|
|
|
| |
V. Willem Bilderdijk vóór zijne verbanning.
Naast Van Alphen en Feith treedt bij den aanvang van dit nieuwe
tijdvak
Willem Bilderdijk, hun meerdere, op
1). Toch zou hij aanvankelijk naast
hen, wier naam toen op aller lippen was, eene bescheidener plaats op den
Zangberg innemen. Eerst in het midden van dit tijdvak toonde hij zich in zijne
volle kracht en troonde hij als Vorst in het rijk der Dichtkunst, of, wil men,
als President in de Republiek der Letteren, door eene bewonderende
dichterschaar omstuwd. En dat hij op het eind van dit tijdvak zijn invloed
minder heeft kunnen handhaven, dan zijn roem, was niet te wijten aan afnemende
kunstkracht, maar aan de impopulariteit zijner geheel niet | | | | bij de
toenmalige toestanden passende en niettemin met groote heftigheid verkondigde
eigenaardige staatsbeginselen. Niet op het geheele tijdvak heeft zijne machtige
persoonlijkheid dan ook haar stempel gedrukt.
Zelfs streed hij niet in de voorste gelederen voor de
kunsthervorming, die
Van Alphen en
Feith teweeg brachten, omdat hij ook geenszins een aan
hen verwante geest was. Tegenover hunne piëtistische sentimentaliteit
staat hij als een wat brutaal wereldling, vooral in zijn eersten tijd; en
hoewel hij de nieuwe kunst leerde kennen en zich daarvan ook niet weinig
toeëigende, wat hem aanstond, hij nam het toch nooit zonder voorbehoud aan
en verzaakte nooit de liefde zijner jeugd voor de Classieken en het
Fransch-classicisme der achttiende eeuw, evenmin als zijne bewondering voor de
groote dichters van vroegeren tijd uit alle landen, onder alle volken, zijn
eigen volk niet te vergeten. Geheel onafhankelijk van den invloed zijns tijds
was ook hij natuurlijk niet, maar zijn blik ging over de grenzen van dien tijd
heen, en alles beheerschende veelzijdigheid werd meer en meer het kenmerk
zijner toch zoo zuiver persoonlijke poëzie, waarin met den geest van
Bilderdijk zelf zich de kunstgeest van vele tijden en vele groote
voorgangers uitsprak. | | | |
Bilderdijk
1) werd 7 September 1756 geboren
te Amsterdam in een huis aan de Noordzijde der Westermarkt dicht
bij de Prinsengracht. Zijn vader,
Isaac Bilderdijk (geb. 1720, † 1798),
hebben wij reeds leeren kennen als vertaler van een paar Fransche
tooneelstukken, ‘Tomyris’ en ‘Het
valsch vooroordeel,’ welk laatste hem echter, te recht of te
onrechte, door zijn zoon is ontzegd. Verder zijn er nog andere, ook
oorspronkelijke, gedichten van hem bekend. Hij was bij de geboorte van zijn
oudsten zoon nog practiseerend geneesheer; maar een jaar later nam hij uit
gebrek aan genoegzame practijk de betrekking aan van opziener over de maniantie
der gemeene middelen in Amsterdam, Amstelland en Gooiland, en verhuisde toen
naar de Amstel bij de Magere Brug.
Bilderdijk's moeder, Sibilla Duyzentdaelders, stamde door
hare moeder uit het niet onaanzienlijk geslacht der Pellegroms-De Bie, en een
harer voorvaderen uit dien stam was in de zestiende eeuw gehuwd met eene Judith
van Veen, die, naar Bilderdijk zich gaarne, en zeker ook wel te goeder
trouw, verbeeldde, door de heeren van Heusden afstamde van de graven van
Teisterbant. Geheel in strijd met zijne strenge beginselen op het punt van de
Salische op- | | | | volgingswet nam hij later, officieus, den naam van Willem
van Teisterbant aan
1).
Zijne ouders hadden beide een hoogst prikkelbaar gestel, dat hun
zoon van hen erfde, maar dat hij door verstandelijk stoïcisme onder
bedwang trachtte te houden, schoon hem dat, vooral in zijn later leven, lang
niet altijd gelukte. Die prikkelbaarheid werd dan ook nog verhoogd door de
ziekelijkheid en eenzelvigheid, waartoe hij jarenlang gedoemd was, sedert hij
op zijn vijfde of zesde jaar van een buurknaapje zulk een trap op zijn
linkervoet kreeg, dat hij, als gevolg van de zeer ondoelmatige behandeling der
ontstoken wonde, tot zijn achttiende jaar toe niet in staat was uit te gaan.
Daardoor groeide hij te huis als een teer kasplantje op, als ‘Willem
Gracilis’, of ‘tengere Willem’, zooals hij zich noemde op den
titel der kleine tooneelstukjes, door hem gemeakt om ze met zijn jonger
broertje Johannes en zijn zusje Isabella Dorothea te vertoonen. De
maatschappij, het werkelijke leven bleef hem alzoo vreemd, en levenslang bleef
hij, naar zijn eigen getuigenis, ‘kind, al werd hij oud en
grijs’.
Meestal tot zitten veroordeeld, bestudeerde hij nu met behulp van
zijns vaders wat verouderde bibliotheek allerlei vakken van wetenschap, en
vergaderde hij met zijn sterk geheugen eene wel oppervlakkige en oncritische,
maar voor zijn leeftijd ongelooflijk omvangrijke kennis, waarop hij lang heeft
kunnen teren. Behalve de classieke talen leerde hij ook verscheidene moderne,
meestal alleen door lezen. Bovendien oefende hij zich in theorie en practijk
der beeldende kunsten. Van zijne theoretische kennis getuigden later zijne
‘Redevoering over de Schilderkunst’ (in 1794
voorgedragen) en zijn werkje over de ‘Grondregelen der
Perspectief’ (eerst in 1828 gedrukt), van zijne practische
geoefendheid, onder meer, tal van keurige vignetjes en culs-de-lampe, door hem
geteekend en geëtst voor zijne eerste dichtbundels, voor zijne meeste
latere alleen ontworpen en geteekend.
