|
|
|
| |
| | | |
XVI. Bilderdijk in ballingschap.
Terwijl het in den tijd der Bataafsche Republiek niet ontbrak aan
dichters, die ook van hunne deelneming in de gebeurtenissen van den dag met
gedichten getuigden, was de grootste van hen allen,
Willem Bilderdijk, buiten zijn vaderland
gebannen
1).
Reeds 31 Januari 1795 waren de ‘Rechten van den Mensch’
plechtig afgekondigd als de grondslag, waarop het nieuwe staatsgebouw zou
worden opgetrokken, en in Maart daarop werden de ambtenaren en ook de bij de
hoven ingeschreven advocaten verplicht hunne instemming daarmee te bezweren.
Iemand als Bilderdijk kon dat onmogelijk doen. Hij wendde zich daarom
tot de Voorloopige Regeering met een request, waarin hij verklaarde, dat de
afgekondigde beginselen ‘in verscheidene opzichten streden tegen zijne
bijzondere godsdienstige en juridische begrippen’ en dat de eed dus
‘zijn geweten bezwaren zou.’ Vervolgens zette hij zijne
staatsrechtelijke bezwaren tegen die beginselen uiteen en eindigde met het
verzoek, dat hij zou mogen volstaan met een eed of belofte van er in te zullen
‘berusten’. De Voorloopige Regeering nu achtte
Bilderdijk's request ‘in oproerige en ongemesureerde termen
gecoucheert’, wat niet geheel onwaar, maar toch zeer overdreven was, en
besloot hem te gelasten binnen vier en twintig uur Den Haag en binnen acht
dagen de provincie Holland te verlaten.
Bilderdijk moest aan dat bevel wel voldoen. Hij verliet
Den Haag 26 Maart en kwam over Amsterdam en verder over zee
reizende in het begin van April te Groningen, waar hij geruimen
tijd verbleef en zich althans niet ongelukkig gevoelde, omdat vrienden en
vereerders er hem het leven zoo aangenaam mooglijk maakten. Zoo leed hij dan
aanvankelijk nog weinig of niet onder het verbanningsbevel, dat hij in zekeren
zin zelf had uitgelokt, daar hij den gewraak- | | | | ten eed niet had
behoeven af te leggen, indien hij zijn ambt als advocaat had willen prijsgeven,
zooals aanvankelijk ook zijn plan schijnt geweest te zijn. Maar wat had hij
onder de nieuwe staatsinrichting eigenlijk nog van zijn vaderland te
verwachten? Eer viel er voor hem niet meer te behalen, invloed niet te
verkrijgen, en de inkomsten zijner advocaterij zouden geheel ophouden, terwijl
hij zich in zware schulden had gestoken, die hij geen kans zag af te doen. Als
balling kwam hij zonder schandaal van zijne schuldeischers af; en ook liefde
voor zijne vrouw behoefde hem niet terug te houden: integendeel, de
ballingschap is voor hem misschien eene welkome aanleiding tot eene tijdelijke
scheiding geweest, daar zij zelve allerminst lust had, den verbannen echtgenoot
in den vreemde te volgen.
In den vreemde, want binnen de grenzen der Republiek bleek al
spoedig geene plaats meer voor hem te zijn. Op last der municipaliteit van
Groningen moest hij 7 Mei ook die stad verlaten, en vandaar vertrok hij dan
naar Hamburg, waar hij er eenigen tijd verlangend naar bleef
uitzien, of de Prins hem op zijn verzoek in dienst zou kunnen nemen. Nu was hij
bereid iedere betrekking te aanvaarden, die de Prins hem zou opdragen, en
voorloopig hield hij zich bezig met ‘Hollandsche militie aan te
werven’ voor een beraamden inval in de Republiek, waarvan echter niets is
gekomen. Maar nu ook begon hij zich in de Duitsche omgeving, waaraan hij zich
nooit heeft kunnen gewennen, diep ongelukkig te gevoelen, zooals zijn gedicht
‘Uitboezeming’ bewijst, waarin hij zelfs beweerde, dat hem bovenal
zijne scheiding van gade en kroost smartelijk viel. Tijdens zijn verblijf in
Hamburg reisde hij ook eens heen en terug naar Engeland, om daar den Prins, die
op Hamptoncourt verblijf hield, op te zoeken, en in December besloot hij, zich
voor goed in Londen te vestigen.
Daar leefde hij nu van les geven en ander vermoeiend werk, zonder er
een vast bestaan te kunnen vinden. Maar reeds dadelijk na zijne aankomst had
hij er kennis gemaakt met den negen jaar te voren uit Den Haag naar Londen
vertrokken schilder Hendrik Wilhelm Schweickhardt, en al spoedig trok
diens oudste dochter Katharina Wilhelmina, 3 Juli 1776 in Den Haag
geboren, hem bijzonder aan, terwijl ook op het jonge meisje de nu bijna
veertigjarige geniale dichter een overweldigenden indruk maakte. Uit
dankbaarheid voor gastvrijheid en geldelijken steun, hem door Schweickhardt
verleend, gaf hij aan diens beide oudste dochters les in het Italiaansch, en | | | | daaronder groeide beider liefde al meer en meer aan. Ook gedichten van
beiden - want
Katharina Wilhelmina beoefende de poëzie
evenals hij of ter wille van hem - legden van die liefde getuigenis af; en
onder hetgeen Bilderdijk toen voor haar zong, trekt vooral eene lange
‘Ode’ de aandacht, waarin hij op haar twintigsten
verjaardag zijn hart uitstortte en zijne gloeiende, maar met geweld bedwongen,
hartstocht omsluierde, maar toch verried. Zeker was het oprecht gemeend, toen
hij daarin uitriep: ‘O, dat ik zonder onderdrukking aan 't vuur van dees
mijn geestverrukking den vrijen teugel vieren mocht! O, dat ik, zonder
zelfbedwingen, vrijmoedig uit de borst mocht zingen, in onbeklemden
ademtocht!’ Nu kon hij slechts den wensch uitspreken, dat het hem zou
gegeven worden ‘met vaderlijke zorg en zucht geheel voor haar te mogen
leven’.
