|
|
|
| |
XL. Het classiek en het burgerlijk treurspel.
Sedert de Amsterdamsche Schouwburg in 1763 zijn
honderd-vijfentwintigjarig bestaan vierde tot op het einde van deze periode
heerscht er in de tooneelwereld groote bedrijvigheid. Voor het eerst treedt dan
de tooneelcritiek op in geregeld uitkomende tijdschriften. Wel kregen zij in de
verste verte niet die beteekenis, welke de tooneelverslagen van
Lessing's ‘Hamburgische
Dramaturgie’ (1767-68) voor dien tijd en nog lang daarna hebben
gehad, maar | | | | van belangstelling in onze dramatische kunst en ook van
onze tooneelspeelkunst getuigen zij in elk geval. In Juli 1762 verscheen te
Amsterdam het eerste nummer van het
Schouwburg Nieuws, dat iedere maand uitkwam en
zich aanvankelijk bepaalde tot inhoudsopgaven en beoordeeling der op den
Amsterdamschen Schouwburg vertoonde stukken, maar sedert Mei 1763 daaraan ook
eene korte beoordeeling van het spel der acteurs en actrices toevoegde in
gematigden geest, maar met toenemende vrijmoedigheid. Het laatste nummer kwam
in Mei 1765 uit en verzameld verschenen alle nummers in 1764 en 1765 ook in
twee deelen, elk met afzonderlijken titel en bladwijzer. Al zeer spoedig kreeg
het een mededinger in
De Hollandsche Tooneelbeschouwer, waarvan sinds
30 Aug. 1762 om de veertien dagen een nummer uitkwam, maar dat reeds 24 Mei
1763 werd gestaakt. Het behandelde van den aanvang af zoowel het spel der
acteurs als de vertoonde tooneelstukken.
Beide tijdschriften zijn, met een enkel voorbehoud, vol lof over het
spel van Punt; maar ook aan Corver geven zij de eer, die hem toekwam. In zijn
achtste nummer, van 7 Dec. 1762 (bl. 128-130) gaf De Hollandsche
Tooneelbeschouwer reeds eene vertaling van Hamlet's lessen aan de
tooneelspelers, waarmee Corver zoo bijzonder ingenomen was; en toen Corver in
het midden van 1763 den Amsterdamschen schouwburg verliet, om met een eigen
gezelschap voornamelijk in Den Haag en te Leiden te spelen, nam het
Schouwburg Nieuws, dat dit vertrek betreurde, van October 1763 tot
Januari 1764 verslagen van den Leidschen schouwburg op.
Toch was de verhouding van Punt en Corver in den laatsten tijd
vóór Corver's afscheid niet in allen deele vriendschappelijk
1) en kon er reeds sprake zijn van Puntianen en Corverianen.
Als vijand van Corver of van Corver's speeltrant had zich in 1762 de schrijver
van een pamflet ‘Vrymoedige Aenmerkingen over de Hollandsche
Tooneelbeschouwer’ doen kennen; maar anderen namen het terstond voor
Corver op met een ‘Brief aan den Hollandschen Tooneelbeschouwer’,
een ‘Brief aan den schryver der Vrymoedige Aenmerkingen’ en
‘Gedachten over de Vrymoedige aanmerkingen op den Holl.
Tooneelbeschouwer’.
Intusschen vond de dramatische litteratuur, zoo goed als elke | | | | andere, ook gelegenheid om beoordeeld te worden in een tijdschrift,
dat, in 1761 gesticht, onder min of meer gewijzigden titel langer dan eene eeuw
in negen reeksen (samen 109 jaargangen) heeft voortbestaan tot 1875 toe,
namelijk de ‘Vaderlandsche Letteroefeningen’
1). De Haarlemsche leeraar der
Doopsgezinden
Cornelis Loosjes, 7 November 1723 te
Zaandam geboren en 5 Januari 1792 te Haarlem
overleden, die het tijdschrift had gesticht, schreef daarin tot aan zijn dood
toe het grootste deel der boekbeoordeelingen, terwijl zijn halfbroeder
Petrus Loosjes Azn., die eveneens Doopsgezind leeraar was, en eerst in
1813 op zevenenzeventigjarigen leeftijd overleed, voornamelijk het mengelwerk
bezorgde. Dit tijdschrift heeft reeksen van jaren achtereen grooten invloed op
onze litteratuur geoefend en begon eerst in het tweede kwart der negentiende
eeuw zijn gevreesd gezag te verliezen. Bij zijne stichting bedoelde het een
moderner geest in de critiek te brengen dan de reeds van oudsher bestaande en
nog altijd levenskrachtige ‘Boekzaal der geleerde wereld’.
Van een opgewekt leven getuigt het ook, dat in dezen tijd ruim
dertig oorspronkelijke treurspelen het licht zagen, waaronder meer dan twintig,
die vaderlandsche onderwerpen behandelden, als een bewijs dat de patriottentijd
in voorbereiding was. Daar zij evenwel nog alle naar de regelen van het Fransch
classicisme waren samengesteld, mag men in die opwelling van oorspronkelijkheid
nog geene ontworsteling aan het juk der verfransching zien. Te minder mag men
dat, omdat bijna alle als oorspronkelijk geldende treurspelen wemelen van
gallicismen, letterlijke vertalingen uit het Fransch in strijd met het
Nederlandsch spraakgebruik, en verder vol zijn van zinswendingen, uitroepen en
omschrijvingen (voorál ook voor aangesproken personen), welke in de
Fransche tragedie conventioneel geworden waren en ook bij ons telkens en bij
alle schrijvers terugkeeren. Van oorspronkelijkheid in woordenkeus is er bij
dezen onveranderlijk vaststaanden treurspelstijl eigenlijk nooit iets te
bespeuren. Zelfs de beste dichters schijnen er eene eer in gesteld te hebben,
zoo nauwkeurig mogelijk de too-neeltaal hunner Fransche leermeesters na te
bootsen
2). | | | |
Tot deze treurspelen behoorden ook de
‘Beon’ van
Van Steenwijk (in 1668), de
‘Mityleners’ van
Styl (in 1668) en in 1774 de
‘Monzongo’ van
Van Winter en vier stukken van Van
Merken, die wij alle reeds bespraken; maar er traden toch ook in dezen
tijd verscheidene tooneeldichters op, die wij nog niet hebben genoemd. De
acteur
Simon Rivier debuteerde als tooneelschrijver in
1774 met zijn treurspel ‘Hertog Willem de Vijfde’,
waarop hij vóór 1780 nog vier andere en later nog verscheidene
treurspelen deed volgen, die wij wel ongenoemd kunnen laten.
Jan Fokke, een zoon van den graveur Simon Fokke,
ontleende in 1775 aan de geschiedenis van ‘Margaretha van
Henegouwen’ en in 1780 aan die van ‘Wolfaart van
Borselen’ de stof voor zeer middelmatige treurspelen.
Jan Auke Backer, een mislukt koopman van
Harlingen, die zijne meer en meer in broodschrijverij ontaardende
loopbaan als dichter in 1774 begon met zijne eerste, later nog door twee andere
gevolgde, ‘Proeve van Dichtlievende Mengelingen’,
schreef in 1775 ook een treurspel, ‘Agnes (d.i. Iñez) de
Gastro’, waarop hij later nog verscheidene andere tooneelstukken
liet volgen. Van
Pieter Pijpers werd in 1776 een treurspel
‘Het mislukt verraad op Amersfoort’ gedrukt, dat hij
ter eere van zijne geboortestad maakte en waaraan hij in 1777 een ander
treurspel, ‘Lausus en Lydia’, aan een verhaal van
Marmontel ontleend, en later nog meer tooneelwerken toevoegde.
Willem Haverkorn verwierf zich eenig gezag in
de tooneel-wereld door zijne vaderlandsche treurspelen
Robert de Vries van 1777,
Aleid van Poelgeest van 1778 en
Claudius Civilis van 1779. Het eerste stuk
schildert ons het bijna geheel door den dichter verzonnen verloop van den
strijd, in 1071 gevoerd door Robert den Vries, den echtgenoot van Geertruid,
weduwe van Graaf Floris I van Holland, ter handhaving van de grafelijke rechten
op Holland van zijn stiefzoon Dirk V tegen Willem, den bisschop van Utrecht,
die zich voor zijn neef, Godevaert van Lotharingen, van de grafelijke macht
over Holland wil meester maken. Dat is, volgens den dichter, een strijd van het
staatkundig recht, door den kloeken en edelen Robert vertegenwoordigd, tegen de
heerschzucht van een kerkvoogd, zooals hij ‘zijne waardigheid
misbruikende 's Lands wetten ondermijnt en zich een oppergezag vormt ten
kosten | | | | van het bloed en der bezittingen der weduwen en
weezen’. Verraad speelt in het stuk aan 's bisschops zijde de hoofdrol.
Ook daardoor zien wij in het eerste bedrijf Robert, Geertruid en haar zoontje
na mislukt krijgvoeren den bisschop in handen vallen. Robert tracht hij tot
onderwerping te brengen door hem met den dood van zijne vrouw te dreigen, en
Geertruid tot afstand door haar te dreigen met terdoodbrenging van man en kind.
