|
|
|
| |
XX. Het tooneelrepertoire.
In deze geheele periode bleef het zangspel of blijspel met zang en
dans nog altijd in eere, nadat het publiek er door Neyts en zijne
echtgenoote voor gewonnen was. Toen deze naar Haarlem vertrokken was, waar hij
in 1779 aan de Dreef den eersten Haarlemschen schouwburg bouwde, die eerst in
1845 door een anderen werd vervangen, waren Bartholomeus Ruloffs en
Pieter Pijpers voor | | | | deze soort van dramatische kunst te
Amsterdam opgekomen en hadden in een heftigen strijd, die er tegen gevoerd
werd, de overwinning bevochten.
1). Toen
Ruloffs in 1792 zijn (reeds vóór
hem door drie anderen vertaald) zangspel
De Kuiper naar ‘Le Tonnelier’ van
Audinot ten tooneele bracht en uitgaf, was hij er fier op, in zijne opdracht
aan de ‘Geachte zangspelbeminnaaren’ te kunnen zeggen:
‘Zemire en Azor wierd bij de eerste vertooning (in 1783) dertien
maalen achtereen met een gepropten schouwburg vertoond.’ Dit stukje van
Marmontel was toen, na Neytz, ook door Pijpers vertaald en
bleef lang zeer geliefd, en telkens weder werden sinds dien tijd te Amsterdam
de aardige stukjes van Favart, Sédaine, Anseaume en Marmontel vertoond.
Het wat sentimenteele en idyllische bekoorde het publiek, dat ook reeds op
zichzelf in zang en dans veel behagen schepte. Zelfs grootere opera's
2) werden soms
uitgevoerd, bv. Schikaneder's ‘Zauberflöte’ (van 1791),
waarvan Mozart's muziek het publiek in verrukking bracht, maar de zeer slecht
begrepen en (in 1799 door Jan Coenraad Meyer) vertaalde allegorische
tekst door de critiek
3)
voor onzin en dwaasheid werd uitgemaakt. Tegen het begin van de nieuwe eeuw
kwamen er ook andere Duitsche opera's en zangspelen bij, van welke geen zooveel
publiek trok, als ‘Das Donauweibchen’ van K.F. Hensler (muziek van
Ferdinand Cauer, 1795), in 1803 door Arend Fokke Simonsz als
‘Het vrouwtje van den Donau of de koningin der spooknymphen’
vertaald.
Even geliefd als deze zangspelen werden ook meer en meer de
balletpantomimes
4). Iets nieuws
waren zij toen wel allerminst, maar er werd voortdurend meer werk van gemaakt
en componisten van naam en blijvende beteekenis vervaardigden er de muziek
voor, zooals Cherubini en Glück en zelfs niemand minder dan Beethoven,
b.v. voor ‘Die Geschöpfe des Prometheus’ (in 1800). Ook
daarin | | | | toonde Bartholomeus Ruloffs, die sinds 1773 tot
zijn dood (13 Mei 1801) de werkzame orkestmeester van den Amsterdamschen
schouwburg was, zich eene groote kracht, en naast hem de balletmeesters B. le
Roy, J. Rochefort en P. Greive, die, in wedijver met R.C. van Goens,
ook zelf balletten samenstelden of opnieuw aan Fransche en Italiaansche
voorgangers ontleenden.
Nauw verwant met het ballet was het zinnespel, dat ook veel te zien
gaf, maar tevens gelegenheid bood, zich in treffende versvoordracht te
verlustigen. Reeds eenige van die zinnespelen, bij feestelijke gelegenheden
uitgevoerd, hebben wij vermeld. Ook de meest gevierde dichters als
Kinker en
Loots schreven er verzen voor. Voor een van de
beste zinnespelen, althans wat vinding en kunstige samenstelling aangaat,
ofschoon de verzen wat stroef en ouderwetsch klonken, werd in dien tijd zelf
Het feest van Apollo gehouden, door
Uylenbroek in 1799 vervaardigd om er het
kwarteeuwfeest van den schouwburg op het Leidsche plein mee te vieren.
Toen - om nog één zinnespel te vermelden - 31 Oct.
