|
|
|
| |
X. Samenwerking van Aagtje Deken met Betje Wolff.
Het jaar 1776 is in het leven van
Betje Wolff een hoogst belangrijk jaar
geworden, omdat zij toen kennis maakte met
Aagtje Deken, en dus is het ook in de
geschiedenis onzer letteren een belangrijk jaar, omdat wij aan beider
samenwerking eenige, nog altijd classiek gebleven, werken te danken hebben
1).
Agatha Deken werd 10 December 1741 onder
Amstelveen in den boerenstand geboren en verloor reeds als
driejarig kind hare ouders. De Collegianten trokken zich het lot van het arme
meisje aan en plaatsten haar in 1746 in hun weeshuis, de Oranjeappel, in de
Huidenstraat te Amsterdam, waar zij tot 1767 gebleven is. Hare
opvoeding heeft haar tot eene overtuigde Collegiante gemaakt, 23 Augustus 1760
werd zij te Rijnsburg door Agge | | | | Roskam Kool gedoopt en
ijverig ging zij ook (b.v. nog in 1777) naar Rijnsburg op, ‘om
aldaar’, zooals Betje Wolff toen schreef, ‘naar de
heilige, oorspronkelyke eenvoudigheid des Evangeliums haaren godsdienst te
oeffenen’.
Reeds in het weeshuis toonde zij aanleg voor de dichtkunst en vond
zij daarvoor aanmoediging bij het Genootschap ‘Diligentiae omnia’,
waarvan ook eenige Collegianten lid waren. Het meest schijnt zij voor hare
opleiding te danken gehad te hebben aan
Jan Wagenaar, op wien zij, bij zijn overlijden
in 1773, een lijkzang dichtte.
Nadat zij reeds eenigen tijd het weeshuis verlaten had, kwam zij in
dienst bij de Weduwe Bosch, vooral om hare ziekelijke dochter
Maria Bosch te verzorgen en gezelschap te
houden. Deze was, evenals zij, in 1741 geboren en vond in haar lijden bij de
dichtkunst vertroosting, zoodat gelijke neiging al spoedig de dienstbetrekking
tot eene vriendschapsbetrekking maakte. Maar lang heeft dat niet mogen duren,
want 19 November 1773 overleed Maria Bosch en twee jaar later gaf
Aagtje Deken met hare eigene gedichten ook die van hare vriendin uit
onder den titel
Stichtelijke Gedichten.
Van Maria Bosch komen daarin o.a. eenige verdienstelijke
klinkdichten voor, van Aagtje Deken, behalve eene beschrijving van het
geduldig en godvruchtig lijden harer vriendin, een dichtstuk
‘Euzebia of de godvruchtige dienstmaagd’, waarin zij
het ideaal schetste van hetgeen zij meende zelve als dienstmaagd te moeten
zijn, en verder o.a. een gedicht in vierregelige strophen, waarin zij op
gelukkige wijze, zij het ook met wat langen adem, de ‘blyde en zorgelooze
jeugd’ bezong.
Zij zelve had die reeds lang achter zich en had blijkbaar moeite om
eene voor haar geschikte dienstbetrekking te vinden. Vrienden | | | | en
beschermers echter had zij wel, en zoo kwam zij o.a. ook aan huis bij
Betje's vriend Grave, tot wien zij eens, ‘op zeer
smade-lyke wyze’ over Betje sprak, naar aanleiding van booze
praatjes, die er juist in dien tijd over haar liepen. Dat kwam Betje
weer ter oore, en deze beklaagde zich er over, met dit gevolg, dat
Aagtje er in het begin van 1776 toe kwam, haar een ongepasten brief te
schrijven, waarin zij zich over Betje's ‘zotheden en
grilligheden’ diep bedroefd toont en zich gelukkig prijst, indien zij met
Gods hulp hare ziel zou kunnen redden. ‘Waarlyk, Betje’, schrijft
zij, ‘alles wat mij dierbaar is, wilde ik over hebben, konde ik uw goeden
naam voor u weeder herstellen, konde ik uw gedrag naar uw hart vormen, konde ik
u behouden, behouden voor eeuwig!’ Zeker openbaart zich in die woorden
eene hartelijke natuur, maar duidelijker nog spreekt er zich een farizeesch
rechtvaardigheidsgevoel in uit, dat zich het recht wil aanmatigen voor eens
anders zieleheil te zorgen, zonder te beseffen, dat dit juist de kiem is,
waaruit dezelfde gruwelijke gewetensdwang voortsproot, die Aagtje toch
inderdaad even krachtig verfoeide als Betje, zoodat zij op het punt
van tolerantie volkomen eensdenkend waren en de aanmerking alleen
Betje's gedrag, niet hare godsdienstige beginselen betrof. Dat dit
schrijven Betje bitter griefde en beleedigde, is te begrijpen, en zij
antwoordde er met de grootste zelfbeheersching op in den mooisten particulieren
brief, die ons van haar bewaard is gebleven, een brief zóó
waardig, fier, openhartig, gevoelvol, edelmoedig en, wat al hare brieven zijn,
zoo innemend, dat zij daarin eene zedelijke meerderheid toonde, die
Aagtje dan ook diep heeft getroffen, en beschaamd. Nu vernederde deze
zich onder tranen diep voor diezelfde vrouw, die zij gemeend had, uit de hoogte
te mogen berispen, en niets bleef er van haar vroeger schrijven over, dan de
innige hartelijkheid, die sinds dien tijd beide vrouwen voor haar geheele
verdere leven tot de meest vertrouwde vriendinnen, tot eene merkwaardig
tweeëenheid, heeft gemaakt.
Toch waren beider karakter en geest, althans aanvankelijk, in zeer
vele opzichten geheel verschillend. Aagtje's verdraagzaamheid en
vrijheidsliefde hingen nauw samen met de Collegianten-minachting van elk
leerstellig geloof; bij Betje daarentegen, die reeds van hare jeugd af
getheologiseerd had, waren zij de vrucht van redeneering en studie. Eene groote
belezenheid, die aan Betje eene in dien tijd voor hare sexe zoo
ongewone mate van kennis ver- | | | | schaft had, bezat Aagtje niet,
aan wie zelfs aanvankelijk eene zekere onbeschaafdheid van uitdrukkking bij
minder gekuischte manieren eigen was. Haar godsdienstig geloof sproot voort uit
haar vroom gemoed, terwijl het bij Betje meer eene welberedeneerde
overtuiging was. Hare wijsheid berustte grootendeels op haar gezond verstand,
terwijl Betje die meer aan hare eigene levenservaring en dwepende
vereering van de rede dankte. Was Betje's vernuft het kind eener
vlugge verbeelding en levendige gevatheid, Aagtje had een natuurlijken
zin voor het grappige, die haar soms voor Betje niet in vernuft deed
wijken, en deze zeide dan ook reeds in het eerste jaar harer kennismaking van
Aagtje: ‘zy heeft my één brief geschreven, zo
levend, zo geestig, zo waar comicq, dat ik er van uit ben, maar haar gewone
styl is statig, deftig en tegelijk ziet men, dat tedere gevoelens haar hart
eigen zyn.’ Die statige deftigheid, die ik voor onzen tijd liefst met
‘ernstige bezadigdheid’ zou willen vertolken, heeft haar
ongetwijfeld in verloop van tijd grooten invloed verschaft op Betje,
die zelf bij hare ontvankelijkheid voor indrukken altijd eene vriendelijke,
maar tegelijk krachtige leiding heeft noodig gehad en zelf ook zocht, en die
voor het meerder ontzag, dat Aagtje, naar zij zeide, den menschen
inboezemde, zich gaarne schadeloos zag gesteld door de meerdere genegenheid,
die zij zelf zich door hare innemende hartelijkheid won.
