|
|
|
| |
XXII. Pieter Langendijk.
Reeds meermalen hadden wij aanleiding, gedichten van
Pieter Langendijk te bespreken. Wij noemden van
hem eene enkele travestie, gaven een overzicht van zijne hekelende samenspraak
over den ‘Aran en Titus’, van zijn hekeldicht
‘Zwitsersche Eenvoudig- | | | | heid’en van
andere hekeldichten uit den poëtenoorlog, bespraken zijne hekelspelen op
den Windhandel van 1720 en wezen op het groot aantal zijner herders-, veld- en
visscherszangen, die voor een deel als bestelwerk door hem voor eene geldelijke
belooning werden afgeleverd, en maakten ook kennis met zijn grooter gedicht
‘De stad Kleef’, in 1747 gemaakt naar aanleiding van
zijn bezoek, kort te voren aan die stad gebracht om er bij hare bron herstel
van zijne geschokte gezondheid te zoeken en, naar 't schijnt, ook te vinden.
Ofschoon al deze gedichten reeds een gunstig getuigenis van zijne
veelzijdigheid als dichter afleggen en voldoende waren om hem eene eervolle
plaats onder de poëten van zijn tijd te verzekeren, zijn roem bij het
nageslacht berust veeleer op geheel andere werken, namelijk zijne blij- en
kluchtspelen, waaraan hij het recht ontleent, afzonderlijk en met
onderscheiding door ons besproken te worden.
Pieter Arentsz. Langendijk
1) dan werd 25 Juli 1683 in de Gierstraat
te Haarlem geboren. Toen hij zes jaar oud was, verloor hij zijn
vader, die te Haarlem metselaar was. Wat later zond zijne moeder, Anneke
Luyckes Nieuwenhuizen, hem naar Amsterdam in de leer bij den
taalbeoefenaar Willem Sewel, die van Engelsche afkomst was en vermoedelijk door
zijne moeder tot opvoeder van haar zoon werd gekozen, omdat hij tot de
Kwakergemeente behoorde, evenals zij zelve; maar zij gedroeg zich allerminst
naar de beginselen der eenvoudpredikende Kwakers, en na al haar hebben en
houden verspild te hebben, verhuisde zij met hare kinderen in 1695 naar
Den Haag, waar zij een linnenwinkeltje opzette. Haar zoon
trachtte, hoe jong ook nog, er iets bij te verdienen met weven, met teekenen
van damastpatronen en later ook met etsen. In het begin der achttiende eeuw
vond hij te Amsterdam een vast bestaan als patroonteekenaar bij
den fabrikant Verhamme, en later te Haarlem, waar hij allengs in
goeden doen kwam en voor zich zelf kon werken.
In dien tijd trad hij ook als dichter op, en binnen tien jaar had
hij als zoodanig zich reeds zooveel roem verworven, dat hij in 1721 zijne
verzamelde dichtwerken in twee zware kwartijnen als prachtwerk kon uitgeven met
zijn door Jacobus Houbraken gegraveerd portret, en er zeker van kon zijn, dat
zij gekocht en gelezen zouden | | | | worden. Van deze beide deelen bevat
het eerste, behalve een groot aantal kleinere gedichten (ook punt- en
sneldichten), een uitvoeriger dichtwerk van 1720, ‘Lofkrans voor
de stadt Haarlem’, door hem als lid der Haarlemsche kamer
‘Trou moet blijcken’ gemaakt, en een in korte
versregels geschreven ‘Lof der aeloude
schilderkunst’. Het tweede deel wordt grootendeels ingenomen door
zijne meest populaire blij- en kluchtspelen, die verreweg het beste zijn, wat
de achttiende eeuw in deze dichtsoort heeft opgeleverd.
Zijn eersteling,
Don Quichot op de bruiloft van Kamacho, werd in
1711 driemaal achtereen met veel bijval vertoond en in het volgende jaar
gedrukt, maar was, volgens zijn levensbeschrijver, reeds veel vroeger door hem
ontworpen. Bij den vierden druk van 1721 heeft hij, om aan de critiek tegemoet
te komen, er eenige veranderingen in aangebracht. De stof voor dit kluchtspel
in drie bedrijven ontleende hij aan
Cervantes' beroemden roman, die reeds vóór
hem aan drie andere tooneeldichters de stof voor blijspelen geleverd had. Hij
vond die in het negentiende en de beide volgende hoofdstukken van het tweede
deel; maar alleen de hoofdgebeurtenissen waren daar te vinden, zoodat slechts
de tweede helft van het laatste bedrijf nauwkeurig en soms ook woordelijk naar
Cervantes gevolgd is en het stuk overigens in vele opzichten oorspronkelijk mag
worden genoemd.
Het verloop der handeling is eenvoudig en in enkele woorden te
vertellen. Kamacho, een rijke boer, heeft Leontius, een adellijk landman, weten
te bewegen, hem de hand zijner dochter Quiteria te schenken, ofschoon de
edelman Basilius reeds lang hare liefde gewonnen had. Kamacho heeft nu een
schitterend bruiloftsfeest doen aanrechten, waarvan de Waalsche kok Vetlasoepe
met zijn gebroken Hollandsch de bestuurder is en waarop Don Quichot met Sanche
Pance, zijn schildknaap, toevallig als ongenoode, maar niet onwelkome gasten
aankomen en door de boeren en den kok duchtig voor den gek gehouden worden.
Zijn hoog karakter, door Cervantes hem geschonken, verloochent Don Quichot daar
evenmin als Sanche Pance zijne gulzigheid; maar de feestvreugde schijnt een
bloedig slot te zullen hebben, want even voor het huwelijk voltrokken zal
worden, komt de ongelukkige Basilius op, om een laatst vaarwel aan de wreede
Quiteria toe te roepen en zich dan te doorsteken, zoodat hij deerlijk gewond
neervalt en schijnt te zullen sterven. Nu smeekt hij, om gerust de eeuwigheid
te kunnen ingaan, vóór | | | | zijn dood met Quiteria in het
huwelijk verbonden te mogen worden: 't is slechts een vorm, spoedig zal Kamacho
zijne weduwe kunnen trouwen. De Pastoor meent, dat men den laatsten wensch van
den stervende behoort te vervullen; maar als nu het huwelijk van hem met
Quiteria plechtig gesloten is, springt hij onverwacht op. ‘Mirakel!
mirakel!’ roepen de boeren; maar een mirakel was het niet: het was eene
list, die hij vooraf met Quiteria overlegd had. Hij had een met bloed gevulden
koker onder zijne kleederen verborgen en daarmee iedereen bedrogen, toen hij
zich schijnbaar doorstak. Natuurlijk is Kamacho even verstoord als verbaasd, en
zijne vrienden trekken reeds de messen om hem te wreken, maar Don Quichot stelt
zich moedig voor het jonge echtpaar in de bres, en als ook de Pastoor betoogt,
dat het zelfs voor Kamacho beter is vóór dan na zijn huwelijk
door Basilius bedrogen te zijn, wordt de twist bijgelegd en gaan de
toeschouwers heen met de les, ‘dat het verstand het geld te boven
gaat’ en ‘dat men schranderheid voor schatten moet
waardeeren’.