1805 de geheele kunstwereld zich beijverde om een ander kwarteeuwfeest,
namelijk dat van Mevr. Ziesenis-Wattier's optreden in den Amsterdamschen
schouwburg, tot eene schitterende nationale hulde te maken, dichtte
Johannes Kinker, die als dichter van
zinnespelen zijne sporen reeds verdiend had, zijn allegorisch spel
De vereeniging van net verhevene met het schoone,
waarin Mevr. Ziesenis-Wattier als de Amsterdamsche Stedemaagd optrad.
Kinker verscheen toen ook ten tooneele om te harer eere een lierzang
voor te dragen en haar met lauweren te bekransen
1), die zij
ook weer dienzelfden avond ruimschoots verdiend had met hare verrukkelijke
uitbeelding van Cleopatra in Corneille's ‘Rodogune’.
Door zangspel, zinnespel en pantomime werd al meer en meer de
oudhollandsche klucht verdrongen, en dat dit slechts allengs gebeurde en er in
het laatste kwart der achttiende eeuw toch nog verscheidene oude kluchten en
blijspelen (in 't bijzonder van Langendijk) vertoond werden, was te danken aan
het volk, dat aan die stukjes gehecht was, terwijl de zoogenaamde ‘beau
monde’, het beschaafde, doch juist niet geletterde publiek, zangspel en
pantomime verkoos. Uit de kunstkringen werd bovendien menige aan- | | | | val op de oudhollandsche klucht gedaan, omdat hunne kieschkeurigheid met
de platte taal geen genoegen kon nemen.
Dat kon zelfs de geleerde Arnhemsche oudheidkundige
Gerard van Hasselt niet, die in 1780 eene
merkwaardige studie schreef
Over de eerste vaderlandsche klugtspelen, waarin
hij het kernachtig en natuurlijk taalgebruik der goede kluchtspelschrijvers
prees en aantoonde, hoeveel er voor het nageslacht uit hunne stukken te leeren
viel om de zeden en gewoonten, het geheele maatschappelijk leven van de
zeventiende eeuw te kennen, maar waarin hij niet minder krachtig betoogde, dat
zijn eigen tijd in beschaving veel vooruit was gegaan en nu terecht de ruwheid
van het verleden niet meer kon verdragen. Had men in wat moderner trant met
evenveel natuurlijk vernuft, maar in minder ruwe taal, er even levendige
tafereeltjes uit het volksleven voor in de plaats kunnen of willen geven, dan
zou Van Hasselt voldaan geweest zijn, want hij behoorde niet tot
degenen, die den vroolijken zot eenvoudig in een hoek wilden zetten en hem
alleen konden dulden, als hij in dienst trad van de verlichting en oude
denkbeelden of toestanden op vermakelijke wijze hekelde. Alleen wanneer hij dat
deed, werd hij ook door een deel der beschaafden toegejuicht.
Daaraan had dan ook bij ons, evenals in zijn eigen vaderland,
Beaumarchais zijn opgang te danken
1). Zijn eerste stuk,
‘Eugénie’, (van 1767) behoorde nog tot de
‘comédie larmoyante’ en werd ook bij ons in 1776 vertaald en
meermalen, ook nog later, vertoond; maar aan ‘Le barbier de
Séville ou la précaution inutile’ (te Parijs voor
het eerst in 1775 vertoond) dankte hij toch vooral den grooten naam, dien hij
zich voor goed heeft verworven, en daarin trof hij met luchtigen spot allerlei
verkeerdheden van het ‘ancien régime’, schoon in
zóó gematigden vorm, dat wij nu eenige moeite hebben zijne toen
treffende schimpscheuten als zoodanig te herkennen. In 1781, en nog eens in
1792 bij ons vertaald, behoorde het stuk, zoowel op den Amsterdamschen, als op
den Rotterdamschen schouwburg, tot de tooneelstukken, die publiek trokken. In
1786 volgde daarop ook de vertaling van ‘La folle journée
ou le mariage de Figaro’ (te Parijs het eerst in 1784 vertoond),
waarmee Beaumarchais een vervolg op zijn ‘Barbier’ gaf, dat zijn
roem staande hield; | | | | maar ofschoon hij dien in 1791 niet kon
handhaven met een ander vervolg, ‘La mère coupable’, waarin
Figaro nog eens weer optreedt, maar de oude niet meer is, vond toch ook dat
stuk onder den titel ‘De tweede Tartuffe of de schuldige moeder’ in
1797 bij ons een vertolker in
R.C. van Goens.