Lessen in die kunst ontving hij van Johannes van Drecht, en op vijf
bijeenbehoorende schilderstukjes van dezen maakte hij, op twaalfjarigen
leeftijd, zijne ‘Beschouwing der vyf Tafereelen van Josephs | | | | leeven’: de eerste verzen, die er van hem, maar buiten
zijn weten, gedrukt zijn, namelijk in de ‘Algemeene Vaderlandsche
Letteroeffeningen’ van 1772. Ongetwijfeld was het zijns vaders
liefde voor de dichtkunst en zijne bewondering van vader
Cats, ‘zijn oudste en beste vriend’, den
lievelingsdichter van zijne prille jeugd, waardoor hij ook zelf aan het
verzenmaken kwam; doch toen hij in 1773 kennis had gemaakt met de nieuwe
Psalmberijming, en weldra ook met de gedichten van
Antonides en de lierzangen van
Van Haren en
De Lannoy, begon hij eerst recht te begrijpen, wat echte
poëzie was, en dat ook hij zelf tot de ware dichters behoorde.
Zoo gevoelde hij zich dan opgewekt om bij den in 1775 door het
Leidsche dichtgenootschap uitgeschreven prijskamp mee te dingen met een
lierzang over ‘De invloed der dichtkunst op het staatsbestuur’,
waarvoor hij zich in 1776, tot groote verbazing van zijne huisgenooten, die
niets van zijne mededinging hadden geweten, met goud bekroond zag. In het
volgende jaar behaalde hij bij hetzelfde Dichtgenootschap met twee gedichten
over ‘De waare liefde tot het vaderland’ den gouden en ook nog een
der beide zilveren eerepenningen. De tweede viel ten deel aan
Juliana Cornelia baronesse De Lannoy,
met wie hij van dat oogenblik af eene innige geestverwantschap gevoelde, zoodat
hij al dadelijk met haar eene briefwisseling begon.
Zij was achttien jaar ouder dan hij, als dichteres reeds lang bekend
en door haar adellijk bloed, waarvoor hij altijd veel heeft gevoeld, in stand
boven hem verheven. Vandaar zijne bewondering en vereering van haar, als wier
getrouwen schildknaap hij zich nu gaarne beschouwde. Verscheidene gedichten
heeft hij aan haar gewijd, o.a. in 1781 het bekende versje op haar gestorven
schootkatje, haar ‘Pegaasje’, waarmee hij haar een
portret van het diertje, met waterverf door hem geteekend, aanbood. In een
brief aan
Feith, met wien hij nu ook door het Leidsche
dichtgenootschap in aanraking en briefwisseling was gekomen, en wiens gast hij
soms was, spreekt hij met bewondering van ‘haar vernuft, verstand en
hart’, en dat zou hij levenslang blijven doen. Slechts kort echter mocht
die vriendschappelijke omgang duren: De Lannoy overleed reeds in het
begin van 1782. Hare ‘Nagelaten Dichtwerken’ gaf hij
het volgende jaar met groote piëteit uit. Vele lijkzangen harer vrienden
en ook den zijnen voegde hij er aan toe.
Ook nog aan eene andere dichtvriendin moest hij in dien tijd een | | | | lijkzang wijden, aan de 3 October 1780 op bijna vijfentwintigjarigen
leeftijd in hare geboorteplaats Makkum overleden
Cynthia Lenige, wier middelmatige
‘Mengeldichten’ twee jaarna haar dood werden
uitgegeven door een paar dichtvrienden van haar, wier treurzangen op haar dood
door Bilderdijk werden geparodiëerd, als harer onwaardig.
Omstreeks dien tijd (in 1781) parodiëerde hij ook de lijkzangen op
Lucas Pater en daaronder ook zijn eigenen, aan
Bernardus de Bosch opgedragen, waarin hij hem ‘het dierbaar hoofd van
Neerlands dichtrenreiën, den grooten Pater’ had genoemd.
De roem, dien
Bilderdijk met zijne prijsverzen had ingeoogst,
nam nog toe, toen daar in 1781 eene nieuwe bekroning door het Haagsche
dichtgenootschap was bijgekomen, nadat hem in 1780 ook voor zijne reeds
besproken ‘Verhandeling’ in wedijver met Van Engelen de gouden
eerepenning van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde ten deel gevallen
was. In het Rotterdamsche dichtgenootschap alleen kon men ‘geen smaak
vinden in vaerzen, zoo woest, wild, ordenloos en zonder verband’, als de
zijne. Hij had zich daarin trouwens zelf reeds bij een toomeloos ros vergeleken
en zijne bekroners zelf hadden ook wel het een en ander van zijn werk
zoogenaamd beschaafd. Toch werd hij ten slotte, in 1782, ook in
Rotterdam als lid van verdienste aangenomen, terwijl hij te
Leiden in 1780 ook zelf, met
Feith, als kunstrichter optrad, wat hem echter
al spoedig zoo begon te verdrieten, dat niemand later zich over de
verderfelijkheid der kunstoefening in de Dichtgenootschappen heftiger heeft
uitgelaten, dan juist hij.
Buiten die genootschappen om gaf hij in 1779 twee in alexandrijnen
vertaalde tooneelstukken uit: een idyllisch stukje in één
bedrijf,
Deukalion en Pyrrha, dat hij reeds in 1775 uit
het Fransch naar Poulain de Saint-Foix had vertaald, en, als van veel meer
beteekenis, eene vertaling van
Sophocles' treurspel
Edipus, koning van Thebe, waarbij hij eene
uitvoerige ‘Voorafspraak over het Tooneelspel der Ouden en
Hedendaagschen’ voegde. Als inluider van een nieuw tijdvak deed hij zich
daarin evenmin hoor en, als in zijne prijsverzen en in het meeste van hetgeen
hij verder in dien tijd nog schreef. Hij was, zooals hij toen zelf erkende, er
‘zich-zelven bewust van, genoegzaam alles wat hij zeide uit de Ouden te
ontleenen’, en dat was hier al een paar eeuwen gedaan. Eerder zou men
kunnen zeggen, dat hij tot vóór het Fransch-classicisme
terugging, om met
Vondel te wedijveren, die ook den
‘Edipus’ had vertaald. | | | |
Toch toont hij zich ook in zeker opzicht met het vertalen van
classieke poëzie, dat hij in geen enkel tijdperk van zijn leven staakte,
weer een kind van zijn tijd. Zijne blijkbare voorkeur toch voor de Grieksche
poëzie boven de Latijnsche en voor de Grieksche tragedie boven de
Fransch-classieke, die hij nochtans ook wel in zijne ‘Voorafspraak’
prijst, en boven het burgerlijk treurspel, dat hij niet geheel veracht,
bewijst, dat hij onder
Lessing's invloed is geraakt, wiens
‘Hamburgische Dramaturgie’ hij reeds kende, al
verwijst hij er ditmaal ook niet naar.