Terwijl men bij
Cervantes veeleer in eene idyllische herderswereld dan
te midden van de boeren verkeert, heeft
Langendijk van Kamacho een dommen en lompen
boer gemaakt, die niets boven Basilius vóór heeft dan zijn geld
en overigens ver bij dezen edelman achterstaat. Daardoor heeft hij zijn spel
tot eene klucht kunnen maken, wat Cervantes' verhaal volstrekt niet is. Grappig
is Kamacho's telkens misverstaan van Don Quichot's hoogdravende woorden en
toespelingen op romanhelden, waarmee de dolende ridder, die in hem een
toovenaar ziet, hem geheel in Cervantes' geest bejegent. Nog grappiger is zijne
naieve onkunde, waarmee hij de dwaasheden doet uitkomen van Meester Jochem, den
boerenschoolmeester en rijmer, die hem vervolgt met een allerzotst
bruiloftsdicht, wemelend van stadhuiswoorden en mythologische geleerdheid. Nog
een vermakelijk tooneel, door Langendijk aan een ander gedeelte van
Cervantes' roman ontleend, is de scène, waarin Vetlasoepe het gulzige
gouverneurtje Sanche Pance op eene deken legt en hem als een bal laat opgooien
en opvangen onder het zingen van ‘zo moet men het gouverneurtje leeren,
zo, zo, zo, die op andersmans teer wil smeeren, zo, zo, zo,’ enz.
Bij Cervantes hebben er op de bruiloft allerlei kunstige
vertooningen plaats en wordt er door herders en herderinnen met bevalligheid
gedanst. Bij Langendijk daarentegen zijn wij op eene boe- | | | | renbruiloft en gaat alles boerscher toe, maar toch zingen ook dáár
een boer en eene boerin met Vetlasoepe een aardig trio, dat blijkbaar eene
navolging is van het ‘Goeden aevond, mijn zoete Troosje’ uit de
‘Bruiloft van Kloris en Roosje’ en dat op eene
guitige zangwijs aldus begint: ‘Kom, lief Teréze, hoe staeje daer
en kykt? Dat mag niet weezen: me dunkt 'et niet en lykt. Ik heb myn moer en
vaer gevraegd al ruim een jaer, of ik mogt gaen uit vryen: nau is ons hylik
klaer, wil jy 't maer lyen’.
Deze klucht behoort tot de stukken, die bij lezing maar matig
behagen, maar die men moet zien spelen, om te begrijpen, dat zij ook zelfs een
beschaafd publiek in eene vroolijke stemming kunnen brengen en door het
grootere publiek volop genoten kunnen worden. En dat is niet te veel gezegd van
dezen ‘Don Quichot’, die eerst na 1852 opgehouden heeft, deel uit
te maken van het jaarlijks terugkeerend repertoire van den Amsterdamschen
schouwburg, waarop hij na den ‘Warenar’ het eerste blijspel was,
dat vermakelijk is zonder in eenig opzicht het kieschheidsgevoel te kwetsen.
Wie echter verlangt, dat het zal voldoen aan de eischen door de aesthetica aan
zeden- of karakterspelen gesteld, verlangt iets onredelijks. ‘'t Was om
de klucht maer, denk ik’, zeide Sanche Pance, toen hij begrepen had, dat
men het zingende vrijerijtje van boer en boerin niet al te ernstig moest
opvatten, en daarom was het ook Langendijk met dit spel alleen te
doen. In de zotternij van Don Quichot, zeide hij zelf in de opdracht van zijn
spel, konden de toeschouwers hunne eigene zotheid weerspiegeld zien, indien zij
waanden, dat ‘al des waerelds schoone dingen’ nog iets anders waren
dan ‘verbeelding’.
Langendijk's tweede spel,
De Zwetser (van 1712), een kluchtspel in
één bedrijf, moet ver voor zijn eerste onderdoen, al heeft het
ook eene ernstiger strekking, want zonder aanstootelijkheden, die
Langendijk verfoeide, daalt het toch zoozeer tot het grof komieke af,
dat al wat er misschien grappig in is, door die grofheid wordt doodgedrukt. Ook
is de er in behandelde stof allesbehalve nieuw, noch met veel vinding in vorm
gebracht. Aan ‘Die Historie van Slenner-Hincken’ is vrij wat
ontleend
1). | | | |
Ernst, ‘een edelman van burgerlyken staat’, wil niet
hooren van een huwelijk zijner dochter Izabel met Karel, den verstandigen
jongen koopman, die haar hart gewonnen heeft. Zijne dochter, meent hij, mag
alleen een edelman tot echtgenoot krijgen, en zulk een denkt hij gevonden te
hebben in een lompen Mof, Hans Zwetser, die, evenals zijn knecht Slenderhinke,
erbarmelijk Westfaalsch koetert, maar zich voor een geweldig kapitein uitgeeft,
snoevende op zijn moed, zijne kracht, zijn adel en zijn rijkdom. Door zijne
onbeschofte taal en vlegelachtige manieren verraadt hij echter onmiddellijk aan
de toeschouwers, wat hij voor een man is, en is hun hoofdindruk, dat Ernst wel
half idioot moet wezen, om nog eenig ander bewijs voor de nietswaardigheid van
Hans Zwetser noodig te hebben, vóór hij Karel als schoonzoon
boven hem verkiest. Toch wordt dat voor hem onmisbaar bewijs geleverd. Door
misverstaan namelijk van des Zwetsers opdracht aan zijn dommen knecht, om hem
‘syn weksel heraus toe brengen, waarnaar hy al drei monat gewacht
hat’, zooals hij zegt, brengt Slenderhinke hem zijn broer Wessel en drie
andere hannekemaaiers, die ook Wessel heeten, en die nu hun bloedverwant voor
de oogen van de hem beloofde bruid en haar vader te schande maken. Hij toch
blijkt daardoor ook zelf een arme Westfaalsche boerenzoon te zijn, die
bovendien ten slotte nog als kwakzalver van beroep wordt ontmaskerd door
Karel's knecht Krispyn, vermomd als eene arme vrouw, wier dochter Hans te
Keulen verleid had. Tot zijne straf moet de gewaande kapitein, die zich bij dat
alles als eene lafhartige vrouw gedraagt, zijne knevels afknippen en aan het
spinnewiel plaats nemen, ten spot van al wie dat onder het publiek grappig
hebben kunnen vinden.
