|
|
|
| | | | | |
XVIII. De windhandel gehekeld.
Het jaar 1720 gaf aan de hekelzucht nieuwe en rijke stof door den
onzinnigen windhandel in actiën van allerlei maatschappijen zonder
behoorlijk kapitaal. Eigenlijk was het eene epidemische ziekte, die van
Frankrijk oversloeg naar Engeland en vandaar in 1720, toen zij in Frankrijk
zelf reeds had uitgewoed, naar onze Republiek, waar alles wat Fransch was werd
nagevolgd, zelfs dan nog wanneer het in Frankrijk zelf reeds afgedaan had.
De onderneming van den Schotschen financier John Law
1) om, ‘als controleur général
des finances’, een staatsbankroet in Frankrijk te voorkomen door onder
het Regentschap in 1716 te Parijs eene circulatiebank op te richten, later
vereenigd met de in 1717 ook door Law gestichte Compagnie van Louisiana of der
Missisippi, had jammerlijk fiasco gemaakt. De actiën der compagnie, die in
den bankiershoek te Parijs, de ‘Rue Quincampoix’ (tusschen de Rue
St.-Martin en de Rue St.-Denis), ongelooflijk hoog waren opgedreven, tot 4000%
zelfs toe, bleken, toen het eenmaal tot realiseeren kwam, zoo goed als
waardeloos en waren in Mei 1720 tot 10% gedaald, zoodat Law zelfs, zijn leven
niet meer zeker, in December 1720 als lakei vermomd Frankrijk moest
verlaten.
In Engeland was in 1719 de koers der aandeelen van de niet zeer
soliede Zuidzee-compagnie eveneens bespottelijk hoog opgedreven en waren
allerlei andere compagnieën opgericht, wier waardelooze aandeelen door het
speculeeren op rijzing al hooger en hooger werden verhandeld, tot ook daar in
1720 de ‘bubbles’ of zeepbellen uiteenspatten en de Regeering, die
bij het oprichten der andere compagnieën de hand niet in het spel had
gehad, maatregelen nam om het kwaad zooveel mogelijk te verhelpen.
Vreemd is het zeker, dat, toen de handel in Law's
Missisippi-actiën reeds armzalige windhandel gebleken was, hier te lande
het stichten van actie-compagnieën eerst begon
2), en wel in Juni 1720 | | | | te Rotterdam met de oprichting
eener Assurantiecompagnie. Weldra verrezen er overal in ons land, behalve in
Friesland en Gelderland, waar de Staten er zich tegen verzetten, zulke
compagnieën, die allerlei schijnbaar zeer winstgevende ondernemingen op
het gebied van handel, zeevaart, visscherij, landbouw of nijverheid ten doel
heetten te hebben, en, wat het ergste was, steun en aanmoediging vonden bij de
Stedelijke Regeeringen, behalve bij die van Amsterdam, Haarlem en Leiden. Eene
der compagnieën, die een fantastisch denkbeeld van den veel bespotten
Amersfoortschen dichter en ‘keitrekker’ van het buitengoed
Nimmerdor, Everard Meyster weer had opgerakeld, namelijk om door het
graven van een kanaal door Eemland heen naar Spakenburg de stad Utrecht tot
zeehaven te maken en zoo aan Amsterdam als handelsstad den doodsteek te geven,
werd een oogenblik zelfs door sommigen als eene ernstige bedreiging van
Amsterdam beschouwd, om echter al zeer kort daarna als eene onzinnige
onderneming te worden bespot.