Met groote ingenomenheid werd zijne vertaling door de
tijdschriftencritiek en zelfs door
Van Alphen ontvangen, en ook zijn machtige
beschermer, de Latijnsche dichter
Laurens van Santen, was er bijzonder over tevreden; maar
niets verheugde hem meer, dan dat de toenmalige Parnasgoden
Van Winter en
Van Merken er hem geluk mee wenschten en hem
aanspoorden, op den ingeslagen weg voort te gaan en achtereenvolgens alle
treurspelen van Sophocles te vertalen. Tegen dat werk gevoelde hij zich toen
echter nog niet opgewassen, en eerst in 1789 heeft hij nog maar alleen van
Sophocles
De dood van Edipus vertaald.
Sedert zijn twintigste jaar was
Bilderdijk boekhouder geweest op het kantoor
van zijn vader, maar terwijl hij zich allengs meer op zijne plaats begon te
gevoelen in de kringen der wetenschap en kunst, verdroot het hem, langer achter
den kantoorlessenaar duf werk, ver beneden zijne begaafdheid, te verrichten.
Van zijn vader vroeg en verkreeg hij in het najaar van 1780 verlof om te
Leiden in de rechten te gaan studeeren. Gewoon student was hij
daar niet: daartoe was hij te oud en ook al te beroemd. De begaafdste jonge
menschen, bv. J.H. van der Palm, zochten echter zijn omgang, maar hij
moest zijn best doen, vlug af te studeeren, vooral onder leiding van Pestel,
den voortreffelijken hoogleeraar in staats- en natuurrecht, en twee jaar later
is hij dan ook reeds in de rechten gepromoveerd.
In dien studententijd heeft hij maar één dichtbundel
uitgegeven, waarvan trouwens voor vrienden reeds het grootste gedeelte gedrukt
was tusschen 1779 en 1781, toen de bundel anoniem uitkwam onder den titel
Mijn Verlustiging. Het zijn bijna alleen
minnedichten, die men er in aantreft, en er behoort, ter verklaring en
verdediging, eene afzonderlijk verschenen ‘Vertelling voor de
minnedichteren en hunne lezeren’ bij, die met een
‘Kornalijn’, een keurig door hem geëtst | | | | minnegoodje, is versierd. Zijn oudere vriend
François Halewijn, die in 1771
‘Poëtische uitspanningen’ had uitgegeven,
maakte er een lofdichtje op.
De ‘Vertelling’ is eene parabel, die leert, dat het hart
niet teugelloos aan zijne lusten moet toegeven, maar ze door het verstand in
zulk een vorm moet laten brengen, dat zij genot geven zonder te schaden. Zooals
men ziet, wordt hier niet, als door
Feith en
Van Alphen, geleerd, dat het zedelijk lustgevoel voor
het zinnelijke in de plaats moet treden, maar dat het zinnelijke lustgevoel
recht van bestaan heeft, als het verstand maar het middel vindt om het
onschadelijk te maken. Die leer is trouwens ook de (Epicuristische) leer der
Ouden, van wier geest deze geheele bundel vervuld is, zoowel in de kleinere
helft van oorspronkelijke gedichten, als in de grootere van vertalingen, alle
op vijf na uit het Grieksch.
Niet minder dan zestien oden van Anacreon zijn hier gevolgd, doch,
in den voor deze minder passenden rijmvorm, meestal niet tot hun voordeel, meer
geparaphraseerd dan woordelijk vertaald. Beter zijn de vertalingen naar
Theocritus,
Bion en
Moschus geslaagd, vooral het ‘Kupido op de
vlucht’, dat reeds te voren in
Cats' naieve vertaling Bilderdijk's aandacht
getrokken had. Een meesterwerk van vertalen echter, naar een gedichtje uit de
Anthologia Latina, is het ‘Ingetoogenheid’, dat
zelfs tweemaal is overgebracht, eens in alexandrijnen en eens, beter, in
Latijnsche disticha zonder rijm. In dit gedicht is de wellust als op de daad
betrapt en in aanschouwelijken vorm vastgelegd, zóó plastisch,
dat de preutschheid er wel van gruwen moet, maar toch ook weer
zóó naief-natuurlijk, dat de verstandige veeleer het hoofd zal
schudden over de brutaliteit der schildering dan over de verkeerdheid van het
afgeschilderde.
Onder de oorspronkelijke gedichten in den bundel trekken het meest
de aandacht: een, ten deele gezongen ten deele voorgedragen, bruiloftsspel, in
1778 bij de zilveren bruiloft zijner ouders vertoond; eene samenspraak
‘De Liefde en de Dichter’; eene ode ter
verheerlijking van de roos in twintig strophen van drie rijmregels, besloten
met een korteren, die weer op den slotregel der volgende strophe rijmt; en een
lofdicht in hexameters op
Weisse's ‘Romeo und Julia’,
waarin deze opmerkelijke mededeeling voorkomt, dat hij het ‘een treffend
genoegen vond, zichzelv' in 's lotgenoots ramp te beschreien’, alsof ook
hij eene ongelukkige liefde te wijten had aan ‘den wrok van twee
vijandelijke stammen’. | | | |
Zoo hieraan al geene werkelijkheid te gronde ligt, moeielijk kan men
dat betwijfelen van twee gedichten ‘Aan Cinthia’,
waarvan het eene (naar
Propertius) alleen in den voorloopigen druk dien titel
heeft, maar in den druk van 1781 dien van
‘Mijmering’. Daarin beklaagt hij er zich over, dat
Cinthia weerstand tracht te bieden aan de liefde en voor zijne omhelzing
vlucht, waarvan hij de weelde, die hij reeds in verbeelding geniet, met
levendige kleuren schildert. Het andere gedicht ‘Aan Cinthia’ geeft
meer te vermoeden. Ook daar klaagt hij over koelheid. Geheel ongevoelig voor
liefde kan Cinthia niet zijn, meent hij; is zij het dan misschien voor de zijne
en vermag een ander meer op haar? Dan zou hij dien ander tarten, desnoods met
het staal (waarvan hij in vier, later weggelaten, verzen spreekt), vuriger
liefde dan de zijne voor haar te toonen. Verlangt zij een minnaar van
aanzienlijke afkomst? Ook ‘zijn stamboom mag van ouds met wakkre loten
pronken’. Moet haar minnaar een beroemd man zijn? Ook hij kan haar
‘driedubble lauwerblaan offeren’. Verlangt zij moed? Welnu, hij is
bereid, den dood voor haar te trotseeren, zelfs al moest het hem beschoren
zijn, ‘te sterven van de hand, door Cinthia geliefd’.