Toch was in de laatste twintig jaar van de achttiende eeuw voor een
groot deel van het publiek, dat op letterkundige beschaving aanspraak maakte,
de overdreven gevoelsman met zijne edelmoedig-heidstranen nog de ware
tooneelheld, en bleven de tranenrijke tooneelstukken en burgerlijke treurspelen
het tooneel beheerschen. De stukken van Mercier bleven nog jaren lang veel
publiek trekken, maar er kwamen ook nieuwe in verzen of proza bij, zooals van
Lamartelière, Monvel, Pineux Duval en Pelletier Volméranges.
Vooral Pieter Pijpers
1) (geb. 1749 † 1805) was het, die met vertalingen in
verzen van dergelijke nieuwe Fransche stukken aan den smaak van het publiek
voldeed. Veel bijval b.v. vond van hem ‘De Malabaarsche weduwe’
(van 1789), eene derde vertaling van ‘La veuve de Malabar’ (1770)
van A.M. Lemierre, van wien vroeger reeds meer stukken in vertaling ten
tooneele waren gebracht. Grooten opgang maakte ook zijne vertaling van twee
uiterst sentimenteele stukken van Baculard d'Arnaud, ‘De Graaf van
Comminge of de ongelukkige gelieven’, in 1788, en ‘Euphemia of de
zegepraalende godsdienst’, in 1793 door hem in het Nederlandsch
overgebracht en in zijne vertaling dikwijls vertoond, wat niet gebeurd was met
de gebrekkige vertalingen, er reeds in 1773 en 1769 van geleverd door den
emeritus-predikant van Maastricht, Johannes van Dijk. Van
Pijper's beide bewerkingen werd door hem de ‘Euphemia’ met
een vierregelig versje ‘toegeheiligd aan Neerlands puikdichter Rhijnvis
Feith’, die al vroeger getoond had, een groot bewonderaar van Baculard
d'Arnaud te zijn.
Pijpers beproefde zijne krachten ook aan oorspronkelijke
treurspelen, van welke hij echter zijne eerstelingen verwierp, toen hij in 1794
zijn Neptha, koningin van Egypte, uitgaf, waarmee een verhaal van
Plutarchus gedramatiseerd is, maar onder andere namen. Nephta toch heet
oorspronkelijk Camma, en onder dien naam was | | | | zij ook reeds de
heldin geworden van een treurspel van Thomas Corneille, dat bij ons in 1721
door Jacob Clyburg en in 1722 door Frans Rijk was
vertaald.
Later had F.B. Hoffman, bij ons bekend door de vertalingen, die
P.G. Witsen Geysbeek (maker en vertaler van tal
van gelegenheidsstukjes) in 1795 en 1798 van zijne ‘Alexandrine en
Linval’ en zijne ‘Euphrosine’ gaf, er
eene Fransche opera van gemaakt, waarin de geschiedenis van Galatië naar
Egypte is overgebracht en de personen min of meer Egyptische namen gekregen
hebben. Camma werd in Neptha en haar schoonbroeder Sinorix in Phares
verdoopt.
Pijpers nu heeft van Hoffman die namen en verder ook enkele
gedeelten der opera in vrije vertaling overgenomen, maar overigens van het
verhaal een oorspronkelijk treurspel in verzen gemaakt. Daarin wordt ons
vertoond, hoe Nephta, wanneer zij ontdekt heeft, dat haar schoonbroeder Phares
haar echtgenoot, den Egyptischen koning Sethos, vermoord had om in zijne plaats
te heerschen, en het nu ook op het leven van haar zoontje Olintes toelegt,
zijne plannen verijdelt door bij een schijnhuwelijk, dat zij met hem sluit, hem
vergif te laten drinken uit dezelfde kelk, waaruit ook zij zich den dood
indrinkt, zoodat zij, ten koste van haar leven, gerechte wraak op den
moordenaar van Sethos neemt en daarmee tegelijk het leven redt van haar
zoontje, den wettigen koning.