Zij kunnen echter uit de gevangenschap ontsnappen: het zoontje door de hulp van
den goed-hartigen Antonius, abt van het St. Willebrordsklooster, de beide
anderen door toedoen van 's bisschops vertrouweling Aarnoud van Kuik, die de
Hollanders (met Frederik van Loon als aanvoerder) in opstand brengt tegen den
bisschop, om dezen, die reeds vooraf dezen opstand vreesde, als hij te harde
maatregelen nam, tot bloedige gestrengheid te doen besluiten. Hij handelde
alzoo als een gewetenloos verrader, want als Robert ter dood gebracht zal zijn,
verwacht hij, dat het verbitterde volk ook den bisschop zal dooden en hem, die
zich als gematigd en bezadigd heeft voorgedaan, na beider dood tot voogd van
Holland zal benoemen. Die toeleg mislukt, doordat Robert in den strijd, waarin
Aarnoud zelf den dood vindt, de overwinning behaalt en den bisschop gevangen
neemt. Maar dan treedt Godevaert van Lotharingen aan het hoofd van zijne
troepen op, waartegen Robert niet bestand is. Deze redt zijn leven door den
bisschop het zwaard op de borst te zetten en met den dood te bedreigen, indien
Godevaert, aan wien hij voorloopig Holland moet overlaten, hem niet
onverhinderd met vrouw en stiefzoon laat vertrekken naar Vlaanderen, zijn eigen
vaderland. Met hun vertrek, waarin Godevaert toestemt, eindigt het stuk, dat in
menig opzicht den invloed verraadt door De Marre's ‘Jacoba van
Beieren’ op den dichter geoefend.
Het treurspel
Aleid van Poelgeest heeft tot onderwerp den moord
van deze Kabeljauwschgezinde geliefde van Hertog Albrecht van Beieren door
diens zoon Willem van Oostervant, het hoofd der Hoeksche partij; maar daar de
dichter er ‘de schadelyke gevolgen eener onwettige liefde in wilde
aantoonen’, heeft hij de heldin van het stuk tot eene weerzinwekkende
persoon gemaakt en Willems misdaad zoo vergoelijkt, o.a. door het voor te
stellen, alsof Aleid vooraf een aanslag op zijn leven had gesmeed, dat men nog
zou eindigen met er eene daad van vader- en vaderlandsliefde in te zien, indien
men de echte geschiedenis niet beter kende. De | | | | rol, die Aleid's
beschermer Willem Kuser (Kuizer heet hij hier) in het stuk speelt, is van
weinig beteekenis en de moord is slechts eene verwonding, die achter de
schermen plaats heeft, maar ten gevolge waarvan Aleid, na de verzoening van
vader en zoon in het laatste bedrijf onder felle gewetenswroeging op het
tooneel sterft.
De
Claudius Civilis behandelt alleen het laatste
gedeelte van den Bataafschen opstand, in het vijfde bedrijf besloten met het
verhaal van den vrede tusschen Civilis en Cerealis op de half afgebroken brug,
die hier eene brug over de IJsel heet. Het stuk heeft, als men de
liefdesverhouding van Civilis' nicht Adelheide tot zijn neef, den in
Romeinschen dienst optredenden ruiteraanvoerder Julius Briganticus uitzondert,
bijna geen dramatisch, en zeker geen tragisch karakter, al heet het een
treurspel. Wie bekend is met de historische gebeurtenissen, die
Haverkorn zich in dit en de beide andere stukken
tot onderwerp koos, zal ongetwijfeld onaangenaam worden aangedaan door zijne
afwijkingen en bijverdichtsels, terwijl de vervormingen, die de historie bij
hem heeft ondergaan, niet van dien aard zijn, dat zij er eer indruk door maakt
of er meer belangstelling door wekt bij wie minder goed van de historische
waarheid op de hoogte is, veeleer het tegendeel. Toch werden deze stukken in
hun tijd beter ontvangen, dan de beide treurspelen van
Onno Zwier van Haren, die een gunstiger onthaal
hadden verdiend en waarbij wij om verschillende redenen nu wat langer moeten
stilstaan.
Van Haren's eerste stuk, dat in 1769 gedrukt werd, was de
Agon, Sultan van Bantam. Reeds terstond wekt het
onze belangstelling, omdat het het eerste treurspel is, dat in onze
Oostindische bezittingen speelt en zeker zijn ontstaan dankte aan de ijverige
studie, die Van Haren van onze zeevaart- en handelsgeschiedenis had
gemaakt. Toch is het allerminst eene verheerlijking van ons koloniaal bestuur,
want van de beide personen, die er als vertegenwoordigers der Oostindische
Compagnie in optreden, wordt Jan Lucas van Steenwijk er als een gewetenlooze
schurk in afgeschilderd, en is de andere, de Franschman Saint Martin, die,
zooals Agon zegt ‘zijn vaderlandsche gloed bij alle omzichtigheid voegt
van het Neerlandsch bloed’, een wel moedig, maar niets ontziend
krijgsman, voor wien uitbreiding van macht het hoogste is en rechtvaardigheid
niets beteekent. Daarentegen heeft de Sultan | | | | van Bantam 's dichters
volle sympathie: eene sympathie, die hij ook als historisch persoon
verdient.
Met veel beleid en grooten moed immers heeft hij gedurende zijne
dertigjarige regeering (1651-1680) zijn best gedaan om tegenover de Compagnie
zijne onafhankelijkheid te bewaren, en in den strijd op leven en dood, dien hij
daarvoor voerde, het Nederlandsch gezag in groot gevaar gebracht. Tragisch mag
inderdaad de ondergang van dezen Ageng (zooals hij eigenlijk heette) worden
genoemd, daar hofkabalen en verraad hem ten slotte ten val hebben gebracht. Hij
had namelijk zijn jongsten zoon Pangerang Poerbaja, die in het treurspel Hassan
heet, voorgetrokken aan diens ouderen broeder, Abdoel, die zich daarom met de
Hollanders tegen zijn vader verbond en met soldaten der Compagnie Bantam
belegerde. Toen Ageng begreep, dat hij de stad zou moeten overgeven, liet hij
zijn paleis met buskruit in de lucht vliegen, terwijl hij zelf aan zijne
vijanden ontsnapte. Na lang, als een gejaagd hert, vervolgd te zijn, viel hij
eindelijk den Hollanders in handen. Eene poging van zijn ontaarden zoon Abdoel
om hem met eigen hand van het leven te berooven, mislukte wel, maar gevangene
der Compagnie moest hij blijven en als zoodanig is hij in 1692 te Batavia
overleden. In het treurspel echter wordt hem door zijn ontaarden zoon in den
strijd eene doodelijke wonde toegebracht, waaraan hij kort daarna, bij het
einde van het stuk, sterft: eene gruweldaad, die zelfs de Nederlandsche
soldaten, ‘barbaren, opgevoed in 't Noordens ruwe bergen’, doet
ijzen.
Van Haren heeft dus een treffender slot voor
de handeling uitgedacht dan de geschiedenis hem verstrekte; maar bovendien
heeft hij, gedwongen door de wet der tijdseenheid, waarvan hij meende niet te
mogen afwijken, de rijke stof binnen een tijdsverloop van vierentwintig uur
samengedrongen, geheel in strijd met het, geschiedverloop. Verder heeft hij, in
strijd met Ageng's krachtig, zelfs despotisch karakter, zijn Agon voorgesteld
als een vorst, die reeds bij zijn leven zijn rijk onder zijne beide zoons
verdeelt, waarbij Abdul het grootste gedeelte, Bantam, en Hassan het kleinste,
Tartassa, ontvangt. Daar Abdul voor zijn vader niet heeft kunnen verbergen, dat
hij met behulp der Hollanders (den verrader Van Steenwijk en den goedgewapenden
vlootvoogd Saint Martin) het geheele rijk, zij het dan ook als hun vazal, zoekt
te bemachtigen, en Hassan daarentegen zijne onafhankelijkheid wenscht te
bewaren, | | | | is het geen wonder, dat de van haar vaderlijk erfgoed
beroofde Macassaarsche prinses Fathema, die aan Agon's hof is opgevoed het
huwelijksaanbod van Abdul, haar uit eigenbelang en niet uit liefde gedaan,
afslaat en de hand aanvaardt van Hassan, dien zij even hartstochtelijk
liefheeft, als zij de Hollanders haat en wraak bittere wraak, wil nemen over
het onrecht, haren ouders aangedaan. Het baat haar echter niet, of Hassan ook
al vol moed de overmacht van den Hollander bestrijdt, wiens gewapend optreden
door den broedertwist is uitgelokt. Zij is gedwongen met Hassan te vluchten,
wanneer Agon zelf gewond is, met wiens dood het stuk besluit, nadat nog in het
kort door Camoeni, Fathema's vertrouweling, is verhaald, hoe, na het sneuvelen
van Hassan, Van Steenwijk gepoogd had haar te verkrachten, maar door haar met
eene kris doorstoken was, waarop zij ook zich zelve den doodsteek had gegeven,
het betreurende, dat zij ‘dien scherpen dolk’, waarmee zij Van
Steenwijk had getroffen, ook ‘niet had geduwd in 't hart van 't gansche
Neerlands volk’, zoodat, naar Agon's laatste woorden, ‘het Oost
voorgoed ter prooi van roovers en tirannen’ moest worden gelaten.
Ongetwijfeld is Fathema de belangwekkendste figuur in het stuk, maar
zij is eene vrij getrouwe copie van Monime in
Racine's ‘Mithridate’,
evenals Abdul van Pharnace, die in dat stuk zich ook met de vijanden van zijn
land verbindt. Ook nog in andere opzichten is invloed van
Racine's ‘Mithridate’ en ook
wel van
Corneille's ‘Horace’ op
Van Haren's treurspel duidelijk te bemerken
1) Van Van Merken's
‘Artemines’ vormt het in bijna alle opzichten een merkwaardigen
tegenhanger.
Dat de ‘Agon’ een belangwekkend onderwerp behandelt, een
grootschen, maar wanhopigen worstelstrijd voor de onafhankelijkheid, die met
een jammerlijk bloedbad eindigt, is niet te loochenen, en dat Van
Haren door zijne behandeling de vereischte belangstelling niet doet
verzwakken, moet men erkennen, al zou er ongetwijfeld nog wel wat meer van dat
onderwerp hebben kunnen gemaakt worden. Jammer echter, dat de dichter gezondigd
heeft tegen eene Aristotelische tooneelwet, die hij wel kende en waarmee | | | | hij het ook wel eens was, namelijk deze, dat de held van een treurspel
niet mag te gronde gaan zonder eigen schuld, tenzij men die schuld gelegen acht
in zijne zwakheid of zijn onverstand om zijn rijk te verdeelen en zoo den
jongeren meest geliefden zoon te bevoordeelen ten koste van den ouderen.