Bij latere, minder bewimpelde, minnezangen kunnen wij niet
verwijlen, al behooren zij ook tot het beste, dat hij schreef; en evenmin bij
de kunstvol verbloemde, zooals ‘Eens palings klacht’, waaronder hij
zijne eigene brandende liefde verborg, of bij de bevallige liederen, waarin
hij, misschien om minder argwaan te wekken, ook Betzy, de jongste zuster zijner
geliefde, b.v. in de ‘Wenschen op haar
verjaarfeest’, bezong. Aanvankelijk heeft hij zeker nog getracht,
zijn hartstocht te beheerschen en althans niet met de daad ontrouw te worden
aan zijne in Den Haag achtergebleven echtgenoote, aan wie hij brieven zond, die
van genegenheid bleven spreken, al bestond die genegenheid al sinds lang niet
anders dan in zijne dichterlijke verbeelding. Ook zal hij, vooral om het recht
op zijne beide kinderen, Louize en Elius, niet te verliezen, tegen eene
formeele scheiding hebben opgezien. Er zijn dan ook gedichten van hem uit dien
tijd, waarin hij als 't ware worstelt met zich zelf; en kenmerkend voor zijne
stemming is vooral het volgende ‘Gebed’ (van 1796),
dat, ofschoon Fénélon nagebeden, diep gevoeld moet zijn, al heeft
hij het misschien maar half ernstig gemeend. Het is tevens een van de eerste
gedichten, waarin zich een, niet conventioneel, godsdienstig geloof bij hem
uitspreekt:
‘Genadig God, die in mijn boezem leest!
Ik vlied tot U, en wil, maar kan niet smeeken.
Aanschouw mijn nood, mijn neergezonken geest,
En zie mijn oog van stille tranen leken!
Ik smeek om niets, hoe kwijnend, hoe bedroefd;
Gy ziet me een prooi van mijn bedwelmde zinnen.
Gy weet alleen hetgeen uw kind behoeft
En mint het meer, dan 't ooit zich zelf kan minnen.
| | | |
Geef, Vader, geef aan Uw onwetend kroost,
Hetgeen het zelf niet durft, niet weet te vragen!
Ik buig mij neer; ik smeek noch kruis, noch troost;
Gy, doe naar Uw ontfermend welbehagen!
Ja, wond of heel, verhef of druk my neer,
'k Aanbid Uw wil, hoe duister in mijne oogen,
Ik offer me op, en zwijg en wensch niet meer:
'k Berust in U, ziedaar mijn eenigst pogen!
Ik zie op U met kinderlijk ontzag,
Met Christen hoop, noch laauw, noch ongeduldig.
Ach, leer Gy my hetgeen ik bidden mag!
Bid zelf in my, zoo is mijn bee onschuldig.’
Eindelijk echter werd de hartstocht hem te machtig, en 18 Mei 1797
geschiedde, wat hij in zijn bijbel aanteekende met de woorden ‘uxorem
accepi’. De bruiloft van Katharina Wilhelmina's zuster Christine
met J. Texier was er de naaste aanleiding toe geweest. Wat gebeurd was, viel
tot op zekere hoogte te verontschuldigen. Bilderdijk's
ontrouw brak niet het hart van eene liefhebbende echtgenoote, want dat was
zijne vrouw al lang niet meer, en eene scheiding zou ook haar zeker niet
onwelgevallig geweest zijn. In zijne eenzaamheid te Londen moest voor een
hartstochtelijk man, als hij was, de verleiding wel al te groot zijn. Terwille
van
Katharina Wilhelmina, in wie hij van dat
oogenblik af zijne tweede vrouw zag, had hij echter nu ook onmiddellijk eene
echtscheiding moeten bevorderen; maar hij deed het niet, terwijl hij zich
beijverde voor zijne wettige vrouw verborgen te houden, in welke betrekking hij
nu tot eene andere vrouw was komen te staan.
Slechts korten tijd kon het zoo blijven voortgaan, want vader
Schweickhardt was over het geval allerminst gesticht, en daarom ook besloot
Bilderdijk reeds in Juni van hetzelfde jaar Londen te verlaten en naar
het van Hollandsche uitgewekenen wemelende Brunswijk te gaan, ook
in de hoop, door den hertog, die hem reeds van vroeger kende, gesteund te
worden. Hij kreeg ook inderdaad eene kleine toelage, waarbij de Erfprins eene
gelijke som voegde; maar dat was lang niet voldoende voor hem, omdat eene maand
na zijn vertrek en even voor het overlijden van haar vader Katharina
Wilhelmina hem naar Duitschland was gevolgd en door hem moest worden
onderhouden.