Met zijn derde stuk,
Het wederzyds huwelijksbedrog, een blijspel in
vijf bedrijven, ondernam
Langendijk in 1714 het schrijven van een
oorspronkelijk spel, zooals er nog slechts enkele in vertaling bij ons vertoond
waren, namelijk van eene zeden- of karaktercomedie. Hij bedoelde daarmee een
goed voorbeeld te geven ter opbeuring van het blijspel, dat in dien tijd, naar
hij zegt, ‘den geest scheen te geeven, verdrukt door een menigte
historiespelen, weinig dienende tot verbeteringe der zeden, 't welk de grootste
eigenschap is, die het tooneel luister bijzet.’ ‘Indien men de
ongebondenheid wat maatigde, misgaders de onkuische uitdrukkingen verbande, die
niemant dan het graeuw en de losbollen kunnen behaagen’, zou het, meende
hij, den Nederlanders niet moeielijk vallen, de Franschen | | | | in het
maken van goede blijspelen te overtreffen. Lang vóór
Molière toch had Holland reeds in Hooft en Bredero voortreffelijke
blijspeldichters opgeleverd, in wier stukken ‘de natuur hunner
personaadjen nergens van haar eigenschap week, noch zulke buitenspoorige
sprongen deed, als men in Molière vind.’ Toch minachtte hij
Molière niet: in tegendeel, hij noemde hem ‘den grootsten
blyspeldichter zyner eeuw’, van wien men voor ‘de schikking der
spelen’ en het ‘met kunst bespotlyk maaken van de kenmerken
(caracters) der ondeugden’ veel kon leeren.
Evenmin als
Molière behoefde men natuurlijk in alle opzichten
oorspronkelijk te zijn; en zoo heeft hij dan ook de stof van zijn blijspel
ontleend aan het eerste gedeelte van een in 1698 uitgegeven roman, getiteld
‘Vermakelyke Vryagie van den kaalen Utrechtsen edelman en de niet
hebbende Gelderse Juffer, met de Overysselse Broodzoekende kamenier en den
armen Franschen Lakey; zynde een ware geschiedenis, nu onlangs
voorgevallen’
1). Het is een echte schelmenroman, die ons in eene ware boevenwereld
verplaatst, waarin wij ongaarne lang verwijlen, daar deze boeven noch van
nature, noch door de omstandigheden, waarin zij komen, vermakelijk zijn. Door
ze bespottelijk te maken heeft Langendijk het weerzinwekkende, dat zij
in den roman hebben, er grootendeels aan ontnomen, terwijl hij bovendien ook de
al te felle kleuren, waarmee de roman hunne gemeenheid afschildert, wat heeft
getemperd. Van het verhaal heeft hij een behoorlijk tooneelstuk gemaakt door
eenheid van handeling in acht te nemen en er voor te zorgen, dat zich als
vanzelf eene geschiedenis ontspint, die een hoogtepunt bereikt en eene
bevredigende ontknooping vindt, in afwijking van den roman, waarin de
geschiedenis nog veel verder wordt voortgezet.
De inhoud komt in 't kort hierop neer. Lodewijk, een berooid
edelman, die als avonturier met zijn, als knecht fungeerenden, makker Jan, een
weggeloopen soldaat, rondzwerft en van valsch spelen leeft, ziet in de
Maliebaan te Utrecht Charlotte, eene adellijke juffer, dochter van Constance,
die met Klaar, hare meid of kamenier, daar rondwandelend den schijn aanneemt
alsof zij eene rijke en aan- | | | | zienlijke jonge dame is, maar die
inderdaad niets dan schulden en nauwelijks iets te eten heeft.
Op Charlotte verliefd geraakt, maar vooral in den waan, een rijk
huwelijk met haar te doen, geeft Lodewijk zich nu voor een Poolschen graaf uit,
en Jan, zijn knecht, voor zijn neef, een Poolschen baron; doch de
onbeschaafdheid en onhandigheid van dien gewaanden neef maakt het noodig, hem
tevens voor te stellen als iemand, die niet wel bij het hoofd is; en Jan maakt
daarvan dan weder gebruik om de zotste leugens uit te kramen. Charlotte, die
geen argwaan heeft, tracht nu ook Lodewijk in hare netten te lokken door zich
als schatrijk voor te doen en wordt daarin geholpen door Hans, den vrijer, en
Fop, den broeder van Klaar, van welke de eerste zich uitgeeft voor een
Waalschen juwelier, die gebroken Hollandsch spreekt, en de tweede voor den
boerschen tuinman van Constance's (natuurlijk niet bestaande) buitenplaats. Het
huwelijk is op het punt tot stand te komen, maar Constance heeft geen geld om
een bruiloftsfeest aan te rechten en raadt daarom hare dochter, die slechts
aarzelend toestemt, aan, zich te laten schaken. Zoover komt het echter niet,
want onverwacht verschijnt nu Karel, Charlotte's broeder, die er in geslaagd is
tot kapitein te worden aangesteld en een rijk huwelijk gedaan heeft. Hij
ontmaskert Jan als deserteur en paardendief, en ook Lodewijk kan nu niet langer
veinzen. Hij wordt echter door Karel's vrouw als haar broeder herkend en krijgt
nu toch nog uitzicht op de hand van Charlotte, die hij werkelijk lief heeft
gekregen.
Was Langendijk's verdienste niet grooter
geweest, dan voldaan te hebben aan ‘het oogwit van het Blyspel’,
dat volgens hem bestond in het ‘beschimpen van gebreken, die van
openhartige Hollanders altyd verfoeid zijn,’ dan zou zijn stuk zeker dien
opgang niet gemaakt hebben, waarin het zich tot het eind dezer periode mocht
verheugen, en niet in 1817 opnieuw op het repertoire gebracht zijn om daarop
nog tot 1834 te blijven. Hij heeft echter meer gedaan. Hij heeft juist eene
ondeugd gekozen, die zich bijzonder goed leent om belachelijk gemaakt te
worden, namelijk den valschen schijn, die door eene voorgewende grootheid de
tegenstelling met de werkelijkheid nl. de zedelijke kleinheid van den bedrieger
des te belachelijker doet uitkomen. In dit blijspel is ‘grootsche
kaalheid’ de heldin, zich verveelvoudigend onder de gedaante van
verschillende personen, die zich elk door een eigen karakter van elkaar
onder- | | | | scheiden. Natuurlijk moet ‘karakter’ hier in de
oorspronkelijke beteekenis van ‘type’ worden opgevat, want van
karakterontwikkeling kon in de vier en twintig uur, waarbinnen zich de
handeling moest afspelen, geene sprake zijn. Daarom moest de kunst van den
dichter vooral hierin bestaan, dat hij zijne personen in zoovele verschillende
omstandigheden bracht, als er noodig waren om hun vaststaand karakter van alle
kanten,,onder allerlei licht aan de toeschouwers te vertoonen. De beide
hoofdpersonen, Lodewijk en Charlotte, vertegenwoordigen het zuiverste type van
grootsche kaalheid, en Constance is een oude en grove afdruk van denzelfden
stempel.