Tragisch is het in elk geval, dat zijn streven om door die verdeeling de
machtstoeneming der Hollanders tegen te houden juist Abdul in opstand en tot
een bondgenootschap met de Hollanders brengt. Toch kan niet ontkend worden, dat
het zegevieren van de ondeugd op het eind onaangenaam aandoet, en dat het voor
de Nederlanders beschamend moet geweest zijn, hunne eigene landgenooten
voorgesteld te zien als nauw betrokken en ten slotte alleen voordeel hebbend
bij de zegepraal van het onrecht. Misschien heeft dat ook wel bijgedragen tot
de ongunstige ontvangst, die aan het stuk te beurt viel. De critiek echter
maakte allermeest aanmerking op taal en versbouw, die inderdaad gebrekkig zijn,
maar toch niet zóó erg, dat zij de onmiskenbare verdiensten van
het stuk geheel in de schaduw zouden gesteld hebben, indien de critiek dier
dagen zich niet zoo goed als uitsluitend tot het beoordeelen van taal en
versbouw had bepaald.
Van Haren liet zich daardoor evenwel niet
afschrikken van het dichten van een ander treurspel. Nog drie onderwerpen
trokken hem aan: hij dacht er over, ‘Palimao den Alfoerees’ tot
held van een treurspel te maken of een stuk te schrijven onder den titel
‘Jonkvrouw Maria van Maesen of Noord-Holland verlost’, maar alleen
een derde onderwerp heeft hij uitgewerkt tot een treurspel, dat hij onder den
titel
Willem de Eerste, Prins van Oranje in 1773 met
een tweeden, veel veranderden, druk van zijn ‘Agon’
samen uitgaf als ‘Proeven voor Nederlands
tonneel’.
De voorrede, die hij daarvoor schreef en waarin hij zijne
denkbeelden over de dramatische dichtkunst ontvouwde, stempelt hem tot een
onvoorwaardelijk voorstander van het Fransch classicisme, zooals ook zijn
broeder was, want na beweerd te hebben, dat ‘nog de Italiaanen, nog de
Spanjaarts en Engelschen, hunne navolgers, ooyt (totnogtoe) het verheevene van
het Treurtonneel der Grieken bereikt hebben’, gaat hij aldus voort:
‘De Franschen alleen van alle Volkeren van Europa hebben en verdienen den
roem, dat sy in ieder der verscheidene zoorten van Treurspellen niet alleen de
Grieken hebben geëvenaard, maar zelfs hebben overtroffen’. | | | |
Dan prijst hij eerst
Corneille en
Racine, vervolgens
Crébillon en eindelijk
Voltaire, van wien hij zegt: ‘Voltaire heeft, by
de lessen van die drie groote Meesters syn eigen Geest voegende, het Fransch
treurtonneel tot een punt van volmaaktheid gebragt, dat waarschynlyk nog door
syne eigene, nog door vreemde Natiën overtroffen zal worden’. Daarom
moet dan ook bij ons de tooneel-dichter zich aan de Fransche tooneelwetten
houden; maar bovendien moet hij, als hij nationale onderwerpen wil kiezen, ook
nog op andere dingen letten, bv. niets te vertoonen ‘in stryd met de
ernstige gepastheid der zeeden’ of het ontzag voor de Overheid, en
‘gestadig syne landgenooten voor te houden en aan te bevelen de eerbied,
liefde en achting voor de Godsdienst, Regeering, Wetten en Vryheid deezer
Landen, en geene gelegenheid te laaten voor-bygaan om hun de dapperheid,
maatigheid en vroomheid hunner voor-vaderen voor te houden en aan te
prijsen’.
Zooals men ziet, onderscheidt
Van Haren in zijne beschouwing van het tooneel
zich in niets van hetgeen al zijne tijdgenooten door leer of voorbeeld
predikten, en daarvan getuigt ook zijn treurspel ‘Willem de
Eerste’, dat eigenlijk ‘De dood van Willem den Eerste’ had
moeten heeten, daar het de gebeurtenissen van 10 Juli 1584 vertoont. Lodewijk
van Nassau, Barneveld (door den dichter reeds tot landsadvocaat gemaakt,
ofschoon hij destijds nog slechts pensionaris van Rotterdam was) en Marnix
ontmoeten bij den aanvang van het stuk elkaar in de antichambre van 's Prinsen
paleis te Delft, waar zij ontboden zijn, omdat de Spaansche gezant
d'Assonville, vergezeld van zijn secretaris, den minderbroeder Gery, aangekomen
is om uit naam van Spanje vredesvoorslagen te doen. Daarover nu wil de Prins
raadplegen, en hij doet dat in een tooneel, dat zeer sterk aan het tweede
bedrijf van Corneille's ‘Cinna’ doet denken. Eigenlijk had de
dichter Marnix bij deze beraadslaging niet tegenwoordig mogen doen zijn, want
het beleg van Antwerpen, waar hij burgemeester was, had toen reeds een aanvang
genomen. Louize de Coligny openbaart daarop een angstig voorgevoel, en ook
Marnix is niet gerust, maar toch ontvangt de Prins den Spaanschen gezant, wiens
voorstellen echter onaannemelijk blijken en die wegens zijne beleedigende taal
bevel krijgt, terstond het land te verlaten. Wonderlijk is hier inderdaad met
de historie omgesprongen.
De berichten over dreigend gevaar van Spaansche zijde komen | | | | van alle kanten, maar tevens brengt Barneveld het besluit der Staten
over, om den Prins tot graaf van Holland te benoemen, welke benoeming
Wïllem van Oranje echter (in strijd met de geschiedenis) zegt, niet te
willen aanvaarden. Gery had intusschen Balthazar Gerards bewerkt om den Prins
te vermoorden, wat echter alleen verteld wordt, daar Balthazar Gerards zelf
niet tot de handelende personen behoort. De moord heeft dan ook niet op het
tooneel plaats: de drie vertrouwden hooren een schot, en Malderé, 's
Prinsen stalmeester, komt de tijding van den moord brengen. Met een moedig
woord van Marnix om Oranje's werk ook na zijn dood voort te zetten eindigt het
stuk, waarin gebrek aan handeling niet vergoed wordt door dichterlijke taal der
lange redeneeringen en verhalen, want ook aan dit stuk konden kreupele versvorm
en onbeholpen taalgebruik met recht worden verweten.
Tegenover de geringschatting van Van Haren's tooneelwerk
treft ons de bijna algemeene ingenomenheid, waarmee de drie treurspelen begroet
werden, die
Juliana Cornelia de Lannoy in dezen tijd ten
tooneele bracht. Ook deze zijn geheel en al op Fransch-classieke leest
geschoeid
1). Jan Nomsz merkte navolging
van De Belloy's ‘Titus’, van Pierre Corneille's
‘Cinna’, van Thomas Corneille's ‘Stilico’ en van
Deschamps' ‘Artaxerxes’ (waaraan hij nog Corneille's
‘Rodogune’ had kunnen toevoegen) bij haar eerste treurspel,
Leo de Groote, op. Het werd in 1767 vertoond en
gedrukt en heeft eene samenzwering van den veldheer Aspar tegen den door zijn
toedoen vroeger tot keizer van Byzantium verheven Leo den Groote tot onderwerp.
De aanleiding daartoe was, dat Aspar's zoon Ardaburius, aan 's Keizers dochter
Leontia uitgehuwelijkt en als troonopvolger erkend, gevaar liep wegens
Arianisme door eene machtige hofpartij ter zijde gesteld te worden, wat Aspar
meent alleen te kunnen verhoeden door Leo te vermoorden en zijn zoon
onmiddellijk tot keizer te doen uitroepen. Die zoon is in het stuk de tragische
figuur, daar hij, aanvankelijk, schoon met moeite, bewogen aan de samenzwering
deel te nemen, later berouw gevoelt, den aanslag ontdekt en verijdelt | | | | en daardoor de oorzaak wordt, dat zijn vader alleen in zelfmoord
uitkomst ziet. Vreemd is het, dat de dichteres in den zoon, die zijn vader
verraadt, geen, maar in den man, die zijn vorst verraadt wèl een
verrader heeft gezien en Ardaburius op het eind van het stuk ter belooning tot
medekeizer van Leo doet aanstellen. De mooie rol in dit treurspel speelt Leo,
als slaafsche nabootsing van Augustus in Corneille's ‘Cinna’. Des
ondanks prees
Le Francq van Berkhey het stuk in een hooggestemd
lofdicht als ‘uit eigen denkbeelden keurig opgesteld’ en werd de
dichteres uitbundig geprezen in de ‘Nieuwe Vaderlandsche
letteroefeningen’, die Van Haren's ‘Agon’ zoo
onmeedoogend afmaakten door te verklaren, dat, hoe bekwaam de schrijver van dat
stuk overigens ook mocht wezen, ‘verzenmaken en rymen 's mans werk niet
was’, en die daarentegen in De Lannoy's treurspel behalve
‘de tael-en dichtsieraden’ ook ‘de verscheidenheid der
charakters’ en het goed volhouden er van roemden.