Wie achter den naam Cinthia schuilde, is nog onbekend. Dat zij een
nichtje van hem zou zijn, is beweerd. Zelf heb ik eens in haar Cynthia Lenige,
zijne dichtvriendin, willen zien. In elk geval blijkt uit het gedicht, dat zij
in andere streken dan hij, dus niet in Amsterdam, woonde. Misschien was Leiden
hare woonplaats en dan zou zij het, ons ook al onbekende, ‘mooiste meisje
van Leyden’ kunnen zijn, waarom hij in Mei 1781, zooals in een zijner
brieven te lezen staat, ‘reeds in duel geweest was en toen een proces
had’. Van zulk een duel is ook sprake in een Fransch versje, waarin hij
zegt, naar Den Haag gegaan te zijn om voor eene geliefde de degens te kruisen
met een laffen tegenstander, dien hij bij zijne komst gevloden vond. Zijn
dichtvriend
Jan Willem Kumpel, die zich later ook
Campbell noemde en nog lang tot zijne
huisvrienden behoord heeft, was daarbij misschien secondant.
1).
In elk geval is de minneweelde, die in zijne
‘Verlustiging’ trilt, | | | | alleen tot op
zekere hoogte eene weelde geweest, ‘die zich 't dart'- lend brein
verbeeldde,’ en heeft hij zijn best gedaan, harten te veroveren, wat hem
ook wel gelukt schijnt te wezen, al had hij ook geen beminnelijk uiterlijk, te
oordeelen naar zijn in 1786 uitgegeven, maar misschien al wat vroeger door A.
Boon geteekend en door J. Hulstkamp gegraveerd portret, waarvoor zijn vriend
Kumpel een zesregelig bijschrift maakte. Beter echter vertoont hij
zich op het portret, dat Schmidt in 1787 van hem teekende en M.D. Salliëth
wat later graveerde. Zijn uiterlijk echter wist hij te doen vergeten door voor
zijne kennis en zijn vernuft bewondering te wekken bij de schoonen, die zich
dan gelukkig achtten te bemerken, dat een zoo verheven geest, een zoo gevierd
man toch zoo gevoelig kon zijn voor hare schoonheid en hare deugden. Hoe goed
hij de kunst van bekoren verstond, en hoe hij daarbij te werk ging, kan men het
best zien uit zijne vertelling ‘De moerbei’ in zijn bundel
‘Bloemtjens’.
De zinnelijkheid, die uit Bilderdijk's
minnedichten spreekt, heeft ook eene, door het gezag van
Tollens gesteunde, maar door niets bewezen overlevering
geloof doen vinden, dat een in 1780 anoniem uitgegeven bundeltje
Galante Dichtluimen, dat, in niet geheel
onverdienstelijk rijm, vertaalde en oorspronkelijke ‘schuine
anecdoten’ bevat, het gemeenschappelijk werk van
Hendrik Riemsnijder en Willem Bilderdijk
zou zijn
1). Dat er zulk soort van gedichtjes in
handschrift nog van Bilderduk verspreid zijn, kan geen bewijs voor
zijn aandeel aan dezen bundel zijn, te minder, omdat er geen enkel bewijs te
vinden is voor bekendheid van Bilderdijk met Riemsnijder,
wiens auteurschap van dezen bundel trouwens al even onzeker is. Om beider
samenwerking aannemelijk te maken heeft men zeer te onrechte dezen
Riemsnijder willen vereenzelvigen met zekeren
Ferdinand Dobbrauski, ook dichter en lid van meer
dan één Dichtgenootschap, en minstens drie jaar | | | | lang
met Bilderdijk bevriend, tot hij opeens van het tooneel verdwijnt
zonder eenig spoor na te laten, behalve het gerucht, dat hij zich zeer had
misdragen. Dat heeft tot de stellig zeer onaannemelijke gissing geleid, dat
Dobbrauski slechts een pseudoniem zou geweest zijn van Riemsnijder,
die in 1744 uit Nederlandsche ouders te Wologda in Rusland geboren was, en aan
wien men buiten zijn eigen naam ook nog wel een Russischen meende te mogen
toekennen. Intusschen zijn ons Riemsnijder's leven en dichtwerken
tamelijk goed bekend, en niets is daarin, wat ons het recht geeft, bij hem
neiging tot mystificeeren of tot het maken van galante verzen te
veronderstellen.
In 1783 vestigde
Bilderdijk zich als advocaat in Den
Haag, waar hij zich al spoedig, zoowel bij de rechtbank, als aan het
stadhouderlijk hof, een steunpilaar der Prinsenpartij toonde; maar daarop komen
wij later terug. Nu hebben wij zijne hartsaangelegenheden te bespreken, doch
zullen daarin niet dieper trachten door te dringen, dan ter toelichting van
zijne poëzie noodzakelijk is.
Wat wij er van weten, dagteekent van het jaar 1784, toen hij eene
liefdesbetrekking had aangeknoopt met de achttienjarige Anne Luzac, dochter van
den bekenden Leidschen advocaat, boekdrukker en Oranjeman
Elie Luzac, schrijver o.a. in 't Fransch en
Nederlandsch van het belangrijke werk ‘Hollands
rijkdom’. Terzelfder tijd echter, dat dit jonge meisje onder den
naam Chloë met hem als Lisidor briefwisseling hield en meende geheel zijn
hart te bezitten, ofschoon zijne koelheid en lange afwezigheid haar ten laatste
toch begrijpelijken argwaan inboezemden, had hij zich laten inpakken door eene
bekoorlijke, maar ook bekoorzuchtige, Haagsche officiersdochter,
Catharina Rebecca Woesthoven
1), die
samenwoonde met eene oudere, weldra ook als dichteres (o.a. van drie
prijsdichten) bekende, zuster
Maria Petronella, en die zelf ook wat
liefhebberde in de poëzie. Dat gaf haar aanleiding om
Bilderdijk's aandacht op zich te vestigen door hem een vijftienregelig
lofdichtje toe te zenden, waarin zij den lof, door hem aan De Lannoy
toegezwaaid, op hem zelf overbracht. Dat streelde zijne ijdelheid, terwijl bij
persoonlijke kennismaking het bekoorlijk uiterlijk zijner nieuwe en
bij- | | | | zonder tedere vriendin zijne zinnelijke lusten in hooge mate
prikkelde.