De slimheid en handigheid, door de beide hoofdpersonen aan den dag
gelegd, de gevatheid, waarmee zij hunne rollen spelen, zijn inderdaad
bewonderenswaard, maar de dichter heeft er wel degelijk voor gezorgd, dat wij
ze niet al te zeer zouden bewonderen, doordat hij ze terzelfder tijd en in
dezelfde mate, waarin hij hen elkanders listige bedriegers doet zijn, ze ook
tot elkaars onnoozele dupes heeft gemaakt. Toch heeft hij zeer goed gevoeld,
dat hij hen niet al te verachtelijk mocht voorstellen, daar zij dan niet meer
belangwekkend zouden blijven, en hij heeft ze dus tegelijk min of meer
medelijdenswaardig gemaakt. Beiden zijn van goeden huize, welopgevoed en er
zich van bewust, dat zij zich vernederen door de rol, die zij spelen. Op het
eind ontmaskerd als bedrieger, ontwapent Lodewijk de straffende gerechtigheid
door het deemoedig verhaal van de reeks zijner ongelukken; maar ook reeds
vroeger begrijpen wij, dat hij met tegenzin zijn vagebondeerend leven leidt,
vooral ook omdat hem dat heeft vastgekoppeld aan een gemeenen schurk, die zijne
geheimen kent, zijne beurs met hem deelt, gemeenzaam brutaal tegen hem durft
spreken en hem bovendien door zijne onbeschaafdheid, onhandigheid en
zorgeloosheid voortdurend in angst doet zijn, dat hij zal ontdekt en gestraft
worden.
Ook aan Charlotte is, tot straf voor hare bedrieglijkheid, een
kwelgeest tot kameraad gegeven; maar Klaartje, hare dienstbode, is toch eene
veel aantrekkelijker figuur en alleen liegend ter wille van hare meesteres, aan
wie zij goedhartig hare spaarduitjes heeft geleend, maar die daarom dan ook
hare groote gemeenzaamheid moet verdragen en zich soms zelfs door haar voor den
gek moet laten houden. Toch wordt ook datzelfde Klaartje eene komieke figuur,
wanneer ook zij zich tot grootheidszucht laat verleiden en zich door den
gewaanden baron een huwelijk en een adellijken titel laat voorspie- | | | | gelen, ja zelfs zoover komt, dat zij zich zelf ook van adel noemt. ‘Zy
woont in Utrecht en zou niet van adel wezen!’ laat de dichter zeggen met
Amsterdamschen spot over den adeltrots der Utrechtenaars. Daardoor wordt ook
zij op het eind van het stuk belachelijk, wanneer de gewaande baron een schurk
blijkt en Hans, haar gewezen vrijer, dien zij om den baron heeft afgescheept,
maar nu wel weer terug verlangt, haar zegt, dat hij niet meer van haar wil
weten en zij ‘den kaerel, die nou hangen moet,’ maar moet
trouwen.
Een aardig tooneeltje was het vooraf geweest, waarin Hans zijne
jaloerschheid op den baron had getoond: eene pruilscène, waarvoor
Molière in ‘Le bourgeois gentilhomme’
en in ‘Le dépit amoureux’ aan
Langendijk het voorbeeld schijnt gegeven te
hebben. Zulke aardige vermakelijke tooneeltjes komen er in het stuk meer voor,
o.a. van Hendrik en Joris, twee schuldeischers, die Charlotte met evenveel
handigheid ongetroost en toch buigend naar huis laat gaan, als Molière's
‘Don Juan’ het haar met zijn schuldeischer Dimanche had voorgedaan.
Deze behooren tot de bijverdichtsels, waarin Pels de groote verdienste van den
tooneeldichter zag, en daartoe behooren ook de schimpscheuten op pedante
wijzigheid over spelling-quaesties, op jonkerfransch, op rederijkersgerijmel en
dichterlijke hoogdravendheid, op overdreven romantiek, enz. In een waard, die
‘de lui voor een civielen prys bedient, zooals te Utrecht de wys
is,’ geeft Langendijk een aardig type, en de malle verdichtsels,
waarmee Jan zijn adel en zijn krijgsmoed tracht te bewijzen, zijn niet kwaad
gevonden, al is die geestigheid ook van wat onzuiver allooi, evenals nog wel
andere grappen, voor het groote publiek bestemd, waarvan trouwens ook zelfs
Molière zich niet altijd onthouden heeft. Merkt men nu nog op, dat dit
stuk vol leven en beweging, vol afwisseling is, dan zal men moeten bekennen,
dat er in de geheele achttiende eeuw geen enkel blijspel bij ons ook maar van
verre bij haalt en dat Langendijk slechts in dien trant had behoeven
voort te gaan en zich verder te ontwikkelen om een Nederlandsche Molière
te worden. Dat hij daarbij zijn nationaal karakter zou verloren hebben, zou men
wel niet hebben behoeven te vreezen.
Veel minder kunstig samengesteld, maar niet minder vermakelijk,
zelfs het meest populaire van al zijne spelen en ook in het Hoogduitsch en
Fransch vertaald
1), is Langendijk's
vierde stuk (van | | | | 1715),
Krelis Louwen of Alexander de Groote op het
poëetenmaal, dat hij een ‘kluchtig blijspel’
noemde, omdat het met zijne drie bedrijven de lengte van een blijspel, maar
door den inhoud het karakter van eene klucht had. Voor eene karaktercomedie
wilde de dichter het dus niet uitgeven, en terecht, want van karakterteekening
kan er, evenmin als van kunstige samenstelling, sprake bij zijn, ware het
slechts omdat geen der personen, behalve Krelis Louwen zelf, eenig karakter
heeft en omdat de liefde van Ferdinand tot Krelis' pleegdochter Alida, die op
het eind van het stuk door haar waren vader, een aanzienlijk man, weer als zijn
kind wordt aangenomen, in het stuk slechts bijzaak is en blijkbaar nergens
anders toe dient, dan om de tegenwoordigheid van poëten, op wier maaltijd
Krelis voor den gek wordt gehouden, te motiveeren.