Niet minder lof had later datzelfde tijdschrift over voor
De Lannoy's tweede, ook in een met de spreuk ‘eer
voedt kunst’ geteekenden lierzang verheerlijkt, treurspel
De belegering van Haerlem (van 1770). De
dichteres, die zelve zegt, dat zij daarvoor
Schrevelius' ‘Beschryving van
Haerlem’ als hoofdbron gebruikte, droeg haar stuk aan Prins
Willem V op en noemde het ‘eerder het uitwerksel van hare liefde voor het
Vaderland, dan wel van haar vernuft’. Grootmoedige en edelaardige
ontboezemingen van vrijheidszucht en vaderlandsliefde zijn er dan ook schering
en inslag, zooals men dat destijds mooi vond; maar hinderlijker dan deze
welgemeende, schoon overdreven, ontboezemingen is er de geheel onhistorische
zelfverheerlijking van het voorgeslacht in opgeschroefde bewoordingen, waarin
zelfs een dankbaar nageslacht nog zou moeten schromen, zijne eigene voorvaderen
te prijzen. De titel van het treurspel is minder juist, want met de eigenlijke
belegering van Haarlem maken wij alleen kennis door mededeelingen en
toespelingen in de gesprekken, en de handeling heeft plaats op den dag der
overgave van de stad aan Frederik van Toledo door toedoen van den
oud-burgemeester Quiryn. Die handeling bepaalt zich ook bijna geheel tot
redewisselingen over het al of niet wenschelijke en noodzakelijke der overgave,
die ten slotte toch plaats heeft. Alleen historische personen treden er in op,
behalve eene gefingeerde dochter van Kenau Hasselaer, Amelia, | | | | ingevoerd als echtgenoote van Ripperda, die eene hoofdrol in het stuk
speelt en wiens terechtstelling, met die van Lancelot van Brederode, er het
bloedig slot van uitmaakt. Over het feit, dat hier ‘de deugd op het
Tooneel niet kon zegepraalen’, zooals het publiek gaarne zag, meende de
dichteres zich te moeten en ook te kunnen verontschuldigen. Toch sterft de
deugd op zoo verheffende wijze, dat de Spaansche krijgsoverste Overstein, na
eene vaderlands- en vrijheidlievende ontboezeming van burgemeester Van Vliet,
het stuk met dezen uitroep besluit: ‘Ach! waarom ben ik niet een Batavier
geboren!’
In het voorbericht voor haar derde treurspel,
Cleopatra, koningin van Syrië (van 1776),
verklaart
De Lannoy zelve, dat zij in Voltaire's
‘Mérope’ de aanleiding heeft gevonden om haar stuk te
schrijven, waarin dan ook de hoofdpersonen, Cleopatra, Antiochus en Demetrius,
wier namen aan Corneille's ‘Rodogune’ ontleend schijnen, hun
parallel vinden in Mérope, Egisthe en Polyphonte, de hoofdpersonen van
Voltaire's treurspel. Ook het verloop der handeling is in beide stukken,
behoudens enkele wijzigingen, gelijksoortig. Cleopatra, wier echtgenoot door
Arabieren was gedood, met medewerking van Demetrius, die daardoor koning van
Syrië werd, wil zich daarover wreken op een gewaanden Arabischen prins,
den gevangene van Demetrius, op wiens leven hij een mislukten aanslag had
gedaan. Als het echter blijkt, dat de Arabische prins haar eigen verloren
geraakte zoon Antiochus is, kent zij geen anderen hartstocht meer dan hem te
redden, doch Demetrius, die haar ten huwelijk wenscht, eischt hare hand als
eenige voorwaarde, waarop hij den jongen man wil sparen. Met grooten weerzin
neemt zij die voorwaarde aan van den man, dien zij haat, maar even
vóór het huwelijk voltrokken zal worden, blijkt het, dat de tiran
Antiochus tot den gifbeker veroordeeld heeft, evenals Monime in Racine's
‘Mithridate’. Cleopatra, die van het altaar teruggetreden is, kan
haar zoon in tijds redden, en daar hunne aanhangers in een nu met Demetrius
ontstanen strijd de overhand behouden, moet Demetrius wijken en wordt Antiochus
door den Romeinschen gezant, die bij de handeling betrokken geweest was, tot
koning van Syrië gekroond.
Ofschoon ook dit treurspel van De Lannoy zijne bewonderaars
had, lokte het toch ook een spotdicht uit, waarin werd opgeteld, dat er wel
honderd godennamen in het stuk voorkwamen en dat | | | | het ‘alle
Mannetjes Gooden’ waren, zoodat, zegt de dichter ‘Cleopatra
zekerlyk meer by de Mannetjes dan by de Wyfjes Gooden bekend moet geweest
zyn’. Wel werd deze spotter gediend in een tegendicht, getiteld
‘Zotskapje, gepent op het harselose bolletje van de zotte maaker der
Mannetjes Goden, voorkomende (zoo hij zegt) in het treurspel Cleopatra’,
maar deze aanval leert ons in elk geval, dat destijds een overvloedig gebruik
van mythologische namen niet meer voor goeden smaak werd gehouden. Daarvan zijn
dan ook de Fransche treurspeldichters, schoon hunne meeste stukken in de
Oudheid spelen, niet meer te beschuldigen. Dat was in de laatste helft der
achttiende eeuw verouderd.
De vruchtbaarste treurspeldichter van dezen tijd, die echter minder
algemeenen bijval vond dan De Lannoy, was
Jan Nomsz
1), evenals zij in 1738 geboren. Na eerst eenigen tijd in den
zeedienst geweest te zijn, verviel hij door een huwelijk met eene rijke weduwe
tot eene al te weelderige leefwijze, die hij niet kon volhouden, zoodat hij ten
slotte tot armoede geraakte en 28 Augustus 1803 zijn leven in het St.
Pietersgasthuis, als in een armhuis, moest eindigen, evenals eertijds Isaac
Vos, wiens kluchtspel ‘Iemant en Niemant’ hij in
1768 weer voor het tooneel geschikt had gemaakt.
Behalve op dramatisch gebied, heeft hij zich ook op ieder ander
gebied der letteren bewogen, naar het voorbeeld van
Voltaire, voor wien hij de hoogste bewondering had, en
van wien hij zich vleide een niet al te slecht gelijkend Nederlandsch
spiegelbeeld te mogen heeten. In plaats van ééne
‘Henriade’ schreef hij zelfs twee heldendichten, met
‘Willem I’ (in 1779) en ‘Maurits van
Nassau’ (in 1789) als helden; maar veel meer dan lange
rijm-kronieken in vloeiende verzen zijn het niet. Ook zijne
‘Vaderlandsche Brieven’ (van 1785) in verzen en
zijne verdere hekelende brieven en andere hekel- en mengeldichten of zijne
vertalingen, waaronder van
La Fontaine's fabelen en van
Florian's ‘Numa Pompilius’,
kunnen wel onbesproken blijven
2). Zij
getuigen alleen van eene verbazend vlugge pen, evenals zijne vele, soms | | | | omvangrijke, prozaschriften, waaronder romans, novellen en
vertellingen, en doen ons verbaasd staan over de, slechts bij groote
oppervlakkigheid mogelijke, vruchtbaarheid van den schrijver, wanneer wij
bovendien nog bedenken, dat hij voor het tooneel niet minder dan vijftig treur-
en blijspelen heeft gedicht of vertaald.
Terwijl al die werkzaamheid evenmin aan Nomsz den zoo hevig
begeerden roem heeft verschaft, als hem voor nijpende armoede heeft kunnen
behoeden, heeft hij in elk geval de voldoening gehad, dat verscheidene zijner
treur- en blijspelen langen tijd op het tooneel zijn gebleven en ook door de
acteurs gaarne vertoond werden, omdat zij hun gelegenheid gaven, eer met hun
spel in te leggen. Toch heeft
Nomsz er ook weer veel verdriet van gehad, want
beschimping en ongunstige critiek, ook van zijn tooneelwerk, zijn ongetwijfeld
bitter grievend geweest voor een geveinsd nederigen, maar in den grond toch zoo
zeer met zich zelf ingenomen man, als hij was, die er door zijne naieve
verwaandheid, evenals Rousseau, toe gebracht werd, met opzettelijke
openhartigheid zijne eigene deugden even vrijmoedig te prijzen, als hij zijne
gebreken erkende of zelfs aanwees.
Reeds zijn eerste oorspronkelijke treurspel,
Amosis, dat in 1767 werd gespeeld, werd in een
hekeldicht bespot en ‘op eene onpartydige wyze’, naar het heette,
vergeleken met den ‘Beon’ van Van Steenwijk, die kort te voren
voltooid was en door Nomsz geplunderd heette. Hij verantwoordde zich
het volgende jaar in eene ‘Noodige onderrichting omtrent verscheidene
uitstrooisels rakende zijn treurspel Amosis’, terwijl hij het
veroordeelend vonnis, dat ook de ‘Nieuwe Vaderlandsche
Letteroefeningen’ over zijn stuk velden, trachtte te weerleggen in eenige
‘Bescheidene aanmerkingen’ van 1769, waaraan hij nog ‘Eene
korte verhandeling over het treurspel
Zoroaster’ toevoegde, dat hij in 1768 ten
tooneele had gebracht en waarover niet minder dan dertig pamfletten in proza en
rijm verschenen
1). De heftigste onder zijne bestrijders was
Jan Le Francq van Berkhey, die ook zelf | | | | in 1765 een zeer middelmatig treurspel
Claudius Civilis had gedicht en door hem van
jaloezie werd beticht.
Zijn ‘Amosis’ keurde
Nomsz later zelf af, evenals de argumenten,
waarmee hij dat stuk had verdedigd, maar met zijn
‘Zoroaster’ bleef hij ook later ingenomen ondanks de
gebreken, die hij er in erkende. Geen van al zijne tooneelstukken had hem dan
ook ‘zo veel arbeids gekost als deze Zoroaster’, zooals hij zeide,
vooral omdat hij op het voorbeeld van Voltaire getracht had, daarmee een
treurspel te geven, waarin de liefde in, 't geheel geene rol speelde. In den
profeet Berosus, het evenbeeld van Voltaire's ‘Mahomet’, treedt de
heerschzuchtige priester ten tooneele, die zich bedrieglijk voor tolk der goden
uitgeeft en in het zesde tooneel van het vierde bedrijf in al zijne listige
misdadigheid gekarakteriseerd is.