De geschiedenis dezer liefde, in 't kort verteld, is, dat Anne
allengs haar verlies leerde beseffen, doch eerst een paar maanden nadat
Catharina in December, om
Bilderdijk bij zijne vele ongesteldheden te
troosten, hem op zijne kamer bezocht en hare eer verloren had in eene
omhelzing, die door hem in zijn gedicht ‘Verrukking’
op eene dien titel waardige wijze geschilderd is. Of hij daarna een huwelijk
wel geheel onvermijdelijk vond, is de vraag. Hij schreef tenminste in dien
tijd, om bij Feith en Rau niet achter te blijven, eene
romance, ‘Olinde en Theodoor’, waarin Olinde, na
lang tegenstand te hebben geboden, eindelijk hare eer offert aan den beroemden
en naar roem dorstenden ridder Theodoor, aan wien zij hare redding te danken
heeft, maar wier smeekingen om haar nu ook te huwen vruchteloos blijven, daar
zijne eerzucht, sterker dan zijne liefde, hem van haar wegdrijft om vooraf nog
de kroon op zijne heldendaden te zetten. ‘Een monster’ was hij, dat
geeft de dichter toe, maar 't was hem hier om de schildering van Olinde's
liefde te doen, niet om haar verleider.
Diens voorbeeld heeft Bilderdijk intusschen niet gevolgd.
Hij, is 21 Juni 1785 met haar getrouwd en herdacht ook zelf dat feit in zijn
gedicht ‘Mijne echtviering’, dat hij echter bij de
uitgave van 21 Juni 1784 dateerde, omdat reeds in September zijn oudste
dochtertje, Louize Sibille, geboren werd. Met een ‘Geboortezang’,
weldra door een ‘Wiegzang’ gevolgd, begroette hij haar, die hij
daar als een afgebeden wichtje voorstelt, het aanzijn ‘niet dankend aan
onkuische lusten, maar aan den reinsten gloed’ en aan eene
‘tederheid’, die uit ‘eenzelvigheid van wezen’
voortsproot.
Sinds wij van Bilderdijk's eerste huwelijk zoowel de
waarheid als de verdichting kennen, moet ons bij dezen Geboortezang het
onderscheid tusschen beide wel bijzonder treffen, evenals dat ook meer en meer
bij vele andere gedichten van hem in het oog is gevallen. Zelfs worden wij
daardoor geneigd, het woord ‘huichelaar’ op de lippen te nemen,
zonder te denken aan de fijne opmerking van den Franschen wijsgeer, dat in haar
wezen de huichelarij eene hulde is, door de ondeugd aan de deugd gebracht. Zij
was dat zeker ook bij Bilderdijk, in wiens borst twee zielen huisden:
de echt natuurlijke, bandelooze, die zoo vaak zijne handelingen bestuurde, en
de door nadenken (ook achterna denken) vergeestelijkte ziel, die beide eerst | | | | door de reuzenmacht zijner scheppende verbeelding in zijne poëzie
tot eene eenheid samensmolten. Dikwijls opzettelijk oneerlijk en onwaar in zijn
geschreven en gesproken proza, houdt hij op dat te zijn in zijne poëtische
verrukking, de uitstorting van zijne dichterziel, waarin de verbeelding ook
voor hemzelf tot waarheid maakte, wat hij onmiddellijk in den daarbij als
vanzelf geboren dichterlijken vorm uitboezemde, een vorm, waarin hij zich door
veel vertalen allengs zóó geoefend had, dat ook de fijne
schakeeringen zijner verbeelding er voortdurend beter door konden worden
afgespiegeld.
Dat geldt echter het meest onvoorwaardelijk, wanneer zijne
poëzie lyrisch is, hem zelf tot onderwerp heeft; en in zoover hij terecht
kon zeggen: ‘van kindsbeen richtte zich mijn aandacht op mij
zelve’, ging ook hij met de, overigens zoo fel door hem bestreden,
sentimenteele richting mee. Maar ook het zuiver persoonlijke van zijne
poëzie bewijst, dat hij een dichter was van den nieuwen tijd, die niet
vooraf verstandelijk objectiveerde, wat in den conventioneelen versvorm moest
worden gebracht, zooals het vroegere geslacht had gedaan, maar die zich geheel
gaf, zooals hij in zijne verbeelding was op het eigen oogenblik, dat hij
schreef. Uit het feit zelf, dat hij echte hartstochtelijke minnedichten
schreef, blijkt dat reeds voldoende, want hoe arm is de vorige periode onzer
letterkunde daaraan! Om ze te vinden (en hoe bescheiden dan nog) moet men
vijftig jaar, tot Poot, teruggaan.
Voor zoover die minnedichten na die van ‘Mijne
Verlustiging’ zijn ontstaan, vindt men ze in twee bundels,
Bloemtjens, door hem in 1785 uitgegeven, en
Odilde, waarin de meeste minnezangen voor zijne
vrouw zijn vervat, en die hij aanvankelijk óf niet óf
afzonderlijk voor enkele vrienden liet drukken, maar die hij in 1808 tot een
bundel vereenigde, toen hij bemerkte, dat anderen hem daarmee nog
vóór waren geweest. 't Is vooral die laatste bundel, die ons,
naast andere, zooals het meesterstukje ‘De Winter’
(‘Het vochtige teeken der stortende beken rijst over ons hoofd’),
de meest hartstochtelijke gedichten aan zijne vrouw doet kennen; en wèl
moet de verbeeldingsvorm zijner liefde voor hem meer realiteit hebben gehad,
dan zijn werkelijk huwelijksleven, dat hij ze kon uitgeven, nadat reeds jaren
lang zijn huwelijk feitelijk ontbonden was en eene tweede levensgezellin bij
hem de plaats der eerste had ingenomen.
Trouwens ook reeds in den bundel ‘Bloemtjens’ komen,
naast vertalingen uit het Grieksch, zooals de voortreffelijke overbrenging | | | | van
Theocritus' derde en zeven-en-twintigste idylle
(‘Amaryllis’ en
‘Minnekozen’), gedichten, zooals b.v. een drietal
met den titel ‘Kusjens’ in den rijmloozen Anacreontischen vorm,
voor, die onder zijne wellustigste liefdesuitingen meetellen; en dat doet daar
zeker ook de dichtbrief van ‘Adelhilde aan Eerrijk’,
de toomeloos hartstochtelijke ontboezeming eener vrouwenliefde, waarmee zijne
verbeelding aan zijne wenschen te gemoet kwam.