Eene oude anecdote, van Arabischen oorsprong en bij ons ook reeds
meermalen in verschillenden vorm behandeld
1) en zelfs, maar
veel minder geestig dan door
Langendijk, op het tooneel gebracht, is door
hem hier gedramatiseerd met gebruikmaking van het een en ander uit de vroegere
bewerkingen. Krelis Louwen, een drink-lustige boer, door grootheidswaanzin
aangegrepen, nadat hij een hoogen prijs uit de loterij getrokken heeft, is
onuitstaanbaar geworden voor zijne vrouw, vooral ook sinds zij te kennen
gegeven had, dat zij zijn plan om in Duitschland een riddergoed aan te koopen
ten sterkste afkeurde. Van dien grootheidswaan zal Ferdinand den pleegvader van
zijne geliefde nu trachten te genezen met behulp van comedianten, die hij op
zijne buitenplaats verwacht. Als zij zijn aangekomen, wordt Krelis, die dronken
naar bed is gegaan, zonder dat hij het bemerkt overgebracht naar Ferdinand's
landhuis, waar hij den volgenden morgen ontwaakt en men hem wijs maakt, dat hij
Alexander de Groote is. De comedianten toch hebben zich als oude Grieken en
Aziaten verkleed en bedienen hem op de hoffelijkste manier. Krelis is
natuurlijk niet terstond te overtuigen, dat hij een ander is dan zich zelf, al
verkeert hij nog min of meer in een roes, | | | | en Langendijk
heeft dan ook het geheele stuk door den boer laten twijfelen, of hij inderdaad
wel is, wie men zegt dat hij is; ja, eigenlijk verliest hij het bewustzijn van
zijne identiteit nooit, maar daar zijne verheffing tot koning volkomen strookt
met zijne stoute wenschen, laat hij zich, nog half in den roes, de zaak
aanleunen, en komt het niet in hem op, dat men hem voor den gek houdt.
De kunst was hier den boer zijne gedaanteverwisseling voor mogelijk
te doen houden, wanneer hij alleen zijne neiging volgde, maar voor onmogelijk,
wanneer hij tot bezinning kwam. Moge nu de situatie, waarin Krelis verkeert,
ook al zeer ongewoon zijn, zijn zieletoestand is dat niet. Het is toch dezelfde
waarin ieder ijdel mensch verkeert, wanneer hij gevleid wordt: hij gelooft dan,
wat hij wel weet, dat onwaar is, en kan niet meer onderscheiden, of men hem
voor den gek houdt of niet. Aan den ijdelen man, wiens zieletoestand
Langendijk in ongewonen vorm zoo juist heeft
geteekend, houdt de dichter hier een spiegel voor, die hem het recht geeft er
zich op te beroemen, dat ook deze klucht eene zedelijke strekking heeft. Maar
ook in het waarlijk komieke van taal en toestanden bestaat de verdienste van
deze klucht, en ook hier wordt de lach, die soms een schaterlach kan zijn, door
vermakelijke tegenstelling gewekt.
Reeds als bezitter van een riddergoed zou Krelis een mal figuur
hebben gemaakt, maar als koning, en dan nog wel als een heldenkoning zooals
Alexander, doet hij het in hooge mate. De comedianten slagen er uitstekend in,
eene hofhouding te vormen, waarin wij ons kunnen voorstellen, dat de werkelijke
Alexander niet misplaatst zou zijn geweest, behalve dat de voor geneesheer
spelende Flippyn met zijn herhaald klisteeren wat uit zijne rol valt. Hij
echter is de eenige, die den gewaanden koning niet naar zijne waardigheid
behandelt, maar de anderen geven ons inderdaad de illusie, dat wij aan
Alexanders hof zijn. Alleen Krelis zelf vormt met het beeld van den Alexander,
dien wij er verwachten, een uiterst belachelijk contrast. Tegenover de
hoffelijke taal der hovelingen is zijne platte taal het voertuig van platte
gedachten; met de grootsche edelmoedigheid, die men hem toeschrijft,
contrasteert vermakelijk het bekrompen egoïsme van den boer, die niets
hooger stelt dan lekker eten, een borrel en eene pijp; met den heldenmoed, dien
men van Alexander verwacht, vormt zijne lafhartige vrees, die reeds in het
begin zich tegenover een tammen beer openbaarde, en hem later op | | | | het gerucht, dat de vijand in aantocht is, in den kelder doet kruipen,
de dwaaste tegenstelling.
Terwijl de plichtplegingen der hovelingen hem reeds een gevoel van
verveling beginnen te geven, is het ten slotte de angst, die hem van zijn
grootheidswaan geneest. Hij ziet in, dat ‘Mallesander’ of
‘Salamander’ te zijn geen prettig baantje is, en dat het veel beter
is ‘Kees te wezen’. Dat wordt hij dan ook weer, maar niet op de
manier, waarop Ferdinand zich dat, in overeenstemming met het verloop in de
anecdote, bij het begin van het derde bedrijf voorstelde, toen hij zeide:
‘Wanneer 't gedaan is, kan men hem weer dronken maaken en laten hem weer
in zyn eigen bed ontwaaken: men zeg hem, dat hy heeft gedroomd’. Omdat
het stuk eindigt met Krelis' genezing, kan het verwondering wekken, dat de
dichter dit plan niet heeft laten uitvoeren, daar door een, vooral op het eind
zoo benauwden, droom, de genezing veel beter gemotiveerd zou zijn, dan nu door
de mededeeling, dat men hem voor den gek heeft gehouden. Het bevreemdt ons nu,
dat hij daar niet boos over wordt, want niet licht geneest men iemand van zijne
gebreken door hem zelf belachelijk te maken, maar wel door diezelfde gebreken
in anderen te bespotten.
Tegenover zijne vorige stukken, die alle in alexandrijnen geschreven
zijn, heeft
Langendijk in dit geheele stuk telkens twee
rijmregels van vier met twee rijmregels van zes voeten doen afwisselen, omdat
die rijmtrant, naar hij zeide, ‘best voegde om syn personaadjen met eene
styl, die hunne hoedanigheid vereischte, te laaten spreeken’. Inderdaad
draagt deze afwisseling van korte en lange versregels wel wat bij tot de
levendigheid der gesprekken in dit stuk. Ook is hier de eigenaardige volkstaal
in het spreken van Krelis en zijne vrouw met talent nagebootst.
In hetzelfde jaar 1715 gaf Langendijk nog een vijfde stuk,
De wiskunstenaars of 't gevlugte juffertje, een
kluchtspel in één bedrijf. De intrige van dat eenvoudige
spelletje heeft niet veel te beteekenen. Izabel, door Anselmus, haar oom en
voogd, gedwongen om met haar neef Dr. Raasbollius in het huwelijk te treden, is
daarom met Katryn, hare dienstmaagd, in manskleeren het huis haars ooms
ontvlucht en komt 's avonds in eene herberg te Loenen aan, waar een
verdienstelijk geteekende waard haar herbergt. Toevallig zal daar ook Eelhart,
haar minnaar, overnachten, en even toevallig logeeren daar ook nog haar oom en
haar neef Raasbollius met een anderen | | | | halfgekken wiskunstenaar, Dr.
Urinaal. In donker hebben er allerlei vergissingen plaats, maar natuurlijk
eindigt het stukje hiermee, dat oom, op raad van Eelhart, dien hij niet kent,
aan zijn nichtje de toestemming geeft om met haar uitverkorene te trouwen,
nadat Raasbollius in zijn dolzinnig dispuut met Urinaal over het zonnestelsel
gebleken is, rijp te zijn voor het dolhuis. Dat dispuut der beide
wiskunstenaars maakt, in verband met een hamdiefstal door Eduards guitigen
knecht Filipyn en twee voerlui, het komieke gedeelte van het stukje uit.