Hij heeft indertijd, om zelf over Chaldea te heerschen, zijn
gehoorzamen dienaar Nimrod tot koning van dat land laten uitroepen, na den
vorigen koning Tezag met vergif van het leven beroofd te hebben. Aan Alorus
heeft hij opgedragen, ook diens kinderen, Assur en Aza, ter dood te brengen,
maar deze heeft ze gespaard en als zijne eigene kinderen opgevoed onder andere
namen. Assur is tot een heldhaftig jonkman opgegroeid en een trouw dienaar
geworden van Nimrod, die hem zeer genegen is; maar nu acht Alorus het oogenblik
gekomen om Berosus voor zijne vroegere en latere misdaden te straffen, en
daarom maakt hij Assur met het geheim zijner geboorte bekend. Tegelijk roept
Zoroaster, een wijsgeer aan Nimrod's hof, het door Berosus misleid en in slaap
gesust geweten van den koning wakker.
In het derde tooneel van het derde bedrijf hebben wij eene groote
scène tusschen den sluwen, gewetenloozen Berosus en Zoroaster, die
tegenover Berosus' leer, dat godsdienst slechts een bedrieglijk middel voor
vorsten is om hun volk in ontzag te houden, ‘de deugd als waren grond van
Godsdienst voor durft dragen’, zooals Nomsz' lofdichter
P.J. Uylenbroek zich uitdrukt, die in 1770 met
zijne vertaling van
Racine's ‘Phèdre’ eene
lange rij van vertaalde en oorspronkelijke tooneelstukken aan den Schouwburg
begon te leveren. In den mond van Zoroaster heeft Nomsz zijne eigene
denkbeelden aangaande den godsdienst gelegd, die hem tot aanhanger van een
Voltairiaansch deïsme stempelen, maar aan de handeling van het stuk neemt
Zoroaster | | | | slechts als bijpersoon deel. Berosus en Assur zijn met
den weifelenden Nimrod de hoofdpersonen, totdat door Alorus' toedoen Berosus
wordt ontmaskerd op het oogenblik, dat hij van uit eene grot aan koning en volk
eene goddelijke stem wil doen hooren, die zijn in die grot verborgen
vertrouweling Morad moet voortbrengen. Op bedrog betrapt, wordt hij nu ter dood
gebracht, en Assur verzoent zich met Nimrod, die hem als troonopvolger
aanneemt.
Nomsz heeft het geheele vijfde bedrijf, waarin
de ontknooping is uitgewerkt, in later tijd zelf streng veroordeeld, doch wij
zijn geneigd er wat gunstiger over te oordeelen dan hij, omdat het eenigszins
romantisch karakter van die ontknooping ons niet meer zóó
hindert, als het de aanhangers van het classieke treurspel moest doen, die nog
konden gevoelen, dat de treurspeltoon er niet genoeg bij was volgehouden, en
die er zelfs iets belachelijks in konden vinden. Het te voorschijn brengen van
Morad uit zijn schuilhoek in de grot kan inderdaad een komieken indruk hebben
gemaakt; maar Berosus' ontmaskering had niet treffender kunnen bewezen worden.
In elk geval behoort zij tot die levendige en natuurlijke tooneelen, waardoor
dit treurspel van Nomsz, zonder juist een meesterstuk te zijn, ons wat
meer boeit, dan de meeste andere treurspelen in Fransch-classieken trant in
staat zijn te doen, al werd het door Oorver dan ook kortweg een
‘prul’ genoemd.
In het voorbericht voor zijn stuk heeft Nomsz uiteengezet,
wat hij van den volmaakten treurspeldichter eischt, al erkent hij ook zelf, aan
al die vereischten niet te hebben voldaan, namelijk: ‘een gewigtige
gebeurtenis binnen den tyd van drie uren te doen afloopen; geene personaadjen
te doen verschynen, dan wanneer hunne verschyning hoogst noodig is; het tooneel
altoos vol te houden; een geval, een handeling vol kunstgrepen uit te denken en
het waarschynelyk en behagelyk voor te stellen; niets overtolligs te zeggen; de
harten te treffen en de menschen tevens leerzaam te onderwyzen; gedurig
welsprekende te zyn en die welsprekendheid overal te schikken naar het Carakter
van hem, die spreekt; zyn moedertaal in vaerzen overal zuiver, en zo
onbedwongen als in onrym te schryven, zonder dat 'er moeite in schynt gedaan om
te rymen; nooit harde of duistere vaerzen te maken; nooit te verheven of te
laag van uitdrukkingen te zyn en overal zich zelven gelyk te
wezen.’ | | | |
Eerst in 1775 liet Nomsz op zijn ‘Zoroaster’
een nieuw oorspronkelijk treurspel volgen, namelijk
Anthonius Hambroek of de belegering van Formosa.
Het bestaat grootendeels uit verstandige soms min of meer rhetorische,
redewisselingen, met name tusschen den predikant Hambroek, wiens ambt het
houden van godsdienstig-wijsgeerige beschouwingen toelaat, en den verstandigen
en ook niet onedel denkenden Chinees Xamti, dien Hambroek na een debat over den
zelfmoord, bijna dwingt tot erkenning der meerdere voortreffelijkheid van het
deïstisch Christendom boven de rationalistische zedenleer der Chineezen.
In Xamti hebben wij te doen met een naamgenoot en geestverwant van dien Xamti,
die in
Voltaire's ‘L'orphelin de la Chine’ de edele
rol speelt en daar, evenals Hambroek bij Nomsz, zijn vijand Gengis-Khan gelijke
bewondering voor zijne geestesgrootheid afdwingt. Afhankelijkheid van
Voltaire's treurspel heeft Nomsz in zijne ‘Verhandeling over het
Weeskind van China’ (van 1782) zelf erkend
1).
De heldin van
Nomsz' treurspel
Maria van Lalain of verovering van Doornik (van
1778) is eene kloeke heroïsche vrouw, die, door eene bekwame actrice
voorgesteld, op de toeschouwers grooten indruk kon maken, en dat ook heeft
gedaan, zoodat het stuk langen tijd voor het beste van Nomsz'
treurspelen is gehouden. Zij wordt als gevangene na de overgave van Doornik
door Parma voor de keus gesteld, het goed recht van den vrijheidskamp, waarin
zij bezweken is, te verloochenen, of haar zoon ter dood gebracht te zien, en
kiest noode het laatste; maar op dezelfde wijze als in Voltaire's
‘Amélie’ en in De Marre's ‘Jacoba van Beieren’
wordt de uitvoering van het doodvonnis over haar zoon uitgesteld, zoodat Parma
nog gelegenheid heeft, het in te trekken en moeder en zoon edelmoedig vrij te
laten. Bij het optreden van Mondragon als Parma's gezant in den krijgsraad te
Doornik heeft Nomsz een tooneel uit Voltaire's ‘Brutus’
vrij nauwkeurig nagemaakt.
Eene even getrouwe, en ook al vroeger afgekeurde, nabootsing | | | | van Voltaire (en wel van zijne ‘Alzire’) vertoont het
eerste tooneel van Nomsz'
Michiel Adriaensz. de Ruiter (van 1780),
waaraan de critiek verweet, dat het een verkeerden titel had. De Ruiter, die
eerst in het derde bedrijf optreedt, speelt er dan ook wel de grootmoedige,
maar niet de heroïsche rol, wanneer hij, in 1665 op de kust van Guinea
gekomen, daar een rechtvaardig vonnis velt in eene halszaak, die een al zeer
weinig tragisch karakter draagt. Van een treurspel heeft het stuk nagenoeg
niets.
Een jaar te voren, in 1779, had Nomsz een ander treurspel
geschreven, dat nog minder behaagde dan dit en later ook door hem zelf werd
afgekeurd, namelijk
Ripperda of de inneming van Haarlem. In ‘De
Tooneelspel-beschouwer’ van 1783 verscheen eene ‘Vergelyking van de
Belegering van Haerlem door J.C. de Lannoy, vertoond 8 Sept. 1783, met Ripperda
of de inneeming van Haarlem door J. Nomsz’, waarin het eerste stuk al te
uitbundig geprezen werd, maar het tweede stuk zeer terecht werd afgekeurd.
Nomsz had de onhandigheid, daarin het afgehouwen
hoofd van Ripperda te doen vertoonen aan Amelia, zijne echtgenoote, die hij
eenvoudig van De Lannoy heeft overgenomen, maar het gezond verstand, later zelf
te erkennen: ‘in waarheid, een afgehouwen hoofd by de hairen gegrepen en
eene ongelukkige vrouw onder de oogen geduwd, en dat noch het hoofd van haar
man, is geen vertooning voor de oogen. Zulke verdoemlykheden moet men niemant
in de gedachten brengen, veel minder onder het gezigt. Behalve dat de
aanschouwer, wel wetende dat men geen' wezentlyken kop ten voorschyn brengt, om
den geboet-seerden kop of om die van een paruikenbol lacht en met
reden’.
Deze woorden komen voor in de
‘Aanteekeningen’, die Nomsz in 1784
‘op alle zyne tooneelstukken’ uitgaf. Hij maakte daarmee den
indruk, alsof hij zich den gelijke waande van Corneille, die ook ‘examens
critiques’ op zijne eigene stukken had gegeven, begreep echter niet, dat
Corneille zich als tooneelhervormer verplicht kon achten, rekenschap af te
leggen van de samenstelling zijner stukken en tevens aan te wijzen, wat hij
daarin, als strijdig met zijne eigene tooneelwetten, niet meer ten voorbeeld
wilde stellen aan anderen, terwijl Nomsz als gewoon navolger eener
heerschende richting nergens minder aanspraak op kon maken, dan op
oorspronkelijkheid.