Een bepaald godsdienstige toon werd door
Bilderdijk toen nog maar zelden aangeslagen.
Wel vernemen wij dien uit het voornaamste der weinige gedichten van
Catharina Rebecca Woesthoven, dat in 1785 met
hare initialen op den door haar man geëtsten titel uitkwam, de ode
Lazarus Opwekking. Zij had die ode reeds vroeger
gemaakt naar aanleiding van eene door het Haagsche dichtgenootschap
uitgeschreven prijsvraag, die aan Bilderdijk's academievriend, den
predikant Johannes Wilhelmus Bussingh den gouden eerepenning
bezorgde.
Als gewrocht van Bilderdijk's stoute verbeelding werd in
1786 eene uitvoerige romance in zeven zangen van vierregelige strophen, die hem
reeds lang had bezig gehouden, voor vrienden gedrukt in klein formaat met
kleine letter, en in 1788 ook, maar nog anoniem, met gewone letter voor het
publiek. De titel was
Elius: romance
1). Hij droeg die op aan zijne vrouw als eene nalatenschap voor zijne
kinderen, wanneer hij spoedig mocht sterven, zooals hij ook toen reeds, en op
verderen leeftijd in klimmende mate, telkens verwachtte.
Bij de scheiding van Rijn en Waal, zoo luidt het verhaal, verhief
zich het stamslot der graven van Teisterbant. Daar woonde na Diederijk's dood
zijne eenige dochter Heile; maar de geluksring, haar door haar vader stervend
gegeven, was haar uit de hand gegleden, in de slotgracht. In den snavel van een
zwaan, die daar zijn voedsel zocht, is hij vastgeraakt, en op zijne vlucht
heeft de vogel hem meegenomen naar de Zwitsersche Alpen, waar toen juist uit
het Oosten ridder Elius was aangekomen. Deze bevrijdde den zwaan van den ring,
waarop hij leest: ‘De waardigste uit de maagdenrei zij ik ten echt
gegeven’; maar als hij den ring in de hand neemt, wordt hij opeens door
een tooverglans omgeven, waaruit hem de woorden tegenschitteren: ‘Verdien
en win!’ Nu houwt hij een eikestam om, | | | | waarvan hij zich als
boot bedient; en, voorafgegaan door den zwaan, die hem den weg wijst, zakt hij
daarmee den Rijn af, tot hij aan het Teisterbantsche stamslot aankomt. Hij
vindt het belegerd door Sigon, een Saksenvorst, en Gerlak, den koning der
Thüringers; maar zijn heldenzwaard doet de belegeraars wijken, ofschoon
hij na de overwinning neerzijgt, door bloedverlies uitgeput. Heile had hem zien
strijden, bewonderd en waardig gekeurd, de door Willebrord zelf gewijde
gravenkroon van Teisterbant te dragen; maar hem dood wanende, zet zij hem de
vaderlijke diadeem op het hoofd en valt dan als ontzield aan zijne zijde neer.
Die diadeem echter heeft hem de levenskracht hergeven. Uit zijne bezwijming
ontwaakt, ziet hij de doode maagd aan zijne voeten. Hij begrijpt, dat zij recht
heeft op den ring en steekt dien aan haar verstijfden vinger. Dan heeft hij een
visioen. De oude Diederijk verrijst en wijst hem achtereenvolgens al de helden
aan, die voor zijn oog verschijnen en waarin hij als in een toekomstdroom
geheel zijn roemruchtig nageslacht aanschouwt, tot op den laatsten toe, die na
eeuwen eens zijn naam zal dragen en hem waardig zal zijn. Als het visioen
wegnevelt, heeft de tooverkracht van den ring Heile uit den schijndood tot
nieuw leven gewekt en tot zijne vrouw gemaakt.
Ondanks de levendige teekening in schilderende taal, waarop hij zich
met opzet bijzonder heeft toegelegd en waarom dit dichtstuk later terecht
zoovele bewonderaars gevonden heeft, vreesde Bilderdijk toch wel een
weinig, ‘dat alles ridicuul zou gemaakt worden’, want onmogelijk
was het, niet terstond in Elius den ‘Ridder metten Swane’, den
Helias van het volksboek te herkennen, waarin toen niet meer dan een
kinderachtig volkssprookje werd gezien. En diezelfde Zwaanridder kwam daar in
allen ernst voor als stamvader van den zoon, dien
Bilderdijk uit zijn huwelijk verwachtte en dien
hij van plan was, den naam Elius te geven, zooals hij ook werkelijk deed met
zijn eersten in leven gebleven zoon, die in 1791 geboren werd.
Aan een ander, in 1794 jong gestorven, zoontje gaf hij den naam
Ursinus, ook naar een zijner gewaande stamvaderen, wiens geschiedenis hij een
jaar daarna vertelde in eene andere, eerst veel later uitgegeven, romance in
drie zangen,
Urzijn en Valentijn, waarvan de inhoud ons weer
doet denken aan een volksboek: dat van ‘Valentijn en Ourson’ maar
die inderdaad eene vrije bewerking is van de ballade ‘Valentine and
Ursine’ uit
Percy's ‘Reliques of ancient | | | | English poetry’, waarin dezelfde stof is behandeld. De
romance was nu een lievelingsdichtsoort van hem geworden. Vóór
1795 schreef hij nog in dien trant, maar van minder omvang:
‘Ada’, ‘Bertha’ (de vrouw
van Koning Pepijn), ‘De Indiaansche Maagdenroover’,
de zoogenaamd Guineesche romance ‘Ahacha’ en de
voorgewend Laplandsche ‘Yrwin en Vredebag’.