Vreemd is het, dat hij kort daarop zijne vrouw uitnoodigde met hun
zoontje Elius naar Brunswijk te komen, waar hij beloofde, haar ‘met open
armen’ te zullen ontvangen, en verklaarbaar wordt die uitnoodiging eerst,
als wij veronderstellen, dat hij zeker was van | | | | eene weigering en
nog altijd eene wettelijke scheiding wilde tegenhouden. Moest die toch eenmaal
uitgesproken worden, dan zou hare weigering door hem als verontschuldiging
kunnen worden aangevoerd, alsof niet hij, maar zij daarmee den huwelijksband
had verbroken. Eene dergelijke handelwijze is zeker niet verschoonbaar, zooals
dubbelhartigheid dat nooit is, maar toen eenmaal bij deze huwelijksverhouding
de eerste verkeerde stap was gedaan, volgden de andere met bijna logische
noodzakelijkheid van zelf, en gaarne zou men dat alles met den mantel der
liefde bedekken, wanneer
Bilderdijk later niet als een paladijn van
godsvrucht en deugd was opgetreden, niet zoo heftig anders denkenden en beter
levenden rijp had genoemd voor de hel en niet als een profeet en leidsman op
het gebied van godsdienst en zedelijkheid was gehuldigd. Genoeg had het moeten
zijn, hem te huldigen als den grootsten Nederlandschen dichter van zijn tijd en
een der grootste van zijn volk, als een man van verwonderlijk veelzijdige
ontwikkeling en onvermoeide scheppingskracht.
Intusschen had Bilderdijk's tweede levensgezellin Brunswijk
weer verlaten en was zij naar Berlijn gegaan, waar zij in Juli 1798 beviel van
een zoon, die als Julius Willem van Teisterbant werd ingeschreven, terwijl
zijne moeder zich wat later met hem te Hildesheim en twee jaar daarna te Peine
(vier uur van Brunswijk) vestigde onder den naam van Mevrouw van Heusden. De
verhouding, waarin Bilderdijk tot haar stond, maar niet staan mocht,
heeft hem zeker aanleiding gegeven, om voor zich bij zijn eigen naam nu ook
dien van zijne gewaande adellijke voorvaderen aan te nemen, waardoor hij dan
tevens kans had op meer onderscheiding aan het Brunswijksche hof, terwijl zijne
onwettige echtgenoote dan een naam voerde van eene der Teisterbantsche
bezittingen en dus naar believe eene Teisterbant en geene Teisterbant kon
heeten. Bij het wapenschild, dat hij voor zich samenstelde, voegde hij de
wapenspreuk ‘semper idem’. Met het oog op zijn karakter had hij
geene minder toepasselijke kunnen kiezen.
Natuurlijk bezocht Bilderdijk, die zijne tweede vrouw
inderdaad hartelijk liefhad en haar levenslang getrouw bleef, haar telkens. Hun
huwelijksgeluk is dan ook onverstoord gebleven, zeker het meest door de
liefderijke toewijding der jonge vrouw, een toonbeeld van zachtzinnigheid en
geduld. De wettige Mevrouw Bilderdijk maakte in 1801, toen verder verbergen van
de verhouding on- | | | | mogelijk was geworden, een eisch tot echtscheiding
aanhangig, en 25 Febr. 1802 werd haar die eisch toegewezen. Toch is
Bilderdijk's tweede huwelijk ook daarna niet wettig gesloten en zijn
de kinderen uit dien echt alleen oogluikend als wettige kinderen beschouwd. Wel
ging
Catharina Rebecca Woesthoven in 1809 een tweede
wettig huwelijk aan, met J.L. van Westhreenen, maar ook dat eindigde met eene
feitelijke, zij het ook niet wettelijke, scheiding. In 1828 is zij overleden,
den naam nalatende van eene geldgierige, hardvochtige, plaagzieke vrouw
1).
Eenmaal van zijne vrouw gescheiden, heeft
Bilderdijk al zijne scherpzinnigheid uitgeput
om anderen diets te maken, dat zijn diepe eerbied voor de beiligheid van het
huwelijk niet in tegenspraak was met zijn gedrag, en dat hij eerst eene tweede
vrouw had genomen, toen feitelijk zijn eerste huwelijk reeds ontbonden was,
schoon het dan om geheimzinnige redenen nog niet formeel ontbonden kon worden
verklaard. Hij maakte trouwens dat ook zich zelf wijs, en in die overtuiging
der verbeelding schreef hij ook verscheidene hartstochtelijke, maar tegelijk
ook liefdevolle huwelijkszangen voor zijne jonge vrouw en later (in 1812) een
uitvoerig theoretisch dichtstuk, getiteld ‘De Echt’,
met versregels als deze: ‘Neen, de Ega is voor één en niet
voor meer geboren, zij kiest zich geen gemaal, zij wordt niet uitverkoren, ze
is eenig’, of ook: ‘O, sla de handen niet aan 't heiligdom des
Echts: 't is, waar God zichtbaarst woont. Draag eerbied aan haar handen en
sidder, wat Hij stichtte, onzinnig aan te randen’; immers ‘Geen
Echt, het werk van God, kan ooit onzalig zijn’. Overigens behooren
gedichtjes als ‘De ware kus’ en vooral verschillende
verjaardichten, die Bilderdijk voor zijne tweede vrouw, zijne
‘Filumene’, zijne ‘dierbare’ zong, evenals de
‘Geboortegroet’ voor zijn zoontje Julius Willem, tot
zijne goede, zijn lierzang, ‘Het echtgeluk’,
‘Het Nachtspook’ en zijne
‘Nachtwandeling’ uit den tijd, waarop hij zijne