Na zijn ‘Michiel Adriaensz. de Ruiter’ leverde
Nomsz nog | | | | een groot aantal treurspelen aan den schouwburg,
want behalve die, welke voorkomen in zijne beide deelen ‘Nagelaten
Tooneel-poëzy’ van 1818, kennen wij van hem vijftien
oorspronkelijke en elf vertaalde treurspelen. Van de eerste verdient de
Cora of de Peruanen (van 1784), een treurspel
in drie bedrijven, eenige vermelding, omdat de stof daarvoor ontleend is aan
den destijds zooveel gerucht makenden roman ‘Les Incas’ van
Marmontel en
De Graaf van Rennenberg (van 1789), omdat die
tot zijne betere stukken behoort. De andere kunnen wel onvermeld blijven.
Onder zijne vertaalde treurspelen treffen wij de ‘Cid’
van
Corneille en de ‘Athalie’ en de
‘Bajazet’ van
Racine aan, alle drie van 1771, en verder niet minder
dan vier treurspelen van
Voltaire: ‘Amelia’ (van 1772),
‘Zaïre’ (van 1777), ‘Het Weeskind van China’ (van
1782) en ‘Semiramis’ (van 1801). Het aantal vertalingen van
Voltaire's treurspelen nam in dezen tijd dan ook sterk toe.
N.W. op den Hooff had in 1765 ook reeds
‘L'Orphelin de la Chine’ in het Nederlandsch overgebracht en deed
dat in 1777 ook met de ‘Amélie’. De ‘Olimpia’
was in 1764, doch erbarmelijk, vertaald, de ‘Edipus’ in 1769.
Antonie Hartsen durfde het in 1770 wagen, den
‘Mahomet’ ten tooneele te brengen
1).
Pieter van Braam vertaalde in 1774 de
‘Mariamne’ en Mr.
Carel Antonie de Wetstein de ‘Don
Pedro’ en de ‘Sophonisbe’, beide in 1779, terwijl in 1780 ook
eene vertaling der ‘Irene’ gedrukt werd, die weinige jaren later
nog tweemaal in onze taal is overgebracht.
Terwijl, zooals men uit dit groot aantal vertalingen mag besluiten,
Voltaire's treurspelen op ons tooneel burgerrecht hadden verkregen, ging
daarnaast het aandoenlijk blijspel voort, eene aanzienlijke plaats voor zich te
eischen. Het kon echter moeielijk meer met den naam van blijspel worden
aangeduid, nam allengs den naam van ‘tooneelspel’ aan en maakte
weldra zelfs aanspraak op den naam van ‘treurspel’, sedert
Dénis
Diderot
2) in 1757 zijn tooneelstuk ‘Le fils naturel’ en in
1758 een tweede, | | | | ‘Le Père de famille’, eene
‘tragédie bourgeoise’ had genoemd
1) en het karakter van dat nieuwe drama had uiteengezet in
zijne ‘Entretiens sur le fils naturel’ en zijne verhandeling
‘De la Poésie dramatique’
2). Ook reeds Voltaire gebruikte den
naam ‘tragédie bourgeoise’ in de voorrede voor zijne
‘Nanine’, en N.W. op den Hooff was het alzoo, die den naam
‘burgerlijk treurspel’ bij ons invoerde, toen hij in 1760 met zijne
vertaling der ‘Nanine’ ook die voorrede in onze taal
overbracht.
Door ernstig, aandoenlijk, ja zelfs in hooge mate treurig te worden,
moest de ‘comédie larmoyante’ wel sprekend op de tragedie
gaan gelijken, sinds deze van het wezenlijk tragische in Aristotelischen geest
nauwelijks meer iets anders had overgehouden dan den aanzienlijken rang der
handelende personen, sinds niet meer Vondel den toon mocht aangeven, maar
Racine, de leerling en geestverwant van Euripides, die reeds twee duizend jaar
te voren in de Grieksche kunstwereld het voorbeeld had gegeven eener
vermenschelijking der heroïsche treurstof, sinds dus inderdaad reeds de
verandering had plaats gegrepen van het nog slechts schijnbaar heroïsche
in het wezenlijke burgerlijk treurspel, met gedeeltelijk behoud alleen van den
daarvoor niet meer passenden ouden treurspelvorm. Zoodra nu mannen als Diderot
en zijne geestverwanten tot de overtuiging gekomen waren, dat er niets
heroïeks gelegen is in het bekleeden van een vorstelijken rang en het ware
heroïsme veeleer te vinden was in den edelen en deugdzamen staatsburger,
was ook de laatste zwakke scheidsmuur gevallen, die de treurige comédie
nog van het treurspel had gescheiden en bleef het verschil slechts bestaan in
onwezenlijke vormen. Van deze kon de Fransch-classieke tragedie zich nog
moeielijk los maken, terwijl het burgerlijke treurspel, aan geene overgeleverde
vormwetten gebonden, al wat zijne vrije ontwikkeling belemmerde vrijmoedig uit
den weg kon ruimen en zich als meer natuurlijk en zuiver menschelijk kon
voordoen, | | | | ofschoon, toen de nieuwheid er wat af raakte, ook daarbij
de onnatuur, maar van anderen aard, op den duur hinderlijk uitkwam.
Aanvankelijk echter nam men de onnatuurlijke opgeschroefdheid, holle
deugddweperij en weekhartige overgevoeligheid van dat burgerlijk treurspel nog
voor goede munt aan en werden vertalingen van Fransche stukken in dien trant
bij ons door een groot deel van het schouwburgpubliek met ingenomenheid
begroet. Ofschoon in theorie bedoeld, de werkelijkheid beter weer te geven dan
de oudere tragedie, en in de oogen van hen, die nog aan die tragedie gehecht
waren gebleven, te plat, te realistisch om nog edele kunst genoemd te mogen
worden, waren zij inderdaad al zeer weinig het beeld van de werkelijkheid, en
lang zou het ook niet duren, of de speeltrant, dien zij, in overeenstemming met
het op stelten loopende proza, dat er in gesproken werd, hadden moeten
aannemen, werd met den naam van ‘theatraal’ aangeduid: een woord,
dat allengs de beteekenis van ‘onnatuurlijk, aanstellerig’ aannam
en dan meer spottend dan ernstig werd gebruikt
1).
Diderot's stukken waren niet de eerste van die soort,
die men hier vertaalde, nog afgezien hiervan dat ook reeds de vroeger door ons
genoemde ‘tranenrijke tooneelstukken’ er onder anderen naam nauw
aan verwant waren. Eerst in 1773 vertaalde
Hendrik van Elvervelt ‘De Vader
des huisgezins’ en in 1774
Elisabeth Wolff-Bekker ‘De
natuurlyke zoon’.
Toen waren er al verscheidene andere, soms uit het Engelsch, waarin
dezelfde soort van stukken reeds ouder was, maar door bemiddeling van Fransche
bewerkingen, bij ons ten tooneele gekomen, zooals in 1768 het zedenspel
‘De eerlyke misdadiger’ van
Marmontel in de vertaling van
Bruno Zweerts, en ‘L'honnête
criminel’ van
C.G. Fenouillot de Falbaire, in hetzelfde en het volgende
jaar wel driemaal bij ons vertaald onder den zelfden titel van ‘De
eerlyke misdadiger’ of ook van ‘De deugdzaame
galeiroeyer’, met de bijvoeging ‘burger treurspel’ op
den titel. Een later stuk van denzelfden schrijver,
‘L'école des moeurs ou les suites du
libertinage’, werd in 1777 in proza en in 1778 nog eens in verzen
vertaald, want deze ‘tragédie bourgeoise’ dankte het aan
haar oorsprong uit de comedie, dat zij ook in den prozavorm kon geschreven
worden, waarvan de Fransche comedie zich (getuige Molière) altijd
evengoed heeft mogen bedienen als | | | | van den versvorm. Bij ons was dat
anders geweest. Op den Amsterdamschen schouwburg werden van oudsher alleen
blij- en kluchtspelen in verzen toegelaten. Dat begon nu ook te veranderen.
Schoorvoetend, en nog niet onmiddellijk, liet men bij ons nu en dan proza op de
planken toe, doch wie bij ons een Fransch prozastuk in verzen vertaalde, had
nog altijd meer kans, het vertoond te krijgen, dan eene prozavertaling van
hetzelfde stuk. Vandaar dan ook, dat van deze nieuwere Fransche drama's
òf uitsluitend òf naast prozavertalingen ook bewerkingen in
versvorm werden aangeboden.
Bijzonder in trek waren de burgerlijke treurspelen van
L. Sébastien Mercier
1). Met groote ingenomenheid, maar ook veel tegenzin van
den anderen kant werd vooral zijn ‘Jenneval ou le Barnwell
françois’ ontvangen, dat eigenlijk eene vrije vertaling
was van
George Lillo's tragedie ‘George
Barnwell’, in 1779 ook uit het Engelsch bij ons vertaald onder
den titel ‘De koopman van London’, waarvoor deze de
stof uit eene oude ballade had geput en dat voor 't eerst in 1731 op het
Drury-lane-theatre was vertoond. Nadat
Mercier's bewerking daarvan eerst in 1770 in proza
vertaald was, werd zijn werk in 1776 naar die prozavertaling onder den titel
‘Adelaert of de zegepralende deugd’ berijmd door
Gelinus van Spaan, die een jaar tevoren als
‘Doriman en Melanide’ ook reeds zijn
‘L'humanité ou le tableau de l'indigence’
naar eene prozavertaling in verzen had overgebracht. In denzelfden tijd werd
dat stuk nog driemaal onder den titel van ‘De
behoeftige’, van ‘De eerlyke’ en van
‘De deugdzaame armoede’ vertaald.
