De ontwikkelingsgang der Nederlandsche letterkunde. Deel 5: Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde van de Republiek der Vereenigde Nederlanden (3)


auteur: J. te Winkel


bron: Jan te Winkel, De ontwikkelingsgang der Nederlandsche letterkunde V. Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde van de Republiek der Vereenigde Nederlanden (3). De erven F. Bohn, Haarlem 1924, tweede druk.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

XXII.
Pieter Langendijk.

Reeds meermalen hadden wij aanleiding, gedichten van Pieter Langendijk te bespreken. Wij noemden van hem eene enkele travestie, gaven een overzicht van zijne hekelende samenspraak over den ‘Aran en Titus’, van zijn hekeldicht ‘Zwitsersche Eenvoudig-

[p. 170]

heid’en van andere hekeldichten uit den poëtenoorlog, bespraken zijne hekelspelen op den Windhandel van 1720 en wezen op het groot aantal zijner herders-, veld- en visscherszangen, die voor een deel als bestelwerk door hem voor eene geldelijke belooning werden afgeleverd, en maakten ook kennis met zijn grooter gedicht ‘De stad Kleef’, in 1747 gemaakt naar aanleiding van zijn bezoek, kort te voren aan die stad gebracht om er bij hare bron herstel van zijne geschokte gezondheid te zoeken en, naar 't schijnt, ook te vinden. Ofschoon al deze gedichten reeds een gunstig getuigenis van zijne veelzijdigheid als dichter afleggen en voldoende waren om hem eene eervolle plaats onder de poëten van zijn tijd te verzekeren, zijn roem bij het nageslacht berust veeleer op geheel andere werken, namelijk zijne blij- en kluchtspelen, waaraan hij het recht ontleent, afzonderlijk en met onderscheiding door ons besproken te worden.

Pieter Arentsz. Langendijk 1) dan werd 25 Juli 1683 in de Gierstraat te Haarlem geboren. Toen hij zes jaar oud was, verloor hij zijn vader, die te Haarlem metselaar was. Wat later zond zijne moeder, Anneke Luyckes Nieuwenhuizen, hem naar Amsterdam in de leer bij den taalbeoefenaar Willem Sewel, die van Engelsche afkomst was en vermoedelijk door zijne moeder tot opvoeder van haar zoon werd gekozen, omdat hij tot de Kwakergemeente behoorde, evenals zij zelve; maar zij gedroeg zich allerminst naar de beginselen der eenvoudpredikende Kwakers, en na al haar hebben en houden verspild te hebben, verhuisde zij met hare kinderen in 1695 naar Den Haag, waar zij een linnenwinkeltje opzette. Haar zoon trachtte, hoe jong ook nog, er iets bij te verdienen met weven, met teekenen van damastpatronen en later ook met etsen. In het begin der achttiende eeuw vond hij te Amsterdam een vast bestaan als patroonteekenaar bij den fabrikant Verhamme, en later te Haarlem, waar hij allengs in goeden doen kwam en voor zich zelf kon werken.

In dien tijd trad hij ook als dichter op, en binnen tien jaar had hij als zoodanig zich reeds zooveel roem verworven, dat hij in 1721 zijne verzamelde dichtwerken in twee zware kwartijnen als prachtwerk kon uitgeven met zijn door Jacobus Houbraken gegraveerd portret, en er zeker van kon zijn, dat zij gekocht en gelezen zouden

[p. 171]

worden. Van deze beide deelen bevat het eerste, behalve een groot aantal kleinere gedichten (ook punt- en sneldichten), een uitvoeriger dichtwerk van 1720, ‘Lofkrans voor de stadt Haarlem’, door hem als lid der Haarlemsche kamer ‘Trou moet blijcken’ gemaakt, en een in korte versregels geschreven ‘Lof der aeloude schilderkunst’. Het tweede deel wordt grootendeels ingenomen door zijne meest populaire blij- en kluchtspelen, die verreweg het beste zijn, wat de achttiende eeuw in deze dichtsoort heeft opgeleverd.

Zijn eersteling, Don Quichot op de bruiloft van Kamacho, werd in 1711 driemaal achtereen met veel bijval vertoond en in het volgende jaar gedrukt, maar was, volgens zijn levensbeschrijver, reeds veel vroeger door hem ontworpen. Bij den vierden druk van 1721 heeft hij, om aan de critiek tegemoet te komen, er eenige veranderingen in aangebracht. De stof voor dit kluchtspel in drie bedrijven ontleende hij aan Cervantes' beroemden roman, die reeds vóór hem aan drie andere tooneeldichters de stof voor blijspelen geleverd had. Hij vond die in het negentiende en de beide volgende hoofdstukken van het tweede deel; maar alleen de hoofdgebeurtenissen waren daar te vinden, zoodat slechts de tweede helft van het laatste bedrijf nauwkeurig en soms ook woordelijk naar Cervantes gevolgd is en het stuk overigens in vele opzichten oorspronkelijk mag worden genoemd.

Het verloop der handeling is eenvoudig en in enkele woorden te vertellen. Kamacho, een rijke boer, heeft Leontius, een adellijk landman, weten te bewegen, hem de hand zijner dochter Quiteria te schenken, ofschoon de edelman Basilius reeds lang hare liefde gewonnen had. Kamacho heeft nu een schitterend bruiloftsfeest doen aanrechten, waarvan de Waalsche kok Vetlasoepe met zijn gebroken Hollandsch de bestuurder is en waarop Don Quichot met Sanche Pance, zijn schildknaap, toevallig als ongenoode, maar niet onwelkome gasten aankomen en door de boeren en den kok duchtig voor den gek gehouden worden. Zijn hoog karakter, door Cervantes hem geschonken, verloochent Don Quichot daar evenmin als Sanche Pance zijne gulzigheid; maar de feestvreugde schijnt een bloedig slot te zullen hebben, want even voor het huwelijk voltrokken zal worden, komt de ongelukkige Basilius op, om een laatst vaarwel aan de wreede Quiteria toe te roepen en zich dan te doorsteken, zoodat hij deerlijk gewond neervalt en schijnt te zullen sterven. Nu smeekt hij, om gerust de eeuwigheid te kunnen ingaan, vóór

