszins
verbeterd vindt. Vooral vermakelijk is het tooneel, waarin hij zijne ooren niet
gelooven kan, als zijne zuster Neeltje hem vertelt van de grootheidszucht, de
weelde en de verkwisting, die jaar op jaar zijn toegenomen en waarmee hij dan
telkens de eenvoudige goede zeden vergelijkt, die er nog in het land heerschten
vóór zijn vertrek.
Veel levendiger dan in deze eenvoudige klucht is de handeling in
Het Studente-leven, dat in een lateren druk den
titel van ‘Het Franeker studentenleeven’ ontvangen
heeft, tegenover ‘Het Leidsche studentenleeven’, een
blijspel van Mr.
Jan Jacob Mauricius van 1717.
Bernagie heeft in het zijne den pretmakenden
student geteekend, die zijne studiën geheel verwaarloost, veel geld
verteert en vele schulden maakt, maar het eindelijk zóó bont
heeft gemaakt, dat zijn Franeker hospes te Amsterdam bij zijne ouders over hem
komt klagen. Deze zijn dan echter niet thuis, maar om hun jongen heer te
helpen, verkleeden de knecht en de meid zich als mijnheer en mevrouw. Zij
houden hem voor den gek, geven hem een flink pak slaag en zouden hem zoo
ongetroost naar Franeker terug hebben laten gaan, indien niet nog bijtijds de
ware mijnheer en mevrouw te huis gekomen waren om op te treden als de wrekende
gerechtigheid, waaraan het bij Bernagie nooit mag ontbreken.
Het meest uitgewerkte stuk van dezen tooneelschrijver, dat in drie
bedrijven verdeeld is en daarom een blijspel heet,
Het huwelyk sluiten getiteld, is eene bloedige
geeseling van ouders, die, zooals hier vader Warnaar (een gierigaard als zijn
naamgenoot in Hooft's blijspel, maar van vrij wat grover maaksel), hunne
dochters aan den eersten den besten ploert zoeken te verkwanselen, als hij maar
rijk is, en die, bij hetgeen hier met recht en onverbloemd vrouwen- | | | | verkoop genoemd wordt, aan het levensgeluk hunner kinderen niet denken.
Wanneer Bernagie hier met wat minder schrille kleuren zijn tafereel
geschilderd had, zou het misschien meer indruk maken, dan nu het zich aan ons
vertoont als eene afkeerwekkende caricatuur.
In Jeronimo, den hoofdpersoon van Bernagie's eerste
kluchtspel,
De huwelyken staat, hebben wij daarentegen een
vader, die aan zijne kinderen het huwelijk verbiedt met wie rijker zijn dan
zij, omdat zij daardoor tot slaaf hunner echtgenooten worden gemaakt. De list,
waardoor deze eigenaardige vader bewogen wordt, toch in het huwelijk zijner
kinderen toe te stemmen, is ook hier weer, zooals in andere stukken van
Bernagie en vele zijner tijdgenooten, eene vermomming: het eenige
waardoor er op het eind eenige handeling komt in de klucht, die verder
grootendeels bestaat uit lange wereldwijze, maar pessimistische pleidooien van
Jeronimo tegen den huwelijken staat.
Een paar andere kluchten,
Het betaald bedrog en
De ontrouwe kantoorknecht en lichtvaerdige
dienstmaegd, kunnen wel onbesproken blijven, maar wat vermakelijker
dan deze is
De ontrouwe voogd, waarin de hoofdpersoon, die
het geld van zijne pupil heeft verspeeld en haar nu tegen haar zin en tegen 's
lands wetten met zijn zoon wil laten trouwen, ook weer door eene vermomming
wordt ontmaskerd. Het stukje is tevens eene hekeling van de advocaten, want de
voogd, die Bartolus heet, is advocaat en procureur, evenals zijn naamgenoot in
Coster's ‘Teeuwis de boer’. Op te merken is nog, dat
Bernagie verscheidene verzen uit
Hooft's ‘Granida’ aan dezen
Bartolus in den mond legt, ofschoon zij daarin allerminst passen, en eenige
andere uit
Starter's klucht van ‘Jan
Soetekauw’. Dergelijke ontleeningen haalden Bernagie de
niet geheel ongegronde beschuldiging van ‘dievery’ op den hals,
waartegen hij zich in de voorrede van zijn treurspel ‘Paris en
Helena’ door het voorbeeld van anderen zocht te verdedigen; doch
die anderen hadden dan toch niet geheele reeksen van verzen vrij letterlijk
overgenomen en alleen toestanden uit andere stukken nagevolgd of hoogstens het
verloop van enkele tooneelen aan stukken in vreemde talen ontleend.