Zeker had dan ook
Bellamy geen gelijk, als wij ten minste aan
zijne woorden de voor de hand liggende beteekenis mogen geven, toen hij in
1784, na eene oppervlakkige kennismaking met beide vriendinnen, schreef:
‘Bekker ig de azijn, Deken de olie: dat maakt samen een goede
saus’. Wel mogen wij hem gelooven, als hij ‘het aangezicht en de
kleeding van Deken juist het overgestelde van Bekker’ noemt, want dat
wordt ook bevestigd door de beste harer portretten, door W. Neering geteekend,
door A. Cardon gegraveerd en geplaatst voor den bundel
Fabelen (van 1784), dien zij samen vrij
vertaalden naar La Fontaine en anderen. In een vierregelig bijschrift zeggen
zij zelf van die portretten, dat ‘Natuur haren geest als 't ware in 't
aangezicht plaatste’, en dat dus ‘wie haar werken las’ al
zeer spoedig ‘zou kunnen opmaken uit beider beeltenis, wie Bekker zy, wie
Deken’.
Betje Wolff heeft al zeer dikwijls haar portret
laten maken. In een gedicht ‘Ontschuldiging’ van
1772, gewijzigd en aangevuld in 1784, schildert zij zelve haar uiterlijk in
woorden af, terwijl zij over vijf | | | | portretten, door bekwame
kunstenaars van haar gemaakt, haar eigen oordeel en dat van anderen
meedeelt.
Met Bellamy's verloofde, Francina Baane, zijn
Betje en Aagtje levenslang bevriend gebleven en met zijne
gedichten zullen zij zeker ook wel ingenomen zijn geweest; althans aan zijn
invloed meen ik te moeten toeschrijven, dat
Betje Wolff omstreeks 1784 is begonnen ook
rijmlooze gedichten te maken, wat zij vroeger nooit had gedaan. Wij vinden er
vijf - en niet de slechtste (bv. het alleraardigst ‘Gesprek met een jong
juffertje’) - in het eerste der drie deelen
Mengel-poëzy, waarin zij in 1785-86 een
groot deel van hare vroegere gedichten met eenige latere en toen nog ongedrukte
verzameld uitgaf, om daarmee voor den ondergang te bewaren, wat zij wel eens
met schertsende ijdelheid ‘mes œuvres’ noemt.
Rijmloos is ook het uitvoerig dichtstuk, dat zij in 1784 uitgaf
onder den kenmerkenden titel
De Natuur is mijne Zanggodin, en dat reeds van
overhelling tot hare weldra duidelijker geopenbaarde patriottische gezindheid
blijk geeft. Men had haar reeds vroeger ‘dichtresse der natuur’
genoemd, en dat wilde zij ook gaarne zijn wegens hare liefde voor de natuur,
die in dit dichtwerk overheerscht, maar ook voor de natuurlijke uiting der
gedachten, want hare ingeboren openhartigheid en haar afkeer van allen dwang
dreven haar in die richting; en dat paste ook zeer goed bij Aagtje's
zin voor eenvoud en geestelijke onafhankelijkheid, die haar reeds in het
Collegianten-weeshuis van jongs af was ingeprent.
Toen eenmaal de vriendschap tusschen Betje en
Aagtje gesloten was, groeide zij in korten tijd zoozeer, dat
Betje, die altijd tederder en onstuimiger was in het uiten harer
genegenheid, Aagtje's gezelschap moeielijk meer kon missen en haar
gaarne lang in de pastorie te logeeren zou gehad hebben; maar daartoe kwam het
eerst in Mei 1777, toen Betje haar in een rijmbrief den dood van Ds.
Wolff had meegedeeld, met het verzoek, haar zoo spoedig mogelijk in
hare eenzaamheid gezelschap te komen houden. Nog denzelfden dag antwoordde
Aagtje in een uitvoerigen rijmbrief, dat zij gereed was te komen, en
deze beide brieven, door haar, zooals zij zeggen, ‘in verzen geschreven,
meer omdat dit haar gemakkelijker viel, dan wel omdat zij verzen wilden
maken’, werden nog in hetzelfde jaar onder den titel
Brieven uitgegeven, met een derden brief van
Betje, waarin zij aan Aagtje het overlijden meedeelde van
haar beider vriend Adriaan Houttuyn, Collegiant en leeraar der Waterlandsche
Doopsgezinden te Hoorn. | | | |
Na den dood van haar man moest Betje Wolff in September
De Beemster verlaten. Zij haalde Aagtje over, verder met
haar samen te gaan wonen, en zij kozen nu als woonplaats De Rijp,
waar het tweede van de door haar daar bewoonde huizen, aan de Noordzijde van de
Rechtestraat beoosten den Dam, nog door een gedenksteen in den gevel als hare
woning kenbaar is. Vermoedelijk kozen zij De Rijp, omdat daar eene gemeente van
Waterlandsche Doopsgezinden was, die een oud vriend van Betje, J.
Gerbrands van Grouw, tot leeraar had. Tijdens haar verblijf in De Rijp zijn het
vooral Doopsgezinden en Collegianten, waarmee zij verkeeren. Wel had ook
Betje er vroeger verscheidene gekend, maar door Aagtje, die
er zelf toe behoorde, werd zij er nu ten nauwste mee verbonden. Zij ging zelfs
tot de Doopsgezinde gemeente over en bezocht in 1779 met Aagtje ook
Rijnsburg. Daarmee verloor zij ook het laatste, wat er nog van
rechtzinnig gereformeerd geloof bij haar was overgebleven, zoodat zij, evenals
Aagtje, reeds nu wel, maar zeker wat later, eene Christelijke
deïste of Sociniaansche mocht worden genoemd.
In dien tijd hield
Betje Wolff zich voornamelijk met opvoedkunde
bezig
1) en schreef zij, door
Locke voorgelicht en door hare liefde voor kinderen
aangespoord, een zeer merkwaardig boekje, getiteld
Proeve over de opvoeding aan de Nederlandsche
moeders, Amst.-'s-Grav. 1779.
Aagtje Deken leidde het in met een lang,
voortreffelijk gedicht, waarin zij niet alleen Betje's denkbeelden
nauwkeurig weergaf, maar vooral ook hare vriendin met welgevallen teekende in
hare hartelijke liefde voor de jeugd, die wederkeerig ook haar zoo lief had.
Bij dit opvoedkundige werkje liet Betje Wolff het echter niet. In
1782-83 gaf zij in drie deelen
Adele en Theodoor uit, vertaald naar
‘Adèle et Théodore ou Lettres sur
l'éducation’ van
Gravin De Genlis, wier grootendeels aan
Rousseau ontleende denkbeelden zij bewonderde, maar die
hier slechts verkeerde toepassing konden vinden, omdat zij in de eerste plaats
bestemd waren voor adellijke Fransche kringen. Later, 1786-88, heeft Betje
Wolff ook nog verscheidene kindertooneelstukjes van De Genlis vertaald
onder den titel ‘Het Schouwtooneel voor
Jongelieden’. Als teeken des tijds zijn deze opvoedkundige werken
der vermelding waardig, maar niet minder als bewijs der veelzijdige
be- | | | | langstelling van
Betje Wolff in alles wat die tijd nieuws
opleverde.
In 1782 verhuisden zij van De Rijp naar Beverwijk, waar
Aagtje, die van haar neef Bussingh geërfd had, het buitentje
Lommerlust kocht, met het beroemd geworden ‘rieten
huisje’, waar zij een deel van hare romans schreven en waarvan in 1784
door
Lieve van Ollefen in uiterst middelmatige
verzen de lof gezongen is. Hij was broodschrijver en, onder meer, ook
tooneeldichter, evenals zijn broeder
Willem van Ollefen Casparsz, die aan de beide
vriendinnen een slechten dienst bewees, toen hij in 1786 een
‘Aanhangsel op de Historie van den Heer Willem
Leevend’ uitgaf: een libel, dat zij zelf ‘schandelyk’
noemden en dat dan ook in het volgende jaar gecensureerd werd.