[p. 172]

zijn dood met Quiteria in het huwelijk verbonden te mogen worden: 't is slechts een vorm, spoedig zal Kamacho zijne weduwe kunnen trouwen. De Pastoor meent, dat men den laatsten wensch van den stervende behoort te vervullen; maar als nu het huwelijk van hem met Quiteria plechtig gesloten is, springt hij onverwacht op. ‘Mirakel! mirakel!’ roepen de boeren; maar een mirakel was het niet: het was eene list, die hij vooraf met Quiteria overlegd had. Hij had een met bloed gevulden koker onder zijne kleederen verborgen en daarmee iedereen bedrogen, toen hij zich schijnbaar doorstak. Natuurlijk is Kamacho even verstoord als verbaasd, en zijne vrienden trekken reeds de messen om hem te wreken, maar Don Quichot stelt zich moedig voor het jonge echtpaar in de bres, en als ook de Pastoor betoogt, dat het zelfs voor Kamacho beter is vóór dan na zijn huwelijk door Basilius bedrogen te zijn, wordt de twist bijgelegd en gaan de toeschouwers heen met de les, ‘dat het verstand het geld te boven gaat’ en ‘dat men schranderheid voor schatten moet waardeeren’.

Terwijl men bij Cervantes veeleer in eene idyllische herderswereld dan te midden van de boeren verkeert, heeft Langendijk van Kamacho een dommen en lompen boer gemaakt, die niets boven Basilius vóór heeft dan zijn geld en overigens ver bij dezen edelman achterstaat. Daardoor heeft hij zijn spel tot eene klucht kunnen maken, wat Cervantes' verhaal volstrekt niet is. Grappig is Kamacho's telkens misverstaan van Don Quichot's hoogdravende woorden en toespelingen op romanhelden, waarmee de dolende ridder, die in hem een toovenaar ziet, hem geheel in Cervantes' geest bejegent. Nog grappiger is zijne naieve onkunde, waarmee hij de dwaasheden doet uitkomen van Meester Jochem, den boerenschoolmeester en rijmer, die hem vervolgt met een allerzotst bruiloftsdicht, wemelend van stadhuiswoorden en mythologische geleerdheid. Nog een vermakelijk tooneel, door Langendijk aan een ander gedeelte van Cervantes' roman ontleend, is de scène, waarin Vetlasoepe het gulzige gouverneurtje Sanche Pance op eene deken legt en hem als een bal laat opgooien en opvangen onder het zingen van ‘zo moet men het gouverneurtje leeren, zo, zo, zo, die op andersmans teer wil smeeren, zo, zo, zo,’ enz.

Bij Cervantes hebben er op de bruiloft allerlei kunstige vertooningen plaats en wordt er door herders en herderinnen met bevalligheid gedanst. Bij Langendijk daarentegen zijn wij op eene boe-

[p. 173]

renbruiloft en gaat alles boerscher toe, maar toch zingen ook dáár een boer en eene boerin met Vetlasoepe een aardig trio, dat blijkbaar eene navolging is van het ‘Goeden aevond, mijn zoete Troosje’ uit de ‘Bruiloft van Kloris en Roosje’ en dat op eene guitige zangwijs aldus begint: ‘Kom, lief Teréze, hoe staeje daer en kykt? Dat mag niet weezen: me dunkt 'et niet en lykt. Ik heb myn moer en vaer gevraegd al ruim een jaer, of ik mogt gaen uit vryen: nau is ons hylik klaer, wil jy 't maer lyen’.

Deze klucht behoort tot de stukken, die bij lezing maar matig behagen, maar die men moet zien spelen, om te begrijpen, dat zij ook zelfs een beschaafd publiek in eene vroolijke stemming kunnen brengen en door het grootere publiek volop genoten kunnen worden. En dat is niet te veel gezegd van dezen ‘Don Quichot’, die eerst na 1852 opgehouden heeft, deel uit te maken van het jaarlijks terugkeerend repertoire van den Amsterdamschen schouwburg, waarop hij na den ‘Warenar’ het eerste blijspel was, dat vermakelijk is zonder in eenig opzicht het kieschheidsgevoel te kwetsen. Wie echter verlangt, dat het zal voldoen aan de eischen door de aesthetica aan zeden- of karakterspelen gesteld, verlangt iets onredelijks. ‘'t Was om de klucht maer, denk ik’, zeide Sanche Pance, toen hij begrepen had, dat men het zingende vrijerijtje van boer en boerin niet al te ernstig moest opvatten, en daarom was het ook Langendijk met dit spel alleen te doen. In de zotternij van Don Quichot, zeide hij zelf in de opdracht van zijn spel, konden de toeschouwers hunne eigene zotheid weerspiegeld zien, indien zij waanden, dat ‘al des waerelds schoone dingen’ nog iets anders waren dan ‘verbeelding’.

Langendijk's tweede spel, De Zwetser (van 1712), een kluchtspel in één bedrijf, moet ver voor zijn eerste onderdoen, al heeft het ook eene ernstiger strekking, want zonder aanstootelijkheden, die Langendijk verfoeide, daalt het toch zoozeer tot het grof komieke af, dat al wat er misschien grappig in is, door die grofheid wordt doodgedrukt. Ook is de er in behandelde stof allesbehalve nieuw, noch met veel vinding in vorm gebracht. Aan ‘Die Historie van Slenner-Hincken’ is vrij wat ontleend 1).

[p. 174]

Ernst, ‘een edelman van burgerlyken staat’, wil niet hooren van een huwelijk zijner dochter Izabel met Karel, den verstandigen jongen koopman, die haar hart gewonnen heeft. Zijne dochter, meent hij, mag alleen een edelman tot echtgenoot krijgen, en zulk een denkt hij gevonden te hebben in een lompen Mof, Hans Zwetser, die, evenals zijn knecht Slenderhinke, erbarmelijk Westfaalsch koetert, maar zich voor een geweldig kapitein uitgeeft, snoevende op zijn moed, zijne kracht, zijn adel en zijn rijkdom. Door zijne onbeschofte taal en vlegelachtige manieren verraadt hij echter onmiddellijk aan de toeschouwers, wat hij voor een man is, en is hun hoofdindruk, dat Ernst wel half idioot moet wezen, om nog eenig ander bewijs voor de nietswaardigheid van Hans Zwetser noodig te hebben, vóór hij Karel als schoonzoon boven hem verkiest. Toch wordt dat voor hem onmisbaar bewijs geleverd. Door misverstaan namelijk van des Zwetsers opdracht aan zijn dommen knecht, om hem ‘syn weksel heraus toe brengen, waarnaar hy al drei monat gewacht hat’, zooals hij zegt, brengt Slenderhinke hem zijn broer Wessel en drie andere hannekemaaiers, die ook Wessel heeten, en die nu hun bloedverwant voor de oogen van de hem beloofde bruid en haar vader te schande maken. Hij toch blijkt daardoor ook zelf een arme Westfaalsche boerenzoon te zijn, die bovendien ten slotte nog als kwakzalver van beroep wordt ontmaskerd door Karel's knecht Krispyn, vermomd als eene arme vrouw, wier dochter Hans te Keulen verleid had. Tot zijne straf moet de gewaande kapitein, die zich bij dat alles als eene lafhartige vrouw gedraagt, zijne knevels afknippen en aan het spinnewiel plaats nemen, ten spot van al wie dat onder het publiek grappig hebben kunnen vinden.