Slechts eene enkele daarvan werd in dien tijd afzonderlijk gedrukt,
zooals ook met andere kleinere gedichten van vóór 1795 maar
zelden gebeurde. Eerst in latere bundels werden zij opgenomen: de meeste in de
beide deelen ‘Verspreide Gedichten’ van 1809. In de
periode van zijn eerste huwelijk, terwijl hij in Den Haag als
advocaat op de Prinsegracht gevestigd was, heeft hij nog maar twee bundels
uitgegeven: in 1787 de vertaling van
Tyrteus Krygszangen, die wij, met kleine
politieke gedichten, waarbij zij behooren, in een ander verband zullen
bespreken, en in 1788 de
Vertoogen van Salomo, eene bewerking van den
Prediker in alexandrijnen. Eerst na zijne verbanning werden twee grootere
gedichten uit dezen tijd uitgegeven, namelijk
Ridder Sox (van 1793), de meesterlijke vertaling
van
Voltaire's vermakelijke vertelling ‘Ce qui
plait aux dames’, en de
Starrenkennis (van 1794) naar het leerdicht van
Manilius.
Aan vertalingen uit de Classieken ontbrak het bij hem overigens ook
in dien tijd niet, zooals van het ‘Pervigilium
Veneris’ als ‘Lentefeest’
(‘Morgen minn' die nooit beminde, morgen minn' die niet meer mint’)
en van zeer vele gedichtjes van Boëthius, die hij, evenals enkele
romances, afstond aan de gedichtenverzameling, sedert 1788 bij zijn vriend en
uitgever, den Amsterdamschen boekverkooper
Pieter Johannes Uylenbroek (geb. 1748 †
1808) bij gedeelten van de pers gekomen onder den titel ‘Kleine
dichterlijke handschriften’.
In die jaren legde hij zich ook toe op het Arabisch, waaruit hij
kleine gedichtjes vertaalde en ten slotte
Ibn Doreid's treurzang, juist ter perse op het
oogenblik, dat hij zijn vaderland moest verlaten, en door hem toegewijd aan
haar, die het onderstond, de gade van een balling te zijn, zooals op den titel
onder haar portret verkondigd werd. Inderdaad echter was toen zijn
huwelijksgeluk reeds lang vervlogen, bestond zijne liefde voor Odilde nog maar
alleen voor de buitenwereld en waren hunne kinderen en het hem toen nog heilig
beginsel der onverbreekbaarheid van den echt de eenige banden, die hem bonden
en die spoedig feitelijk door hem verbroken zouden worden.
|
1)Eene nagenoeg volledige uitgave van
Bilderdijk's poëzie is getiteld De Dichtwerken van Bilderdijk, uitg.
onder toezigt van Is. da Costa, Haarlem 1857-59 XV dln. Jammer is het, dat
de uitgever de gedichten van Bilderdijk hier gegroepeerd heeft in verschillende
rubrieken naar de dichtsoorten, waartoe zij behooren, terwijl de chronologische
volgorde voor verdere studie van den dichter onmisbaar is. In deze leemte
voorziet voorloopig min of meer de omvangrijke Bloemlezing uit de
Dichtwerken van Mr. Willem Bilderdijk naar tijdsorde gerangschikt en in verband
gebracht met zijn leven en brieven door Dr. J. van Vloten, Leiden-Dev.
1869. Ook voor de bibliographie van Bilderdijk's vele dicht- en
prozawerken hebben wij nog slechts onvolledige en voorloopige opgaven van: E.L.
Glinderman, Lijst der werken uitg. door of met bijdragen voorzien van Mr.
Willem Bilderdijk en Vr. K.W. Bilderdijk, Amst. 1833 en B. Klinkert,
Lijst der Werken van Mr W. Bilderdijk en Vrouwe K.W. Bilderdijk
(bijvoegsel bij De Navorscher), Amst. 1853. Daarbij raadplege men nog den
Catalogus der Bilderdykiana op de Bibliotheek der Kon. Akad. van Wetenschappen,
Amst. 1887. Waardevol is ook het werk van J. Pan, Aanwijzing der oude
en nieuwere dichters, door Mr. W. Bilderdijk en Vrouwe K.W. Bilderdijk
overgebragt en nagevolgd. Met aanteekeningen, Amst. 1839 (met eene Nalezing
van 1855); vermeerderd herdrukt achter het XV de deel van De
Dichtwerken van Bilderdijk, Haarlem 1859, bl. 317-554. Over zijn leven
gaf Bilderdijk zelf een paar maal aaneengeschakelde mededeelingen. De bundel
Mengelingen en Fragmenten, nagelaten door Mr. W. Bilderdijk, Amst. 1834
begint met een stuk autobiographie: ‘Mijne levensbeschrijving’ en
bevat ook andere aanteekeningen van biographischen aard. Eene wat uitvoeriger
autobiographie voegde H.W. Tydeman toe aan de uitgave van Bilderdijk's
Geschiedenis des Vaderlands XI bl. 167-198 (vooral over Bilderdijk's
vader) en XIII bl. 29 vlgg. Verder zijn voor de kennis van Bilderdijk's
leven en persoonlijkheid van het grootste belang zijne brieven, waarvan drie
zeer omvangrijke bundels zijn uitgegeven, nl.
Brieven van Mr. Willem
Bilderdijk, uitg. door W. Messchert, Amst. 1836-37 V dln. In het eerste
deel daarvan zijn 46 brieven aan P.J. Uylenbroek (1781-1803) van het meeste
belang. Het tweede deel bevat 83 brieven aan Jer. de Vries (1805-1831) en
veertien brieven aan diens broeder Abraham de Vries, het derde o.a. 32 brieven
aan S. Ip. Wiselius (1809-29), het vierde 162 aan Isaac da Costa (1816-31) en
het vijfde o.a. 74 brieven aan A. Capadose (1819-31) en 12 aan J.F. Willems
(1820-28);
Briefwisseling van Mr. W. Bilderdijk met de hoogleeraren en
Mrs. M. en H.W. Tydeman gedurende de jaren 1807 tot 1831, uitg. door H.W.
Tydeman, Sneek 1866-67 II dln;
Mr. W. Biderdijk's eerste huwelijk naar
zijne briefwisseling met Vrouw en dochter (1784-1807), meegedeeld door zijn
aangehuwden kleinzoon J.C. ten Brummeler Andriesse (en uitg. door J. van
Vloten) Leiden 1873. Daarin vindt men ook zijne briefwisseling met Anna
Luzac. Ook later zijn er hier en daar nog brieven van Bilderdijk gedrukt
en dat waren nog niet de eenige onuitgegevene. Zoo gaf G. Kalff brieven aan
Feith uit in Tijdschrift XXIV bl. 45-103 en gaf F.D.K. Bosch uittreksels uit
‘Brieven van Willem Bilderdijk aan Johannes Kinker’ in Oud Holland
XXXII bl. 89-104, 147-166. Voor hetgeen van Bilderdijk in verschillende
vreemde talen is overgebracht zie men A. de Jager in ‘Letterkundig
Maandschrift’ 1857 II, bl. 200 vlg. en K.H.E. de Jong in het
Bilderdijk-Gedenkboek, bl. 387-402.