Opmerkelijk in den bouw van het stuk is het groot aantal koorzangen
van staatjonkvrouwen, legerhoofden, priesters en priesteressen, niet alleen aan
het eind der vijf bedrijven, maar ook in het midden. Daar het treurspel de
omwerking van eene opera is, kunnen wij begrijpen, dat Pijpers, die op
zichzelf reeds een sterk voorstander van zang en zangspelen was, tot het
invoeren van zoovele koren in een treurspel als van zelf gekomen is, maar
vertalingen uit zijn Fransch voorbeeld zijn het niet; de versmaat is ook
anders, en daarom kon dan ook de Fransche muziek voor deze reizangen niet
worden gebruikt en heeft 's dichters vriend Ruloffs er geheel nieuwe
muziek voor gecomponeerd. Invloed der reien van Vondel's treurspelen schijnt
hier gewerkt te hebben, maar ook op het voorbeeld van
Van Merken's ‘Gelonide’ wijst
de dichter, en op het Grieksche treurspel, waarmee hij bijzonder was ingenomen,
zoodat hij zelfs dit het ‘axioma of grondbeginsel’ zijner kunst
noemde, ‘dat de voorbeelden van het waare tooneelschoone by de Grieksche
tooneeldichteren te vinden zyn, en dat gevolglyk andere tooneelstuk- | | | | ken gebrekkiger worden, naar evenredigheid zy verder afwyken van de
voorbeelden, ons door de groote vernuften der oudheid
voorgeschreven’.
Hij zegt dat uitdrukkelijk naar aanleiding van de nieuwere
Hoogduitsche tooneelstukken, die in zijn oog ‘niets anders met het
tooneelmaatige gemeen hadden, dan de samenspraak der personaadjen en eene, zeer
zeldzaam ons nuttige, zedeleer’, en waarin op ‘langwylige en
gegeeuwverwekkende’ wijze, ‘zonder verband met de hoofddaad des
tooneelstuks geleeraard werd’. Hij kon daarom ook niet begrijpen,
‘hoe het mogelyk was, dat in zulk een korten tyd zelfs de wanstaltigste
Hoogduitsche voortbrengsels de pronkjuweelen der oudheid en de meesterstukken
der Franschen en Nederlanderen geheel en al schenen te willen wegdringen’
1).
Zoo scheen het inderdaad sinds 1790 ongeveer. Vóór
dien tijd waren de Duitsche stukken, hoewel niet verwaarloosd en reeds in groot
aantal vertaald, toch op het tooneel nog ver in de minderheid gebleven, zoodat
zelfs
P.J. Kasteleyn
2) (†
1794), die er verscheidene van in verzen vertaalde, moeite had gehad er eenigen
ingang aan te verschaffen en er zeker niet altijd genoegen van had beleefd. Zoo
viel b.v. zijn, uit het Hoogduitsch van
A.G. Hartmann vertaald, tooneelstuk
‘Dormont en Julia of de beloonde huwelijksliefde’ in
Januari 1780, omdat Carel Passé de rol van Dormont opzettelijk slecht
had gespeeld, in tegenstelling tot Wilhelmina Seyms, die voortreffelijk voor
Julia speelde. Kasteleyn wreekte zich toen door de uitgave van een
hekelspel ‘De Schouwburg of Loon naar werk’. Eerst
met
August von Kotzebue veroverden de Duitsche stukken,
omstreeks 1790, stormenderhand de | | | | grootste plaats op het
repertoire, waarmee tevens het proza in den Schouwburg de overhand had
verkregen op de poëzie
1).