Met zijn derde stuk, Het wederzyds huwelijksbedrog, een blijspel in vijf bedrijven, ondernam Langendijk in 1714 het schrijven van een oorspronkelijk spel, zooals er nog slechts enkele in vertaling bij ons vertoond waren, namelijk van eene zeden- of karaktercomedie. Hij bedoelde daarmee een goed voorbeeld te geven ter opbeuring van het blijspel, dat in dien tijd, naar hij zegt, ‘den geest scheen te geeven, verdrukt door een menigte historiespelen, weinig dienende tot verbeteringe der zeden, 't welk de grootste eigenschap is, die het tooneel luister bijzet.’ ‘Indien men de ongebondenheid wat maatigde, misgaders de onkuische uitdrukkingen verbande, die niemant dan het graeuw en de losbollen kunnen behaagen’, zou het, meende hij, den Nederlanders niet moeielijk vallen, de Franschen

[p. 175]

in het maken van goede blijspelen te overtreffen. Lang vóór Molière toch had Holland reeds in Hooft en Bredero voortreffelijke blijspeldichters opgeleverd, in wier stukken ‘de natuur hunner personaadjen nergens van haar eigenschap week, noch zulke buitenspoorige sprongen deed, als men in Molière vind.’ Toch minachtte hij Molière niet: in tegendeel, hij noemde hem ‘den grootsten blyspeldichter zyner eeuw’, van wien men voor ‘de schikking der spelen’ en het ‘met kunst bespotlyk maaken van de kenmerken (caracters) der ondeugden’ veel kon leeren.

Evenmin als Molière behoefde men natuurlijk in alle opzichten oorspronkelijk te zijn; en zoo heeft hij dan ook de stof van zijn blijspel ontleend aan het eerste gedeelte van een in 1698 uitgegeven roman, getiteld ‘Vermakelyke Vryagie van den kaalen Utrechtsen edelman en de niet hebbende Gelderse Juffer, met de Overysselse Broodzoekende kamenier en den armen Franschen Lakey; zynde een ware geschiedenis, nu onlangs voorgevallen’ 1). Het is een echte schelmenroman, die ons in eene ware boevenwereld verplaatst, waarin wij ongaarne lang verwijlen, daar deze boeven noch van nature, noch door de omstandigheden, waarin zij komen, vermakelijk zijn. Door ze bespottelijk te maken heeft Langendijk het weerzinwekkende, dat zij in den roman hebben, er grootendeels aan ontnomen, terwijl hij bovendien ook de al te felle kleuren, waarmee de roman hunne gemeenheid afschildert, wat heeft getemperd. Van het verhaal heeft hij een behoorlijk tooneelstuk gemaakt door eenheid van handeling in acht te nemen en er voor te zorgen, dat zich als vanzelf eene geschiedenis ontspint, die een hoogtepunt bereikt en eene bevredigende ontknooping vindt, in afwijking van den roman, waarin de geschiedenis nog veel verder wordt voortgezet.

De inhoud komt in 't kort hierop neer. Lodewijk, een berooid edelman, die als avonturier met zijn, als knecht fungeerenden, makker Jan, een weggeloopen soldaat, rondzwerft en van valsch spelen leeft, ziet in de Maliebaan te Utrecht Charlotte, eene adellijke juffer, dochter van Constance, die met Klaar, hare meid of kamenier, daar rondwandelend den schijn aanneemt alsof zij eene rijke en aan-

[p. 176]

zienlijke jonge dame is, maar die inderdaad niets dan schulden en nauwelijks iets te eten heeft.

Op Charlotte verliefd geraakt, maar vooral in den waan, een rijk huwelijk met haar te doen, geeft Lodewijk zich nu voor een Poolschen graaf uit, en Jan, zijn knecht, voor zijn neef, een Poolschen baron; doch de onbeschaafdheid en onhandigheid van dien gewaanden neef maakt het noodig, hem tevens voor te stellen als iemand, die niet wel bij het hoofd is; en Jan maakt daarvan dan weder gebruik om de zotste leugens uit te kramen. Charlotte, die geen argwaan heeft, tracht nu ook Lodewijk in hare netten te lokken door zich als schatrijk voor te doen en wordt daarin geholpen door Hans, den vrijer, en Fop, den broeder van Klaar, van welke de eerste zich uitgeeft voor een Waalschen juwelier, die gebroken Hollandsch spreekt, en de tweede voor den boerschen tuinman van Constance's (natuurlijk niet bestaande) buitenplaats. Het huwelijk is op het punt tot stand te komen, maar Constance heeft geen geld om een bruiloftsfeest aan te rechten en raadt daarom hare dochter, die slechts aarzelend toestemt, aan, zich te laten schaken. Zoover komt het echter niet, want onverwacht verschijnt nu Karel, Charlotte's broeder, die er in geslaagd is tot kapitein te worden aangesteld en een rijk huwelijk gedaan heeft. Hij ontmaskert Jan als deserteur en paardendief, en ook Lodewijk kan nu niet langer veinzen. Hij wordt echter door Karel's vrouw als haar broeder herkend en krijgt nu toch nog uitzicht op de hand van Charlotte, die hij werkelijk lief heeft gekregen.