Naar de levensvatbaarheid der compagnieën, wier aandeelen ook
in de verste verte niet volgestort behoefden te worden, werd trouwens ook
nauwelijks onderzocht: wie hare actiën kocht, deed het alleen in den waan,
ze weer tegen hooger koers te kunnen verkoopen; en daar zij bij den
koortsachtigen wedloop van speculanten van oogenblik tot oogenblik stegen, was
er ook geen kapitaal noodig om te koopen wat binnen weinige minuten weer met
winst kon worden verkocht. Zoo werd het ook voor menschen zonder eenig
kapitaal, voor gewone burgers, ambachtslieden en dienstboden, mogelijk in
korten tijd schatrijk te worden, en kon het den schijn hebben, of dit
handelsspel alle maatschappelijke verhoudingen zou omkeeren. Slechts een enkele
echter bezat de zelfbeheersching om bijtijds den behaalden buit in veiligheid
te brengen en zoo van daglooner kapitalist te worden: bij de meesten was het
‘zoo gewonnen, zoo geronnen’, en vele kleine kapitalisten
verspeelden er hun geheele vermogen mee.
Niet langer dan drie maanden duurde de roes. Amsterdam had in dien
tijd ook zijn Quincampoix in de Kalverstraat, in het Engelsche koffiehuis, dat
echter weldra te klein bleek om alle kooplustigen te bevatten. Ook in de
herbergen de Karseboom en de Oude Graaf werden actiën verhandeld, ja tot
zelfs op de straat toe. Daar deze windhandel alle hoofden vervulde, stond de
ernstige handel zoo goed als stil, tot groote ontevredenheid van het volk, dat
daarmee | | | | zijn brood moest verdienen en dat dan ook zijn misnoegen
hand-tastelijk te kennen gaf door den 5den October het Engelsche koffiehuis
binnen te dringen, daar alles te vernielen en de actionisten te mishandelen.
Deze waren toen echter reeds erg achteruitgegaan en zagen met schrik den dag
naderen, waarop zij hunne duur gekochte, maar sterk gedaalde, ja waardeloos
geworden actiën zouden moeten betalen of als bankroetiers naar de
vrijsteden Kuilenburg en Vianen zouden moeten vluchten, tenzij zij zich konden
dekken met het placaat (den zoogenaamden mantel van Frederik Hendrik), waarbij
iedere koop van eene actie, die de verkooper op het oogenblik van verkoop niet
feitelijk in bezit had, nietig verklaard was.
De ellende, die de speelzucht van menig windhandelaar aan zijn gezin
had berokkend, is zeker door vele weldenkenden betreurd, maar onze litteratuur
getuigt ter nauwernood van hartelijk medelijden, veeleer van bitteren spot; en
geen aangenamen indruk maakt het, dat de hekeldichters eerst in grooten getale
schijnen te zijn opgetreden, toen het te laat was om te waarschuwen en hun
onbarmhartige spot slechts ontnuchterde slachtoffers trof, die van den
hekeldichter niet meer behoefden te leeren, hoe dwaas zij geweest waren.
In allerlei vorm, op allerlei toon werd gehekeld. In den wel
driemaal gedrukten foliant, getiteld
Het Groote tafereel der dwaasheid
1), vinden wij, behalve ‘een verzameling van alle de
conditiën en projecten van de opgeregte compagniën’, niet
minder dan 74 ‘konstplaaten’ of spotprenten op den windhandel, die
eerst afzonderlijk verschenen waren en behalve welke wij er nog minstens 40
andere kennen. Bovendien zijn in dit ‘Groote tafereel’
verschillende korter en uitvoeriger gedichten en negen tooneelstukken herdrukt,
die ook alle eens afzonderlijk het licht hadden gezien en die nog niet eens een
volledigen indruk geven van de hekelwoede, door deze speel-woede opgewekt.
De spotprenten, die, ofschoon dikwijls wat plat, meestal niet
onvermakelijk zijn en van veel vernuftige vinding getuigen, al schijnt die
vinding ook maar zelden oorspronkelijk Nederlandsch, zijn gewoonlijk van
kortere of langere gedichten ter toelichting voorzien. Een viertal van deze:
‘Quincampoix in duigen’, ‘De Waereld is
eens peel- | | | | tooneel’,‘Schyn
bedriegt’ en ‘Des Waerelds doen en doolen is maar
een mallemoolen’, draagt de onderteekening
‘Philadelphus’, waaronder de boertige dichter
Gysbert Tysens zich verschool.