Haar verblijf op Lommerlust is de tijd harer ijverigste samenwerking
geweest. Toch werd hare vriendschappelijke verhouding op het laatst tijdelijk
min of meer verstoord door de wat sentimenteele vriendschap, die Betje
alleen toen was gaan opvatten voor Coosje Busken (later Mevrouw Huet), terwijl
hare vriendschap voor Aagtje langzamerhand te veel in ontzag was
overgegaan om haar geheel te kunnen voldoen. Betje toch had behoefte
aan eene vriendschap, die haar het gemis aan huwelijksliefde eenigszins kon
vergoeden, en verlangde geestelijk te vertroetelen en vertroeteld te worden,
wat minder in Aagtje's geest lag, die dan ook Betje's nieuwe
vriendschap met leede oogen aanzag.
Dat deze donkere onweerswolk weer voorbijtrok, was misschien wel
vooral het gevolg van het, later te bespreken, letterkundig aandeel, dat beide
vriendinnen aan de politieke woelingen van dien tijd namen, waardoor zij zich
bij het herstel van het Prinselijk gezag in 1787 in haar vaderland niet meer te
huis gevoelden, zoodat zij ‘geenszins uit laffe vrees’, maar
‘uit afkeer van geweld’ in Maart 1788 naar Frankrijk, naar
Trévoux in Bourgogne uitweken. Het leven daar beviel haar
bijzonder goed, ook om het zachte klimaat; en vooral waren zij ingenomen met de
mooie natuur, die ze er konden bewonderen, zooals zij ook deden in een
dichtwerk, dat zij beiden in 1789 uitgaven onder den titel:
Wandelingen door Bourgogne. In vier zangen, elk
in verschillende versmaat, geven zij goede natuur- en zedenbeschrijvingen, maar
nog meer godsdienstige bespiegelingen, die bewijzen, hoever zij van de
orthodoxe leerstellingen zijn afgeweken en hoe zeer zij, zoo mogelijk, in
verdraagzaamheid, zelfs ten opzichte van wat in haar oog bijgeloof was, | | | | nog zijn toegenomen. Dat geeft echter tegelijk zulk een redeneerend
karakter aan hare verzen, dat die ook nu nog veel van berijmd proza hebben,
maar een proza, dat technisch beter berijmd is, dan vroeger, en zich aangenaam
laat lezen.
In 1795 hadden de beide vriendinnen naar haar vaderland terug kunnen
keeren, waar men haar met groote ingenomenheid zou hebben ontvangen, zooals
reeds hieruit blijkt, dat aan Betje op haar verzoek het haar sinds
1787 onthouden weduwepensioen onmiddellijk weer werd toegekend, zelfs met
inbegrip van ‘alle achterstallige jaaren’, maar in de opzettelijk
uitgesproken verwachting, dat zij dan ook ‘met allen mogelyken spoed zich
weder naar haar vaderland zou begeeven en de aan haar toegelegde gratificatie
in dit land zou komen verteeren’. Toch zou het nog tot 1798 duren,
vóór zij daaraan wilde of kon voldoen, want intusschen was bij
het faillissement van Christiaan van Nissen, in wien zij het volste vertrouwen
hadden gesteld, gebleken, dat het geheele vermogen der vriendinnen verdwenen
was, zoodat zij in 1798 de reis naar haar vaderland niet eens hadden kunnen
ondernemen, als J.P. André van Canter, secretaris van Wolvega, haar niet
de noodige reispenningen had verstrekt, waarom zij dan ook den even na hare
terugkomst uitgegeven bundel
Gedichten en Liedjes voor het Vaderland met een
dankbaar gedicht aan hem opdroegen.
Met zijn geldelijken steun konden zij toen ook, doch op zeer
bescheiden voet, in Den Haag leven; en met hare pen, die vooral
vertaalwerk leverde
1)
verdienden zij er nog wat bij, maar met afnemende lichaamskrachten. Het eerst
bezweek
Betje Wolff, na drie jaar pijnlijk lijden, 5
November 1804, en 13 November, dus niet meer dan acht dagen later, ook
Aagtje Deken, die tot den einde toe hare
vriendin met de liefderijkste zorg had verpleegd. Naast elkaar werden zij op
het kerkhof ‘Ter navolging’ te Scheveningen begraven. Ook in hare
laatste levensjaren hadden zij in Den Haag vele goede vrienden om zich heen
gezien en met andere eene drukke briefwisseling onderhouden. In de
Amsterdamsche afdeeling der Bataafsche Maatschappij van Taal- en Dichtkunde
hield de Remonstrantsche hoogleeraar Jan Konijnenburg 14 Maart 1805 op haar | | | | eene, ook gedrukte, Lofrede, gevolgd door een Lierzang van haar vriend
Maurits Cornelis van Hall. Ook is er een
gedenkpenning op haar geslagen, door Holtzhey gegraveerd.
Van de door haar gemeenschappelijk uitgegeven dichtwerken hebben wij
er reeds drie vermeld: bij een vierden bundel moeten wij wat langer stilstaan.
Het is de eerste, waaraan zij samen hebben gewerkt en die in drie deelen in
1780-81 verscheen onder den vreemden titel
Economische liedjes, die desnoods met
‘huiselijke liedjes’ zou kunnen worden vertolkt. Het zijn
volksliedjes, waaraan het bij ons ook toen niet ontbrak; maar in zoover zijn
zij de eerstelingen van eene nieuwe dichtsoort, dat het liedjes zijn,
opzettelijk voor het volk gemaakt om dat volk te verbeteren en er de in vele
opzichten zedenkwetsende liedjes mee te verdringen, die òf uit het volk
zelf voortgekomen òf er toe afgedaald waren. Misschien zijn de meeste
door
Aagtje Deken gemaakt, althans deze had
zóóveel met zulk soort van liedjes op, dat zij nog in 1804 alleen
een bundel
Liederen voor den Boerenstand uitgaf en ook nog
‘gedichten voor kinderen’ naliet.
Uit liefde voor den minderen man zijn de ‘Economische
liedjes’ gedicht, omdat deze, bij al zijne uiterlijke onbeschaafdheid,
toch inderdaad aan de dichteressen meer genegenheid inboezemde, dan de
‘petit-maître’ uit de bedorven groote wereld, en zij in dien
minderen man eigenlijk de kern der maatschappij zagen, dien ‘wy niet
missen kunnen’, daar hij ‘onze huizen bouwt en versiert, voor onze
kleeding zorgt, voor ons de akkers bewerkt, plant, poot en vrugten
zamelt’. Daarom zijn de liedjes dan ook ‘voor den horizont van de
mindere klassen grootendeels berekend’ en zijn zij in eenvoudige,
verstaanbare taal geschreven. Die taal blijft echter wel zeer laag bij den
grond. Geen zweempje poëzie is er in te bekennen en alleen de versvorm
maakt die liedjes - ten deele, want zij zijn te lang - zingbaar, niet de
woordvorm, die niets heeft van lyrische ontboezeming, maar altijd redeneerend,
mededeelend of verzekerend is. Wordt er in bespiegeld, dan geldt die
bespiegeling meestal Gods wezen en den besten vorm om hem te dienen.
