|
|
|
| |
III. Van Alphen en Van de Kasteele.
Hieronymus van Alphen
1) behoorde als theoreticus niet tot de
stuurlieden-aan-wal. Hij was ook zelf dichter, en als zoodanig moeten wij hem
nu leeren kennen.
Hij werd 8 Augustus 1746 geboren te Gouda, waar zijn
vader, Johan van Alphen, lid van de vroedschap en schepen was, maar reeds
overleed vóór nog zijn zoon zijn vierde jaar had bereikt. Zoo had
hij dan zijne opvoeding grootendeels alleen aan zijne moeder te danken, die
tien jaar later met Mr. Ph. A. Boddens hertrouwde en die hij mocht behouden tot
1779, toen zij ‘stierf in zijnen arm’, zooals hij zegt in een
lijkzang in rijmlooze verzen, waarin hij haar herdacht, maar dien hij nooit
heeft uitgegeven.
Op zestienjarigen leeftijd werd hij student te Utrecht,
waarheen zijne moeder al vroeger was verhuisd. Hij studeerde er tot 1767, toen
hij naar Leiden vertrok, waar hij het volgende jaar in de rechten
promoveerde op een proefschrift over Romeinsch recht. Als advocaat vestigde hij
zich vervolgens te Utrecht. Aan de beide hoogescholen, die hij bezocht, had hij
niet alleen zich met grooten ijver op de rechten toegelegd, maar zich ook eene
veelzijdige, vooral letterkundige en theologische kennis eigen gemaakt, waaraan
hij reeds als student | | | | het lidmaatschap van de Maatschappij der
Nederlandsche Letterkunde te danken had, terwijl hij te Utrecht een der meest
gewaardeerde leden van het kunstgenootschap ‘Dulces ante omnia
Musae’ was.
Tot de vrienden, die hij zich daar verwierf, behoorde in de eerste
plaats
Pieter Leonard van de Kasteele, 13 Augustus
1748 in Den Haag geboren, waar hij, na ook te Leiden
gepromoveerd te zijn, als advocaat gevestigd was, tot hij in 1782 tot tweeden
pensionaris van Haarlem werd benoemd, als hoedanig hij echter
wegens zijne allengs sterker uitgesproken patriottische gezindheid in 1787 na
het herstel der stadhouderlijke partij werd ontslagen. Verschil in staatkundige
richting maakte omstreeks 1786 een einde aan zijne overigens zoo hartelijke
vriendschap tot Van Alphen, die al van zijne jeugd af den stadhouder
had vereerd en hem tot zijn dood onwankelbaar trouw gebleven is.
1)
Van de latere politieke partijschappen intusschen was er nog geen
sprake in 1771, toen
Van Alphen en Van de Kasteele, in
vrome stemming gebracht door het ongedacht herstel uit eene gevaarlijke ziekte
van een boezemvriend, die met hen een driemanschap had gevormd, besloten,
gemeenschappelijk hun leven aan de belangen van den godsdienst te wijden en dat
in het bijzonder te doen door middel van de poëzie, die zij reeds vroeger
in den kring van het Utrechtsche dichtgenootschap hadden beoefend. Van
Alphen, die, zooals hij zegt, in den roes van het studentenleven wel eens
‘in 't ijdel hart een afkeer van gewijde poëzie’ had gehad, en
wiens ‘citer toen dartle tonen had geslagen’, was nu opeens van een
Saulus tot een Paulus bekeerd, die ‘voor Jezus boog’ en later nooit
meer tot zijne vroegere wereldsgezindheid terugviel, al bleef zijne vroomheid
ook altijd van gemoedelijken aard en, bij onverdachte rechtzinnigheid, waarvan
ook zijne vele godgeleerde verhandelingen getuigen, toch meer eene zaak van het
hart dan van het verstand.
Van die godsdienstige gezindheid der beide vrienden waren de
vruchten twee bundels
Proeve van Stigtelijke Mengelpoëzij
(1771-72), waarop in 1782 nog een derde volgde. Een geheel nieuwe geest spreekt
uit die bundels nog niet, maar toch wel eene neiging tot zuiver lyrische
ontboezeming, wat destijds zeldzaam was, en eene toen even | | | | zeldzame
versmelodie, bij groote gemakkelijkheid van strophischen versbouw, waarin
Van de Kasteele allerminst bij Van
Alphen achterstond, zooals o.a. het verheven dichtstuk ‘De
Zee’ bewijst, dat bij de tijdgenooten zooveel bewondering
vond.
Invloed van Hoogduitsche poëzie komt er nog weinig in uit, al
wijzen eenige ‘veldzangen’ op bekendheid met
Gessner. Alleen wordt de derde bundel met twaalf
liederen van Gellert besloten, in de versmaat van het oorspronkelijke vertaald,
om ze te kunnen zingen op de melodieën, die Bach er voor gemaakt had.
1). Wel kan
men den invloed van
Young opmerken, met wiens bede tot Jezus de dichters hun
voorbericht voor den eersten bundel besluiten: ‘Bewijs mededogen aan de
koelheid van ons hart, en vergiffenis aan de koude van ons lied.’ Young's
‘Night Thoughts’ waren hier reeds in 1766, doch in
proza, vertaald door den veelzijdig ontwikkelden en begaafden Amsterdamschen
koopman
Joannes Lublink de Jonge
2) (geb. 9 Febr. 1736, overleden 24
Nov. 1816), die van zijne vertaling in 1785 ook nog eene tweede veelverbeterde
en van aanteekeningen voorziene uitgave bezorgde.