1)Omvangrijke levensbeschrijvingen van
Bilderdijk werden gegeven door Is. da Costa, De Mensch en de Dichter
Bilderdijk, Haarlem 1859 en R.A. Kollewijn, Bilderdijk. Zijn leven en
zijn werken, Amst. 1891 II dln. Van de vele monographieën, waarin
over Bilderdijk in het algemeen wordt gehandeld, mogen hier vermeld worden: A.
de Jager, De invloed van Bilderdijk's dichtwerken op onze taal, Leiden
1847; Nicolaas Beets, Bilderdijk in ‘Verpoozingen op letterkundig
gebied’, 2 de dr. Haarlem 1873, bl. 255-293; Simon Gorter,
Bilderdijk in De Gids 1869 III bl. 417 vlgg., ook in zijne
‘Letterkundige Studiën 2 dr. Amst. 1891; C. Busken Huet,
Bilderdijk in ‘Litterarische Fantasiën IV en XXIV; H.E.
Moltzer, Bilderdijk en het Nederlandsche volk. Aan wien de schuld der
verwijdering? Gron. 1873; J.J.F. Wap, Bilderdijk. Eene bijdrage tot zijn
leven en werken, Leiden 1874; A. Bogaers, Woordenboek op de dichtwerken
van W. Bilderdijk, uitg. door W.G. Brill, Haarlem 1878; A. Pierson,
Bilderdijk in ‘Oudere Tijdgenooten’ in De Gids 1886 I, ook
afzonderlijk uitg. Amst 1888; J. te Winkel, Bilderdijk lotgenoot van
Multatuli. Eene Studie, Haarlem 1890.; R.A. Kollewijn, Bilderdijk's
karakter in De Gids 1890 II bl. 75 vlgg.; Mr. Willem Bilderdijk,
Amst. 1906: Een Gedenkboek uitg. door de Bilderdijk-Commissie en bestaande uit
22 studiën over Bilderdijk uit verschillend oogpunt beschouwd door
verschillende schrijvers; A. Kuyper, Bilderdijk in zijne nationale
beteekenis. Rede., Amst 1906; J. te Winkel. Willem Bilderdijk als
dichter gehuldigd, rede gehouden 1. Oct. 1906, Amst. 1906; H. Bavinck,
Bilderdijk als denker en dichter, Kampen 1906; J. Postmus, Willem
Bilderdijk in zijne ‘Calvinistische Vertoogen’, Zwolle 1906.
bl. 356-482 en Unus ille vir [1906] in zijn ‘Oud Holland en de
Revolutie’, Kampen 1910, bl. 164-286; C. Scharten, Bilderdijk's
miskenning in De Gids 1906 IV; G. Gossaert, Bilderdijk in ‘Ons
tijdschrift, XV, bl. 609 vlgg., 689 vlgg.; G. van Elring [A.F.A. Heyting],
Willem Bilderdijk, Den Haag 1908.
1)Over Bilderdijk's legendarische afstamming
van de graven van Teisterbant zie men W.J.C. Rammelman Elsevier in de Ned.
Spectator 1881 bl. 288-. 290, J.G. Frederiks, Het patriciaat der familie
Duysentdaelders in De Ned. Spectator 1884 Nr. 44 en M.G. Wildeman,
Bilderdijk en de genealogie in het Bilderdijk-Gedenkboek, bl. 21-52, en
aldaar ook bl. 3-20 van zijn kleinzoon W.L.S. Bilderdijk: Bilderdijk's
familie.
1)Over Kumpel's vroegere betrekking tot
Bilderdijk en diens latere als secretaris tot zijne vrouw, die hem schandelijk
hardvochtig heeft behandeld, zie men J.F.M. Sterck, Vrouwe Bilderdijk
( Odilde) en Mr. Jan Willem Kumpel in Amsterdamsch Jaarboekje voor
1897, R. Fruin, Mevrouw Bilderdijk-Woesthoven en haar slachtoffer in De
Gids, 1897 No. 3 en W.G.C. Byvanck, J.W. Kumpel en Bilderdijk in De Gids
1898 I.
1)De quaestie der Galante Dichtluimen
van 1780 is het uitvoerigst besproken, maar niet opgelost door R.A. Kollewijn,
Bilderdijk, zijn leven en zijn werken, Amst. 1891 I bl. 102-106. Zij
zijn voor de tweede maal uitg. te Amsterdam in 1859 en voor de derde maal onder
den titel ‘Galante Dichtluimen door H. Riemsnijder en W. Bilderdijk.
Nieuwe uitgave door A. van Brussel. Met eene inleiding van J. van
Vloten,’ Amst. 1869. De, zeker onjuiste, gelijkstelling van Riemsnijder
en Dobbrauski is een vinding van Van Vloten. Van veel belang is de quaestie
trouwens niet, want heeft Bilderdijk ze niet gemaakt, dan was hij in elk geval
toch wel de man om ze te hebben kunnen maken. Zij behooren tot een in dien tijd
hier en ook buitenslands veel beoefende dichtsoort en zijn meerendeels
vertalingen. Zie over deze quaestie ook nog A. de Jager in ‘Nederlandsch
Museum’ 1874 II bl. 10-25, die de ‘Galante Dichtluimen’ aan
Riemsnijder alleen toeschrijft.
1)Over Bilderdijk's eerste vrouw en zijne
huwelijksbetrekking tot haar zie men, behalve Mr. W. Bilderdijk's eerste
huwelijk naar zijne briefwisseling met vrouw en dochter, Leiden 1873, ook
P.J. Veth, Odilde in De Gids 1873 IV bl. 571 vlgg. en J.G. Frederiks,
Woesthoven in De Ned. Spectator 1888 N o. 38.
1)Over Bilderdijk's Elius en zijne
andere, kortere, romances uit dezen tijd zie men A. Zijderveld, De
romancepoëzie in Noord-Nederland van 1780-1830, Amst. 1915, bl.
101-141. Afzonderlijk uitgegeven werd ‘W. Bilderdijk's Elius, Urzyn en
Valentyn en Ode aan Napoleon, met aant. van P. Kat Pz.’ Tiel
1887.
|
|