Aan de ‘heilge Menschenliefde’ droegen de vriendinnen ze
op, want die gaf ze haar in. Zij willen het heil harer medemenschen er mee
bevorderen door hun ‘vrolyk deugdsbetragten’ te leeren; maar daar
de liedjes meerendeels aan de zangers zelf in den mond gelegd zijn, zingen deze
daarin dikwijls van hunne eigen braaf- | | | | heid, zooals nu en dan ook de
kinderen doen, voor wie sommige liedjes geschreven zijn, die echter voor de
kindergedichtjes van Van Alphen in alle opzichten de vlag moeten strijken, om
dat zij de kinderen bijna zonder onderscheid als brave wijsneusjes doen
spreken. Veel goeds kunnen wij dus van die ‘Economische liedjes’
niet zeggen; maar zij waren in hun tijd iets nieuws, hadden eene
voortreffelijke strekking en konden veel opgang maken in een tijd, die van
braafheidsdweperij als doortrokken was, zoodat zij dan ook binnen twaalf jaar
niet minder dan acht maal werden gedrukt.
De ‘Economische liedjes’ lokten ook
navolgingen uit, die eenige kans hadden, ze te verdringen, daar zij
aanvankelijk te royaal, zelfs met plaatjes versierd, uitkwamen en dus voor den
minderen man wel wat kostbaar waren.
Martinus Nieuwenhuyzen, de eerste secretaris der
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, die met zijn vader, den Doopsgezinden
leeraar van Monnikendam, Jan Nieuwenhuyzen, deze Maatschappij in 1784
had gesticht, wilde van haar ook een bundel volksliedjes, maar beknopter en
minder duur, doen uitgaan ‘voor de eenvouwigste menschen van allerleyen
godsdienst zonder onderscheid’, en zond reeds in 1785 proeven van zulke
liedjes aan sommige dichters, o.a. ook aan
Bellamy, ter beoordeeling. Zijn zwager
Adriaan Loosjes had ze gemaakt, en nog in
hetzelfde jaar kwam de bundel uit onder den titel
Volks lieden-boek. De vriendinnen
Wolff en
Deken, aan wie het werkje was opgedragen, waren
weinig gesticht over de concurrentie, haar door haar vriend aangedaan, en gaven
hem dat dan ook wel te kennen in een schertsenden brief; maar dit ‘Volks
lieden-boek’ heeft hare liedjes niet kunnen verdringen.
Wèl deden dat wat later vier stukjes
Volksliedjens, die dezelfde Maatschappij in
1789-91 uitgaf en waarop in 1807 nog een vijfde stukje is gevolgd. Deze voldoen
voor een deel ook beter aan het beoogde doel, dan de ‘Economische
liedjes’, en zijn zelfs nu nog niet geheel in vergetelheid geraakt. Een
zeer groot aantal, niet minder dan 40 van de 139, heeft
M. van Heyst, Wed. Vinkenra er aan
geleverd, en daaronder juist die, welke het meest en het langst gezongen zijn,
zooals ‘De schoonmaakster’ (‘'k Zit hier op de stoep en wagt,
zou de meid niet hooren?’), ‘De kindermeid’ (‘Waar tog
vind men meerder vreugd, dan bij de onervaren jeugd?’), ‘De
werkmeid’ (‘'k Moet zo waar al weer na boven; 't is Kaatjen hier,
't is Kaatjen daar’), ‘Het wagtend meisjen’ (‘Wat
wordt | | | | het laat, de klok slaat agt; waar of mijn Doris
blijft?’) en ‘De voorspellingen’ (‘Laatst was ik op een
kopjen thee hier bij mijn naaste buurvrouw Kaatjen’). Van de vier
liedjes, die
J. Hugli dichtte, bleef lang bekend het
tafereeltje van een theesalet, dat aldus begint: ‘Hier ziet men nu een
gantsche schaar, ha! ha! van burgerdochters bij elkaar, ha! ha!’ In het
vijfde stukje, waarvan de dichters niet worden vermeld, maar dat mij over het
algemeen het beste toeschijnt kan men o.a. het zeer populair geworden liedje
‘Colijn, een brave boerenzoon’ aantreffen, dat van 1802
dagteekent.
Terwijl de gedichten der vriendinnen
Wolff en
Deken van bijzonder belang zijn voor de kennis
van haar tijd en persoon, hebben zij aan hare prozawerken haar blijvenden roem
te danken gehad. Het minst geldt dat van haar eerste gemeenschappelijk
prozawerk in drie deelen:
Brieven over verscheidene onderwerpen, (1780-81),
die in de verte aan de vertoogen van Van Effen's Spectator doen denken, maar er
verre voor onderdoen. Grootendeels zijn het vertoogen over godsdienst en
zedelijkheid, maar soms komen er toch brieven in voor, zooals bv. de
vermakelijke over ‘nicht Woelwater’, die reeds eene voorproef geven
van de brieven, waaruit hare latere romans zouden bestaan.
Die romans zijn geschreven onder den diepen indruk, op haar gemaakt
door de toen alom bewonderde en door haar tot voorbeeld genomen zedenromans van
Samuel Richardson
1), namelijk de ‘Pamela or Virtue
rewarded’ (van 1740), ‘The History of Clarissa Harlowe’ (van
1748), zijn meesterwerk, en ‘The History of Sir Charles Grandison’
(van 1753). Deze waren ook al spoedig bij ons, en wel alle drie of althans de
beide laatste door den bekenden
Johannes Stinstra, vertaald in den tijd, waarin
hij als Doopsgezind leeraar van Harlingen wegens zijne vrijzinnigheid was
geschorst: de ‘Pamela of de beloonde deugd’ in 1742-44, de
‘Geschiedenis van Clarissa Harlowe’ in 1752-55 en de
‘Geschiedenis van Karel Grandison’ in 1756-57. In geheel Europa
werden zij, ofschoon de ‘Pamela’ ook afkeuring en bespotting vond,
vertaald en nagevolgd, maar van die vele navolgingen vermeld ik alleen
Rousseau's ‘Julie ou la nouvelle
Héloise’ (van 1761) en ‘Sophiëns Reise von Memel | | | | nach Sachsen’ (van 1771-73) door
J.T. Hermes, omdat ook Wolff en Deken
die gekend en bewonderd hebben.
De zedenromans van Richardson, die men misschien beter gemoedsromans
zou kunnen noemen, waren in hun tijd iets geheel nieuws. Zij vormden eene
scherpe tegenstelling tot de oudere avontuurromans en hielden zich bezig met de
ingewikkeldste zedelijke vraagstukken, die aan de orde van den dag waren, en
niet meer, zooals vroegere romans, alleen met het vraagstuk der liefde, al is
ook dat in deze romans zelf uitvoeriger, maar in geheel nieuwen geest,
behandeld. Wat terstond het meest in het oog springt, is het zedelijk karakter
van Richardson's werken, waardoor zij een te sterker indruk op de lezers konden
maken, omdat de meeste onder hen wenschten, dat de deugd beloond wordt of
zegepraalt, de ondeugd gestraft wordt of ondergaat, en een romandichter
ergernis geeft, wanneer hij het anders voorstelt, terwijl Richardson in dit
opzicht zijne lezers volkomen bevredigt.
Als kunstenaar echter heeft de romanschrijver meer te doen, dan de
deugd te beloonen, de ondeugd te straffen. Hij moet door inrichting en verloop
van zijn verhaal der menschelijke handelingen duidelijk doen zien, dat de
zegepraal der deugd van zelf en als met noodzakelijkheid uit de goede daden
voortvloeit en dat de boosheid hare straf uit zich zelf voortbrengt. Daarmee
geeft hij meer dan een getrouw beeld van het leven, waarin dat niet altijd
duidelijk genoeg voor ieder blijkt, noch zelfs blijken kan, omdat de
zedenwetten niet de eenige zijn, die 's menschen levensloop besturen. De kunst
nu van
Richardson bestond voor een groot deel hierin, dat hij
de handelingen der menschen als een ethisch proces wist voor te stellen, dat
als van zelf tot zegepraal of ondergang leidde. Het voornaamste middel, waarvan
hij zich daartoe bediende, was karakterschildering, fijne, van menschenkennis
getuigende, ontleding van hetgeen in de ziel der menschen omgaat.