Dat overigens Van de Kasteele niet minder dan zijn vriend
ingenomen was met de nieuwere Engelsche en Duitsche poëzie, blijkt, uit
den, eveneens godsdienstigen, bundel van ook rijmlooze
Gezangen, dien hij in 1790 uitgaf, en toonde hij
vooral in 1793 met zijne vertaling van
De Gedichten van Ossian, want deze gedichten,
waarvan de echtheid en overoudheid toen nog maar door enkelen werd betwijfeld,
hadden, sinds
James Macpherson in 1762 den
‘Fingal’ en in 1765 ook de andere gedichten in eene
Engelsche prozavertaling bekend had gemaakt, in Engeland, maar ook vooral in
Duitschland, eene ongeloofelijke geestdrift en afgodische bewondering verwekt.
3)
| | | |
Men hoorde er den ouden natuurtoon der Gaelische barden in, die de
waarheid der toen zoo geliefde stelling scheen te bevestigen, dat men om echte
poëzie te vinden moest teruggaan tot de kindsheid der nog niet door
beschaving bedorven volkeren, tot de ‘dichtkunst der onverniste tijden
van slechts schijnbare ruwheid’, waarin ‘de taal van 't hart’
klonk, zooals
Van de Kasteele zegt, en ook de taal der
verbeelding, die alles verpersoonlijkt. Ernstiger, krachtiger, edeler,
roerender, dan de heldenzangen van
Homerus, waren, volgens Hugh Blair, in menig opzicht
deze bardenzangen der Schotsche Hooglanden, waarin ook niet, zooals bij
Homerus, goden behoefden op te treden om eene verhevenheid aan te brengen, die
bij Ossian juist in het zuiver menschelijke uitkwam. Bij Homerus vergeleken,
weerspiegelde Ossian het somber en dreigend grauwe Noordwestelijke zwerk,
terwijl in de Homerische zangen het diepe wolklooze blauw van het Zuidoostelijk
hemelgewelf terugstraalde. Bij de droefgeestige stemming, waarin men destijds
een verfijnd genoegen, ja een hemelschen wellust vond, was het voor velen niet
twijfelachtig, aan wien van beiden men de voorkeur moest geven.
Toen Van de Kasteele zijne landgenooten in de gelegenheid
stelde, de gedichten van Ossian in eigen taal te lezen, waren zij hier reeds
lang niet meer onbekend gebleven. In het Engelsch van Mac- | | | | pherson of
in Duitsche vertaling hadden toen al velen ze gelezen; anderen kenden inhoud en
karakter er van min of meer uit de tweede hand; en zoo spookte Ossian's geest
dan ook in de Nederlandsche poëzie al een tiental jaren rond; maar aan
Van de Kasteele komt de eer toe, voor het eerst
eene volledige vertaling van Ossian's gedichten te hebben willen geven, waarvan
hij zelf echter alleen het eerste, kleinere, deel uitgaf, dat o.a. wel den
‘Fingal’ maar niet de
‘Temora’ bevat
1). Hij gaf er weer den vorm der poëzie
aan door ze over te brengen in Klopstock's geliefkoosde versmaat, den
hexameter, waarin zij ook beter met de Homerische zangen te vergelijken waren,
maar wisselde die bij de zuiver lyrische gedeelten door strophen zonder rijm
af. In zijne inleiding wees hij op de eigenaardigheden van den door hem
gebruikten versvorm, dien hij daar tegen de opmerkingen der ouderwetsche
kunstleeraars verdedigde.
In plaats van eene voortzetting zijner vertaling van
Ossian gaf hij in 1798 een bundel vertaalde
Oden van Klopstock en Wieland uit. Klopstock's
oden trokken hem vooral aan, omdat men daaronder eene zoo groote menigte
godsdienstige gezangen aantrof, waaruit hij voor zijne vertaling dan ook
uitsluitend eene keus heeft gedaan. Van Wieland bevat de bundel slechts twee
vrij uitvoerige Pindarische oden, ook van godsdienstigen aard, want zij
bezingen ‘de geboorte en de opstanding des Verlossers’.
Voor bijna alle oden behield hij de versmaat van het
oorspronkelijke, wat hem wel eens dwong, het metrische schema met teekens aan
te duiden, omdat het anders misschien niet door de lezers zou gevoeld zijn. Dat
al deze oden rijmloos zijn, spreekt wel van zelf. Veel gebruik daarentegen is
gemaakt van zinteekens, als volstrekt noodzakelijk om 's dichters taal juist te
doen gevoelen.
Van de Kasteele's bewondering voor
Klopstock
2) heeft hem het overmoedig plan
doen opvatten om een heldendicht op te stellen in den geest van diens
‘Messias,’ die zelf reeds in 1784-85 door | | | |
Cornelis Groeneveld was vertaald op zoodanige
wijze, dat hij, ofschoon het oorspronkelijke soms misverstaande, er toch om
geprezen werd door Klopstock zelf, die onze taal redelijk goed kende en de
Nederlandsche vertaling boven iedere andere vertaling van zijn gedicht verkoos.
Nochtans werd zij hier ‘slecht verkogt’, want de kring der
Messiaslezers is hier altijd veel kleiner geweest dan die der
Messiasverheerlijkers. Van eene tweede vertaling, door
Barend Nieuwenhuizen, is in 1798-99 alleen de
eerste helft verschenen, tegelijk met eene volledige ‘in dichterlyk
proza’ door een ongenoemde. Er waren er dan ook, die allesbehalve met
Klopstock konden dwepen. Zoo schreef bv.