Dat laatste nu deed Bernagie ook in
De Romanzieke Juffer, eene klucht, waarvan de
hoofdpersoon Izabelle sterk aan Mélisse uit ‘Les
Visionnaires’ van Desmarets herinnert en zich, evenals | | | | Molière's ‘Précieuses ridicules’, het hof
laat maken door een brutaal bluffenden plompaard, een Mof, die als een schelm
en valsch speler ontmaskerd wordt door Valerius, haar eerst afgewezen, maar
later, als Izabelle van hare romanziekte genezen is, aangenomen minnaar. Niet
onaardig is de manier, waarop Eduard, de vader van het romanziek juffertje,
aantoont, hoe verderfelijk de romans zijn voor jongelieden, die ze niet
‘met groote discretie leezen’, maar ze ernstig opvatten en willen
navolgen, zooals ook Izabelle doet, die zich als Amazone verkleedt, waardoor
zij ‘aanleiding geeven tot ontucht, losheid en ongebonden bedryf’
of voor 't minst tot waar of mooi vinden van ongerijmdheden en tot minachten
van hetgeen in het dagelijksch leven goed en verstandig is. Hier worden de
‘Cassandra’, de ‘Cleopatra’ en de ‘Ibrahim
Bassa’ met name genoemd als de romans, die het hoofd van Izabelle op hol
hebben gebracht, en als nog verderfelijker ‘De Bagyn in manskleeren,
Musketdragende heldin, Franeker Loskop’, enz.
In
Goe-vrouw, eene andere klucht van
Bernagie, is Engeltje de goe-vrouw, die vrede
sticht tusschen Brecht en haar man. 't Is een onbeduidend stukje, maar in de
voornaamste scène wonen wij een theeavondje bij, waarop Brecht zes
vriendinnen genoodigd heeft, die eene vrouwenvereeniging willen stichten en
niets doen dan schimpen op de mannen, welke alleen door Engeltje worden
verontschuldigd. Het aardigste wat er in deze scène en in eene
voorafgaande tusschen Brecht en Engeltje verhandeld wordt, heeft
Bernagie vrij vertaald uit twee van
Erasmus'
Colloquia, den ‘Senatulus’ of het
vrouwenparlement en de ‘Uxor mempsigamos’ of de
huwelijksbeschimpster
1). Eindelijk moet nog even herinnerd worden
aan Bernagie's vrije navolging der ‘Mostellaria’ van
Plautus onder den titel
De Debauchant, waarvan wij reeds spraken naar
aanleiding van de gelijknamige bewerking, die Ludolf Smids van
dezelfde comedie gaf.
Een ander blijspeldichter, die zich bij Asselijn en
Bernagie aansluit, omdat ook hij oorspronkelijke stukken in den
ouderwetschen trant van Bredero en Coster heeft gemaakt, was
Abraham Alewijn
2), dien wij reeds als dichter van muziekspelen leerden kennen.
Ook bij hem zijn samenstelling en regelmatige ontwikke- | | | | ling van de
handeling nog niet bij die van de Fransche blijspelen te vergelijken, maar zij
zijn in elk geval vrij wat minder gebrekkig dan bij Bernagie. Toch
komt ook bij hem de verdienste voornamelijk op realistische zedenschildering
neer, waarbij hij het in kleurigheid en levendigheid van Bernagie
wint. Hij kon het echter gemakkelijk winnen, omdat hij noch in zijne taal noch
in zijne mededeelingen eenige ingetogenheid in acht neemt en voor het
schilderen van de walgelijkste tooneelen niet terugschrikt.