Den briefvorm, waartoe Richardson voor zijne
‘Pamela’ als bij toeval gekomen was, behield hij
opzettelijk ook voor zijne andere romans, omdat hij meende, daarmee meer den
indruk van waarheid te kunnen geven, dan met den verhaalvorm. Immers onmogelijk
moest het schijnen, dat iemand als de verteller zoo nauwkeurig alles kon weten,
wat er in de diepste schuilhoeken van het gemoed van anderen omging. In brieven
daarentegen konden | | | | de personen zelf hunne hartsgeheimen onthullen
en tegelijk met het verhalen van de door hen bijgewoonde gebeurtenissen de
indrukken mededeelen, die deze op hen hadden gemaakt. Hij moest daarbij
natuurlijk van de onderstelling uitgaan, dat brieven altijd oprechte
gemoedsuitstortingen zijn, wat in de werkelijkheid lang niet altijd het geval
is.
Een groot bezwaar bij het gebruiken van den briefvorm is, dat wie
hem gekozen heeft, genoodzaakt is, zijn verhaal zoo eenvoudig mogelijk te
maken, zonder vele elkaar als verdringende voorvallen, en dat zelfs dan de
handeling nog maar zeer langzaam voortkruipt. Dat maakt dan ook voor hen, die
gaarne in korten tijd wat meer zouden zien gebeuren, zijne romans wel
eenigszins vervelend; maar zijne tijdgenooten lazen ze, hoe veeldeelig zij ook
waren, met de grootste belangstelling van het begin tot het einde door, en
herlazen sommige brieven, die hen bijzonder getroffen hadden, met hetzelfde
genoegen, waarmee zij ook verschillende Spectatoriale vertoogen herlazen.
Wat nu van Richardson's romans geldt, is ook ten volle van
toepassing op die van
Wolff en
Deken
1), ja, bij haar is het verhaal zelfs nog minder
belangwekkend dan bij hem, want opzettelijk hebben zij zich van het schilderen
van zenuwspannende tooneelen, het verhalen van schrikverwekkende gebeurtenissen
onthouden. ‘Daar wordt’, zeggen zij in de voorrede voor de
‘Sara Burgerhart’, ‘in dit gehele werk geen een duel
gevogten. Eens echter wordt er een oorvyg uitgedeelt. Er wordt noch geschaakt,
noch vergif gedronken. Ons vernuft heeft niets wonderbaarlyks uitgedagt. Alles
blyft in het natuurlyke; de uitvoering zal alles moeten goedmaken.’ Zij
spreken alzoo minder tot de verbeelding, dan tot het gevoel en het gezond
verstand.
Verder staan zij bij Richardson natuurlijk in zoover ten achter, dat
hij het voorbeeld is en zij hem navolgen, hem zelfs (behalve in haar eersten
roman) dikwijls vrij nauwkeurig copiëeren. En toch, ondanks die navolging,
hebben zij hem weten te overtreffen. Voor- | | | | eerst hebben zij hem
zóó nagevolgd, dat wie zijne romans niet kent, niet of maar
nauwelijks zal bemerken, dat zij weinig oorspronkelijk zijn, want personen,
karakters en toestanden zijn zoo door en door Nederlandsch, dat de Engelsche
ondergrond er geheel onherkenbaar door geworden is. Zij hebben zuiver
‘Nederlandsche karakters, menschen, die men in ons vaderland werkelyk
vindt’, geschilderd en daarmee bewezen dat ‘yder volk zyn eigen
schryvers zo wel als zyn eigen helden en staatsmannen moet hebben, en, zo men
lang genoeg geleerd heeft, ook hebben zal.’
Dat hebben zij o.a. kunnen doen door, tegenover Richardson, te,
blijven binnen ‘den meridiaan des huisselyken levens’ en in
hoofdzaak gegoede burgerlui in hare romans te laten optreden en schrijven,
bijna zooals zij ook in hun kring zouden spreken, dikwijls in dat kleurig en
pittig Nederlandsch, vol van ongezocht natuurlijk vernuft, dat ook onze goede
blijspeldichters op het tooneel brachten. Terwijl zij
Richardson in menschenkennis evenaren en de karakters
harer personen evengoed volhouden, als hij die van de zijne, overtreffen zij
hem hierin, dat zij aan elk harer personen ook een hun eigen schrijfstijl
hebben weten te geven, geestig of ernstig, los of deftig, spottend of femelend,
waardoor de karakters bij haar sprekender, meer getypeerd zijn geworden,
evenals ook bij haar de zedenschilderingen kleuriger zijn. Zoo breken zij ook
door afwisseling van ernst en scherts, van redeneering en ondeugend vernuft,
dat haar persoonlijk eigendom is, de eentonigheid, die voor ons Richardson's
romans nu zoo weinig boeiend meer doet zijn.
De eerste roman, dien zij in 1782 uitgaven, was de
Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart, in twee
deelen, met aardige plaatjes van J. Buys, door C. Bogerts gegraveerd
1).
Zij wilden er mee aantoonen, ‘dat eene overmaat van levendigheid, en eene
daaruit ontstaande sterke drift tot verstrooyende vermaken, door de Mode en de
Luxe gewettigt, de beste Meisjes meermaal in gevaar brengen, om in de
allerdroevigste rampen te storten, die haar veracht maken bij zulken, die
nimmer in staat zijn, om haar in goed- | | | | heid des harten en zedelijke
volkomenheid gelijk te worden,’ en dat het ook om die reden ‘een
onschatbaar voordeel voor Jonge Meisjes is, onder de bescherming te komen van
zulke Vrouwen, die voorzichtigheid aan minzaamheid en goedhartigheid aan eene
beredeneerde onverzettelykheid verbinden.’
De historie als zoodanig is eenvoudig. Saartje Burgerhart, een van
de bovenbedoelde meisjes, die haar vader vroeg verloor, is na den dood harer
moeder in huis gekomen bij hare tante Suzanna Hofland, eene zóó
vrekkige en femelachtige vrouw, dat zij met hare plompe, dranklievende
dienstbode Bregtje en twee even fijne geloofsgenooten, de huichelachtige en
gemeene Cornelia Slimpslamp en den sluwen, klaploopenden broeder Benjamin (die
haar later samen bestelen), het aan Saartje onmogelijk maakte, na een ellendig
verblijf van drie jaar, zich nog langer door haar als 't ware te laten
mishandelen, zoodat zij dat verschrikkelijk kosthuis harer steeds knorrige
tante ontvlucht en haar intrek neemt bij de voortreffelijke juffrouw Buigzaam,
weduwe Spilgoed. Die vlucht wordt goedgekeurd door Saartje's voogd, den wat
ruwen, maar origineelen en in den grond zeer gevoeligen en dooreerlijken en
oprechten Abraham Blankaart, tot wien zij in eene zelfde verhouding van
eerbiedige genegenheid staat, als in den ‘Sir Charles Grandison’
Emily Jervois. tot haar voogd Sir Grandison. In haar nieuw verblijf woont
Saartje nu gezellig samen met hare oude vriendin Letje Bruinier, de
goedhartige, maar onbeholpen en wispelturige Lotje Rien-du-tout en Cornelia
Hartog, eene echte savante, prat op hare kennis en philosophie, maar
prikkelbaar en kwaadsprekend. Twee broeders van hare vriendinnen, de
verstandige, maar laag-bij-den-grondsche Willem, Willis en de modepop Kootje
Bruinier, worden op haar verliefd en vragen haar ten huwelijk, maar zij slaat
die aanzoeken af, en kan er evenmin toe besluiten, hare hand te schenken aan
den zeer ontwikkelden Hendrik Edeling, ofschoon zij hem om verstand en karakter
hoogacht. Van hare jeugd en de gulden vrijheid wil zij nog wat genieten, maar
dat zou haar berouwen, want daardoor laat zij zich verleiden, met den heer R.,
een hoffelijk en geestig lichtmis, zooals Lovelace in de ‘Clarissa
Harlowe’, mee te gaan naar zijne buitenplaats buiten de Muiderpoort, waar
hij haar met geweld tracht te onteeren, en, als dat mislukt, haar opsluit. Zij
wordt echter door eene flinke boerenmeid verlost, maar als zij eerst den
volgenden morgen bij de weduwe Spilgoed kan terugkomen, heeft zij | | | | den schijn tegen zich en is zij zóó geschokt, dat zij in
eene zware ziekte vervalt. Dat zij nu ‘veracht wordt’ door andere
meisjes, die ver beneden haar staan, komt minder uit, dan wij na het lezen der
voorrede zouden verwachten, en hare verstandige verzorgster gelooft, evenals
haar voogd, terstond aan hare onschuld. Edeling is daarvan zelfs zoozeer
overtuigd, dat hij haar opnieuw zijne hand aanbiedt, die zij nu aanneemt. Hun
gelukkig huwelijk, waartoe ten slotte zelfs de stijfkoppige Lutheraan Jan
Edeling, 's bruigoms vader, zijne toestemming geeft, wordt met een jonge spruit
gezegend, en van hare vrienden en vriendinnen (ook die welke hier onvermeld
bleven) vormen er verscheidene gelukkige echtparen.