geliefde slechts ter sluik te Hildesheim en te Peine
bezocht, tot zijne beste liefdedichten. | | | |
Van Bilderdijk's verder verblijf in Brunswijk
valt niet veel meer mede te deelen
1). Hij leefde er tamelijk teruggetrokken. Aan het hof
kwam hij maar zelden en politieken invloed schijnt hij in 't geheel niet gehad
te hebben, ook niet, toen in October 1798 Willem V te Brunswijk kwam wonen. Wel
heeft hij nog menig gedicht aan hem gewijd, zooals hij ook reeds
‘De achtste Maart (1796) in Londen’ deed, toen hij
den Prins met een, vooral metrisch verdienstelijk, verjaardicht, en in
hetzelfde jaar ook de jarige Prinses met eene idylle ‘Lycidas en
Egle’ begroette, waarin hij natuurlijk ‘'t herstel van
Nassaus huis’ van den Hemel afsmeekte. Ook 8 Maart 1798 zond hij den
Prins nog een verjaarwensch toe, een lied van zwijgende berusting in het
tegenwoordige en vertrouwen op de toekomst. Toen in 1799 het Nassausche huis in
rouw werd gedompeld door den vroegen dood van 's Prinsen zooveel belovenden
tweeden zoon, Willem George Frederik, liet ook
Bilderdijk niet na, den jongen man eene
dichterlijke ‘Lijkgedachtenis’ te wijden. Na deze
zangen heeft hij nog enkele andere voor den Prins gedicht, tot deze in de lente
van 1806 overleed. De dichter bevond zich toen reeds niet meer te Brunswijk,
maar heeft toch de uitgave bezorgd van en een voorbericht en voorzang
geschreven voor het door hem ook in menig opzicht verbeterd uitvoerig
dichtstuk, door
Le Francq van Berkhey als
‘Lijkgedachtenis van Prins Willem den Vijfde’
geschreven.
Bijzondere opmerking verdienen - vooral ook met het oog op
Bilderdijk's latere verhouding tot Napoleon - een paar gedichten, in
1804 naamloos uitgegeven naar aanleiding van den moord op den Prins van
Enghien, op last van Napoleon gepleegd. Dat is dan de wraak, zegt hij daarin,
die door Bonaparte, den Corsikaan, genomen is op het geslacht der Bourbons,
omdat het eenmaal wederrechtelijk de Corsikanen van hunne vrijheid had beroofd;
maar daarom achtte Bilderdijk den moord van dien onschuldigen jongen
man niet minder gruwelijk, ja hij is zelfs zoo verontwaardigd over dien
‘afgrijsselijksten moord met Vorst- en Volkenschennis’, dat hij, de
hel sprekende invoerend, haar Napoleon voor haar echten zoon laat verklaren,
want ‘dit schelmstuk, na zooveel, was 't toppunt van volending’, en
daarom: ‘Wees keizer’ zegt zij, ‘heersch! en de onmensch
klimt ten throon’. | | | |
Had de hertog van Brunswijk in 1803, toen Bilderdijk's
tweede vrouw zijn verblijf met hem was komen deelen, zijn pensioen ook
aanmerkelijk verhoogd, toch had hij het zuinig en moest hij met les geven en
schrijven er nog veel trachten bij te verdienen, maar van zijne omvangrijke
kennis werd door velen partij getrokken, wat hem ook een grooten en
welverdienden naam van geleerdheid bezorgde, die hem deed hopen ergens in
Duitschland of Rusland een professoraat te zullen verwerven; doch dat bleek
eene ijdele hoop. Alleen de Muze zou zijne patrones in het leven zijn, en hij
heeft dan ook na zijn vertrek uit zijn vaderland niet nagelaten, er dat
vaderland telkens aan te herinneren, dat hij op het gebied der Nederlandsche
poëzie de eerste was, in staat zijn ouden roem te handhaven en nog te
vergrooten, ook ondanks de ongunstige critiek, die sommigen daar over zijne
gedichten uitbrachten.
In zijne ballingschap schreef
Bilderdijk, behalve zijn
‘Vaderlandsche Oranjezucht’ (van 1805), niet minder
dan tien bundels grootere en kleinere, oorspronkelijke en vertaalde gedichten.
In 1799 verschenen de twee deelen zijner
‘Mengelpoëzy’, waarvan hij in de voorrede
vermoedde, dat zij wel het laatste dichtwerk zouden zijn van een man, wien
‘de vroege ouderdom het hoofd voor den tijd had besneeuwd’; maar
sedert 1803 volgden daarop nog vier deelen ‘Poezy’,
waarin trouwens ongeveer de helft der gedichten niet van hem, maar van anderen,
en wel voor het meerendeel van
Katharina Wilhelmina is. In de vier deelen
‘Mengelingen’ evenwel, die in de daarop volgende
jaren het licht zagen, is alles van hem, en reeds bereidde hij weer nieuwe
bundels voor, die echter eerst na het einde zijner ballingschap van de pers
kwamen. Een onuitputtelijke rijkdom van poëzie is in deze bundels bijeen,
en ondoenlijk is het, er hier een overzicht van te geven. Slechts op enkele
eigenaardigheden kan gewezen worden, en wel allereerst hierop, dat in deze
bundels bij Bilderdijk's poëzie alle sporen van stroefheid, die
men er vroeger nog wel eens in vond, zijn uitgewischt en hij den vorm nu
volkomen meester is geworden. Maat en rijm beheerscht hij nu volkomen, zoodat
zelfs zijne vele, meest vrije, vertalingen in geen enkel opzicht verraden, dat
zij niet oorspronkelijk zijn.