Van hem kwamen ook vier zeer uitgebreide hekeldichten zonder prent
uit, die eveneens in ‘Het Groote tafereel’ zijn
opgenomen, namelijk ‘Quinquenpeaux (sic), Bombario of Roskam voor
de dolle Actionisten’, eene verzameling van drie
‘landgezangen’, die achtereenvolgens elk afzonderlijk uitgegeven
schijnen; vervolgens ‘Merkurius onder de Actionisten of Quinquenpoix in
Allarm over 't daalen van de Zuidzee Acties’, dat te Nergensland gedrukt
heet, en ‘Mercurius Koolverkooper in de Quinquampoix en Oogmeester onder
de Actionisten’, en eindelijk het dialogisch gedicht ‘Klagt en
Raadsvergadering der Goden over het wissel-vallig Actie-jaar 1720 of Jupiters
besluit en vonnis over 't werk van Quinquenpoix’.
Eene andere ‘Zaamenspraak’, en wel ‘tussen Pasquin
en Marforio over de heedendaagsche Actiën-handel’, gaf
Jan van Gyzen uit, terwijl wij van
Jan Goeree in ‘Het Groote tafereel’
een ‘Windzang op de commerlyke commercie of Wildzang van 't jaar 1720,
door A. Bombario’ vinden, doch zonder de prent, waarbij het gedicht het
eerst uitkwam. Al deze gedichten, zelfs het laatste in vierregelige strophen,
hebben het gebrek, dat zij veel te lang zijn, althans voor ons, die in alle
kleine bijzonderheden niet meer hetzelfde belang stellen als de tijdgenoot
deed.
Onder de negen tooneelstukken verdienen de twee van
Pieter Langendijk
1),
Quincampoix of de Windhandelaars en
Arlequyn actionist, op den voorgrond te treden.
Het eerste, een blijspel in drie bedrijven, leidt ons den kring binnen van den
koopman Bonaventuur, die, onder protest van zijn broeder Eelhart, in
actiën handelt, ofschoon hij overtuigd is, dat het windnegotie is en de
actiën geene innerlijke waarde bezitten. Hij speculeert dus, als
‘kontramineur’, op daling, verkoopt Zuidzee-actiën, die hij
niet bezit, op termijn en int de premiën. Windbuil, de bezitter van een
groot aantal Missisippi-actiën, is daardoor in zijne verbeelding wat men
toen met een nieuw woord ‘millioenair’ begon te noemen en lijkt
daarom | | | | en om zijne bedrijvigheid in den windhandel aan Bonaventuur
de meest gewenschte echtgenoot voor zijne dochter Hildegond. Deze zelve echter
verkiest den van windhandel afkeerigen Hendrik ver boven hem en belooft hem
hare hand, indien hij er door samenwerking met haar oom Eelhart in slaagt, het
onheil af te wenden, waarmee haars vaders speculatiezucht zijn gezin
bedreigt.
Zóó is in hoofdzaak de toestand, waarmee wij in het
eerste bedrijf kennismaken. De redewisselingen er in zijn ernstig, zelfs min of
meer deftig, en het eenige vermakelijke tooneeltje is dat, waarin Windbuil met
een nasleep van Joden, opgewonden door windhandelkoorts, zijn aanstaanden
schoonvader omver loopt, die daarbij erg zijn been bezeert en door zijn barbier
niet dan bij de gratie behandeld wordt, omdat die barbier op eens door den
actiënhandel ‘een heer’ geworden is en er uitscheidt met de
kunst.
Het vermakelijkste en ook door levendigheid van voorstelling zeer
verdienstelijke gedeelte van het stuk vormt het tweede bedrijf, dat in het
Engelsche koffiehuis, het Amsterdamsche Quincampoix, speelt. Daar zijn wij
midden in de herrie; daar schreeuwt alles, Joden en Christenen, wild dooreen,
terwijl Jan de knecht er pijpen en heete koffie aanbiedt met de telkens
herhaalde dubbelzinnige vermaning: ‘brand je niet, myn heeren’;
daar is, evenals eertijds in Quincampoix te Parijs, een gebocheld Franschje,
dat goede zaken doet door zijne bult als lessenaar te doen gebruiken.