Z.H. Alewyn aan zijn vriend Meinard Tydeman:
‘De Messias is een allerongelukkigst wanschepsel, langdradig, gezocht
pathetyk, gevaarlijk, wandrochtelijk in vinding. Het haalt net zoveel bij
Milton als een nieuwjaarslied van den klapperman bij een kerstlied van Vondel.
En dan dat nare metrum!’
Van de Kasteele nu, die Klopstock wilde volgen met een
oorspronkelijk godsdienstig heldendicht, dat zeker, als het tot stand gekomen
was, eene merkwaardige tegenstelling zou gevormd hebben tot de bijbelsche
heldendichten van Hoogvliet en anderen uit de vorige periode, koos Henoch tot
zijn held, maar zelfs de eerste zang er van is nog niet geheel voltooid, hetzij
dat de dichter bemerkte, zijne krachten overschat te hebben, hetzij dat
staatkundige bemoeiingen hem zijn tijd ontroofden, want in 1795 behoorde hij
natuurlijk tot de eersten, die tot deelneming aan de Nationale vergadering
verkozen werden; en sinds dien tijd heeft hij de Bataafsche Republiek in
verschillende, meest financiëele, ambten en Koning Lodewijk als staatsraad
gediend, tot hij 10 April 1810 in zijne geboorteplaats 's-Gravenhage
overleed.
Keeren wij na deze uitweiding over Van de Kasteele tot
Van Alphen terug.
In April 1772 ging hij een, als ‘Gezegende
Echtvereeniging’ door Van de Kasteele bezongen, huwelijk aan met
de zuster van een ander zijner vrienden, met Johanna Maria van Goens, die hem
echter reeds drie jaar later weer ontviel, na hem twee zoontjes geschonken te
hebben, in wier opvoeding hij nu zijn troost vond, zoowel als | | | | in
zijn godsdienst, dien hij toen juist niet eene verhandeling in den
rechtzinnigen vorm verdedigd had tegen het rationalistisch deïsme van
Eberhard en
Mendelssohn. Hoe het hem bij den dood zijner vrouw te
moede was, sprak hij uit in een door eenvoud aandoenlijken klaagzang, met
enkele andere lierdichten en een paar prozastukken over den dood in 1777
uitgegeven onder den titel
Gedigten en Overdenkingen. De
‘bedwelmende eenzaamheid, voorhenen hem zoo waard’, benauwde hem,
maar hij dacht zich zijne geliefde doode als levend in eene betere wereld en
dioomde reeds van de zaligheid, haar daar te zullen weerzien. Toen hij zijn
kleinen bundel doodsbetrachtingen wijdde aan zijn kroost, vervulde niets hem
zoozeer als de gedachte aan zijne eigene sterflijkheid, ook blijkens het slot
der opdracht aan zijne kinderen: ‘Legt d'Albehoeder mij naast haar zij,
betreurt dan uw moeder en denkt aan mij.’
Toch had hij toen wel reeds veel van zijne vroegere veerkracht
herwonnen, want van dien tijd dagteekenen juist zijne studiën op
aesthetisch gebied, waarvan het volgende jaar de ‘Theorie’ de
vrucht was; maar in 1778 gaf hij ook een ander klein werkje uit, dat hem in
veel ruimer kring beroemd heeft gemaakt, en dat nog steeds zijn naam op aller
lippen doet zijn, al ontbrak die ook op den titel der eerste uitgave.
Natuurlijk wordt bedoeld de
Proeve van kleine gedigten voor kinderen
1), waarvan nog in hetzelfde
jaar een | | | | ‘Vervolg’ en in 1782 een derde
deeltje verscheen. ‘Door liefde gedrongen, heb ik ze gezongen’,
zegt hij tot de ‘lieve wigtjes’, de twee lieve kleine jongens,
zijne eigene, die hij wenschte, dat in hun vader hun besten vriend zouden zien,
en aan wie hij ze aanbood, zooals men ook zien kan op het eerste der aardige
plaatjes, die J. Buys er voor teekende en die door Jan Punt, N. van der Meer en
R. Vinkeles gegraveerd werden. Toch waren zij, zooals de inhoud bewijst, ook
voor meisjes bestemd.
Ook met deze gedichtjes was Van Alphen bij ons baanbreker,
want of
Pieter 't Hoen hem met zijne
‘Proeve’ en ‘Nieuwe Proeve van kleine
gedichten voor kinderen’ misschien even vóór is
geweest doet aan zijne aanspraken niets te kort, daar deze mededinger spoedig
geheel in vergetelheid is geraakt, terwijl Van Alphen's
gedichtjes een ongelooflijken opgang hebben gemaakt, ontelbare malen zijn
herdrukt (als één bundel het eerst in 1787) en tweemaal in het
Hoogduitsch, eens in het Fransch, het Engelsch, het Friesch en zelfs in het
Maleisch zijn vertaald. Dat ze, door duizenden en nog eens duizenden kinderen
van buiten geleerd en opgezegd, eindelijk den indruk van afgezaagdheid moesten
gaan maken en zelfs geparodiëerd zouden worden, pleit eer voor dan tegen
ze. Gedichten moeten wel algemeen pakken om afgezaagd te kunnen worden.
Voortdurend zijn zij nagevolgd, totdat zij eindelijk door andere in nieuweren
trant bijna geheel verdrongen zijn, maar van de geheele kinderlitteratuur, die
in de negentiende eeuw allengs een onoverzienbaren omvang heeft gekregen, zijn
zij de eerstelingen geweest, en nooit zijn zij bij ons door andere
kinderversjes overtroffen in het oog van ieder, die niet uitsluitend zweert bij
de taal en den kindertoon van zijn eigen tijd en begrijpt, dat in Van
Alphen's tijd de ouders met hunne kinderen wel over andere onderwerpen
moesten spreken, dan wij nu dikwijls doen.