Het eerste stuk, dat bij ons van hem (in 1792) gespeeld schijnt te
zijn, was ‘Die Indianen in England’, in 1790
geschreven, en meer dan eens vertaald. Van hetzelfde jaar dagteekent de
vertaling en opvoering van het meest bekende zijner stukken,
‘Menschenhasz und Reue’ (geschreven in 1789), als
‘Menschenhaat en Berouw’. Het volgende jaar werd
zijn eerste (van 1784 dagteekenend) tooneelspel ‘Der Eremit auf
Formentera’ en zijn zeer geliefd stuk ‘Das Kind der
Liebe’ (1790) als ‘De onechte zoon’ in
het Nederlandsch overgebracht. Later maakten vooral opgang
‘Armoede en Grootheid’, in 1795 door
Cornelis Loots naar zijn ‘Armuth und
Edelsinn’ vertaald, ‘Die Spanier in Peru oder
Rolla's Tod’, in 1796 terstond na het verschijnen vertaald als
‘De Spanjaarden in Peru of de dood van Rolla’, en
‘Die deutschen Kleinstädter’ (van 1803), door
Arend Fokke Simonsz in 1805 als ‘De
kleine stad in Duitschland’ bij ons overgebracht.
Ik noemde hier slechts de allerbekendste van Kotzebue's bij ons
bewonderde stukken; maar hoe populair hij hier geweest is, zal men eerst recht
begrijpen, wanneer men weet, dat tusschen 1790 en 1813 van hem in onze taal het
verbijsterend aantal van honderd twintig stukken overgebracht en voor het
meerendeel ook vertoond is.
Die buitengewone opgang is gemakkelijk te verklaren. Zijne stukken
voldeden aan de dubbele behoefte van het publiek om te lachen en geroerd te
worden. Zij vertoonden in duidelijken vorm ‘des werelds ijdelheid’
en waren er op berekend den lachenden Demokriet en den schreienden Herakliet,
die in de meeste toeschouwers samen belichaamd zijn, bij afwisseling in
beroering te brengen. Toch zou Kotzebue zich niet in zoo hooge mate de
volksgunst verworven hebben, wanneer de door hem gekozen zedelijke onderwerpen
niet volkomen in overeenstemming geweest waren met hetgeen de jongere menschen
toen gaarne gevoelden en als | | | | waar aannamen. Hij bestreed in zijne
meeste stukken met spot en ernst de uit een wat vroeger en tijd overgeleverde
en nog heerschende vooroordeelen of wat bij overdrijving gemakkelijk daarvan
den schijn kon krijgen. Voor bekrompen kleinburgerlijke opvattingen had hij
weinig eerbied. Hij maakte ze belachelijk, terwijl hij tegelijk medelijden
wekte met de slachtoffers eener eenzijdige veroordeeling door de onbarmhartige
publieke opinie. In zijne meeste stukken wilde hij doen zien, dat eene enkele
onzedelijke daad zeer goed kan bedreven worden door een mensch met een goed
hart, zelfs met een edel gemoed, en dat een onverbiddelijk zedelijk doodvonnis
niet zelden wordt uitgesproken over wie als mensch in zijn geheel hooger staat,
dan het bekrompen publiek, waardoor hij gevoel- en gedachteloos veroordeeld
werd.
Bij sentimenteel gestemde of met de maatschappelijke toestanden
ontevreden gemoederen vond hij daarmee grooten bijval, terwijl anderen
daarentegen beweerden, dat hij de onzedelijkheid bevorderde door de zonde meer
als eene zwakheid te verontschuldigen, dan als een kwaad te bestrijden, en door
medelijden niet alleen, maar zelfs bewondering af te dwingen voor personen, die
juist die deugden misten, welke de meeste bewondering verdienen, namelijk
karaktervastheid en zelfbeheersching. Dat Eulalia in ‘Menschenhaat
en Berouw’ zich door een officier liet verleiden haar
voortreffelijken echtgenoot en lieve kinderen te verlaten, was meer dan
verschoonbare zwakheid, al had Von Meinau, haar bedrogen echtgenoot, verstandig
genoeg moeten zijn, om daardoor geen ‘menschenhater’ te worden. Dat
Eulalia, op hare beurt weer verlaten, diep ‘berouw’ heeft en in
dienstbetrekking een toonbeeld van zorgvuldige plichtsbetrachting wordt, was
prijzenswaardig, maar meer ook niet; en dat haar echtgenoot, daardoor
getroffen, haar vergeeft en weer tot zich neemt, was mot het oog op hunne
kinderen misschien gelukkig, maar zeker geene voldoende reden om dien
echtgenoot voor te stellen als de verpersoonlijkte ziele-grootheid en
edelmoedigheid. Dat Kotzebue het groote publiek voor dezen menschenhater, ja
zelfs voor de berouwvolle Eulalia een soort van bewondering inboezemde, namen
anderen hem met recht kwalijk.