Verder blijkt uit de beide deelen der
‘Mengelpoëzy’ duidelijk, dat zij grootendeels
gedicht zijn onder den invloed van zijn verblijf in Engeland. Had de romance
reeds vroeger Bilderdijk aangetrokken, nu is hij, door kennismaking
met
Percy's ‘Reliques’, | | | | er geheel voor gewonnen, en het tweede deel der
‘Mengelpoëzy’ bestaat zelfs geheel uit
‘Vertellingen en Romances’, onder welken titel het
dan ook wel afzonderlijk is uitgegeven
1). Niet minder dan tien zijn er uit Percy's
bundel vertaald, terwijl er in de ‘Poëzy’ en de
‘Mengelingen’ ook nog enkele voorkomen. Verder is
‘De Kluizenaar’ eene vertaling naar
Goldsmith's ballade uit ‘The vicar of
Wakefield’. Eene enkele vertaling is naar het Duitsch (van
Gottorp), namelijk de vermakelijke vertelling ‘De
Vloek’, die de oude kwezel, tante Sibille, uitspreekt over het in
haar oog al te lichtzinnig verliefde Margreetje en waarvan het gevolg is, dat
inderdaad de zoo onvoorzichtig opgeroepen duivel verschijnt om Margreetje te
halen en door tante zelf naar haar nichtje verwezen wordt, wanneer hij eerst
bij vergissing bijna ‘de kwezel met boek en bril’ zelf had gepakt.
Maar niets ‘blijft ter wareld ooit verborgen, hoe diep verhuld: de
gansche stad was d'eigen morgen daarvan vervuld’. Het was evenwel
natuurlijk geen echte duivel geweest, maar de jonge Hildebrand. Hij had zijn
liefje geschaakt en wel op aanwijzing van tante zelf, die dus wel moet
toestemmen, wanneer hij veertig weken later haar komt verzoeken, peet te zijn
over Margreetjes zoontje. En in de stad? Daar lachten de jonge meisjes om het
geval, maar één was zoo openhartig om uit te roepen met gullen
mond: ‘och, kwam mij ook zoo'n duivel halen, ik ging terstond’. In
losheid van versbouw en verhaaltrant vindt deze geestige vertelling in onze
letterkunde schaars haar gelijke en als zoodanig mag men haar ook wel
oorspronkelijk noemen.
Ook niet vertaalde romances en vertellingen komen in dezen bundel
voor, zooals de ‘Katharina Herman’, waarvan
Bilderdijk aanvankelijk gedacht had ‘een
uitvoerig tafereeltjen van huwelijkstederheid’ te maken, maar die hij in
anderen geest voltooide, toen hij ‘het aandoenlijk Drama van den dichter
J.J. Vereul (‘Catharina
Herman’, 1793) over dat onderwerp ontfing, die dit werk op een
veel volkomener wijze, dan de Romance toeliet, had afgedaan’. Van zijn
kant had Mr. Jan Jacob Vereul († 1807) ook met
Bilderdijk gewedijverd door het schrijven van een even uitvoerig
verhaal als de ‘Elius’ was en ook in vierregeligen
strophenvorm, namelijk de
Reinoud van Adelfing in zeven zangen, Leeuw.
1792. 't Is, zooals de meeste romances, eene liefdesgeschiedenis (van | | | | Reinoud en Emma van Walstein), die heet voor te vallen in eene soort
van middeleeuwsche wereld, als van Bilderdijk's
‘Elius’ en andere romances uit dien tijd, maar
zooals er nooit eene werkelijk bestaan heeft
1).
De ‘Aristus en Ismeene’ van
Bilderdijk is, naar het mij voorkomt, een zeer
persoonlijk gedicht, dat misschien beter dan iets anders ons een blik geeft in
de nog half omsluierde tragedie van zijn eerste huwelijksleven, behoudens het
bloedig slot, dat zijne verbeelding er aan toevoegde. Aan de werkelijkheid
ontleend is ook het kleine juweeltje ‘Selima’, de
met bevallige aanschouwelijkheid vertelde geschiedenis van een in eene
goudvischkom verdronken poesje. ‘De Waarheid en
Ezopus’ (van 1798) is eene alleraardigste vertelling van de
Waarheid, die het menschelijk geslacht alleen wil hooren in den vorm der
Verdichting. Evenals ‘De Vloek’ levert zij het
bewijs, dat
Bilderdijk den vroolijk schertsenden toon
minstens evengoed wist te treffen, als dien der tederheid of der
geestvervoering.
Aan het Oosten ontleende Bilderdijk in 1805 nog eene
uitgebreide romance ‘Assenede’ (d.i. Asnath), de
door Arabische bijverdichtsels opgesierde geschiedenis van Potifar's bruid
(niet ‘echtgenoote’) en tevens zijne, hem als zoodanig niet
bekende, dochter, wier liefde (die reeds van vroeger tijd dagteekent) Jozef
eerst weerstaat, maar die hem ten slotte, wanneer hare afkomst door zijne
sterrenwichelkunst aan het licht is gebracht, door Farao ten huwelijk gegeven
wordt
2).