Met Van Alphen's kinderdichtjes is een geheel nieuw vak van
letterkunde bij ons geschapen, want vóór hij, ze schreef, lazen
de kinderen eigenlijk, zij 't ook in wat beknopter vorm, hetzelfde wat de niet
al te ontwikkelde volwassenen lazen. Ook in hunne lectuur waren de kinderen
toen, wat zij eveneens in hunne kleeding waren, kleine mannetjes en vrouwtjes.
Wilden zij leeren, dan lazen ze veel, wat zij op hun leeftijd nog onmogelijk
konden begrijpen, maar wel konden napraten, en veel ook, wat zij nog niet
hadden behooren te weten, maar wat men toch niet voor hen verborgen kon
houden, | | | | omdat geen protestant den bijbel voor hen zou hebben willen
wegsluiten. Dat kon eerst anders worden, toen er opzettelijk voor kinderen werd
geschreven; en wanneer in ons oog Van Alphen nog wel eens eene enkele
maal aan zijne jongens met steekjes en staart-pruikjes wat al te wijze woorden
in den mond legt, die ons aan kleine wijsneusjes doen denken, dan moet men niet
vergeten, dat de kinderen van zijn tijd er nog wel wijzere naklapten.
Intusschen, de nieuwe denkbeelden over kinderopvoeding, die-uit
Van Alphen's kindergedichtjes blijken, zijn niet uitsluitend, zijne
eigene: allerlei begaafde mannen, vooral buitenslands, hadden, ze verkondigd en
ingang doen vinden. Zelfs de gedachte om gedichtjes voor kinderen te schrijven
was niet het eerst bij hem zelf opgekomen. Hij wijst zelf op voorgangers in
Duitschland, namelijk op
Chr. F. Weisse, wiens ‘Lieder für
Kinder’ van 1767 in 1781 bij ons door
Hendrik Riemsnijder vrij zijn vertaald, en op
G.W. Burmann, wiens ‘Kleine Lieder für
kleine Mädchen und Jünglinge’ reeds in 1772-73 gedrukt
werden. Deze bundels zijn het, waarop Van Alphen voor ons land
naijverig was geworden en waarvan hij den trant (enkele malen ook den inhoud)
volgde, zonder ooit bepaald te vertalen. Hij deed dus op dit gebied hetzelfde
als op dat der aesthetica: bij ons het eerst invoeren uit Duitschland wat wij
aan Duitschland mochten benijden; en veel beter nog dan met zijne
‘Theorie’ heeft hij dat met zijne kindergedichtjes gedaan.
De verdienste er van bestaat allereerst in den versvorm,
zóó welluidend en vloeiend en als op hetzelfde oogenblik met de
gedachten ontstaan, dat kinderen ze gemakkelijk in het geheugen kunnen opnemen
en vasthouden, waarom de dichter ze dan ook opzettelijk zoo kort heeft gemaakt.
De meeste zijn inderdaad meesterstukjes van ongedwongenheid. Men denke b.v. aan
‘Ik ben een kind, van God bemind en tot geluk geschapen’, aan
‘Moederlief, ziedaar een roosjen van uw Koosjen’, aan ‘Des
morgens lang te slapen, te geeuwen en te gapen staat lelijk voor een
kind’, aan ‘Welkom, lieve kleine zus, welkom in dit leven’,
aan ‘Ach, mijn zusjen is gestorven’, aan ‘Hoe dankbaar is
mijn kleine hond’, aan ‘Zou ik voor den klepper vreezen’, aan
‘Die in zijn jeugd het pad der deugd heeft ingeslagen’, en aan den
‘Brief van Carel aan zijn zusje Caatje’, zoo eenvoudig en
natuurlijk van toon, dat het ‘schrijven moet men, zegt papaatje, eveneens
alsof men praat’ door den kleinen briefschrijver blijkbaar ter harte is
genomen. | | | |
In zoover is de toon der gedichtjes lyrisch, als de kinderen er
bijna altijd zelf in aan 't woord zijn, niet zelden naar aanleiding van wat zij
op 't oogenblik zelf opmerken, zooals in het ‘Kijk, Pietje, kijk, een
haas!’ het ‘Zie, Keesje, deze doode mug,’ het ‘Daar zie
ik een konijn’, het ‘'k Zie de gele bladers vallen’ en het
nieuwsgierig makende ‘'k Vond daareven dit papiertjen’, dat dan
blijkt de lessen van ‘den vergenoegden man’ in te houden. Uit
hetgeen zij waarnemen maken zij dan zelf de toepassing; maar soms is die de
vrucht van kinderlijke overdenking, dikwijls naar aanleiding van hun speelgoed,
drijftol en hoepel, lintjes en prentjes, en ook wel van de handelingen der
dieren, van den dankbaren hond, de geduldige kat, het leerzame sijsje op de
kruk. Dat de kinderen voor het meerendeel verstandige opmerkingen maken en goed
en zoet zijn, kon alleen later worden afgekeurd, nadat
Van Alphen's navolgers die kinderbezadigdheid
en kinderbraafheid erg overdreven hadden, in strijd met de werkelijkheid; doch,
zijne gedichtjes niet voor volwassenen bestemmend, maar voor kinderen, dacht
hij zeker aan Camphuysen's ‘alwat van zelver wast, behoeft men niet te
zaeyen.’