Van
Mercier's ‘Jean Hennuyer’,
waarin ‘de verdraagzaamheid in haren luister’ werd voorgesteld,
verschenen van 1773 tot 1783 niet minder dan vier vertalingen, terwijl
‘Le Déserteur’ in 1774 en 1775 wel vijfmaal
in verzen of in proza werd vernederlandscht.
Cornelis van Engelen noemde het toen zelfs
‘het treffendst stuk, dat moogelyk ooit gemaakt is’. Veel bijval
vond van hem ook ‘La brouette du vinaigrier’, dat,
zooals de schrijver zelf zegt, ten doel had, de vermenging der standen te
bevorderen en de ongelijkmatige verdeeling van aardsche goederen | | | | tegen te gaan, en dat in 1777 tweemaal bij ons werd vertaald eens
onder den titel ‘De azynverkooper’ en eens onder
dien van ‘De kruiwagen van den azynverkooper’.
Misschien droeg tot Mercier's groote populariteit nog bij, dat zijn
strijdschrift ‘Essai sur l'Art dramatique’ in 1773 werd gedrukt te
Amsterdam, waar ook andere werken van hem van de pers kwamen.
Andere burgerlijke treurspelen, die toen met betraande oogen en
geroerde harten door het publiek werden genoten, waren ‘Melanie of
de rampzalige kloosterdwang’ (1770), naar het Fransch van
J.F. la Harpe vertaald, en
‘Béverley’ (of de gevolgen der speel-zucht)
van
B.J. Saurin, in 1777 door
P.J. Steenbergen en in 1781 door
J.G. Doornik in verzen, en in dat laatste jaar
door
Pieter Pijpers ook in proza overgebracht. Dit
stuk is door Saurin in vrije verzen eigenlijk naar het Engelsch bewerkt,
namelijk naar
Edward Moore's ‘The gamester’
(1753), dat in 1777 ook bij ons vertaald is onder den titel ‘De
dobbelaar’. Het heeft tot held een man, die door speelzucht vrouw
en zoontje ongelukkig maakt en door een valsch vriend met de schandelijkste
bedoelingen belasterd wordt. De jongeheer Beverley, die er in optreedt, is een
van de vele kinderen, waardoor de schrijvers dezer nieuwere stukken een
streelend gevoel van vertedering en medelijden bij de toeschouwers trachtten te
wekken: iets waarin zij ook behoorlijk slaagden.
Tot de burgerlijke treurspelen behoort ook het zedenspel
‘Fanny of het gelukkig berouw’, dat in 1770 naar
eene novelle van
Baculard d'Arnaud werd bewerkt door den Leidschen
boekhandelaar
Cornelis van Hoogeveen, die reeds in 1767 met
zijn treurspel
De dood van Calas een dankbaar onderwerp ten
tooneele had gevoerd, waarvan destijds door het welsprekend pleidooi van
Voltaire de geheele beschaafde wereld vervuld was. Was Van Hoogeveen
met dit stuk, dat zelfs in het Fransch vertaald werd, oorspronkelijk, hetzelfde
onderwerp werd later nog een paar maal behandeld: in 1782 onder den titel
‘Jean Calas’ zoowel door
Gerrit Brender a Brandis, als door
C. Swaberland, en in 1784 onder den titel
‘De Geestdryvery of Jean Calas’, telkens naar het
Hoogduitsch van Weisse.
Niet minder toch dan bij ons maakte in Duitschland, vooral door
Lessing's invloed, het burgerlijk treurspel opgang. Dáár echter
bepaalde men zich niet, zooals hier bijna uitsluitend ge- | | | | beurde, tot
vertaling: men schreef er ook oorspronkelijke stukken in dien trant, en daarvan
werden in dezen tijd ook reeds enkele bij ons vertaald ten tooneele gebracht,
terwijl er van 1768 tot 1780 ongeveer dertig vertalingen van Hoogduitsche
stukken werden gedrukt: een teeken, dat de tijd naderde, waarop het met de
alleenheerschappij der Fransche letteren bij ons gedaan zou zijn.
Natuurlijk kon het burgerlijk treurspel zich niet zonder veel strijd
baan breken. Het vond ook meedoogenlooze bespotters en heftige bestrijders.
Simon Styl noemde het een ‘burgerlyk
mengelmoes van jammerklagten en laffe boerteryen, 't welk men den naam van
Dramen geeft’. De schrijvers troffen in stukken als ‘het afgryslyk
Treurspel van George Barnwell’, naar hij zegt, ‘de Natuur juist
gelyk men ze op 't Fransche pad (d.i. de Jordaan of achterbuurt van Amsterdam)
ontmoet; zy bewegen het hart, maar tot erbarming, en hadden smaak gelyk ravens
en nachtuilen gehoor hebben’. Hij wilde niet ontkennen, dat er wel een
enkel goed stuk onder liep, zooals ‘De wedergevonden zoon’ van
Voltaire, ‘maar treurige stukken in het Burgerlyke’, meende hij,
‘zouden nooit de waarde van het heldhaftig treurspel bereiken’,
terwyl ‘niets aanstootelyker kon zyn, dan die gemaakte vrolykheid,
waarmede zulke stukken hier en gins wegens hunne onvermydelyke droogte moesten
gestoffeerd worden’. ‘Om natuurlyk te schynen vereischten zy ook
platter taal en huishoudelyker uitdrukking’, en dat stukken als die van
Mercier, waarop hij het vooral geladen had, op weg waren, het echte treurspel
te verdringen, betreurde hij diep.
Corver daarentegen sprong in de bres voor de
stukken van
Mercier en soortgelijke
1). Men verwierp ze te onrechte,
zeide hij, ‘omdat zij de pleisters der verzeerde wonden dreigden af te
rukken’. Het treurspel zouden zij ook niet kunnen verdringen
2), als er maar niet het grootste gebrek
aan werkelijk goede treurspelen was, ‘als men maar een Vondel, een Hooft,
een Corneille, een Shakespeare, een Voltaire of een Lessing kon doen te
voor- | | | | schyn komen’. Ongelukkig echter, beweerde hij,
‘verleuterden de poëten hunnen tyd met Drames van Proza in Verzen en
van Verzen in Proza te herscheppen en stukken, die voorlang reeds vertaald
waren noch eens te vertalen’.
Zeker had hij gelijk met het eene dwaasheid te noemen, de nieuwere,
in proza geschreven stukken in verzen te vertalen alleen om geen proza bij ons
op het tooneel te brengen. Reeds in 1764 had het ‘Schouwburg
Nieuws’ (I, blz. 318 vlg.) het betreurd, dat door
François Lentfrinck in dat jaar een
blijspel van Holberg onder den titel
De Hovaardye in Armoede in verzen was vertaald,
daar ‘dat stuk, zoo als het uit het Deensch in onrym vertaald was, vry
beter behaagde in 't lezen’. Het had namelijk door de berijming veel van
zijne aardigheid verloren en was stijf en hard geworden, zoo dat het maar
weinig aantrekkelijkheid meer voor kundige toeschouwers had behouden. Voor
proza behoefde men ook inderdaad zoo bang niet te zijn, want de tooneel-taal
was al sinds lang proza in maat en rijm. Eene eeuw lang had men onzen dichters
reeds voorgepreekt, dat de ‘Parnastaal’ van Hooft en Vondel als
verouderd moest verworpen worden, en dat ook in verzen, vooral indien zij voor
het tooneel bestemd waren, eene taal moest gebruikt worden, die zoo eenvoudig
mogelijk was en zoo dicht mogelijk tot de beschaafde spreektaal naderde, en als
gevolg daarvan kon wel niet uitblijven, dat ten slotte ook rijm en maat als
onnatuurlijk en hinderlijk moest verworpen worden. Moest het tooneel het
werkelijke leven voorstellen, dan waren rijm en maat er niet meer te handhaven.
Cornelis van Engelen was niet de eenige, die het
‘vreemd vond, dat de personaadjes hunne gewichtigste belangen in vaarzen
verhandelden’, en hij had dan ook opgemerkt, dat ‘bekwaame akteurs
steeds zorgvuldig agt gaven om het rijm, 't welk veele digters zoo veele moeite
kost, te verbergen en in Proza te spreeken’. Hij vond Proza niet alleen
eenvoudiger dan verzen, maar ook ‘buigzamer en gemakkelyker voor
schrijver en lezer, en even vatbaar, misschien zelfs vatbaarer voor alle
cieraaden, voor alle de kracht en roering der Dichtkunst’.
Dat doodvonnis werd over de poëzie geveld door den emeritus
predikant Van Engelen
1) († 1793)
in de ‘Wysgeerige ver- | | | | handeling over den
Schouwburg’, waarmee door hem in 1775 de ‘Spectatoriaale
Schouwburg’ geopend werd, die zich ten doel stelde, ‘eene
verzameling der beste zedelyke tooneelstukken bijeen te brengen uit alle de
verscheide taalen van Europa’ en dat dan ook tot 1791 toe in twintig
deelen heeft gedaan, door 59, vooral ook Hoogduitsche, stukken in onze taal
over te brengen. Weldra wemelde het van andere dergelijke verzamelingen, die
aan het tooneel der volgende periode een overvloed van vertaalde tooneelwerken
geleverd hebben: nochtans niet in een proza, zooals Van Engelen zich
dat voorstelde. In verzen te vertalen had ten minste nog eenige moeite gekost
en was niet ieders zaak. In proza te vertalen durfde echter iedereen wel aan,
onverschillig of hij voldoende kennis van de vreemde taal en vaardigheid in het
gebruiken van zijne moedertaal bezat. Misverstaan van het oorspronkelijke komt
in die vertalingen dan ook telkens voor, en door gallicismen en germanismen
waren zij voor ieder, die nog eenig taalgevoel bezat, ongenietbaar en zelfs
onverdraaglijk. Met het oog daarop is het dan ook alleszins begrijpelijk, dat
Antonie Spatzier in een allegorisch voorspel, bestemd, maar niet
gebruikt, om er het zomerspeelseizoen van 1777 te Rotterdam mee te besluiten,
de Poëzy liet uitroepen: ‘Ja! Proza zelfs, in deze dagen, durft by
Apoll, o ramp! van my den voorrang vragen!’