De ‘Sara Burgerhart’ maakte grooten
opgang. In 1786 was er reeds een derde druk van noodig, want het was toen
‘het handboek onzer jongelieden en de favorite der beste jonge
lieden’ geworden. Ook verscheen er in 1787 eene Fransche vertaling van,
bezorgd door Mad. De Saint-Hyacinthe de Charrière née J.A. van
Tuyll van Serooskerken
1). Eene
Duitsche vertaling, onder den titel ‘Sara Reinert’, gaf in 1796
J.G. Müller, schrijver van den oorspronkelijken roman ‘Siegfried von
Lindenberg’ (1779) in vier deelen, die in 1787-88 ook in het Nederlandsch
is overgebracht. Van ‘Sara Burgerhart’ en van de andere romans van
Wolff en
Deken verklaarde hij o.a.: ‘Es sind
ernsthafte und verständige Bücher, für ernste, verständige
und denkende Leser und Leserinnen; unterhaltend für den, der den Menschen,
wie er würklich ist, nicht wie ein Skribler ihn bäckt, auch in
Büchern zu finden verlangt, lehrreich für den, der sich durch
Lektüre zum Leben unter den Menschen vorzubereiten
wünscht’.
Geldt dat bij hem, en terecht, van alle romans der begaafde
schrijfsters zonder onderscheid, de ‘Sara Burgerhart’ is toch in
elk geval haar meesterstuk
2). Vooral de brieven van Abraham
Blankaart, die er in voorkomen, vielen in den smaak, en dat verwondert ons ook
niet, want zeker, eene hoogst aantrekkelijke figuur is deze oude vrijer,
verstandig en tegelijk teergevoelig, driftig (‘poestig’, zegt hij
zelf) en toch zoo goedhartig. Natuurlijk heeft hij ook zijne gebre- | | | | ken, want de schrijfsters hielden niet van volmaaktheden, van
ideaalmenschen, zooals bv. Sir Charles Grandison was, en zelfs den edelen
Hendrik Edeling wilden zij niet voor een Grandison uitgeven, maar het zijn
gebreken, die ten nauwste bij zijne deugden aansluiten. Hij bezit eene zekere
onafhankelijkheid in denken en spreken, maar laat zich daarop ook wel degelijk
wat voorstaan. Met zijne onverschilligheid voor het oordeel van anderen over
zijne eigenaardige, z.i. oud-vaderlandsche, manieren praalt hij. Dat zijne ruwe
rondborstigheid eene deugd is, vergeleken met de te vaak voorkomende gepolijste
geveinsdheid, toont hij zeer goed te weten. Die gebreken echter doen zich
altijd in vermakelijken vorm voor, en het getuigt zeker van het kunsttalent der
schrijfsters. dat zij hare lezers nooit aanleiding geven om ze in Abraham
Blankaart ernstig te gaan afkeuren door er andere personen in den roman over te
laten schrijven. Dat zou hem zeker het aantrekkelijk humoristisch karakter
hebben doen verliezen, waardoor hij nu onsterfelijk is geworden.
Zelfs een zoo braaf en moraliseerend publiek als dat van het eind
der achttiende eeuw is er toe gebracht, de gebreken van dezen origineelen man
glimlachend over het hoofd te zien, en heeft zich met de teekening der figuur
zoo ingenomen betoond, dat dit de schrijfsters er toe verlokte, in 1787-89 nog
drie deelen
Brieven van Abraham Blankaart uit te geven. Zij
maakten echter geenszins denzelfden opgang, als de brieven in de ‘Sara
Burgerhart’, waarschijnlijk omdat zij geen verband houden met eenige
geschiedenis en bovendien ook wel, omdat alle veel verveelt, zooals Huygens
zegt.
Intusschen hadden de vriendinnen reeds met driftigen ijver een
tweeden roman op touw gezet en haastig voltooid, de
Historie van den Heer Willem Leevend van 1784-85
1). Dat was een zeer
omvangrijk werk in acht deelen, ook door J.G. Müller vrij in het Duitsch
vertaald (1798-1821). Ongelukkig hadden de bewonderaars van de ‘Sara
Burgerhart’ gezegd, dat die roman ‘te gaauw uit was’, en
daardoor hadden de schrijfsters zich laten verleiden, nu eens een roman van
zóó grooten omvang te maken, dat men moeite heeft, hem geheel uit
te lezen, zoodat vermoedelijk ook daardoor geen nieuwe druk er van door haar
werd beleefd. Bovendien was de historie | | | | zóó
eenvoudig, dat zij die zelf ‘alleen het geraamte van een roman’
noemden, bewerende, dat het haar bovenal om karakterteekening te doen was.
Zelve meenden zij daarin beter geslaagd te zijn, dan bij haar eersteling, en
misschien hadden zij gelijk, maar het publiek stelde toch de ‘Sara
Burgerhart’ er boven.
Ook zijn zij hier veel minder oorspronkelijk. De geestige,
plaagzieke Alida Leevend toch is bijna eene Nederlandsche dubbelgangster van de
Engelsche Charlotte Grandison. Beiden doen, alsof zij alle liefde minachten en
geheel onafhankelijk willen blijven, zelfs na haar huwelijk (van Alida met den
goed geteekenden Abraham Rijzig), waarin, zooals Alida beweert, ‘liefde
geen onontbeerlyk ingredient is,’ zoodat ‘huwelyken uit liefde zo
ellendig uitvallen, als huwelyken uit belang’, terwijl Charlotte
Grandison ‘love-matches foolish things’ noemt. Beiden worden echter
ten slotte door de bezadigdheid harer echtgenooten nog gelukkiger in het
huwelijk, dan zich deed voorzien, omdat zij er toe gebracht worden, de zoolang
als zwakheid opzettelijk ontveinsde liefde ook in woord en daad te toonen en te
begrijpen, dat in den mensch het al te engelachtige al even verkeerd is, als
het al te dierlijke, en dat zinnelijke liefde evengoed tot 's menschen wezen
behoort als onzinnelijke vriendschap. Mevrouw Van Oldenburg, de te
teergevoelige moeder van Alida en Willem Leevend, die nochtans haar zoon aan
zijn norschen stiefvader opoffert, is het evenbeeld van Mevrouw Harlowe, en zoo
zijn er meer copieën uit Richardson's romans; maar er zijn toch ook
origineelen, zooals de goede oude tante Martha de Harde, het type van eene echt
Hollandsche burgervrouw, en haar man, de oudscheepskapitein.