In enkele gedichtjes worden de kinderen voorgesteld als een lied
zingend, zooals Willem, die, ‘bij 't opgaan van de zon’ aan de bron
zittend, zijn morgenlied aanheft, en ‘de lieve Cris,’ die
‘haar kleine citer neemt en, lagchend stem en snaren parend’, een
avondlied zingt. Een, in den bundel alleenstaande, beurtzang is gericht tot
‘Jesus, den kindervriend.’ Ook de alleenspraak gaat soms in
samenspraak over, zooals van Klaartje en Keetje over leeren en spelen, van
Pietje en Keetje over de geschenkjes, waarmee zij hun tehuis-komend
vriendinnetje willen verrassen, van Klaasje en Pietje over den niet bestaanden
‘zwarten man’, aan wien alleen gelooft, wie ‘van zijn
verstand beroofd is,’ van ‘de vegtende jongens’ en van
Keesje, die medelijdend aan Lotje vraagt: ‘Zeg me, zoete lieve Lotje, wat
is de oorzaak, dat ge schreit? Hebt ge uw beugeltas verloren of gebroken, lieve
meid?’
Een paar vertellingen behooren tot de meest bekende, zooals
‘Cornelis had een glas gebroken vooraan de straat’, het verhaal der
vergeving vindende oprechtheid; ‘Jantje zag eens pruimen hangen’,
het verhaal der beloonde gehoorzaamheid, en ‘Wij zaten laatst bij
Saartje, onze oude goede baker’, die niet alleen sprookjes kon vertellen,
maar ook het nut van de afwisseling der jaargetijden aan kinderen kon
inprenten. Deze vertelling is ééne van de zes gedicht | | | | waarvoor Van Alphen - voor 't eerst in zijn leven-den
rijmloozen versvorm koos. Een ander gedichtje in dien vorm is de klacht van het
eergierige Daantje, dat den prijs verloren heeft, ‘dat boek met mooie
prentjes en groene zijden lintjes’; en een derde de overdenking van
Claartje bij de schilderij van hare overledene moeder,’ eene schilderij,
zooals er toen ook eene in Van Alphen's eigen huiskamer kan gehangen
hebben.
Wat het didactisch karakter der kindergedichtjes betreft, zij
vermanen tot naarstige en blijmoedige plichtsbetrachting (‘Mijn spelen is
leeren, mijn leeren is spelen’), stellen teergevoeligheid en
mensch-lievendheid, kloeke openhartigheid en eerlijkheid in het gunstigste
licht, bestrijden onverstandige angst voor het schijnbaar griezelige en
geheimzinnig spookachtige, en boezemen liefde in voor ouders, broers en
zusters, voor oprechte vrienden en voor God, den goeden gever van alle dingen,
die zich in zijne liefde en grootheid het heerlijkst openbaart in de natuur: in
‘de bloempjes’, die hij ‘laat groeien in de lieve
lente’ en ‘de vruchten’, waarvan hij in den winter onzen
kelder voorziet, in ‘den malschen regen’, die ‘het
uitgedroogde land’ laaft, maar niet meer dan noodig is, in de groote zon,
die de groote God heeft geschapen, en in den ‘schoon neerschietenden
bliksem, den statig rollenden donder’, waarvoor het verkeerd is te beven,
maar waarin ieder kind ‘Gods majesteit bewonderen’ moet.
Van ‘liefde tot het vaderland’ is maar in
één gedichtje sprake. Toch wenschte
Van Alphen in een tijd, waarin hij voor een
slecht vaderlander werd uitgekreten, te toonen, dat het vaderland hem niet
minder dan wien ook ter harte ging. Dat deed hij in 1779 met een klein, aan
Prins Willem V opgedragen, bundeltje
Nederlandsche Gezangen, waartoe de viering van
het tweede eeuwfeest der Unie van Utrecht hem aanleiding zal gegeven hebben,
want die wordt herdacht in den eersten lierzang ‘Aan Prins Willem den
Eerste’, die gevolgd wordt door het bekende puntdicht op 's Prinsen dood:
‘Daar ligt de hoop van Staat! Wie stuit nu Spanjes woeden? De handen
hangen slap: de held is bleek van schrik! Wie leeft er, die na Hem ons Neerland
kan behoeden? Zoo sprak het weerloos volk, maar Neerlands God zei....
ik!’
Met deze gedichten verheerlijkt Van Alphen de hoofdmomenten
van onzen vrijheidsoorlog tegen Spanje, den ‘Slag bij Nieuwpoort’
en Prins Maurits, en ‘Het Bestand’, waarin de grondslag werd gelegd
van onze handelsgrootheid, en waarvan het slot, de schildering | | | | der
jonge Elize, diep bedroefd over, maar ten laatste toch berustend in het verlies
van haar voor zijn vaderland gesneuvelden echtgenoot, bewijst, dat het tafereel
van Rozemondt uit Van Haren's ‘Geusen’ ook op Van Alphen
indruk had gemaakt. En dan verder nog de ‘Verovering der Spaansche
Zilvervloot’, waarover hij de ‘matroozen’ een nog lang zeer
geliefd gebleven ‘Zegezang’ laat aanheffen in den volkstoon, dien
hij ook koos voor zijn ‘Volkslied na de afkondiging van den Munsterschen
vrede’, dat in den versvorm van Vondel's Geuzen-vesper aldus aanvangt:
‘Nederland is opgerezen uit het slijk en behoeft niet meer te vreezen 't
Spaansche rijk; 't heeft in't eind zijn slaafsche keten gansch geslaakt en zijn
dwangeloos geweten vrij gemaakt.’ Met een laatste gedicht komt hij op
tegen de valsche stelling, ‘dat met het Christelijk beginsel der
algemeene menschen-liefde de liefde voor het vaderland in strijd zou
zijn’, zooals eertijds de Engelsche Jenyns had beweerd.