Was Langendijk's verdienste niet grooter geweest, dan voldaan te hebben aan ‘het oogwit van het Blyspel’, dat volgens hem bestond in het ‘beschimpen van gebreken, die van openhartige Hollanders altyd verfoeid zijn,’ dan zou zijn stuk zeker dien opgang niet gemaakt hebben, waarin het zich tot het eind dezer periode mocht verheugen, en niet in 1817 opnieuw op het repertoire gebracht zijn om daarop nog tot 1834 te blijven. Hij heeft echter meer gedaan. Hij heeft juist eene ondeugd gekozen, die zich bijzonder goed leent om belachelijk gemaakt te worden, namelijk den valschen schijn, die door eene voorgewende grootheid de tegenstelling met de werkelijkheid nl. de zedelijke kleinheid van den bedrieger des te belachelijker doet uitkomen. In dit blijspel is ‘grootsche kaalheid’ de heldin, zich verveelvoudigend onder de gedaante van verschillende personen, die zich elk door een eigen karakter van elkaar onder-

[p. 177]

scheiden. Natuurlijk moet ‘karakter’ hier in de oorspronkelijke beteekenis van ‘type’ worden opgevat, want van karakterontwikkeling kon in de vier en twintig uur, waarbinnen zich de handeling moest afspelen, geene sprake zijn. Daarom moest de kunst van den dichter vooral hierin bestaan, dat hij zijne personen in zoovele verschillende omstandigheden bracht, als er noodig waren om hun vaststaand karakter van alle kanten,,onder allerlei licht aan de toeschouwers te vertoonen. De beide hoofdpersonen, Lodewijk en Charlotte, vertegenwoordigen het zuiverste type van grootsche kaalheid, en Constance is een oude en grove afdruk van denzelfden stempel.

De slimheid en handigheid, door de beide hoofdpersonen aan den dag gelegd, de gevatheid, waarmee zij hunne rollen spelen, zijn inderdaad bewonderenswaard, maar de dichter heeft er wel degelijk voor gezorgd, dat wij ze niet al te zeer zouden bewonderen, doordat hij ze terzelfder tijd en in dezelfde mate, waarin hij hen elkanders listige bedriegers doet zijn, ze ook tot elkaars onnoozele dupes heeft gemaakt. Toch heeft hij zeer goed gevoeld, dat hij hen niet al te verachtelijk mocht voorstellen, daar zij dan niet meer belangwekkend zouden blijven, en hij heeft ze dus tegelijk min of meer medelijdenswaardig gemaakt. Beiden zijn van goeden huize, welopgevoed en er zich van bewust, dat zij zich vernederen door de rol, die zij spelen. Op het eind ontmaskerd als bedrieger, ontwapent Lodewijk de straffende gerechtigheid door het deemoedig verhaal van de reeks zijner ongelukken; maar ook reeds vroeger begrijpen wij, dat hij met tegenzin zijn vagebondeerend leven leidt, vooral ook omdat hem dat heeft vastgekoppeld aan een gemeenen schurk, die zijne geheimen kent, zijne beurs met hem deelt, gemeenzaam brutaal tegen hem durft spreken en hem bovendien door zijne onbeschaafdheid, onhandigheid en zorgeloosheid voortdurend in angst doet zijn, dat hij zal ontdekt en gestraft worden.

Ook aan Charlotte is, tot straf voor hare bedrieglijkheid, een kwelgeest tot kameraad gegeven; maar Klaartje, hare dienstbode, is toch eene veel aantrekkelijker figuur en alleen liegend ter wille van hare meesteres, aan wie zij goedhartig hare spaarduitjes heeft geleend, maar die daarom dan ook hare groote gemeenzaamheid moet verdragen en zich soms zelfs door haar voor den gek moet laten houden. Toch wordt ook datzelfde Klaartje eene komieke figuur, wanneer ook zij zich tot grootheidszucht laat verleiden en zich door den gewaanden baron een huwelijk en een adellijken titel laat voorspie-

[p. 178]

gelen, ja zelfs zoover komt, dat zij zich zelf ook van adel noemt. ‘Zy woont in Utrecht en zou niet van adel wezen!’ laat de dichter zeggen met Amsterdamschen spot over den adeltrots der Utrechtenaars. Daardoor wordt ook zij op het eind van het stuk belachelijk, wanneer de gewaande baron een schurk blijkt en Hans, haar gewezen vrijer, dien zij om den baron heeft afgescheept, maar nu wel weer terug verlangt, haar zegt, dat hij niet meer van haar wil weten en zij ‘den kaerel, die nou hangen moet,’ maar moet trouwen.

Een aardig tooneeltje was het vooraf geweest, waarin Hans zijne jaloerschheid op den baron had getoond: eene pruilscène, waarvoor Molière in ‘Le bourgeois gentilhomme’ en in ‘Le dépit amoureux’ aan Langendijk het voorbeeld schijnt gegeven te hebben. Zulke aardige vermakelijke tooneeltjes komen er in het stuk meer voor, o.a. van Hendrik en Joris, twee schuldeischers, die Charlotte met evenveel handigheid ongetroost en toch buigend naar huis laat gaan, als Molière's ‘Don Juan’ het haar met zijn schuldeischer Dimanche had voorgedaan. Deze behooren tot de bijverdichtsels, waarin Pels de groote verdienste van den tooneeldichter zag, en daartoe behooren ook de schimpscheuten op pedante wijzigheid over spelling-quaesties, op jonkerfransch, op rederijkersgerijmel en dichterlijke hoogdravendheid, op overdreven romantiek, enz. In een waard, die ‘de lui voor een civielen prys bedient, zooals te Utrecht de wys is,’ geeft Langendijk een aardig type, en de malle verdichtsels, waarmee Jan zijn adel en zijn krijgsmoed tracht te bewijzen, zijn niet kwaad gevonden, al is die geestigheid ook van wat onzuiver allooi, evenals nog wel andere grappen, voor het groote publiek bestemd, waarvan trouwens ook zelfs Molière zich niet altijd onthouden heeft. Merkt men nu nog op, dat dit stuk vol leven en beweging, vol afwisseling is, dan zal men moeten bekennen, dat er in de geheele achttiende eeuw geen enkel blijspel bij ons ook maar van verre bij haalt en dat Langendijk slechts in dien trant had behoeven voort te gaan en zich verder te ontwikkelen om een Nederlandsche Molière te worden. Dat hij daarbij zijn nationaal karakter zou verloren hebben, zou men wel niet hebben behoeven te vreezen.