In de ‘Mengelingen’ komen een paar
romances voor, waarin eene geheel nieuwe stof door den dichter is aangegrepen,
namelijk de vaderlandsche geschiedenis, voor zoover daarin min of meer
romantische gebeurtenissen voorkwamen. Het eerst schreef hij, in 1803, zijn
‘Graaf Floris de Vierde’, door sommigen voor zijn
meesterwerk in deze dichtsoort gehouden en, wat den inhoud aangaat, ontleend
aan de meest romantische episode van
Stoke's
Rijmkroniek
3). | | | | Daarop volgde in
1804 ‘Arnold Beilaert’, het bekende verhaal van Allaert Beilinc's
grootmoedige trouw aan het eens gegeven woord tegenover de hardvochtigheid van
Jacoba van Beieren, maar eenigszins romantisch opgesierd, doordat Beilaert hier
van zijne voorwaardelijke vrijheid gebruik maakt om door een huwelijk de
toekomst zijner dochter te verzekeren
1). Eene andere vaderlandsche
romance, die Bilderdijk in 1805 maakte, ‘Robbert de
Vries’, in vijf zangen, ‘is geheel burlesk’, zooals de
dichter zegt, en in ‘een luchtig en schertsend oogenblik’ gemaakt,
ofschoon hij eigenlijk voor dezen dichttrant ‘nooit een voorkeur heeft
gehad’.
Veel later heeft Bilderdijk nog enkele vaderlandsche
romances gemaakt, namelijk in 1818 ‘De twee broeders voor Bommel’,
die, door het noodlot bestemd om in de vijandelijke gelederen elkaar te
bestrijden, door één en hetzelfde schot den dood vonden, in 1819
‘Radagijs, koning van Warmond’ in drie zangen, een verhaal uit het
rijk der verbeelding, in eene vroolijke bui gemaakt, en in 1821 ‘Het wiel
van Heusden’, gedicht ter verheerlijking van zijn, naar het heet, aan
Engelsche koningen verwant voorgeslacht. Het vertelt ons van den Engelschen
koning Ethelijn, die vier jaar had rondgezworven om zijne, hem door den heer
van Heusden ontschaakte, dochter Ada te zoeken en haar eindelijk (zonder
aanvankelijk door haar herkend te worden) in hare burcht bij het spinnewiel
terugvond, zich dan eerst op den schaker in een tweegevecht wilde wreken, maar
eindigde met zich te laten vermurwen en het huwelijk goed te keuren, en dan aan
het heerlijk geslacht van Heusden als wapenteeken het spinnewiel toe te kennen,
waarbij de koning zijne dochter aantrof, toen hij haar terugvond
2).
Bilderdijk zelf is met zijne romances altijd bijzonder
ingenomen geweest. Hij meende beter dan anderen in het karakter van deze
dichtsoort te zijn doorgedrongen en had dan ook reeds in 1793 in een klein
kunsttheoretisch gedichtje de vereischten er van aangeduid. Moeielijker, meende
hij, was het dan een goed epos of drama te schrijven, omdat dit kunstvak
‘geen woordenpraal’, maar ‘waar- | | | | heid’ vorderde, doch waarheid ‘zoo ze een dichter ziet’ en
‘schildring en gevoel bij d'eenvoud der vertelling’ eischt,
‘maar schildring, los van trek en vlak van koloriet’. Dat
Bilderdijk daarnaar ook steeds gestreefd heeft,
blijkt duidelijk; dat hij zijn doel altijd volkomen heeft bereikt, minder
duidelijk. In elk geval verschillen zijne romances in het oog vallend van de
middeleeuwsche balladen, die er toch in menig opzicht de modellen voor waren,
en dat verschil meen ik hoofdzakelijk hieraan te moeten toeschrijven, dat de
middeleeuwsche vervaardigd zijn om gezongen te worden en die van
Bilderdijk om te worden verteld of zelfs te worden voorgedragen. Zij
missen de muzikale bekoring van het lied, waarvan de noodzakelijkheid door
Bilderdijk niet gevoeld schijnt te zijn, omdat de eenige kunst, die
hem vreemd bleef, de muziek was.
Is Bilderdijk's liefde voor de romance juist in Engeland
bijzonder toegenomen, nog een ander bewijs is er voor den invloed van zijn
verblijf in Engeland op zijne poëzie. Te Londen maakte hij eerst nader
kennis met de gedichten van Ossian, waarvoor hij in zijn vaderland nog geene
belangstelling had getoond, maar die hij nu al spoedig zoozeer bewonderde, dat
hij ze achtereenvolgens ging vertalen. Behalve
‘Temora’ en een enkel kleiner gedicht bracht hij ze
alle in Nederlandsche alexandrijnen over. De kleinere verschenen, op een paar
na, in de bundels ‘Mengelpoëzy’,
‘Poëzy’ en
‘Mengelingen’, maar de vertaling van
‘Fingal in zes zangen’ gaf hij in 1805 afzonderlijk
in twee deelen uit.
Van de Kasteele, die hem vóór was
geweest, schijnt mij in het weergeven van de kleur dier Schotsche poëzie
niet door hem overtroffen te zijn, maar ‘van een oud dichter een redelijk
naauwkeurig denkbeeld in zijne vertaling te kunnen geven’, noemde hij ook
zelf ‘onmogelijk’. Hij kon dat te minder, omdat hij verklaarde,
‘Macphersons Engelsche uitgave niet dom te hebben willen
aankleven’, d.i. ook zijne eigene verbeelding te hebben gevolgd, want dat
zijne ‘navolgingen het voorrecht hadden naar het oorspronkelijke-zelf
bewerkt te zijn’, zooals hij zeide, was onwaar, omdat hij Ossian in het
Gaelisch toen nog niet heeft kunnen kennen. Door meer dergelijk schijnvertoon
van geleerdheid heeft hij zijne tijdgenooten gemakkelijker kunnen verblinden,
dan het critische nageslacht.