Niet lang daarop kwam er eene groote verandering in
Van Alphen's levensomstandigheden. In 1780 werd
hij aangesteld tot Procureur-Generaal bij het Hof van Utrecht en een jaar later
ging hij een tweede huwelijk aan met Catharina Geertruid van Valkenburg. Toen
werd hij ook minnedichter, want aan haar zijn de tien ‘Gedigten
voor Elize’ geschreven, die het begin uitmaken zijner in 1783
anoniem uitgegeven
Mengelingen in Proze en Poëzy. 't Is in
dezen bundel dat de invloed der nieuwere Duitsche letterkunde op hem bijzonder
uitkomt, want Klopstock had er hem toe gebracht, in zijne geliefde een
‘Godsgeschenk’ te zien, waarvan hij nooit zonder aan God dankbaar
te gedenken genieten mocht, zoodat bij den band, die hem aan zijne Elize bond,
‘godsdienst, deugd en liefde’ één moesten zijn. Zijne
‘kleine gezangen’, in Anacreontischen trant en rijmloos, ademen dan
ook een geheel anderen dan Anacreontischen geest, en de andere, in
rijmstrophen, hebben eveneens een ‘laat ons den besten vader eeren’
en ‘laat ons voor den hemel leven’ tot hoofdthema. Bij eene
‘Avondwandeling’ in den vertederenden maneschijn smelt dan ook
hunne liefde samen met verrukking over en aanbidding van Gods grootheid en
goedheid.
Het proza in den bundel wordt gevormd door ‘fragmenten uit het
dagboek van E.C.W.’, eene navolging van
Lavater's, bij ons in 1780 ook vertaald,
‘Geheimes Tagebuch von einem Beobachter Seines
Selbst’ (1771-73), dat het in de mode had gebracht zich bij
voorkeur met zich zelf bezig te houden en van alle opkomende | | | | gedachten en gevoelsopwellingen aanteekening te houden, ofschoon er
toch ook wel waren, zelfs in Van Alphen's vriendenkring
1), die gevoelspralerij zagen in het uitgeven
van wat als ‘geheim’ en dus niet voor het publiek bestemd dagboek
neergeschreven heette, maar dat ongetwijfeld niet was. Van Alphen handelde in
zijne fragmenten vooral, en meest in gesprekvorm, over zedelijkheid en
godsdienst. Hij toonde zich daarin wel een overtuigd aanhanger van den
ge-openbaarden Christelijken godsdienst, waarnaar geen verder onderzoek behoeft
te worden ingesteld door wie van de waarheid er van overtuigd is, maar koestert
toch ten opzichte van sommige leerstellingen vrijzinnige denkbeelden, zoodat
hij zich zelfs den naam ‘vrijdenker’ - mits verstandig opgevat -
niet schaamt
2). Nochtans was hij het niet eens met
Rousseau en
Voltaire, al kon hij den eerste ook tot op zekere hoogte
waardeeren, wat hij Voltaire niet kon.
Behalve een ‘Toegift’ van drie gedichten bevatten deze
‘Mengelingen’ nog, als verreweg het merkwaardigste,
drie cantaten: ‘Doggersbank’, ‘De
Starrenhemel’ en ‘De Hoope der
Zaligheid’, gevolgd door eenige ‘aanmerkingen’ in
proza over deze dichtsoort, waarmee Van Alphen ook weder als met iets
geheel nieuws bij ons optrad. Met recht mocht hij zelf zeggen, dat deze
‘zangstukken de eersten van dien aart en vorm waren, welke in onze taal
gemaakt of uitgegeven zijn’, want
Onno Zwier van Haren's cantate ‘Messias’ was
toen nog onuitgegeven. Voor de zijne zou de componist F. Nieuwenhuysen de
muziek schrijven, zooals hij zegt, dat in Engeland Händel reeds voor
dergelijke oratoria had gedaan. Wat den dichtvorm betreft, wijst hij op Rammler
als zijn voorbeeld, op Sulzer als den besten kenner er van.
Van deze cantaten is alleen ‘De
Starrenhemel’ beroemd geworden, en terecht. Geen dichtstuk
bewijst beter, welk eene omwenteling er reeds in enkele jaren in onze
poëzie had plaats gehad, want geen enkel dichter van het vorige geslacht
zou in staat geweest zijn, zulke lyriek, zoo verheven godsdienstig van toon,
voort te brengen. Deze cantate is niet onwaardig bij den beroemden reizang van
Vondel's Lucifer vergeleken te worden, die van Gods grootheid door den hoog
dichterlijken bespiegelingsvorm een maar nauwelijks sterker indruk geeft, dan
deze cantate door de zinnelijk-aanschouwelijke | | | | en tegelijk
geestelijk-voelbare verbeelding van den plechtig zwijgenden hemel ‘met
zijn tintlend starrenheir’, dat ‘alleen spreekt in de stille
nagt’. Solo, duet en koor, recitatief en aria wisselen elkaar af met
gedachten en woorden, juist overeenstemmende met de kracht of de tedere
zachtheid, die ook van hun muzikalen vorm mag worden geëischt. Na den
plechtigen solo, die op den eersten koorzang volgt, zwelt de toon meer en meer
aan tot een jubelenden lofzang ter eere van de Godheid, wier wagen de Orion,
wier pad de melkweg is, maar die toch het lied hoort, dat de bedrukte
stervelingen voor God aanheffen, zij, die toch ook ‘schakels zijn in 't
heelal’ en ‘leden van het rijk, dat eeuwig bloeien zal.’