Veel minder kunstig samengesteld, maar niet minder vermakelijk, zelfs het meest populaire van al zijne spelen en ook in het Hoogduitsch en Fransch vertaald 1), is Langendijk's vierde stuk (van

[p. 179]

1715), Krelis Louwen of Alexander de Groote op het poëetenmaal, dat hij een ‘kluchtig blijspel’ noemde, omdat het met zijne drie bedrijven de lengte van een blijspel, maar door den inhoud het karakter van eene klucht had. Voor eene karaktercomedie wilde de dichter het dus niet uitgeven, en terecht, want van karakterteekening kan er, evenmin als van kunstige samenstelling, sprake bij zijn, ware het slechts omdat geen der personen, behalve Krelis Louwen zelf, eenig karakter heeft en omdat de liefde van Ferdinand tot Krelis' pleegdochter Alida, die op het eind van het stuk door haar waren vader, een aanzienlijk man, weer als zijn kind wordt aangenomen, in het stuk slechts bijzaak is en blijkbaar nergens anders toe dient, dan om de tegenwoordigheid van poëten, op wier maaltijd Krelis voor den gek wordt gehouden, te motiveeren.

Eene oude anecdote, van Arabischen oorsprong en bij ons ook reeds meermalen in verschillenden vorm behandeld 1) en zelfs, maar veel minder geestig dan door Langendijk, op het tooneel gebracht, is door hem hier gedramatiseerd met gebruikmaking van het een en ander uit de vroegere bewerkingen. Krelis Louwen, een drink-lustige boer, door grootheidswaanzin aangegrepen, nadat hij een hoogen prijs uit de loterij getrokken heeft, is onuitstaanbaar geworden voor zijne vrouw, vooral ook sinds zij te kennen gegeven had, dat zij zijn plan om in Duitschland een riddergoed aan te koopen ten sterkste afkeurde. Van dien grootheidswaan zal Ferdinand den pleegvader van zijne geliefde nu trachten te genezen met behulp van comedianten, die hij op zijne buitenplaats verwacht. Als zij zijn aangekomen, wordt Krelis, die dronken naar bed is gegaan, zonder dat hij het bemerkt overgebracht naar Ferdinand's landhuis, waar hij den volgenden morgen ontwaakt en men hem wijs maakt, dat hij Alexander de Groote is. De comedianten toch hebben zich als oude Grieken en Aziaten verkleed en bedienen hem op de hoffelijkste manier. Krelis is natuurlijk niet terstond te overtuigen, dat hij een ander is dan zich zelf, al verkeert hij nog min of meer in een roes,

[p. 180]

en Langendijk heeft dan ook het geheele stuk door den boer laten twijfelen, of hij inderdaad wel is, wie men zegt dat hij is; ja, eigenlijk verliest hij het bewustzijn van zijne identiteit nooit, maar daar zijne verheffing tot koning volkomen strookt met zijne stoute wenschen, laat hij zich, nog half in den roes, de zaak aanleunen, en komt het niet in hem op, dat men hem voor den gek houdt.

De kunst was hier den boer zijne gedaanteverwisseling voor mogelijk te doen houden, wanneer hij alleen zijne neiging volgde, maar voor onmogelijk, wanneer hij tot bezinning kwam. Moge nu de situatie, waarin Krelis verkeert, ook al zeer ongewoon zijn, zijn zieletoestand is dat niet. Het is toch dezelfde waarin ieder ijdel mensch verkeert, wanneer hij gevleid wordt: hij gelooft dan, wat hij wel weet, dat onwaar is, en kan niet meer onderscheiden, of men hem voor den gek houdt of niet. Aan den ijdelen man, wiens zieletoestand Langendijk in ongewonen vorm zoo juist heeft geteekend, houdt de dichter hier een spiegel voor, die hem het recht geeft er zich op te beroemen, dat ook deze klucht eene zedelijke strekking heeft. Maar ook in het waarlijk komieke van taal en toestanden bestaat de verdienste van deze klucht, en ook hier wordt de lach, die soms een schaterlach kan zijn, door vermakelijke tegenstelling gewekt.

Reeds als bezitter van een riddergoed zou Krelis een mal figuur hebben gemaakt, maar als koning, en dan nog wel als een heldenkoning zooals Alexander, doet hij het in hooge mate. De comedianten slagen er uitstekend in, eene hofhouding te vormen, waarin wij ons kunnen voorstellen, dat de werkelijke Alexander niet misplaatst zou zijn geweest, behalve dat de voor geneesheer spelende Flippyn met zijn herhaald klisteeren wat uit zijne rol valt. Hij echter is de eenige, die den gewaanden koning niet naar zijne waardigheid behandelt, maar de anderen geven ons inderdaad de illusie, dat wij aan Alexanders hof zijn. Alleen Krelis zelf vormt met het beeld van den Alexander, dien wij er verwachten, een uiterst belachelijk contrast. Tegenover de hoffelijke taal der hovelingen is zijne platte taal het voertuig van platte gedachten; met de grootsche edelmoedigheid, die men hem toeschrijft, contrasteert vermakelijk het bekrompen egoïsme van den boer, die niets hooger stelt dan lekker eten, een borrel en eene pijp; met den heldenmoed, dien men van Alexander verwacht, vormt zijne lafhartige vrees, die reeds in het begin zich tegenover een tammen beer openbaarde, en hem later op

[p. 181]

het gerucht, dat de vijand in aantocht is, in den kelder doet kruipen, de dwaaste tegenstelling.

Terwijl de plichtplegingen der hovelingen hem reeds een gevoel van verveling beginnen te geven, is het ten slotte de angst, die hem van zijn grootheidswaan geneest. Hij ziet in, dat ‘Mallesander’ of ‘Salamander’ te zijn geen prettig baantje is, en dat het veel beter is ‘Kees te wezen’. Dat wordt hij dan ook weer, maar niet op de manier, waarop Ferdinand zich dat, in overeenstemming met het verloop in de anecdote, bij het begin van het derde bedrijf voorstelde, toen hij zeide: ‘Wanneer 't gedaan is, kan men hem weer dronken maaken en laten hem weer in zyn eigen bed ontwaaken: men zeg hem, dat hy heeft gedroomd’. Omdat het stuk eindigt met Krelis' genezing, kan het verwondering wekken, dat de dichter dit plan niet heeft laten uitvoeren, daar door een, vooral op het eind zoo benauwden, droom, de genezing veel beter gemotiveerd zou zijn, dan nu door de mededeeling, dat men hem voor den gek heeft gehouden. Het bevreemdt ons nu, dat hij daar niet boos over wordt, want niet licht geneest men iemand van zijne gebreken door hem zelf belachelijk te maken, maar wel door diezelfde gebreken in anderen te bespotten.