Daar een weinig overdrijving op het tooneel onmisbaar is, kwam
Kotzebue er van zelf toe, op de edele zijde der zondaars en zondaressen een
zóó helder licht te werpen, dat op menschen met | | | | wereldkennis en levenservaring zijne helden den indruk van
onbestaanbare wezens moesten maken. Inderdaad is dan ook zijne karakterstudie
uiterst oppervlakkig en is de samenstelling zijner stukken ook al zeer weinig
origineel, de verwikkeling er in al zeer doorzichtig en alledaagsch, zooals
trouwens wel het geval moest zijn bij een tooneelschrijver van zoo
verbazingwekkende vruchtbaarheid als Kotzebue was, die meer dan tweehonderd
stukken aan het tooneel leverde. Het pathos, waarmee zijne helden spreken en
dat in algemeen verstaanbaar vernuft eene aangename afwisseling vindt, behaagt
evenwel te allen tijde aan het groote publiek, wanneer het vertolkt wat dat
groote publiek gevoelt, en aan
Kotzebue mag de verdienste niet ontzegd worden, als bij
instinkt te hebben begrepen, welke aandoeningen de toeschouwers in zijn tijd
het liefst gevoelden. Dat verklaart zoowel den tijdelijken opgang van zijn
tooneelarbeid, als de, later mode geworden, geringschatting, waarmee ook reeds
terstond verscheidene kunstrechters, hier en in Duitschland, zijne stukken
begroetten, b.v.
Feith, die in 1796 (in zijne
‘Bydragen’) met instemming eene uitvoerig
gemotiveerde veroordeeling er van vertaalde uit ‘Die Reise nach
Braunschweig’ (1792) van den tooneelcriticus A.F.F.L. von Knigge.
Een mededinger, maar geen overwinnaar, vond Kotzebue al spoedig in
August Wilhelm Iffland, van wiens vijftig even
sentimenteel-pathetische, maar in ethisch opzicht minder bedenkelijke,
familietafereelen tusschen 1790 en 1813 niet minder dan dertig bij ons zijn
vertaald, o.a. in 1798 ‘De Jagers’, in 1799 het bijzonder geliefde
roerstuk ‘De speler of revenge-Praag’ en in 1805
(door
Witsen Geysbeek) ‘Das Vaterhaus’ als
‘Het Vaderlijk huis’ (verkeerd voor ‘het ouderlijk
huis’). Ook van veel hooger staande Duitsche tooneelschrijvers werden bij
ons de stukken vertaald en voor een deel ook vertoond, zooals bij herhaling
Lessing's ‘Emilia Galotti’,
Goethe's ‘Clavigo’, ‘Stella’ en
‘Egmond’, en
Schiller's ‘Räuber’ en ‘Kabale und
Liebe’, maar in populariteit konden zij met die van Kotzebue en Iffland
niet wedijveren. Zij werden dan ook meest in erbarmelijk slechte vertalingen
bij ons ten tooneele gebracht.
Alleen
Kinker had eerbied genoeg voor Schiller om in
1807 zijn ‘Maria Stuart’ en ‘De Maagd van Orleans’ in
de versmaat van het oorspronkelijke, rijmlooze vijfvoetige iamben, te vertalen
en uit te geven met eene belangwekkende voorrede, waarin hij | | | | betoogde, dat niemand een goed kunstrechter kan zijn, ook van
dramatischen arbeid, wanneer hij stukken van geheel verschillende
kunstrichting, b.v. treurspelen van Shakespeare en Schiller, beoordeelt naar de
eischen, die voor het Fransch-classieke treurspel worden gesteld, en omgekeerd,
en niet naar het eigen, opzettelijk bedoeld karakter dier ‘tragische
tooneelstukken’, zooals hij ze in tegenstelling tot de classieke
treurspelen noemt.