Te midden van het grootste rumoer treden Eelhart en Hendrik binnen,
die wel onheusch worden ontvangen, maar er toch in slagen, de door Bonaventuur
aangegane leverings-contracten te koopen van den slimmen makelaar Grijpvogel,
en opmerken, hoe Bonaventuur's kantoorknecht Pieter en zijn boekhouder Krispijn
in compagnie met het geld van hun patroon goede zaken doen. Krispijn treedt
daar ook vermomd op, zooals bij zijne rol past, en wel als een deftig heer, die
eene inschrijving opent op eene nieuwe door hem opgerichte compagnie, waarvan
hij zich directeur noemt, maar die, wanneer men zich verdringt om in te
schrijven, het voorbeeld volgt der Hoornsche compagnie van Commercie en
Navigatie en opeens verklaart, dat de leening al volteekend is, en nu door
Grijpvogel de actiën boven inschrijvingsprijs laat verkoopen. Menigeen
laat hij er zoo inloopen, maar dat gelukt hem niet met Gys, een eenvoudig
boertje, die de pakjes actiën voor ‘quakzalvers kruijen’
aanziet, actionisten met atheïsten verwart, de obligaties
‘bobbelgaesjes’ noemt en ge- | | | | zond verstand genoeg heeft
om zijn geld in den zak te houden.
Het derde bedrijf geeft de ontknooping. De Zuidzee-actiën zijn,
zooals men in eene satire op den windhandel eigenlijk niet zou verwachten, van
400% tot 900% gestegen, terwijl nu de dag gekomen is, waarop Windbuil en
Bonaventuur de op termijn verkochte actiën moeten leveren. Windbuil is
daartoe in de verte niet bij machte, ook wanneer hij alles verkoopt wat hij
bezit, o.a. zijne koets en paarden, die zijn rijk geworden en in heerenkleedij
uitgedoste koetsier en Krispijn beiden wel willen overnemen voor hetgeen zij
met den windhandel verdiend hebben.
Hij besluit naar Vianen te gaan of zich ‘met Fredrik Hendrik
te dekken’, en spottend stelt Krispijn voor, eene stellig winstgevende
compagnie te stichten tot uitlegging van de stad Vianen. Bonaventuur, wien
‘krediet’ meer waard is dan ‘kapitaal’, is bereid al
wat hij bezit op te offeren om aan zijne verplichtingen te voldoen, maar hij
komt er met den schrik af, want Eelhart heeft zijne contracten in handen en
eischt geene levering. Genezen van zijne speelzucht en dankbaar, geeft hij nu
aan Hendrik de hand zijner dochter, terwijl ook Krispijn zich met Klaar, de
dienstbode verlooft.
Het andere stuk van Langendijk, ‘Arlequyn
Actionist’, is een ‘kluchtig blyspel’ in één
bedrijf en vrije navolging van een te Parijs vertoond stuk. Als harlequinade
heeft het niet veel meer te beteekenen dan alle dergelijke stukken, ofschoon
het als hekelspel blijkbaar wel doel getroffen heeft en op het tooneel zeker
wel voldaan zal hebben. Daar wordt de gek gestoken met de naäperij door
‘gansch Europa’ van de ‘zeer konstig in Laauwmaand gemaakte
Missisippi-lappen’, met eene quantiteit Zuidzee-actiën, waarvan
‘in Noordholland papier gemalen werd’, enz. enz. Over die papieren
ontstaat tusschen Kapitano en Arlequyn ‘een bataelje met blaazen’,
waarin Arlequyn de nederlaag lijdt. Hij wordt in eene kooi opgesloten, waar hij
in Mercurius verandert, maar, ofschoon ter dood veroordeeld, er toch het leven
nog afbrengt. Het slot vooral is vermakelijk. Arlequyn biedt een brandend
eindje kaars te koop aan: het gaat van hand tot hand en telkens voor hooger
prijs, maar wordt onderwijl al korter en korter, zoodat de laatste kooper er de
handen aan brandt en het daarom laat vallen ‘in de actiën van
Arlequyn, die in den brand vliegen’. Daarmee is de geheele wind-negotie
niet onaardig in beeld gebracht.