Misschien heeft
Langendijk voor dit spel iets ontleend aan het
vroeger reeds vermelde blijspel ‘De geschaakte bruid of de
verliefde reizigers’ van
Jacob van Rijndorp, maar zeker heeft hij de
twistende wiskunstenaars gecopiëerd naar een hem door
Quevedo's ‘Pablo de Segovia’
verstrekt voorbeeld; doch het komieke bestaat niet zoozeer in de dwaasheden,
die zij zeggen, als wel in de tegenstelling hunner quasi-wetenschappelijke
betoogen met de opmerkingen van Filipyn, wanneer zij borden en schotels
gebruiken om hunne meeningen over het zonnestelsel aanschouwelijk toe te
lichten. In hunne demonstratie en vooral in hun gekijf zijn zij, door hunne
overdrijving, echte kluchtspeltypen, maar in 't klein vinden zij toch ook nu
nog wel hunne evenbeelden in die halfgeleerden, die meenen, dat men door
anderen uit te schelden zijne geleerdheid kan toonen. Verstandiger dan deze is
zeker Anselmus, wanneer hij zegt: ‘foei, 't staat zo lelyk als geleerde
lui zo kyven’. Overigens zullen de aardige kwinkslagen, die in het stuk
voorkomen, en de levendigheid der handeling het bij eene goede vertooning zeer
genietelijk gemaakt hebben.
Nu volgden in 1720 de beide hekelspelen op den Windhandel,
Quincampoix of de windhandelaars en
Arlequin actionist
1), van
welke het laatste eene vrije vertaling uit het Fransch was. Daarmee trad
Langendijk dan zelf in het gild der vertalers, waarover hij zich te
voren wel eens wat minachtend had uitgelaten, en hij deed dat nog meer door in
hetzelfde jaar zelfs een geheel treurspel, namelijk de ‘Caton
d'Utiques’ (van 1715) van
F.M.C. Deschamps in het Nederlandsch over te brengen onder
den titel
Julius Cezar en Kato. Iets anders was het
natuurlijk, dat hij in 1715 naar eene prozavertaling van Addison's Cato
het tweede en vierde bedrijf van dat treurspel berijmde om zijn vriend
Hermanus Angelkot Jr., die | | | | de
vertaling ondernomen had, in de gelegenheid te stellen, ‘tyd te
bezuinigen’ en aan ‘de nieuwsgierigheid der menschen naar een
treurspel, dat zulken roep in Engeland gemaakt heeft’, bijtijds te
voldoen.
Niet lang na het uitwoeden van den Windhandel, namelijk 21 October
1721, werd de vermaardste aller roovers en dieven, Cartouche, te Parijs
openlijk terechtgesteld, en nog op den avond van dienzelfden dag werd daar
onder buitengewonen toeloop, die nog weken daarna aanhield, een blijspel van
M.A. Legrand vertoond, ‘Cartouche ou les
voleurs’. Eene prozavertaling van dat stuk nu is door
Langendijk in maatlooze verzen berijmd en op den
Amsterdamschen schouwburg vertoond onder den titel
De bedriegery van Cartouche of de Fransche
Roovers; maar terwijl het te Parijs voor schrijver en
schouwburgbestuur eene ware geldmakerij was geweest, trok het te Amsterdam
alleen bij de eerste voorstelling een groot publiek, ‘by de tweede schier
niet dan mannen, en by de derde zeer weinige aanschouwers.’ Vandaar zeker
ook, dat het stuk ‘eenige jaaren ongedrukt gebleeven is’ en eerst
in 1732 het licht zag. Toch stelde men ook hier in Cartouche, wiens naam nog
altijd onder het volk voortleeft, wel veel belang en is het in 1722 uit het
Fransch vertaalde ‘Leven van den wereldberuchten kapitein der
moordenaren, Louis Dominique de Cartouche’, hier minstens twaalf
maal gedrukt.
Na zijne vertaling van ‘Cartouche’ te hebben uitgegeven,
liet Langendijk meer dan twintig jaar verloopen, vóór
hij weer voor het tooneel ging werken; maar zijn dichtwerk heeft hij daarmee
niet gestaakt. In 1721 toch was hij factor geworden van de Haarlemsche kamer
‘Trou moet blijcken’, die onder zijn bestuur eene
periode van nabloei beleefde
1); en voor die kamer moest hij ten minste ieder jaar een
jaardicht maken. Voor het jaar 1724 en de volgende twintig jaar koos hij tot
onderwerp De Graaven van Holland, naar aanleiding van de door Willem
Thibaut herschilderde afbeeldingen der graven, die uit het Carmelieter klooster
naar het Haarlemsch stadhuis waren overgebracht. In 1745 nu werden al die
jaardichten in twee deelen herdrukt, van proza-aanteekeningen voorzien en
versierd met de door zijn neef Hendrik Spilman in koper gesneden | | | | afbeeldingen der graven. Daar wij in dit groote werk niet veel anders
kunnen zien dan eene moderne rijmkroniek in alexandrijnen, hoezeer het door
Langendijk's tijdgenooten uitbundig geprezen werd als een dichtwerk
van groote waarde, laten wij het verder liefst onbesproken. Wij doen dat ook
met een tweede soortgelijk werk, eene verzameling van negen jaardichten, in
1747 begonnen, maar onvoltooid gebleven en in 1762 als geheel gedrukt onder den
titel
Willem de Eerste, Prins van Oranje, Grondlegger der
Nederlandsche vryheid. Door zijn dood is
Langendijk verhinderd, 's Prinsen leven verder
te berijmen dan tot het midden van 1574. Zijn opvolger als factor der Kamer,
Johannes Marshoorn, heeft in een tiende
jaardicht er een vervolg op gegeven.
Sedert den tijd, waarin Langendijk te Haarlem
een onafhankelijk bestaan gevonden had en zelfs gedurende eenigen tijd eene
damastweverij had bestuurd, waren er gewichtige veranderingen in zijne
levensomstandigheden gekomen. Zijne moeder, die hem altijd een blok aan het
been was gebleven, was in 1727 overleden, en hopende den ongunstigen indruk uit
te wisschen, dien zij hem van het vrouwelijk geslacht gegeven had, trouwde hij
in het volgende jaar met Joannetta Maria Sennepart, voor wie hij al vijftien
jaar lang liefde had gevoeld, doch zonder door minnezangen daarvan meer dan
eene enkele maal te getuigen. Toen zij in 1739 overleed, zal hij haar wel niet
diep betreurd hebben, want in een puntdichtje noemde hij het voor zich onnoodig
‘om Xantippe na den Schouwburg te gaan’. Hij zag ‘die comedie
in zyn huis genoeg voor niet’, zegt hij en heeft daar waarschijnlijk ook
ruime stof kunnen vinden om zelf een blijspel te schrijven met Xantippe als
hoofdpersoon. Toch houd ik het er voor, dat hij met het samenstellen van zulk
een blijspel reeds vóór zijn huwelijk is begonnen en dat
kieschheid hem belet heeft, het tijdens zijn huwelijk en spoedig na den dood
zijner vrouw af te maken. Nu en dan evenwel droeg hij er stukken van voor aan
zijne vrienden, die hem jaren later bewogen, het stuk te voltooien, zooals hij
dan ook op het allerlaatst van zijn leven heeft gedaan. Voor de pers heeft hij
het nog gereed kunnen maken, maar toen het in 1756 verscheen en op den
Schouwburg vertoond werd, was hij reeds overleden.