Zijn eerste blijspel,
De bedrooge woekeraar (van 1702), is misschien
het minst platte van alle en vertoont ons, hoe de woekeraar Anselmus, oom en
voogd van Izabel, zijne pupil door een makelaar voor vijf duizend gulden wil
laten verkoopen, maar met behulp van denzelfden makelaar duchtig beetgenomen
wordt door Karel, die op Izabel verliefd is, Flip, zijn knecht, voor
botergrossier en pretendent met vijf duizend gulden laat spelen, en vervolgens
op de boerenbruiloft van Jan en Kniertje in boerengewaad Izabel schaakt. Dat de
boerenbruiloft, waarop de schaakpartij plaats heeft, een levendig tooneeltje is
en met genoegen zal aanschouwd zijn, durven wij gerust verzekeren, en ook van
sommige andere tooneeltjes in het stuk is wel hetzelfde te beweren.
Daarentegen is er niets goeds te zeggen van
Alewijn's tweede stuk,
Latona of de verandering der boeren in
kikvorschen (van 1703), dat hij zelf een ‘kluchtig treurspel
met kunst- en vliegwerken’ noemt, maar dat eene kinderachtige, platte en
vieze travestie is. Het is reeds genoeg, er van op te merken, dat Jupiter, die
er Suippiter heet, er in neerdaalt ‘met een lange grijze baard, een
valhoed op 't hoofd en een kroontje daar boven, gekleed in lange rokken en
gezeten in een kakstoel’, en dat de klucht met een dans van vier
kikvorschen besloten wordt. Dat Alewijn's bedoeling er mee was, de
plattelandsrederijkerskamers belachelijk te maken, zoodat dan ook in het eerste
tooneel eenige boeren als leden der kamer ‘De bloeyende
Lauwerieren’ met hun blazoen optreden en aankondigen, dat zij een
‘story uit de Metteformus van Ovydus gehaeld’ zullen vertoonen,
zooals zij dan ook dadelijk daarop beginnen te doen, is voor ons geene reden
genoeg om de klucht gunstiger te beoordeelen, dan wij deden.
Alewijn's derde blijspel,
Philippyn Mr. koppelaar (van 1707), is zeker
levendig genoeg, maar wij verkeeren er in zulk slecht gezelschap van
bedriegers, echte en voorgewende dieven en alles- | | | | behalve kuische
dames, met Philippyn aan de spits, ‘die alle soorten van huuwlyken klaar
kan maaken’, dat voor ons het stuk zelfs niet meer kan gered worden door
een enkel tooneeltje, waarin een gewaande dokter optreedt, die, gelijk in
Molière's ‘Amour médecin’, het huwelijk als
geneesmiddel gebruikt, en, als in Molière's ‘Médecin
malgré lui’, in het derde bedrijf de echte geneesheeren niet
onvermakelijk parodiëert. Toch weten wij, dat het stuk in de achttiende
eeuw dikwijls met veel bijval vertoond is.
Kort nadat
Alewijn dit stuk aan den Schouwburg geleverd
had, vertrok hij als koopman naar Batavia, waar hij in 1715 door
de Oostindische Compagnie tot Raad van Justitie benoemd werd. Hij overleed er 4
October 1721, een paar maanden nadat hij er het aanzienlijk en voordeelig ambt
van advocaat-fiskaal had weten te verwerven. Hij liet eene nog ongedrukte
verzameling ‘Sinnebeelden’ na en had in 1718 een
Portugeesch-Nederduitsch woordenboek uitgegeven; maar ook zijne oude liefde
voor het tooneel had hij in Batavia niet verloren, want van daar uit zond hij
achtereenvolgens nog drie blijspelen naar zijn vaderland over, die zich van de
vorige onderscheiden, doordat zij niet in rijmend proza geschreven zijn, maar
in regelmatige verzen, het eerste en laatste in verzen van vier voeten, het
tweede in alexandrijnen.