Met Van Engelen's voorkeur voor proza boven poëzie
ging natuurlijk gepaard voorkeur voor het burgerlijk treurspel boven het
classieke en ook boven het vroegere blijspel. ‘Een drama’, schreef
hij, bl. 71, ‘vertoont het menschelyk leven zo als het is: het kiest
zulke persoonen uit de hoogste of middelbaare of laagste klasse uit, als de
Digter goedvindt, en doet elk derzelven, vrolyk of ernstig, wys of dwaas,
spreeken zo als met zyn karakter overeenkomt, en zo als het geheele beloop van
het stuk vordert; het verdeelt dat stuk in zo veele of zo weinig bedryven als
de natuur van de zaak medebrengt, en het wordt dus eene schildery, daar elk
belang in neemt, omdat er alle staaten van menschen in ver- | | | | schynen, eene zedelyke schildery, omdat de Deugd daar in haare wetten kan en
moet voorschryven’, enz. enz.
Zoo werden de burgerlijke treurspelen in hun eigen tijd door hunne
voorstanders gekenmerkt. Wij daarentegen kunnen er moeielijk iets anders in
zien, dan, meerendeels slecht vertaalde, verhandelingen over wijsgeerige,
godsdienstige, zede- en staatkundige twistpunten in dialoogvorm, meestal in
groote holle woorden vervat en in tranen gedrenkt. Omdat zij voor de
beschavingsdenkbeelden van den dag propaganda maakten, konden zij instemming en
zelfs bewondering vinden bij een oppervlakkig, weinig aesthetisch ontwikkeld
publiek, maar met alle andere strekkingskunst hadden zij gemeen, dat voor hen
eenmaal het oogenblik moest komen, waarop men ze zou afschepen met het
gevleugelde woord: ‘de Moor heeft zijn plicht gedaan en kan nu wel
vertrekken’. Dat oogenblik was in 1780 echter nog niet aangebroken en zoo
zullen wij ze dan gedurende de geheele volgende periode nog altijd, schoon
onder protest van vele kunstkenners, op het tooneel zien blijven. Exemplaren
van dezelfde soort, in moderner gewaad, komen trouwens als pleidooien voor nog
nieuwere denkbeelden ook veel later wel voor, tot zelfs in onzen eigen
tijd.
|
1)Zie daarover M. Corver,
Tooneel-aantekeningen, bl. 155 vlg. en bl. 169, waar hij van lateren
tijd sprekende, zeide: ‘Men maakte Lasterschriften tegens mij; enfin het
begon het Amsterdamsche Spelletje van de jaren 1761 en 1762 weer te
worden’.
1)Voor de ‘Vaderlandsche
Letteroefeningen’ zie men J. Hartog, Uit het leven van een
tijdschrift in De Gids 1877 II bl. 444 vlgg., III bl. 64 vlgg., 187 vlgg.,
1879 I bl. 431 vlgg., II bl. 25 vlgg.
2)Voor de vele ‘gallicismen’ ook
in de oorspronkelijke Ned. treurspelen in Fransch-classieken trant zie men Ch.
van Schoonneveldt, Over de navolging der klassiek-fransche tragedie in Ned.
treurspelen der achttiende eeuw, Doetinchem 1906, bl.
144-188.
1)Over den invloed van Racine's
‘Mithridate’ en Corneille's ‘Horace’ op Van Haren's
‘Agon’ zie men Ch. van Schoonneveldt, Over de navolging der
klassiek-fransche tragedie in de Ned. treurspelen der achttiende eeuw,
Doetinchem 1906, bl. 89-94 en van een tooneel uit Corneille's
‘Cinna’ op diens ‘Willem de Eerste’ aldaar, bl. 78 vlg.
Over Van Haren zelf zie men Hoofdstuk XLIII.
1)Voor navolging van Fransche treurspelen
door De Lannoy zie men Ch. van Schoonneveldt, Over de navolging der
klassiek-fransche tragedie, Doetinchem 1906, bl. 74-78, 88 voor navolging
van Corneille's ‘Cinna’ en ‘Rodogune’ bij den
‘Leo de Groote’, bl. 108 van Voltaire's ‘Brutus’ bij de
‘Belegering van Haerlem’, en bl. 133-138 van Voltaire's
‘Mérope’ bij de ‘Cleopatra’. Voor De Lannoy
zelve zie men op Hoofdstuk XLIV.
1)Voor Nomsz zie men o.a. het tijdschrift
‘De Tooneelkijker’ I (1816), bl. 556-566. Zijn door J. Houbraken
gegraveerd portret werd in 1779 met vierregelig epigram van C. Groeneveld
uitgegeven.
2)Voor Nomsz' slechts gedeeltelijk gedrukte
vertaling van ‘Tasso's Verlost Jeruzalem’, Amst. 1789 zie men A. de
Jager in ‘Taal- en Letterbode’, III, bl. 311-313.
1)Het voornaamste van deze is een ‘Brief
aan een vriend te Amsterdam, behelzende eenige aanmerkingen over het onlangs
met den druk gemeen gemaakt en vertoond treurspel van den Heer J. Nomsz,
genaamd Zoroaster, Amst. 29 Dec. 1768.’ Even te voren was ook een
‘Begrafenisbriefje voor den Zoroaster’, 12 Dec. 1768 verspreid.
Over de slechte ontvangst, die het stuk vond, zie men J. Oosting, Jan Nomsz
en zijn treurspel Zoroaster in ‘Noorden Zuid-Ned.
Tooneelalmanak’, Amst. 1879, nl. 146-162. Toch is het stuk in 1822 nog
meer dan eens vertoond.
1)Zie daarover Ch. van Schoonneveldt, Over
de navolging der klassiek-fransche tragedie, Doetinchem 1906 bl. 126-128,
en aldaar bl. 109-111 en 122 vlg. over navolging van Voltaire's
‘Brutus’ en ‘Amélie’ bij ‘Maria van
Lalain’, bl. 123-126 van Voltaire's ‘Alzire’ bij
‘Michiel Adriaensz. de Ruiter’, en bl. 101-108 van Voltaire's
‘Brutus’ bij ‘De Graaf van Rennenberg’.
1)In een gedrukt schimpbriefje heet het
treurspel ‘Mahomet, vertaald door A. Hartsen 10 Dec. 1770 op den
Schouwburg onder het Uithangbord van het Genootschap Oefening beschaaft de
kunsten, verongelukt’.
2)Zie voor hem vooreerst de in 1830, door
zijne dochter Mad. de Vandeul uitgegeven, ‘Mémoires pour servir
à l'histoire de la vie et des oeuvres de Diderot’, en verder ook
Karl Rosenkranz, Diderots Leven und Werke, Leipzig 1866, II dln., Sainte
Beuve, Portraits littéraires, I.J. Morley, Diderot and the
Encyclopaedists, 2 ed., London 1886, II dln. en J. Reinach, Diderot,
Paris 1894.
1)Beide stukken werden in 1760 vertaald door
Lessing, die zelf reeds vóór Diderot met een burgerlijk treurspel
‘Miss. Sara Sampson’ (1755) was opgetreden en een ander
‘Emilia Galotti’ had ontworpen, dat echter eerst in 1772 werd
voltooid. Voor Lessing zie men o.a. Th.W. Danzel, G.E. Lessing: Sein Leben
und seine Werke, Leipzig 1850-54, 2 Aufl. Berlin 1881, II dln., en Adolf
Stahr, G.E. Lessing, Sein Leben und seine Werke, Berlin 1859, 9 Aufl.
1887, II dln.
2)Daarbij sluit zich aan de
Poétique française, Paris 1763, III dln. van Diderot's
vriend Jean François Marmontel.
1)Zie J.L. Walch, Theatraal in
Tijdschrift XL (1921), bl. 30-44.
1)Zie over hem Gustave Desnoireaterres,
Tableau de Paris, études sur la vie et les ouvrages de Mercier,
Paris 1858. Zijne gezamenlijke tooneelstukken werden te Amsterdam, 1778-84, in
IV dln. gedrukt.
1)Zie M. Corver,
Tooneel-aantekeningen, bl. 191-197.
2)Dat de tooneelhervormers toen wel begonnen
te breken met de Fransch-classieke tragedie, maar niet met de oude
‘heroïsche’ tragedie, zooals zij die tegenover de
‘burgerlijke’ noemden, kan men zien bij Louis Bertrand, La fin
du classicisme et le retour à l'antique dans la seconde moitié du
18e siècle et les premières années du 19e siècle en
France, Paris 1897. Ook Lessing trachtte in zijne Hamburgische
Dramaturgie aan het eigenlijke classieke vast te houden door zich telkens
weer op Aristoteles te beroepen.
1)Zie voor hem C. Sepp in ‘Godgeleerde
Bijdragen’ 1862, bl. 885 vlg. Zijne verhandeling heeft vooral ten doel
het tooneel in het algemeen tegen allerlei, ook toen nog heerschende,
vooroordeelen te verdedigen en zou daarvoor ook nog in onzen tijd goede
diensten kunnen bewijzen. Aan het oudere treurspel is hij ook niet volstrekt
vijandig: zoowel Corneille en Voltaire als bij ons Van Winter en Van Merken,
prijst hij, maar over Molière is hij minder goed te spreken. Ook elders,
zooals in de Spectatoriale geschriften, waarvan hij redacteur was, spreekt hij
over het tooneel en verder over allerlei sociale en godsdienstige denkbeelden,
waarbij hij zich o.a. voorstander der tolerantie toont.
|
|