Tegenover zijne vorige stukken, die alle in alexandrijnen geschreven zijn, heeft Langendijk in dit geheele stuk telkens twee rijmregels van vier met twee rijmregels van zes voeten doen afwisselen, omdat die rijmtrant, naar hij zeide, ‘best voegde om syn personaadjen met eene styl, die hunne hoedanigheid vereischte, te laaten spreeken’. Inderdaad draagt deze afwisseling van korte en lange versregels wel wat bij tot de levendigheid der gesprekken in dit stuk. Ook is hier de eigenaardige volkstaal in het spreken van Krelis en zijne vrouw met talent nagebootst.

In hetzelfde jaar 1715 gaf Langendijk nog een vijfde stuk, De wiskunstenaars of 't gevlugte juffertje, een kluchtspel in één bedrijf. De intrige van dat eenvoudige spelletje heeft niet veel te beteekenen. Izabel, door Anselmus, haar oom en voogd, gedwongen om met haar neef Dr. Raasbollius in het huwelijk te treden, is daarom met Katryn, hare dienstmaagd, in manskleeren het huis haars ooms ontvlucht en komt 's avonds in eene herberg te Loenen aan, waar een verdienstelijk geteekende waard haar herbergt. Toevallig zal daar ook Eelhart, haar minnaar, overnachten, en even toevallig logeeren daar ook nog haar oom en haar neef Raasbollius met een anderen

[p. 182]

halfgekken wiskunstenaar, Dr. Urinaal. In donker hebben er allerlei vergissingen plaats, maar natuurlijk eindigt het stukje hiermee, dat oom, op raad van Eelhart, dien hij niet kent, aan zijn nichtje de toestemming geeft om met haar uitverkorene te trouwen, nadat Raasbollius in zijn dolzinnig dispuut met Urinaal over het zonnestelsel gebleken is, rijp te zijn voor het dolhuis. Dat dispuut der beide wiskunstenaars maakt, in verband met een hamdiefstal door Eduards guitigen knecht Filipyn en twee voerlui, het komieke gedeelte van het stukje uit.

Misschien heeft Langendijk voor dit spel iets ontleend aan het vroeger reeds vermelde blijspel ‘De geschaakte bruid of de verliefde reizigers’ van Jacob van Rijndorp, maar zeker heeft hij de twistende wiskunstenaars gecopiëerd naar een hem door Quevedo's ‘Pablo de Segovia’ verstrekt voorbeeld; doch het komieke bestaat niet zoozeer in de dwaasheden, die zij zeggen, als wel in de tegenstelling hunner quasi-wetenschappelijke betoogen met de opmerkingen van Filipyn, wanneer zij borden en schotels gebruiken om hunne meeningen over het zonnestelsel aanschouwelijk toe te lichten. In hunne demonstratie en vooral in hun gekijf zijn zij, door hunne overdrijving, echte kluchtspeltypen, maar in 't klein vinden zij toch ook nu nog wel hunne evenbeelden in die halfgeleerden, die meenen, dat men door anderen uit te schelden zijne geleerdheid kan toonen. Verstandiger dan deze is zeker Anselmus, wanneer hij zegt: ‘foei, 't staat zo lelyk als geleerde lui zo kyven’. Overigens zullen de aardige kwinkslagen, die in het stuk voorkomen, en de levendigheid der handeling het bij eene goede vertooning zeer genietelijk gemaakt hebben.

Nu volgden in 1720 de beide hekelspelen op den Windhandel, Quincampoix of de windhandelaars en Arlequin actionist 1), van welke het laatste eene vrije vertaling uit het Fransch was. Daarmee trad Langendijk dan zelf in het gild der vertalers, waarover hij zich te voren wel eens wat minachtend had uitgelaten, en hij deed dat nog meer door in hetzelfde jaar zelfs een geheel treurspel, namelijk de ‘Caton d'Utiques’ (van 1715) van F.M.C. Deschamps in het Nederlandsch over te brengen onder den titel Julius Cezar en Kato. Iets anders was het natuurlijk, dat hij in 1715 naar eene prozavertaling van Addison's Cato het tweede en vierde bedrijf van dat treurspel berijmde om zijn vriend Hermanus Angelkot Jr., die

[p. 183]

de vertaling ondernomen had, in de gelegenheid te stellen, ‘tyd te bezuinigen’ en aan ‘de nieuwsgierigheid der menschen naar een treurspel, dat zulken roep in Engeland gemaakt heeft’, bijtijds te voldoen.

Niet lang na het uitwoeden van den Windhandel, namelijk 21 October 1721, werd de vermaardste aller roovers en dieven, Cartouche, te Parijs openlijk terechtgesteld, en nog op den avond van dienzelfden dag werd daar onder buitengewonen toeloop, die nog weken daarna aanhield, een blijspel van M.A. Legrand vertoond, ‘Cartouche ou les voleurs’. Eene prozavertaling van dat stuk nu is door Langendijk in maatlooze verzen berijmd en op den Amsterdamschen schouwburg vertoond onder den titel De bedriegery van Cartouche of de Fransche Roovers; maar terwijl het te Parijs voor schrijver en schouwburgbestuur eene ware geldmakerij was geweest, trok het te Amsterdam alleen bij de eerste voorstelling een groot publiek, ‘by de tweede schier niet dan mannen, en by de derde zeer weinige aanschouwers.’ Vandaar zeker ook, dat het stuk ‘eenige jaaren ongedrukt gebleeven is’ en eerst in 1732 het licht zag. Toch stelde men ook hier in Cartouche, wiens naam nog altijd onder het volk voortleeft, wel veel belang en is het in 1722 uit het Fransch vertaalde ‘Leven van den wereldberuchten kapitein der moordenaren, Louis Dominique de Cartouche’, hier minstens twaalf maal gedrukt.