Zelf beschouwde hij zijn
Xantippe of het booze wyf des filozoofs Socrates
beteugeld in vijf bedrijven als ‘een nieuwe vinding’,
als eene ernstige karaktercomedie, waarmee hij ‘meende voldaan te | | | | hebben aan het allervoornaamste oogmerk van een Blyspel, namelyk de
opleiding tot de deugd, zonder welke alles ydelheid is.’ Ook geloofde hij
in dit stuk ‘onder het boertige zoveel Atthisch zout gemengd te hebben,
dat geleerde en deftige mannen smaak in dit blyspel hebben gekreegen.’
Dat er in het stuk ‘te veel en te lange redeneeringen’ voorkwamen,
waardoor het ‘op die plaatsen veel te ernstig werd’, schijnt men
hem eerlijk gezegd te hebben, en inderdaad steekt die vervelende ernst
wonderlijk af bij de platte boert, die er ons in tegenstaat en het zeer
betwijfelbaar maakt, of Langendijk wel ooit veel eer heeft ingelegd
met deze bekeeringsgeschiedenis zijner kwaadaardige, kijfachtige, ijdele,
geldgierige en (maar niet geheel te onrechte) jaloersche Xantippe door een
pedanten Socrates, die in de wijsgebeerte misschien een voldoenden steun voor
zijne zwakheid, maar niet een middel tot krachtsontwikkeling gevonden heeft. De
‘filozoofische liefde’ van Socrates tot Daria, de ‘dappere en
ontzachelyke’ koningin der Amazonen, door het Delfisch orakel opgewekt om
zich te ‘vereenigen met den wysten held, dien, die zich zelven
kent’, is eene vinding van Langendijk, maar draagt er weinig toe
bij om ons te verplaatsen in de ware Grieksche maatschappij, waarvan
Langendijk, ook door bekende mannen als Diogenes, Apelles en anderen
te doen optreden, getracht heeft ons een beeld te geven.
Na den dood zijner vrouw schijnt
Langendijk niet voorspoedig in zijne zaken
geweest te zijn: althans in 1747 moest hij een gedeelte zijner boeken, printen
en inboedel publiek verkoopen, en twee jaar later bewees de Stedelijke
Regeering hem eene weldaad door hem, met den titel van Stadshistorieschrijver,
voor zijn geheele verdere leven, uit ‘consideratie voor deszelfs persoon,
inwooninge, kost en drank in het vergrote proveniershuys’ te verstrekken.
Daarmee werd hem de verplichting opgelegd, ‘een behoorlijke en nette
beschrijvinge der stadt Haarlem’ op te stellen, en van die verplichting
heeft hij zich ook eerlijk gekweten; maar tot eene uitgave van zijn werk is het
niet gekomen. Wel is van zijn nog bewaard gebleven handschrift eener
Haarlemsche stadsgeschiedenis gebruik gemaakt door Mr. G.W. van Oosten de
Bruyn voor zijn werk ‘De stad Haerlem met hare
Geschiedenissen’, waarvan in 1765 alleen het eerste deel van de pers is
gekomen.
Langendijk zelf heeft in 1751 nog een derde deel zijner
‘Gedichten’ uitgegeven, versierd met zijn door C.
Pronk geteekend en | | | | door Jacobus Houbraken geëtst portret,
waarbij Dirk Smits een zesregelig onderschrift gevoegd heeft, aldus
eindigend: ‘Zyn Kunst verrukt de ziel, wanneer hy ernstig dicht; doch
schertst zyn Geest, dan lacht het staetigst aengezicht.’
In dit deel komt geen enkel tooneelstuk voor, maar hij had er nog
wel enkele onafgewerkt liggen, die hij nu nog gaarne vóór zijn
dood wilde voltooien. Dat hij zijn ‘Xantippe’ nog
zelf ter perse kon bezorgen, hebben wij reeds gezien, maar een ander stuk, dat
hij nog heeft kunnen voltooien vóór hij 9 Juli 1756 in het
proveniershuis te Haarlem overleed, is eerst in 1760 uitgekomen in het vierde
deel zijner ‘Gedichten’, dat, behalve eene
levensbeschrijving en eenige mengeldichten, zijne vier tooneelstukken bevat,
die van na 1720 dagteekenen. Het korte blijspel in één bedrijf,
dat hij nog kon voltooien onder den titel
Papirius of het oproer der vrouwen binnen Romen,
is de weinig geestige dramatiseering eener bekende anecdote uit de Saturnalia
van Macrobius, waarin de nieuwsgierigheid der vrouwen gehekeld wordt.
Het schijnt nooit gespeeld te zijn, evenmin als een laatste
uitvoeriger en ernstiger blijspel in drie bedrijven, dat hij in maatlooze
verzen onvoltooid naliet en dat, zooals de uitgever van het vierde deel zijner
‘Gedichten’ zegt, ‘door twee (ons nog altijd onbekende)
Amsterdamsche Dichters, die door hunne uitmuntende poëzye voorlang eenen
onsterflijken naam verwierven, beschaafd, voltooid en in die orde gebragt is,
zooals het tans het licht ziet’. De titel is
Spiegel der Vaderlandsche kooplieden
1). Daar de hoofdgedachte van dit blijspel en ook enkele bijzonderheden
ontleend zijn aan A. Piron's comedie ‘Les fils ingrats’, die in
1728 voor 't eerst te Parijs vertoond is, zal Langendijk misschien
niet lang daarna eene navolging er van hebben ondernomen in denzelfden losseren
versvorm, waarin hij wat vroeger ook zijn
‘Cartouche’ had vertaald en dien hij toen voor het
blijspel misschien geschikter was beginnen te vinden. De aanvankelijk
onvoltooid gebleven ‘Xantippe’ en
‘Papirius’, die in regelmatige verzen geschreven
zijn, moeten in dat geval gedeeltelijk van oudere dagteekening, en stellig van
vóór 1720, zijn. Zijn levensbeschrijver zegt dan ook, dat hij ze
‘in zyne jeugd’ ontwierp, wat hij van zijn ‘Spiegel
der Vaderlandsche kooplieden’ niet be- | | | | weert.