Het eerste blijspel, dat in 1714 voltooid en een jaar later gedrukt
werd, heeft tot titel:
Beslikte Swaentje en drooge Fobert of de boere
rechtbank. Swaentje, Krijns dochter, zoo is de inhoud, is door
Jonker Jan, den zoon van den ambachtsheer, verleid en moet nu aan den man
gebracht worden. Zij heeft Fobert, den zoon van boer Crelis, met wien zij eens
in 't jongspul is geweest, er van beticht, dat hij de vader van het te
verwachten kind is, al noemt zijn eigen vader, die dat onmogelijk gelooven kan,
hem ook ‘drooger als Berger stokvis’: en Krijn dient nu bij de
dorpsrechtbank van Puiterveen den eisch in, dat Fobert verplicht zal wezen met
Swaentje te trouwen. Of Fobert ook al ontkent en zelfs Swaentje, als het op
trouwen aankomt, daar weinig zin in heeft, Jacobus, een verloopen
procureursklerk en goede kennis van Krijn, voor wien hij als advocaat optreedt,
weet voor schout en schepenen van het dorp met grooten omhaal van woorden, die
de zaak geheel verduisteren en de schepenen in slaap doen vallen,
zóó te pleiten, dat de eisch aan Krijn wordt toegewezen. Dat zou
echter niet gebeurd zijn, als de verdediging van Fobert niet was opgedragen | | | | geweest aan Carel, een licentiaat in de rechten en vriend van Jonker
Jan, aan wien hij beloofd heeft zóó te zullen pleiten, dat hij de
zaak moet verliezen; en hij doet dat ook door nog veel langdradiger te wezen
dan zijne tegenpartij en stapels papieren mee te brengen, die hij wil
voorlezen, maar die niemand wil aanhooren. Ter afwisseling heeft
Alewijn aan het eind van ieder der drie bedrijven een boerenmeisje of
een boer en eene boerin doen optreden, die verschillende aria's zingen.
Alewijn was er prat op, dat hij in dit stuk
iets oorspronkelijks geleverd had, daar hem, zooals hij in de opdracht van het
spel zegt, ‘onbewust was, dat iemand vóór hem ooit een
formeel pleidooy in eenig bly- of kluchtspel ten tooneele gevoerd had.’
Inderdaad is dit blijspel niet onvermakelijk, maar als de dichter beweert, dat
er ‘niets aanstootelyks of onheblyks in is,’ kunnen wij hem dat zoo
grif niet toegeven. Toch viel het bij zijne tijdgenooten zeer in den smaak, en
daarom gaf hij er in 1719 een vervolg op, getiteld
De Puiterveense Helleveeg of beslikte Swaentje aan den
tap. Het moet ons leeren, dat ‘het nooit wel gaat, daar de
doek is meester van de broek’, maar in de herberg, die Swaentje hier
houdt, nadat zij met Fobert getrouwd is, gaat het zóó erbarmelijk
toe, en Fobert wordt daar onder de grofste scheldwoorden zoodanig door zijne
vrouw, die eene ware helleveeg is geworden, mishandeld en afgerost, dat alleen
het laagste publiek daarin nog iets grappigs kan gevonden hebben.