Had de romantiek Bilderdijk in Engelschen dichtvorm machtig
kunnen aangrijpen, zoodat hij voor onze jongere romantici nog in veel later
tijd een voorganger kon worden, in Duitschen vorm trok | | | | zij hem in
het geheel niet aan, en het is opmerkelijk, hoe weinig hij te Brunswijk uit het
Hoogduitsch heeft vertaald. Zelfs de groote Duitsche dichters minachtte hij,
met uitzondering alleen van
Lessing.
Daarentegen verleidde zijne ingenomenheid met de Engelsche romantiek
hem niet tot ontrouw aan de Classieken, en ook in de dichtbundels, die hij in
zijne ballingschap uitgaf, komt nog menige goede vertaling uit Latijn en
Grieksch voor. Ook uit andere talen bracht hij het een en ander over, o.a. uit
het Deensch van
Tullin in 1800 het beschrijvend gedicht
‘Lentemorgen’, waarvoor hij groote bewondering had.
Hij was er trouwens op uit, de litteratuur van zoovele volken, als mooglijk
was, te leeren kennen en in alle dichtsoorten iets vertaalds of oorspronkelijks
te leveren, ook om daarvan, zooals hij zeide, bij zijne lessen in de dichtkunde
gebruik te maken, maar toch wel bovenal, omdat hij in zijn persoon, wat
zeldzaam is, de aandrift om als dichter bijna werktuiglijk uit te storten, wat
er in zijn gemoed omging, paarde met de alleen schijnbaar zoo geheel
verschillende aandrift, om als kunstenaar alle moeielijkheden der techniek te
overwinnen en vorm te geven aan al wat hij zich voorstelde.
Daarom kon hij dan ook zoo gemakkelijk voldoen aan den wensch eener
vriendin, om voor haar het uitvoerige beschrijvend gedicht
‘L'homme des champs’ van
Délille te vertalen, niettegenstaande hij zelf geen
groot bewonderaar was van dezen meest gevierden dichter van het keizerrijk en
eigenlijk alleen met den derden zang van dit gedicht vrede had. Hij
veroorloofde zich daarom ook nu, zooals vroeger zoo dikwijls, het
oorspronkelijke met groote vrijheid over te brengen, en zoo kon het als een
verdienstelijk dichtwerk onder den titel
Het Buitenleven in 1803 het licht zien.
Nog een punt van belang valt bij de gedichten uit deze periode van
Bilderdijk's leven op te merken tegenover die van
vóór zijne uitwijking. Duidelijk blijkt namelijk uit die latere
gedichten, dat er in zijne ballingschap ten aanzien van den godsdienst eene
verandering met hem heeft plaats gegrepen. ‘Als kind en als jongeling was
hem’, naar zijne eigene woorden, ‘het Christendom altijd
problematicq’ gebleven, maar aan het lezen van den bijbel en de werken
van
Cats schreef hij in 1806 toe, dat hij geleerd had
‘d'oorsprong van het kwaad, volslagen wilsbederf te erkennen, schuld en
straf gelijk een wettig erf’ te beschouwen, ‘genade en zoen als
vrucht | | | | van 't perkloos mededogen eens Heilands, die om hem de
vrouwenborst gezogen, om hem het leven beide en sterven op deze aard geleden
had.’ Zoo was hij dan Calvinistisch protestant geworden, althans
voorzoover een wijsgeerig en zelfstandig denkend man, als hij, op alle punten
rechtzinnig in de leer kon zijn.
Toch is die overtuiging eerst eene levende kracht in hem geworden
tijdens zijne ballingschap en misschien het meest in den tijd zijner worsteling
met zich zelf, toen hij het ‘volslagen wilsbederf’, waarop ook het
Calvinistisch geloof berust, bij eigen ervaring had leeren kennen, en hij, om
zijn zelfvertrouwen te kunnen behouden, eene (mystieke) werking van God in zijn
hart moest leeren gevoelen. Voor de zondigheid zijner natuur zag hij toen geen
ander heil meer, dan in Gods genade door den zoendood van den goddelijken
Heiland; en geene menschelijke wijsbegeerte, hoe vernuftig ook, kon hem toen
meer voldoen, zelfs niet die van Kant, die voor velen in dien tijd de oplossing
van het wereldraadsel had gebracht en waarvan men hem door misverstand ook een
aanhanger noemde, evenals zijn vriend
Kinker dat inderdaad was. Daartegen echter kwam
hij in 1803 op door te zeggen: ‘schoon ik geen
Kant met een
Fichte verwarre’ (Fichte bleef voor hem ook later
altijd de baarlijke duivel), ‘schoon ik Kant geene gevoelens toeschrijve,
die (mits wel verstaan zijnde) een Christen niet zou kunnen aannemen, schoon
zelfs het destructief gedeelte in zijn systema bij mij groote
verdiensten heeft (‘van het adstructieve’, zeide hij
terecht, ‘wacht ik mij wel, hetzelfde te zeggen’), zoo min ben ik
Kantiaan of genegen, hem als den vader der nieuwe wijsbegeerte een hulde te
bewijzen, die hy mooglijk niet dan aan de verwarring van denkbeelden in deze
inderdaad onwijsgeerige dagen te danken heeft’. Hij erkende, zooals hij
zeide, ‘slechts eenen onbedrieglijken Leermeester’ en dat was de
Godheid, die hij geloofde, dat zich aan en in hem openbaarde, daar hij zich ten
aanzien van God in alles alleen maaksel, in geen enkel opzicht zelf schepper
gevoelde, zooals hij toch bovendien ook, en zelfs meer dan iemand anders, was.