Eene zonderlinge figuur is de hoofdpersoon Willem Leevend zelf, een
jong koopman, die nolens volens student in de theologie is geworden. Hij ijvert
voor alles wat goed en edel is en houdt bijzonder veel van godsdienstige
bespiegelingen en vertoogen, die in dezen roman eene wat al te ruime plaats
innemen. Maar bovendien is hij zoo overgevoelig en hartstochtelijk tegelijk,
dat hij, ofschoon aan Chrisje Helder tegen haars vaders zin, die haar voor
Renting bestemd had, verloofd en aan haar, die hem innig en onwankelbaar bleef
liefhebben, naar zijne meening ook getrouw blijvend, toch de genegenheid van
andere meisjes zoekt te winnen en aankweekt, en wel onder den schijn van een
bedenkelijk soort van vriendschap, zooals die door het vroeg wijze Coosje
Veldenaar wordt gepredikt. Iutn- | | | | sschen wordt hij daardoor de wreede
beul van het arme Lotje Roulin
1), die zijne sentimenteele vriendschap voor liefde had
gehouden, omdat hij zijne verloving voor haar aanvankelijk had verzwegen, en
aan wie hij met zijne te late bekentenis daarvan den doodsteek geeft. Met
minder doodelijken afloop wekt hij later nog eens, onder den schijn van al te
tedere vriendschap, liefde op bij eene jonge Duitsche weduwe, de Gravin van B.
Hier verkeeren wij geheel in de sfeer van het ergerlijk, vaak ook in tranen
gedrenkt, ja zelfs van kerkhoflucht doortrokken, sentimenteele, waarvoor de
schrijfsters wel zeggen, te willen waarschuwen, maar waardoor zij blijkbaar al
schrijvende zelf soms geheel en al bevangen zijn geraakt. Trouwens de
sentimenteele vriendschap voor het andere geslacht kende Betje Wolff
bij ervaring en niet alleen uit de boeken.
Beter is haar derde en laatste roman, de
Historie van Cornelia Wildschut of de gevolgen der
opvoeding (van 1793-96), in zes deelen uitgegeven en ook door J.G.
Müller vertaald als ‘Klärchen Wildschütt’
(1800-1801). Voelende wat het publiek in haar vorigen roman had gemist, hadden
zij zich nu niet tot ‘schetsen en charakters’ alleen bepaald, maar
ook ‘eene versierde aaneenschakeling van gevallen’ willen geven met
eene, op den titel aangeduide, strekking. Aan vinding, althans in die mate, als
zij vereischt wordt voor het samenstellen van een goed in elkaar sluitend
verhaal van belangwekkende gebeurtenissen, ontbrak het haar echter, en zoo
kwamen zij er toe, het verhaal van
Richardson's roman ‘Clarissa
Harlowe’ als op den voet te volgen, met wijziging alleen van meer
ondergeschikte bijzonderheden en van de karakters, die daarbij echter eer
verloren dan wonnen. De volgende inhoudsopgave in breede trekken van de
‘Cornelia Wildschut’ zou met andere namen en enkele kleine
veranderingen ook wel als inhoudsopgave van de ‘Clarissa Harlowe’
kunnen dienen.
Twee mannen doen tegelijk aanzoek om Cernelia's hand: de rijke,
degelijke, maar uiterlijk weinig aantrekkelijke Van Veen, die haar vader voor
haar als man wenscht, en Van Arkel, een aanzienlijk, mooi en innemend, maar
dermate verloopen lichtmis, dat hij zelfs tot valsch spelen vervallen is en dan
ook alleen Cornelia's hand verlangt om een (schijnbaar) rijk huwelijk te doen.
Tot hem, dien zij belasterd acht, gevoelt zij zich aangetrokken als tot de
verboden | | | | vrucht, en tegenover Van Veen gedraagt zij zich
zóó, dat deze zijn aanzoek intrekt. Maar Cornelia, een verwend
kind, dat vroeger al hare wenschen door hare ouders ingewilligd had gezien en
ook nu nog door hare moeder wordt gesteund, ziet zich nu gedwarsboomd door haar
vader, die zelfs aan Van Arkel zijn huis ontzegt. Die tegenwerking kan zij niet
verdragen. Zij houdt briefwisseling met den haars inziens miskenden Van Arkel
en laat zich gemakkelijk door hem overhalen, het ouderlijk huis te verlaten en
bij hem een toevlucht te zoeken. Om zich over de behandeling, hem door haar
vader aangedaan, te wreken brengt hij Cornelia onder den invloed van een
bedwelmenden drank, onteert haar, berooft haar van hare kostbaarheden en laat
haar daarna in een rendez-voushuis aan haar lot over. Bitter gegriefd, zwerft
zij eenzaam rond, maar is te trotsch om naar haar vader terug te keeren, zelfs
als men haar gevonden en daartoe aangespoord heeft. De dood haars vaders, die
van hartzeer sterft, beneemt haar al spoedig alle kans op verzoening, want hare
moeder, die haar eerst met Van Arkel had willen verbinden, ontzegt haar, zelfs
nu zij door al het ondervondene doodziek is geworden, hare woning. Berouwvol en
zelfs haar verleider vergiffenis schenkend sterft zij in het huis eener tante,
die haar liefderijk opnam. Van Arkel was intusschen naar Parijs gegaan en daar
gedood in een duel met den broeder eener Fransche dame, die hij verleid
had.
Zooals men ziet, is Van Arkel een ellendeling in de hoogste mate,
die ook nog een ander jong meisje, Jansje Greenwood, verleidt, maar haar daarna
niet kan bewegen, zijne minnares te worden, evenmin als Lovelace dat bij
Clarissa Harlowe vermag; en aan slechte karakters, zooals Cornelia's valsche
vriendin Mevrouw Lenting (pendant van Mevrouw Sinclair bij Richardson),
ontbreekt het in dezen roman ook verder niet. Zelfs Cornelia, het slachtoffer
eener al te toegeeflijke opvoeding, waarover in den roman veel te lange
vertoogen gehouden worden, is weinig sympathiek, vooral in vergelijking met
Clarissa, die slechts noode haars vaders huis ontvlucht, omdat haar anders een
gedwongen huwelijk met Solmes wacht. Maar afgezien van dien eenigen
verklaarbaren misstap, is Clarissa een meisje van edel, fier karakter en alleen
een beklagenswaardig slachtoffer, dat haar leed, waarbij nog gijzeling voor
vermeende schulden komt, berouwvol en met engelengeduld zoekt te dragen, en in
hare ziekte niets onverdraaglijker vindt, dan den vloek haars vaders.
Wanneer | | | | zij sterft, wordt zij niet alleen door hare verwanten, maar
ook door haar verleider diep betreurd.
Ook Lovelace is lang niet zulk een ellendeling als Van Arkel. Hij is
geen verloopen sujet, alleen een tamelijk cynische overgegeven lichtmis, die
zich onweerstaanbaar waant; maar Clarissa heeft hij inderdaad hartstochtelijk
lief en zijne wraakzucht is allereerst gekwetste ijdelheid, die er hem toe
beweegt, haar, die hij niet tot vrouw kan krijgen, haars ondanks tot zijne
minnares te willen maken, waarbij hij, gedwarsboomd, de gemeenste middelen niet
versmaadt. Bij haar, wier te groote preutschheid zijn hartstocht nog te meer
aanwakkerde, wordt echter de kuische liefde voor hem juist door zijne
onstuimige hartstochtelijkheid uitgedoofd; en zoo is zij het zelve, die hem
meer dan eens ontvlucht, ook nog vóór zijne wraakzucht er in
slaagt, haar in opiumbedwelming te onteeren, zonder de gewenschte bevrediging
te vinden. Nadat hij haar diep ongelukkig heeft gemaakt en zij gestorven is,
verlaat hij, door gewetenswroeging gedreven, zijn land; maar te Florence daagt
kolonel Morden, om de nagedachtenis zijner nicht Clarissa te wreken, hem tot
een tweegevecht uit, waarin hij valt met woorden van innig berouw en
onverzwakte liefde voor Clarissa op de lippen, zooals trouwens eveneens Van
Arkel sterft, maar met de gedachte aan Jansje Greenwood en niet aan Cornelia
Wildschut.