Beide stukken maakten grooten opgang. Het eerste werd sinds | | | | het eind van September vijftien maal achtereen vertoond, het tweede
van eind October tot eind November tienmaal, en al spoedig lokten zij ook
navolgingen uit
1).
Gysbert Tysens gaf in ‘De
Windhandel of Bubbels compagniën’ een blijspel in drie
bedrijven, waarvan de inkleeding volmaakt dezelfde is als van
Langendijk's ‘Quincampoix’ en
zelfs de aardigheden met slechts geringe wijziging zijn nagevolgd. Het
onnoozele boertje is hier door twee boeren vertegenwoordigd, die niet
onverdienstelijk optreden in een der maar matig geslaagde
koffiehuistooneeltjes, waaruit ook hier het tweede bedrijf bestaat. Als vervolg
op dit stuk gaf Tysens nog een ander blijspel in drie bedrijven,
‘De bedriegelyke Actionist of de nagthandelaars’,
waarin Lucille, als man vermomd, met Vroomaard, haar minnaar, Quincampoix
bezoekt om den actionist Windvang te ontmaskeren, die ook naar hare hand dong
en intusschen zich ten koste van haar broeder schandelijk had verrijkt. Een
derde blijspel van Tysens is getiteld ‘De Actionisten
reisvaardig naar Vianen of het uiteinde der Windnegotie’ en
brengt ook weer een meisje ten tooneele, dat twee vrijers heeft,
één die soliede is en hare genegenheid bezit, en
één die actionist is, door haar vader wordt begunstigd, maar
eindigt met naar Vianen te verhuizen. Van Tysens' drie hekelspelen is
dit ongetwijfeld het beste. Het is ook het eenige, dat 's dichters naam op den
titel heeft.
Drie andere hekelspelen maakte de officier
Jacob Clyburg, die nog meer tooneelstukken en
in 1727 ook een bundel ‘Poëzy’ uitgaf. Zijn
eerste hekelspel in drie bedrijven met een voorspel is getiteld
‘Nederland in gekheid wegens de Windnegotie’, en
heet een ‘Staaten Zinnespel’. Het is van het begin tot het einde
vervelend ernstig en allegorisch. De Nederlandsche maagd en verschillende
rivieren treden er naast goden en personificaties in op. Het tweede stuk, dat
in 1721 gedrukt werd en tot titel heeft ‘Krispyn bedrieger en
bedrogen actionist’, is eene klucht in één bedrijf,
waarin Krispyn voor actionist speelt om een ander actionist te verdringen en
zóó voor zijn meester de hand van Lucyntje te winnen. Pieter
Buiken Regtuit, de knecht van Geloofal, den onnoozelen vader van Lucyntje, is
in zijne vrijerij naar Catryn, de meid, eene slechte copie naar Reinier
Adriaenz. van Asselijn, wien hij zelfs verscheidene versregels | | | | woordelijk uit den mond neemt. Het derde kluchtspel van
Clybyrg, dat eerst in 1726 uitkwam, ‘De Windnegotie of
invendutie papier onder oud goed te koop’, bracht een koddig
voorval, dat te Utrecht plaats had, ten tooneele, namelijk dat iemand gevangen
gezet werd, omdat hij, in strijd met het verbod der Regeering om verder nog
actiën te verkoopen, met eenige oude kleeren ook een kapitaal aan
waardelooze actiën als scheurpapier trachtte te veilen.