Dat stuk mag met recht een zedenspel worden genoemd. Het stelt
tegenover de ouderwetsche, bedaarde, verstandige en soliede kooplieden Ernst en
Hendrik, die hunne zaken aan hunne zoons Lichthart en Losbol hebben overgedaan,
de kooplieden van den nieuwen tijd (met hunne verkwistende of lichtzinnige
echtgenooten Kwistgoed en Zoetje) voor als vermaakzuchtige en weinig ijverige
lekkerbekken en praalzieke doorbrengers, die in sterke verleiding komen om
oneerlijk te worden, zoodra het bankroet voor de deur staat, maar die nog op
het uiterste oogenblik worden gered door diezelfde vaders, waarop zij eerst als
verouderde mannen van het verleden met onbeschofte minachting hadden
neergezien, en die zij bij hunne redding weder op ergerlijke wijze vleien en
huldigen.
Aardige typen in het stuk zijn Rymer, een soort van huispoëet
en vooral de procureur Brandarius Nazo, die met bijzonder talent is geteekend;
maar van de hoofdpersonen zijn de beide jonge kooplieden zoozeer caricaturen in
plaats van typen, dat in dezen spiegel zeker niemand zich zal herkennen,
ofschoon het beeld van verkwisting, dat het stuk ons voor oogen brengt, in het
algemeen wel eene vermakelijke en aannemelijke voorstelling geeft. Ook is het
goed gevonden, dat de bom juist dreigt te barsten op den verjaardag van
Lichthart, die zijne gasten eerst op eene schouwburgpartij heeft getrakteerd en
ze daarna, maar wegens het onvoorzien bankroet met bevend hart, te zijnent
verwacht bij de overdadig kostbare ‘suikertafel’, een meesterwerk
van plastische kunst uit den banketbakkerswinkel. Dat het stuk al te ernstig is
en de gesprekken uit al te lange redeneeringen zouden bestaan, geloof ik niet,
maar het vernuft, waarvan Langendijk's vroegere stukken getuigen,
gluurt hier slechts nu en dan om den hoek, zoodat het ons eigenlijk niet zeer
behoeft te verwonderen, dat het nooit vertoond is.
Toch draagt ook dit stuk er toe bij, om
Langendijk te kenmerken als den besten
blijspeldichter in eene nieuwe, de achttiendeëeuwsche, richting. Genoeg
geest bezat hij om als comicus niet al te ver achter te staan bij Coster,
Bredero en Hooft en bij den heksluiter der zeventiendeëeuwsche
blijspeldichters, Asselijn, met welke hij de nationale neiging tot treffende en
vermakelijke zedenschildering gemeen had; maar bovendien heeft hij onder den
invloed van Molière en latere Fransche tooneeldichters ook meer zorg
besteed aan kunstige samenstelling, natuurlijk verloop der handeling en
geleidelijke ontknooping, al zijn zijne handelende personen ook meer typen
dan | | | | individuen en al zijn zij als zoodanig ook meer de
drijfkrachten der handeling dan de kleine zielewereldjes, waarbinnen de latere
dichters ons vaak het ontstaan der motieven voor de samengestelde handeling
vertoonen. Niet zoozeer door de zedelijke strekking zijner blijspelen, die ook
vóór hem altijd is beoogd of althans voorgewend, maar door zijn
afkeer van wulpsche en dartele tooneelen, en zijn streven naar kieschheid en
betamelijkheid van uitdrukking, vooral waar sexueele verhoudingen ter sprake
komen, heeft Langendijk ten volle wenschen te beantwoorden aan de
eischen der tooneelhervormers van het eind der zeventiende eeuw en spiegelt hij
den beschavingstoestand van de tweede helft der achttiende, althans in de
burgerkringen, vrij nauwkeurig af. Stukken als de zijne hebben er inderdaad ook
zelf toe meegeholpen, om het al te laag gedaalde zedelijkheidspeil van ons volk
weer te doen rijzen.
|
1)Het Leeven van Pieter Langendijk
(waarschijnlijk van de hand van Willem Kops Philipsz.) is gevoegd bij het
vierde deel van Langendijk's Gedichten, Haarlem 1760. Veel uitvoeriger
echter is zijn leven beschreven door C.H.Ph. Meijer, Pieter Langendijk. Zijn
leven en werken, Den Haag 1891. Ook zie men over hem F.Z. Mehler, Pieter
Langendijk, Culemborg 1892.
1)Dat er vrij wat ontleend is aan ‘Die
Historie van Slenner-Hincken’ (opgenomen in ‘Den Westvaelschen
Speelthuyn’) Amst. 1661, Utrecht 1687 is het eerst opgemerkt door Marten
Westerman in zijn brief ‘Aan de schrijvers van het tijdschrift De
Tooneelkijker’ (1816) en later voldingend bewezen door A. Postma,
Tijdschrift XII (1893) bl. 268-278. De klucht van De Zwetser is samen
met de Krelis Louwen met inl. en aant. opnieuw uitg. door C.H.Ph. Meijer
in het Klass. Lett. Pantheon, No. 128, Zutphen z. j.
1)Van Het Wederzydsch huwelyksbedrog is
de genoemde roman het eerst als bron aangewezen door Jan ten Brink in
Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift, I (1891) bl. 639 vlg. Met
uitvoerige inleiding en aanteekeningen is Het Wederzydsch huwelyksbedrog
opnieuw uitg. door J. te Winkel in Zwolsche herdrukken V (1890) 4 dr. 1922 en
daarna nog eens door F.A. Stoett in het Klass. Lett. Pantheon No. 68, Zutphen
z. j.
1)De Krelis Louwen is in 1767 te
Hamburg vertoond onder den titel ‘Claus Lustig, ein Milchbauer als
Alexander der Grosse oder die Komödianten auf dem Lande’. H.J.
Roullaud gaf er eene Fransche vertaling van onder den titel: ‘Alexandre
le Grand ou le Païsan Roi, comédie trad. du Holl. de M.P.
Langendijk’, Amst. 1751. In 1822 verscheen er ook nog eene prozavertaling
van in de ‘Chefs-d' oeuvre des théâtres
étrangers’, Paris et Bruxelles. In die verzameling vindt men ook
eene prozavertaling van De Wiskunstenaars, getiteld: ‘Les
mathématiciens ou la jeune fille en fuite, comédie en 3 actes par
P. Langendijk’, XVIII Bruxelles 1824.
1)Men vindt het verhaal o.a. ook als grap van
den Hertog Philips den Goede in rijm verteld door Jacob Cats in zijn
‘Dood-kiste voor de levendigen’, No. XLVI.
1)Zie daarover boven, bl. 112-114.
1)Voor de kamer ‘Trou moet
blijcken’ in dien tijd zie men E.H. von Baumhauer, De Societeit
‘ Trouw moet blijken’ in de 18de en 19de eeuw, Haarlem
1880 en C.H. Ph. Meijer, Pieter Langendijk, Den Haag 1891, bl. 49-112,
554-559.
1)Het stuk is met inleiding en aanteekeningen
herdrukt door C.H.Ph. Meijer in het Klass. Lett. Pantheon, No. 125, Zutphen, z.
j.
|
|