De ongegronde bewering, dat deze romans alleen of bijna alleen door
Betje Wolff zouden geschreven zijn en dat
Aagtje Deken er nauwelijks aandeel aan zou
hebben gehad, is reeds afdoende weerlegd: wij behoeven er dus niet op terug te
komen. Beider aandeel er aan is, al kunnen wij nu ook niet meer in
bijzonderheden dat van elk afzonderlijk aanwijzen, zeker even groot geweest, en
zoo komt dan aan haar samen de eer toe, in de achttiende eeuw de eerste
oorspronkelijke Nederlandsche romans van letterkundige waarde te hebben
geschreven in den nieuweren trant, waarin ook later de romanlitteratuur zich
zou blijven ontwikkelen, zoodat zij dus voor alle latere romanschrijvers hier
te lande de baanbreeksters en voorbeelden geworden zijn.
Het ‘niet vertaalt’ op den titel harer romans kenmerkt
ze reeds als iets ongewoons, en inderdaad hebben deze vrouwen uit innige
vaderlandsliefde met hare werken zelf aan hare landgenooten, die met minachting
op onze armoedige letterkunde neerzagen, alle voorwendsel om dat, ook wat den
roman betreft, te blijven doen, willen | | | | ontnemen. Met de daad te
hebben willen bewerken, dat ook in dit opzicht ons volk bij geene enkele natie
behoefde achter te staan, dit vooral behoort tot hare groote verdiensten,
waarvoor de Nederlander haar dank verschuldigd is.
|
1)Voor de beide vriendinnen hebben wij,
behalve de reeds boven, bl. 121 voor Betje Wolff alleen vermelde, de volgende
monographieën, die verdienen geraadpleegd te worden: J. Konijnenburg,
Lofrede op E. Wolff geb. Bekker en A. Deken, Amst. 1805; H. Frijlink,
‘Elisabeth Wolff geb. Bekker en Agatha Deken, zoo uit hare geschriften
als uit andere bescheiden geschetst. Gevolgd van eene lijst der werken’,
Amst. 1862, met Bijvoegsels en Verbeteringen, Amst. 1863; Theod. Jorissen,
‘Over Aagje Deken en Betje Wolff. Uit onuitgegeven bescheiden’, in
‘Nederland’, 1879 II bl. 1 vlgg.: ook opgenomen in zijne
‘Historische en Literarische Studiën’, Haarlem 1891, bl.
389-461; C. Busken Huet, E. Wolff, A. Deken en Jacoba Busken in
‘Nederland’, 1883 II bl. 385 vlgg., ook in zijne
‘Litterarische Fantasiën’ VII. Het betoog aldaar is echter
afdoende weerlegd door Johs. Dyserinck, Van en over Betje Wolff in De
Gids 1884 III bl. 1 vlgg.; Johs Dyserinck, Hulde aan Betje Wolff en Aagje
Deken, 1884 en Wolff en Deken in de Gids 1892 IV bl. 253-300; J.W.
Muller, Uit Brieven van Betje Wolff en Aagje Deken in Tijdschrift XX
(1901) bl. 217-243; Johs. Dyserinck, Brieven van Betje Wolff en Aagtje
Deken, 's-Grav. 1904. In deze volledige verzameling harer brieven komen ook
beider portretten voor: dat van Betje Wolff op zestienjarigen leeftijd met de
poëzie van Pope in de hand; Johanna W.A. Naber, Elisabeth Wolff-Bekker
en Agatha Deken, Haarlem 1913, rijk geïllustreerd; H.C.M. Ghijsen,
Eenige werken van Wolff en Deken in Tijdschrift XXXVIII (1919) bl.
212-238, Aagje Deken in De Gids 1920 III bl. 255-271 en De
samenwerking van Wolff en Deken in De Gids 1922 III bl. 96-116,
212-248. Eene (niet geheel volledige) bibliographie harer werken vindt men
in den ‘Catalogus der Tentoonstelling Wolff en Deken te Vlissingen in
1885’ (door W. van den Os) en te 's-Gravenhage in 1895 (door Joh.
Dyserinck).
1)Zie daarover A. de Vletter, De
opvoedkundige denkbeelden van Betje Wolff en Aagje Deken, Gron.
1915.
1)Tot hetgeen door haar, en wel in 1797,
vertaald werd behoorde ook The spiritual Quixote, die door haar te
onrechte werd toegeschreven aan Smollett, maar inderdaad in 1773 geschreven was
door Richard Graves of Greaves. Zie daarover H.C.M. Ghijsen, Tijdschrift XXXI
(1912) bl. 1-6 en J.A. Barnouw, Tijdschrift XXXII (1913) bl. 73-75.
1)Voor Samuel Richardson en voor den invloed
door zijne romans ook buitenslands geoefend, zie men Erich Schmidt,
Richardson, Rousseau und Goethe, Jena 1875; M. Gassmeyer,
Richardson's Pamela, ihre Quellen und ihr Einfluss, Leipzig 1890 en
Joseph Texte, Jean Jacques Roussean et les origines du cosmopolitisme
littéraire, Paris 1895.
1)Over de romans van Wolff en Deken in 't
algemeen zie men: C. Busken Huet, Oude Romans I (1877) bl. 89-220; Jan
ten Brink, De roman in brieven, Amst. 1889, bl. 39-69; H.C.H. Moquette,
Over de romans van Wolff en Deken, beschouwd in verband met de romantische
scheppingen van Richardson, Rott. 1898; J. Koopmans, De tendenz in de
Willem Leevend, in ‘De Beweging’, 1910 III bl. 113 vlgg. en 229
vlgg. en H.C.M. Ghijsen, Wolff en Deken's Romans uit haar bloeitijd in
De Gids 1923 II.
1)Welk een voortreffelijk teekenaar Jacobus
Buys was, blijkt vooral uit zijne teekeningen in kleuren van ‘De twaalf
maanden’, in 1908 gereproduceerd door het Kon. Oudheidk. Genootschap te
Amsterdam. Van de Sara Burgerhart kwam te 's-Grav. een 8 ste
dr. in 1891, een 9 de in 1921 uit. Ook gaf L. Knappert er een in de
Wereldbibliotheek z.j. (1906) met inl. en aant. in 't licht en bezorgde Mej.
A.C. Viervant eene eenigszins verkorte en toegelichte bewerking van de Sara
Burgerhart, 's-Grav. 1898 met een woord vooraf van J. te Winkel.
1)De titel is ‘Histoire de Mademoiselle
Sara Burgerhart, publiée en forme de lettres par Mesdames E. Bekkei
veuve du ministre Wolff et A. Deken’, Lausanne 1787.
2)Ook in dramatischen vorm overgebracht (door
Mej. J. Pabst) heeft de roman nog in 1911 en later op den Amsterdamschen
Schouwburg uitstekend kunnen voldoen.
1)Een tweede druk kon er eerst te 's-Grav.
1886-87 III dln. van verschijnen. Verder bezorgde Mevr. Van Westhreene er nog
eene zeer verkorte uitgaaf van, Rott. 1891 II dln.
1)Bij Lotje Roulin is Cecilia in Feith's
‘Ferdinand en Constantia’ uit den zelfden tijd te
vergeiijken.
|
|