Ten slotte hebben wij nog een hekelspel te vermelden van
Langendijk's vriend, den Haarlemschen dichter
Govert van Mater
1), die vooraf reeds een bundel ‘Kruisgezangen
op het lyden van Jezus Christus’ (in 1718), een zinnespel,
namelijk
Molière's ‘Don Juan’ (in
1719), een treurspel en een herdersspel had uitgegeven en zijne loopbaan als
dichter, naar 't schijnt, besloot met het kluchtspel ‘Het dolhuis der
actionisten’. Daar vinden wij een aantal mannelijke en vrouwelijke
actionisten opgesloten in het dolhuis onder opzicht van den binnenvader
Japikvaer, die, om een paar bezoekers ‘wat te diverteren’, ze alle
op de binnenplaats bijeen doet komen, waar zij dan weer in actiën gaan
handelen op dezelfde rumoerige manier als te voren in de Kalverstraat. Het stuk
is eigenlijk maar één tafereel zonder eenige intrige en eindigt
met een paar anecdotes, die een der bezoekers vertelt: van een
‘schooyer’, die eenige actiën als aalmoes ontvangende
‘bedankte en zei, dat hy veel liever een oortje sou begeeren’, en
van een Jood, aan wien ‘vyftig duisend guldens Acties op Ter-Veer’
worden geboden om ze ‘met of sonder avans te verkoopen’ en die er
‘net vyftig duisend gulden aen Acties op Naarden’ voor in ruil
bood.
Met het eindigen van den windhandel, waarvan de naweeën zich
echter nog eenige jaren lang deden gevoelen, was de bij velen ontvlamde
speelwoede natuurlijk niet opeens uitgebluscht, en het volgende jaar gaf er dan
ook nog eene herhaling in 't klein van te zien met ‘het windje van den
handel in loten’, die op den ‘bubbel-storm’ volgde. Ook die
‘Verwarde hedendaagse Loteryhandel’ maakte
Gysbert Tysens tot het onderwerp van een
blijspel, dat ook weer weinig oorspronkelijk was, ja zelfs eene slechte copie
van
Bernagie's klucht ‘De ontrouwe
voogd’ kon worden genoemd.
|
1)Voor John Law zie men L.A. Thiers,
Histoire de Jean Law, Paris 1826 (nouv. éd. 1878), Horn, Jean
Law, ein finanzgeschichtlicher Versuch, Leipzig 1878 en Alexi, John
Law, Berlin 1885.
2)Voor den windhandel hier te lande zie men,
behalve J. Wagenaar, Vad. Historie XVIII bl. 216-229, vooral S.
Vissering, Het groote tafereel der dwaasheid in De Gids XX (1856) I bl.
643 vlgg. en Laspeyres, Geschichte der Volkswirtschaftlichen Anschauungen
der Niederläander und ihrer Litteratur zur Zeit der Republik, Leipzig
1863.
1)Het Groote tafereel der dwaasheid is,
en niet alleen als prentwerk, zeer uitvoerig beschreven door F. Muller,
Beredeneerde Beschrijving van Nederl. Historieplaten, I 3 (Amst. 1876)
bl. 103-132.
1)Zijne blijspelen Quinquampoix of de
Windhandelaars en Arlequyn Actionist (met vertooningen), dat zich op
den titel noemt ‘naar het Theater Italien’ of ‘op de wyze van
het Italiaansch Tooneel’ (d.i. de geïmproviseerde commedia dell'
arte), zijn behalve afzonderlijk, ook gedrukt in Langendijk's Gedichten
II (1721) bl. 369-443, en later opnieuw, met name voorzien van inleiding en
aanteekeningen door C.H.Ph. Meijer, Zutphen 1892.
1)Ook die navolgingen werden evenals de
stukken van Langendijk opgenomen in ‘Het Groote tafereel der
dwaasheid’. Over die stukken is ook gehandeld door J.A. Worp, De
Windhandel op het Tooneel, in ‘Noord en Zuid’, 1901, bl.
380-392.
1)Voor Govert van Mater zie men mijne uitgaaf
van Langendijk's blijspel Het wederzyds Huwelyks Bedrog. 4de dr. Zwolle
1922, bl. 97.
|
|