Na zijne vertaling van ‘Cartouche’ te hebben uitgegeven, liet Langendijk meer dan twintig jaar verloopen, vóór hij weer voor het tooneel ging werken; maar zijn dichtwerk heeft hij daarmee niet gestaakt. In 1721 toch was hij factor geworden van de Haarlemsche kamer ‘Trou moet blijcken’, die onder zijn bestuur eene periode van nabloei beleefde 1); en voor die kamer moest hij ten minste ieder jaar een jaardicht maken. Voor het jaar 1724 en de volgende twintig jaar koos hij tot onderwerp De Graaven van Holland, naar aanleiding van de door Willem Thibaut herschilderde afbeeldingen der graven, die uit het Carmelieter klooster naar het Haarlemsch stadhuis waren overgebracht. In 1745 nu werden al die jaardichten in twee deelen herdrukt, van proza-aanteekeningen voorzien en versierd met de door zijn neef Hendrik Spilman in koper gesneden

[p. 184]

afbeeldingen der graven. Daar wij in dit groote werk niet veel anders kunnen zien dan eene moderne rijmkroniek in alexandrijnen, hoezeer het door Langendijk's tijdgenooten uitbundig geprezen werd als een dichtwerk van groote waarde, laten wij het verder liefst onbesproken. Wij doen dat ook met een tweede soortgelijk werk, eene verzameling van negen jaardichten, in 1747 begonnen, maar onvoltooid gebleven en in 1762 als geheel gedrukt onder den titel Willem de Eerste, Prins van Oranje, Grondlegger der Nederlandsche vryheid. Door zijn dood is Langendijk verhinderd, 's Prinsen leven verder te berijmen dan tot het midden van 1574. Zijn opvolger als factor der Kamer, Johannes Marshoorn, heeft in een tiende jaardicht er een vervolg op gegeven.

Sedert den tijd, waarin Langendijk te Haarlem een onafhankelijk bestaan gevonden had en zelfs gedurende eenigen tijd eene damastweverij had bestuurd, waren er gewichtige veranderingen in zijne levensomstandigheden gekomen. Zijne moeder, die hem altijd een blok aan het been was gebleven, was in 1727 overleden, en hopende den ongunstigen indruk uit te wisschen, dien zij hem van het vrouwelijk geslacht gegeven had, trouwde hij in het volgende jaar met Joannetta Maria Sennepart, voor wie hij al vijftien jaar lang liefde had gevoeld, doch zonder door minnezangen daarvan meer dan eene enkele maal te getuigen. Toen zij in 1739 overleed, zal hij haar wel niet diep betreurd hebben, want in een puntdichtje noemde hij het voor zich onnoodig ‘om Xantippe na den Schouwburg te gaan’. Hij zag ‘die comedie in zyn huis genoeg voor niet’, zegt hij en heeft daar waarschijnlijk ook ruime stof kunnen vinden om zelf een blijspel te schrijven met Xantippe als hoofdpersoon. Toch houd ik het er voor, dat hij met het samenstellen van zulk een blijspel reeds vóór zijn huwelijk is begonnen en dat kieschheid hem belet heeft, het tijdens zijn huwelijk en spoedig na den dood zijner vrouw af te maken. Nu en dan evenwel droeg hij er stukken van voor aan zijne vrienden, die hem jaren later bewogen, het stuk te voltooien, zooals hij dan ook op het allerlaatst van zijn leven heeft gedaan. Voor de pers heeft hij het nog gereed kunnen maken, maar toen het in 1756 verscheen en op den Schouwburg vertoond werd, was hij reeds overleden.

Zelf beschouwde hij zijn Xantippe of het booze wyf des filozoofs Socrates beteugeld in vijf bedrijven als ‘een nieuwe vinding’, als eene ernstige karaktercomedie, waarmee hij ‘meende voldaan te

[p. 185]

hebben aan het allervoornaamste oogmerk van een Blyspel, namelyk de opleiding tot de deugd, zonder welke alles ydelheid is.’ Ook geloofde hij in dit stuk ‘onder het boertige zoveel Atthisch zout gemengd te hebben, dat geleerde en deftige mannen smaak in dit blyspel hebben gekreegen.’ Dat er in het stuk ‘te veel en te lange redeneeringen’ voorkwamen, waardoor het ‘op die plaatsen veel te ernstig werd’, schijnt men hem eerlijk gezegd te hebben, en inderdaad steekt die vervelende ernst wonderlijk af bij de platte boert, die er ons in tegenstaat en het zeer betwijfelbaar maakt, of Langendijk wel ooit veel eer heeft ingelegd met deze bekeeringsgeschiedenis zijner kwaadaardige, kijfachtige, ijdele, geldgierige en (maar niet geheel te onrechte) jaloersche Xantippe door een pedanten Socrates, die in de wijsgebeerte misschien een voldoenden steun voor zijne zwakheid, maar niet een middel tot krachtsontwikkeling gevonden heeft. De ‘filozoofische liefde’ van Socrates tot Daria, de ‘dappere en ontzachelyke’ koningin der Amazonen, door het Delfisch orakel opgewekt om zich te ‘vereenigen met den wysten held, dien, die zich zelven kent’, is eene vinding van Langendijk, maar draagt er weinig toe bij om ons te verplaatsen in de ware Grieksche maatschappij, waarvan Langendijk, ook door bekende mannen als Diogenes, Apelles en anderen te doen optreden, getracht heeft ons een beeld te geven.

Na den dood zijner vrouw schijnt Langendijk niet voorspoedig in zijne zaken geweest te zijn: althans in 1747 moest hij een gedeelte zijner boeken, printen en inboedel publiek verkoopen, en twee jaar later bewees de Stedelijke Regeering hem eene weldaad door hem, met den titel van Stadshistorieschrijver, voor zijn geheele verdere leven, uit ‘consideratie voor deszelfs persoon, inwooninge, kost en drank in het vergrote proveniershuys’ te verstrekken. Daarmee werd hem de verplichting opgelegd, ‘een behoorlijke en nette beschrijvinge der stadt Haarlem’ op te stellen, en van die verplichting heeft hij zich ook eerlijk gekweten; maar tot eene uitgave van zijn werk is het niet gekomen. Wel is van zijn nog bewaard gebleven handschrift eener Haarlemsche stadsgeschiedenis gebruik gemaakt door Mr. G.W. van Oosten de Bruyn voor zijn werk ‘De stad Haerlem met hare Geschiedenissen’, waarvan in 1765 alleen het eerste deel van de pers is gekomen.

Langendijk zelf heeft in 1751 nog een derde deel zijner ‘Gedichten’ uitgegeven, versierd met zijn door C. Pronk geteekend en

[p. 186]

door Jacobus Houbraken geëtst portret, waarbij Dirk Smits een zesregelig onderschrift gevoegd heeft, aldus eindigend: ‘Zyn Kunst verrukt de ziel, wanneer hy ernstig dicht; doch schertst zyn Geest, dan lacht het staetigst aengezicht.’