Van vele zijner dichterlijke scheppingen was dat levend geloof reeds in dien
tijd de ziel geworden, en waar het niet bepaald op den voorgrond treedt, heeft
het toch meestal eenigen invloed geoefend, zij het dan ook middellijk, bij
zijne opvatting van zedelijkheid, staatsrecht en geschiedenis, ja zelfs ook bij
zijne dicht- en taalbeschouwing.
In Duitschland heeft
Bilderdijk nooit kunnen aarden. Zelfs | | | | op den langen duur kon hij zich nog niet gewennen aan de Duitschers en
hunne wijze van leven. Daarvan getuigen ook zijne gedichten, b.v.
‘De Nachtmeer en de dekbedden’ en ‘De
Duitsche kachels’, beide van 1805, op eene grappige manier.
Reikhalzend zag hij daarom uit naar eene gelegenheid om naar zijn vaderland
terug te keeren, vooral toen de Prins hem van zijn eed had ontslagen, de woeste
omwentelingsstormen voorbij waren, het verbanningsbevel krachteloos geworden en
in de Republiek een altijd door hem voorgestaan eenhoofdig gezag (zij het dan
ook niet van een Oranje) gevestigd was. Hij moest echter in zijn vaderland een
redelijk bestaan kunnen vinden, en hoogst welkom was hem daarom de mededeeling,
dat vrienden en bewonderaars op aansporen van
Jeronimo de Vries zich verbonden hadden,
gedurende drie jaar te zullen bijdragen aan eene goede bezoldiging, die hij als
lector in de Nederduitsche taal, welsprekendheid en dichtkunst (desnoods als
sinecure) zou genieten.
Terstond vertrok hij van Brunswijk naar
Hamburg, waar hij scheep ging. Aan boord van het tjalkschip
‘De Hoop’ schreef hij vier ‘Dichtstukjens op
zee’, die van zijne verrukking over zijne terugkomst in het
vaderland getuigen. Op het eind van Maart 1806 mocht hij, schoon ‘met
strammen voet Hollands vasten wal betreden’. Hartelijk werd hij door oude
en nieuwe vrienden, en ook door den raadpensionaris Schimmelpenninck,
ontvangen, en weldra had hij zich te Leiden op de Hoogewoerd
gevestigd.
|
1)Voor Bilderdijk in zijne ballingschap van
1795 tot 1806 zie men, behalve de algemeene litteratuur over hem, boven bl. 67
opgegeven, de door hem zelf in 1821 in druk bezorgde Echte stukken
betreffende de uitzetting van Mr. Willem Bilderdijk in Maart 1795 en over
het al of niet vrijwillige zijner ballingschap in verband tot
‘Bilderdijk's maatschappelijke loopbaan tot 1795’ A. Kluyver in
‘Verslagen en Mededeel, der Kon. Akad. van Wetenschappen, Af d. Lett. V.
R. III (1918) bl. 394-425.
1)Voor Bilderdijk's betrekking tot zijne
beide vrouwen, zijn echtscheidingsproces en de valsche scheidingsakte zie men
J.F.M. Sterk in ‘Van onzen tijd’, 1906, R.A. Kollewijn in
‘Groot Nederland’ van Jan. 1908 en vooral de voordracht van J.F.M.
Sterck, Bilderdijk na zijne uitwijking in 1795, Haarlem 1913. Daarvoor
zijn nog meer bronnen gebruikt, dan men vindt in ‘ Mr. W. Bilderdijk's
eerste huwelijk naar zijne briefwisseling met vrouw en dochter (1784-1807),
meegedeeld door zijn aangehuwden kleinzoon J.C. ten Brummeler Andriesse (en
uitg. door J. van Vloten), Leiden 1873.
1)Voor dit verblijf zijn nog van belang de
uittreksels uit‘ Brieven van Willem Bilderdijk aan Johannes
Kinker’, meegedeeld door F.D.K. Bosch in Oud Holland XXXII (1914), bl.
89-104, 147-166.
1)Voor Bilderdijk's romances zie men A.
Zijderveld, De Romancepoëzie in Noord-Nederland van 1780 tot
1830, Amst. 1915, bl. 101-203.
1)Zijne stof ontleende de dichter aan het
verhaal ‘Het Ridderwoord’ in ‘Vaderlandsche Bibl. van
Wetenschap en Kunst’, IV (Amst. 1792). De stof van zijn ‘Catharina
Herman’ had Vereul in Kok's Vad. Woordenboek gevonden.
2)Tot Bilderdijk's bronnen voor de wijziging
van dit zoo geheel veranderd bijbelverhaal behoort ongetwijfeld
‘Aseneitha, eene Oostersche vertelling’ van Jung Stilling in
vertaling opgenomen in ‘Nieuwe Vaderlandsche Bibl. van Wetenschappen,
Kunst en Smaak’, I (1797) bl. 82 vlgg., 133 vlgg.
3)Stoke's Rijmkroniek III 609-690.
1)Voor de ‘Arnold Beilaert’ zie men
ook Juliette A. Binger, Albrecht Beylinc in de geschiedenis en in de
litteratuur, Amst. 1917, bl. 60-71.
2)Het verhaal van ‘Boudewijn van
Heusden’ is niet door Bilderdijk verdicht, maar slechts opgesierd. Hij
had het elders kunnen vinden, bv. bij Simon van Leeuwen, Batavia
illustrata, 's-Grav. 1685 bl. 983, waar de Engelsche koning Ardumandus heet
en zijne dochter Sophia, en het huwelijk in 't jaar 870 gesteld
wordt.
|
|