Ook het laatste blijspel van Alewijn, dat in 1721 het licht
zag,
Jan Los of den bedroogen Oostindiesvaer, is te
plat om hier besproken te worden. Of het veel bijval gevonden heeft, blijkt
niet, maar de andere stukken van Alewijn, met uitzondering van
‘Latona,’ zijn zóó dikwijls, tot nog op het eind van
de achttiende eeuw, vertoond, dat Nil Volentibus Arduum er zich al te vroeg op
beroemd heeft, al wat plat en oneerbaar was van het tooneel te hebben
weggegeeseld. Wel zijn er in de achttiende eeuw vrij wat meer beschaafde en
onaanstootelijke blijspelen vertoond dan vroeger, en zijn er van de kluchten
der zeventiende eeuw maar enkele op het tooneel gebleven, of van alles wat
onkiesch gevonden werd gezuiverd, zooals bv. Bredero's ‘Spaansche
Brabander’, waarvan wij eene uitgave van 1729 kennen ‘zoals dezelve
op den Amsteldamschen Schouwburg vertoond werd’, maar door weglating van
hetgeen ook maar eenigszins aanstoot kon geven erbarmelijk besnoeid of
gewijzigd. | | | | Toch zijn er in de achttiende eeuw zelf ook weer nieuwe
geschreven en bij herhaling gespeeld, die in platheid voor die van het
voorgeslacht niet onderdeden en zelfs als volslagen blijspelen nog meer
aandacht verlangden dan de vroegere korte, alleen voor het zoogenaamde
‘klootjesvolk’ bestemde, nastukjes.
Evenwel mag ik niet onopgemerkt laten, dat stukken als ‘De
Puiterveense Helleveeg’ toen bij sommigen toch ook wel aanstoot vonden,
en dat b.v. in 1762, toen het opnieuw vertoond was, in het tweede nummer van
den ‘Hollandscben Tooneelbeschouwer’, bl. 25 gezegd werd:
‘onbegrijpelijk is het, dat een fatsoenlijk man diergelijke schandelijke
taal uit zijne pen heeft kunnen laten vloeyen, of de Dichter moet het alleen
gemaakt hebben, om een partij Oostindischvaarders te doen lagchen, want een
kind in de luyren met het hoofd in een emmer met water te steeken en een
onnoozelen boer door een kwaad wijf gedurig te zien afrossen, zijn zaaken, daar
iemand, die slechts een weinig smaaks heeft, niet veel behaagen in zal
scheppen.’
|
1)Zie over hem H.W. Tydeman, Twee
Minnebrieven met iets vooraf over den schrijver in Utrechtsche Volksalmanak
voor 1842, bl. 51 vlgg. Hij vertaalde nog drie treurspelen uit het Fransch:
Pyrrhus (1698) van Thomas Corneille, Manlius (1699) van Madle
Desjardins, en De dood van Cyrus (gedrukt 1716) van Ph. Quinault,
schreef verder eene Rotterdamsche Arcadia (Rott. 1699, in 1726 samen met
Gedichten van hem herdrukt) en eindelijk nog Zinnebeelden der
liefde (met puntdichten en aanteekeningen), Leiden 1703 (ook Amst.
1725).
1)Voor Thomas Asselijn zie boven, bl. 125,
127, 275, 425, 431-433, 475 en 488 vlg. en verder Arnold Ising, Jan Klaassen
en andere kluchtspelen aan de hand van Troost geschetst, 's-Grav. 1879 en
J.A. Worp, Thomas Asselijn in Tijdschrift IV (1884) bl. 45-100, V (1885)
bl. 62-65.
2)De vier Jan-Klaasstukken zijn herdrukt door
A. de Jager, Asselijn's Werken, Gron. 1878, bl. 227-373 en in de
Zwolsche herdrukken door F. Buitenrust Hettema, N.A. Cramer en K. Poll.
1)Door R. Grisard in Tijdschrift XXVIII (1909),
bl. 162-205.
2)Voor hem zie men boven, bl. 475, 495, 503,
505 en verder J.A. Worp, Dr. Pieter Bernagie in Tijdschrift III (1883)
bl. 123-167. De Goevrouw en Studente-leven zijn opnieuw uitg.
door W.L. van Helten in Drie kluchtspelen der zeventiende eeuw, Rott.
1871 en De belachchelyke jonker en Studente-leven zijn herdrukt
door G. Velderman in ‘Bibliotheek van Ned. Klassieken’, No. 2,
Doetinchem 1882.
1)Dat is aangetoond door J.A. Worp in De Ned.
Spectator 1880, bl. 326-329.
2)Voor hem zie men boven, bl.
527-529.
|
|