In dit deel komt geen enkel tooneelstuk voor, maar hij had er nog wel enkele onafgewerkt liggen, die hij nu nog gaarne vóór zijn dood wilde voltooien. Dat hij zijn ‘Xantippe’ nog zelf ter perse kon bezorgen, hebben wij reeds gezien, maar een ander stuk, dat hij nog heeft kunnen voltooien vóór hij 9 Juli 1756 in het proveniershuis te Haarlem overleed, is eerst in 1760 uitgekomen in het vierde deel zijner ‘Gedichten’, dat, behalve eene levensbeschrijving en eenige mengeldichten, zijne vier tooneelstukken bevat, die van na 1720 dagteekenen. Het korte blijspel in één bedrijf, dat hij nog kon voltooien onder den titel Papirius of het oproer der vrouwen binnen Romen, is de weinig geestige dramatiseering eener bekende anecdote uit de Saturnalia van Macrobius, waarin de nieuwsgierigheid der vrouwen gehekeld wordt.

Het schijnt nooit gespeeld te zijn, evenmin als een laatste uitvoeriger en ernstiger blijspel in drie bedrijven, dat hij in maatlooze verzen onvoltooid naliet en dat, zooals de uitgever van het vierde deel zijner ‘Gedichten’ zegt, ‘door twee (ons nog altijd onbekende) Amsterdamsche Dichters, die door hunne uitmuntende poëzye voorlang eenen onsterflijken naam verwierven, beschaafd, voltooid en in die orde gebragt is, zooals het tans het licht ziet’. De titel is Spiegel der Vaderlandsche kooplieden 1). Daar de hoofdgedachte van dit blijspel en ook enkele bijzonderheden ontleend zijn aan A. Piron's comedie ‘Les fils ingrats’, die in 1728 voor 't eerst te Parijs vertoond is, zal Langendijk misschien niet lang daarna eene navolging er van hebben ondernomen in denzelfden losseren versvorm, waarin hij wat vroeger ook zijn ‘Cartouche’ had vertaald en dien hij toen voor het blijspel misschien geschikter was beginnen te vinden. De aanvankelijk onvoltooid gebleven ‘Xantippe’ en ‘Papirius’, die in regelmatige verzen geschreven zijn, moeten in dat geval gedeeltelijk van oudere dagteekening, en stellig van vóór 1720, zijn. Zijn levensbeschrijver zegt dan ook, dat hij ze ‘in zyne jeugd’ ontwierp, wat hij van zijn ‘Spiegel der Vaderlandsche kooplieden’ niet be-

[p. 187]

weert.

Dat stuk mag met recht een zedenspel worden genoemd. Het stelt tegenover de ouderwetsche, bedaarde, verstandige en soliede kooplieden Ernst en Hendrik, die hunne zaken aan hunne zoons Lichthart en Losbol hebben overgedaan, de kooplieden van den nieuwen tijd (met hunne verkwistende of lichtzinnige echtgenooten Kwistgoed en Zoetje) voor als vermaakzuchtige en weinig ijverige lekkerbekken en praalzieke doorbrengers, die in sterke verleiding komen om oneerlijk te worden, zoodra het bankroet voor de deur staat, maar die nog op het uiterste oogenblik worden gered door diezelfde vaders, waarop zij eerst als verouderde mannen van het verleden met onbeschofte minachting hadden neergezien, en die zij bij hunne redding weder op ergerlijke wijze vleien en huldigen.

Aardige typen in het stuk zijn Rymer, een soort van huispoëet en vooral de procureur Brandarius Nazo, die met bijzonder talent is geteekend; maar van de hoofdpersonen zijn de beide jonge kooplieden zoozeer caricaturen in plaats van typen, dat in dezen spiegel zeker niemand zich zal herkennen, ofschoon het beeld van verkwisting, dat het stuk ons voor oogen brengt, in het algemeen wel eene vermakelijke en aannemelijke voorstelling geeft. Ook is het goed gevonden, dat de bom juist dreigt te barsten op den verjaardag van Lichthart, die zijne gasten eerst op eene schouwburgpartij heeft getrakteerd en ze daarna, maar wegens het onvoorzien bankroet met bevend hart, te zijnent verwacht bij de overdadig kostbare ‘suikertafel’, een meesterwerk van plastische kunst uit den banketbakkerswinkel. Dat het stuk al te ernstig is en de gesprekken uit al te lange redeneeringen zouden bestaan, geloof ik niet, maar het vernuft, waarvan Langendijk's vroegere stukken getuigen, gluurt hier slechts nu en dan om den hoek, zoodat het ons eigenlijk niet zeer behoeft te verwonderen, dat het nooit vertoond is.

Toch draagt ook dit stuk er toe bij, om Langendijk te kenmerken als den besten blijspeldichter in eene nieuwe, de achttiendeëeuwsche, richting. Genoeg geest bezat hij om als comicus niet al te ver achter te staan bij Coster, Bredero en Hooft en bij den heksluiter der zeventiendeëeuwsche blijspeldichters, Asselijn, met welke hij de nationale neiging tot treffende en vermakelijke zedenschildering gemeen had; maar bovendien heeft hij onder den invloed van Molière en latere Fransche tooneeldichters ook meer zorg besteed aan kunstige samenstelling, natuurlijk verloop der handeling en geleidelijke ontknooping, al zijn zijne handelende personen ook meer typen dan

[p. 188]

individuen en al zijn zij als zoodanig ook meer de drijfkrachten der handeling dan de kleine zielewereldjes, waarbinnen de latere dichters ons vaak het ontstaan der motieven voor de samengestelde handeling vertoonen. Niet zoozeer door de zedelijke strekking zijner blijspelen, die ook vóór hem altijd is beoogd of althans voorgewend, maar door zijn afkeer van wulpsche en dartele tooneelen, en zijn streven naar kieschheid en betamelijkheid van uitdrukking, vooral waar sexueele verhoudingen ter sprake komen, heeft Langendijk ten volle wenschen te beantwoorden aan de eischen der tooneelhervormers van het eind der zeventiende eeuw en spiegelt hij den beschavingstoestand van de tweede helft der achttiende, althans in de burgerkringen, vrij nauwkeurig af. Stukken als de zijne hebben er inderdaad ook zelf toe meegeholpen, om het al te laag gedaalde zedelijkheidspeil van ons volk weer te doen rijzen.