De bundel ‘Mengelingen in Proze en
Poëzy’ heet een eerste deel maar een tweede is nooit
gevolgd, wel in 1802 een derde druk, met uitbreiding van het proza en
toevoeging van twaalf kleine zangstukjes en eene voorrede, waaruit wij
vernemen, dat de ‘treurige tijden, die men beleefde,’ aan Van
Alphen ‘in de eerste jaren den lust benamen’ om een tweede
deel te laten volgen. Daarmee bedoelt hij de jaren der patriottische woelingen;
maar zelfs toen zij in 1787 eindigden met de tijdelijke herstelling van den
stadhouder, zelfs toen keerde de lust niet dadelijk terug, daar zijne pogingen
om te Utrecht de hardheid der wraakoefening van de zegevierende partij wat te
verzachten misduid werden en hem als Oranjeman bij zijne eigene partij verdacht
maakten. Daarom nam hij in 1789 gaarne eene aanstelling als pensionaris van
Leiden aan, waarop in 1793 zijne benoeming tot een der hoogste
staatsambtenaren in de Republiek, tot Thesaurier-Generaal der Unie, volgde.
Slechts kort heeft hij er van mogen genieten. In 1795 verlangde de Bataafsche
Republiek de diensten van een Prinsgezinde evenmin, als hij geneigd was, ze
verder te bewijzen.
Zijne laatste levensjaren bracht hij ambteloos door op de
buitenplaats Oostbroek aan den Loosduinschen weg. Hij schreef toen nog
verscheidene godsdienstige prozawerken, die hem o.a. in een twist-geschrijf met
Paulus van Hemert wikkelden, en gaf in 1802 nog twee kleine bundels
‘Proeve van liederen en gezangen voor den openbaren
godsdienst’ uit, kort voor hij aan de gevolgen van eene beroerte
2 April 1803 overleed.
|
1)Voor hem zie men in de eerste plaats
‘Dichtwerken van Mr. Hieronymus van Alphen, volledig verzameld en met een
levensberigt van den dichter verrijkt door Mr. J.I.D. Nepveu, Utrecht 1838-39
III dln. (volksuitgave, Utrecht 1871). Daar vindt men vóór het
derde deel het eenig goede portret van den dichter, door J.B. Tetar van Elven
op staal gebracht, wat men niet verwarre (zooals in 1914 werkelijk gebeurd is)
met een door Jac. Houbraken gegraveerd portret naar eene schilderij, in 1735
door Quinkhard vervaardigd van 's dichters toen 71-jarigen gelijknamigen
grootvader, Utrechtsch hoogleeraar in de theologie, dat ons een geheel ander
type te zien geeft in een veel ouder gewaad, dan men in den revolutietijd
droeg. Verder zie men over Van Alphen: J. Harderwijk, Proeve eener lofrede
op Mr. Hiër. van Alphen in ‘Mnemosyne’, XIX (Leiden,
1829); [H.W. Tydeman en J.T. Bodel Nyenhuis], Lofrede op Mr. H. van
Alphen, in ‘Mnemosyne’ XX (Leiden 1831); J. Clarisse, Over
Hiëronymus van Alphen als dichter en kinderdichter. Twee voorlezingen,
Rott. 1836; H.J. Koenen, Hiëronymus van Alphen als christen, als
letterkundige en staatsman, Amst. 1844 en A.W. Bronsveld,
Hiëronymus van Alphen in ‘Stemmen voor Waarheid en
Vrede’, 1886, bl. 913-940.
1)Over de vroegere vriendschappelijke
samenwerking en latere gespannen verhouding van Van Alphen en Van de Kasteele
zie men H.J. Koenen, Hier. van Alphen als christen, als letterkundige en
staatsman, Amst. 1844, bl. 12-16, 38-48.
1)Met tekst kwamen de ‘Zangwijzen tot
de Proeve van Stichtelyke Mengel-Poëzy’ te 's-Grav. 1774-75 in II
dln. uit, ‘gecomponeerd voor zang, violine en basso continuo,’ door
den organist van de Kloosterkerk te 's-Gravenhage, J.C. Kleyn.
2)Ofschoon Lublink ook dichter was en zich als
zoodanig o.a. bijzonder verdienstelijk heeft gemaakt voor het kerkgezang der
Evang. Luthersche gemeente, waarvan hij lid was, muntte hij toch het meest uit
als prozaschrijver en vooral als vertaler. Hij beschouwde vertalen als eene
ernstige kunst, waaraan hij eene der 21 verhandelingen wijdde, die hij in 1783,
1788 en 1794 uitgaf. Uitvoerig en vol bewondering voor zijne kennis, smaak,
oordeel en karakter schreef over hem P.G. Witsen Geysbeek, Biogr. Anthol. en
Critisch Woordenboek IV (1823) bl. 224-244. Zie ook
Ontwikkelingsgang, V bl. 388.
3)De aan Ossian toegeschreven Gaelische
gedichten, die tot de elfde eeuw opklimmen, gaf James Macpherson vooral naar
mondelinge overlevering het eerst in Engelsche prozavertaling ten deele uit
onder den titel ‘Remains of ancient poetry, collected in the highland of
Scotland and translated from the Gaelic or Erse language’, Edimb. 1760.
Daarna gaf hij op dezelfde wijze in 1762 ‘Fingal’, in 1763
‘Tighmora’ en in 1765 alles samen als ‘The works of
Ossian’. Nadat aan de echtheid getwijfeld was, werd het oorspronkelijk
Gaelisch, voorzoover Macpherson nog in staat was dat te leveren, door de
‘Highland Society of London’ uitg. als ‘The Poems of Ossian
in the original Gaelic, with a translation into Latin bij R. Macfarlan’,
London 1807. Zie als uitkomst der resultaten van het onderzoek over de oudheid
en echtheid Waddell, ‘The poems of Ossian in the original Gaelic’,
London 1871 met eene Eng. vertaling en verhandeling over de echtheid, en
‘Ossian historical and authentic’, London 1875; en Beers, ‘A
History of English romantism in the eighteenth century’, New-York 1906 p.
306-338. Bij ons schreef over Ossian Nic. Beets in ‘Verscheidenheden
meest op letterkundig gebied’ VI (Haarlem 1868). Over de eerste
ontvangst van Ossian's poezie in de achttiende eeuw in Duitschland en door
Duitsche bemiddeling ook in ons land zie J.G. Herder, Ueber Ossian und die
Lieder alter Völker in de ‘Fliegende Blätter von Deutscher
Art und Kunst’, Hamburg 1773. In Engeland zelf werd iets later zoowel
voor de echtheid als voor de voortreffelijkheid van Ossian's poëzie met
den meesten nadruk gepleit in A critical dissertation on the poems of
Ossian door Hugh Blair, den toenmaals zooveel gezag hebbenden schrijver van
de Lectures on Rhetoric and Belles lettres van 1783, waarvan ik een
zevenden druk van 1798 in III dln ken en die nog in 1879 herdrukt zijn. Ook in
het Nederlandsch is dat werk vertaald door H. Bosscha onder den titel Lessen
over de Redekunst, en Fraaye Letteren of voorschriften over taal, stijl,
welsprekendheid en dichtkunst. Amst. 1788 III dln. (ook Gron. 1832-35 II
dln.).
1)De vertaling van Ossian's Temora, die Van
de Kasteele zelf niet in 't licht gaf, is later uitgegeven door zijn kleinzoon
in zijne ‘Dichtwerken, volledig verzameld en met een levensberigt van den
dichter uitgegeven’, 's-Grav. 1844-45 II dln. Ook 's dichters zoon Jacob
Carel van de Kasteele (geb. 26 Maart 1780 † 1 Juli 1835) was geen
onverdienstelijk dichter, vooral bekend door zijn beschrijvend dichtstuk Het
's-Gravenhaagsche Bosch, 's-Grav. 1822 en verder door Nagelatene
Gedichten ,'s-Grav. 1836.
2)Het uitvoerigste werk over Klopstock is dat
van Karl Friedrich Cramer, Klopstock. Er und über ihm, Hamburg
1779-92 V dln., wiens overspannen bewondering voor den dichter ons dezen doet
zien, zooals zijne tijdgenooten hem zagen. Meer historisch juist is het beeld,
van hem gegeven door Franz Muncker, F.G. Klopstock, Geschichte seines Lebens
und seiner Schriften, Stuttgart 1888. Voor de Nederlandsche vertalingen van
Klopstock's Messias en andere van zijne gedichten zie men Karl Menne ‘Der
Einfluss der deutschen Litteratur auf die niederl. um die Wende des XVIII und
XIX Jahrhs’ I, Weimar 1898 p. 37-61.
1)Over Van Alphen als kinderdichter in 't
bijzonder zie men H.H. Donker Curtius, Beschouwing van de kleine gedichten
voor kinderen van wijlen Mr. Hiër. van Alphen in ‘Nieuwe
Bijdragen ter bevordering van het onderwijs en de opvoeding,’ 1827 II bl.
772-789; J. Clarisse Over Hiëronymus van Alphen als dichter en
kinderdichter, twee voorlezingen. Rott. 1836; P.L. van Eck Jr., Van
Alphen als kinderdichter in ‘Groot Nederland’, 1908, bl.
213-238 en vooral H. Pomes, ‘ Over Van Alphen's kinderdichtjes;
Bijdrage tot de kennis van de opvoeding hier te lande in de 18 de
eeuw’, Rott. 1908. Daarin vindt men ook eene belangrijke schets van de
kinderopvoeding in Van Alphen's tijd en van de toenmalige kinderlectuur in 't
algemeen. Het aantal uitgaven van Van Alphen's ‘Kleine gedigten voor
kinderen’ is letterlijk ontelbaar. Met gekleurde plaatjes kwam er in 1877
nog een druk van uit als feestgeschenk ter herdenking van 's dichters
125 sten verjaardag. Door een onbekende werden zij in het Hoogduitsch
vertaald als ‘Kleine Gedichte für Kinder des zartern Alters’,
Essen z.j. (1830) en herdrukt Utrecht 1835 en nog eens weer door J. Ch, H.
Gittermann, ‘Kleine Gedichte für Kinder’, Emden 1832. Eene
Friesche vertaling gaf H.G. van der Veen ‘Litse rîmkes foar bern
fon H. van Alphen forfrîske, Hiowere 1852, eene Engelsche F.J. Millard,
‘Poetry for Children, Transl. into English verse’, London 1856. Ook
eene Maleische vertaling moet er van bestaan. In het Fransch werden zij
vertaald door Auguste Clavareau, ‘Petits poèmes à l'usage
de l'enfance’, Maestr. 1834 en meermalen herdrukt, o.a. Utrecht 1847 en
1858. Van Clavareau heeft men ook eene Fransche vertaling van ‘De
starrenhemel’ als ‘Le ciel étoilé’, Cantate
traduite par Aug. Clavareau, Utrecht 1835.
1)Zie W. A. Ockerse's opstel Over
dagboeken in ‘Proeven voor het verstand, den smaak en het hart’
I (Utrecht 1784), bl. 10-20.
2)Zie Mengelingen in Proze en Poëzy
I (Utrecht 1783) bl. 122-139.
|
|