Marten Westerman achtte
Schiller's ‘Don Carlos’ wel ‘een
meesterstuk’, maar alleen als lectuur, doch, zoowel wegens de lengte als
om hetgeen hij de ‘onregelmatige schikking’ noemde, ‘geheel
ongeschikt voor het tooneel’, waarom hij het in 1800 zoodanig omwerkte,
dat het er zijns inziens geschikt voor werd.
Overigens namen de toongevende letterkundigen die stukken niet in
bescherming, en
Bilderdijk, die toch reeds alles wat Duitsch
was verfoeide, was over Schiller in het geheel niet te spreken. Hij noemde hem
‘woest en onhebbelijk’ en ‘een dweeper, wiens beste werk hem
een plaats in het dolhuis verdienen zou’. Hem ‘walgde Schiller's
drekhoop bij 't goud van Sofokles’, zooals hij met niet weinig
overdrijving zeide
1); maar toen
Helmers daarop nader inging en verklaarde niet
te kunnen begrijpen, ‘hoe het mogelijk was, een genie als Schiller
zoodanig te smalen en te miskennen’, moest hij bekennen van Schiller
eigenlijk niets anders dan ‘Die Räuber’ te hebben gelezen, en
over de waarde van dat stuk waren de Nederlandsche kunstrechters het toen wel
eens. Zij vonden het een monster of, zooals de krachtterm later zou luiden,
‘een draak’.
Zelfs het groote publiek werd er maar weinig door aangetrokken, maar
wel juichte het een stuk als ‘Robert of de
struikrovers’ toe, dat
Witsen Geysbeek in 1796 had vertaald uit
‘Robert, chef de Brigands’, waarmee
Lamartelière ip 1786 het stuk van Schiller zeer
vrij had verfranscht. Nog veel meer opgang bij het groote publiek maakte een
ander rooverspel, dat zeker onder den invloed van Schiller's eerste treurspel
ontstaan is in 1793, toen niet Kotzebue (aan wien het dikwijls is
toegeschreven), maar veeleer Heinrich Zschokke het schreef, en dat in 1796 bij
ons het eerst | | | | is vertoond onder den titel ‘Aballino of
de groote bandiet’
1), met Samuel Cruys in de titelrol, waarin hij ook door
Hodges is afgebeeld. De gunst van het publiek dankte het misschien het meest
aan het feit, dat de groote bandiet hier geen echte, maar een schijn-bandiet
was en inderdaad de edelman Flodoardo, wiens bravoer-ontmomming op het einde
bij de herhaalde opvoeringen van het stuk wel geene verrassing meer kon
blijven, maar toch altijd nog denzelfden indruk bleef maken op het in ademlooze
spanning gebrachte publiek.
Dat zulk een stuk de goedkeuring der eigenlijke letterkundigen niet
wegdroeg, komt meer dan eens uit, maar toch wisten ook deze zich over het
algemeen niet zoover boven het gros der beschaafde toeschouwers te verheffen,
dat zij ook de vele zedepreekende tooneelstukken of de maatschappelijke en
staatkundige strekkingskunst als zoodanig afkeurden, want voor de nieuwe
denkbeelden, die daarin ten tooneele werden gebracht, ijverden ook zij.
Intusschen moet men niet meenen, dat al deze stukken in modernen
trant in staat waren geweest, het Fransch-classieke treurspel geheel van het
Amsterdamsche tooneel te dringen. Op het Rotterdamsche repertoire van Andries
Snoek in 1792-93 en 1795 kwamen er weliswaar nog maar enkele voor, doch toen
Snoek in het laatste jaar zich aan den Amsterdamschen schouwburg verbond, was
hij wel gedwongen, de traditie, die daar nog was blijven heerschen, te volgen
en zelf in de hoofdrollen van Fransch-classieke stukken op te treden. Wat meer
zegt, het was juist daaraan, dat hij zijn grooten roem als tooneelspeler
verschuldigd is, evenals Mevr. Ziesenis-Wattier als eerste tooneelspeelster van
ons land. Schoon overtuigde leerlingen van Corver, hebben zij te Amsterdam den
tijd van Punt en Duim daardoor doen herleven.
Natuurlijk was het
Voltaire, wiens stukken bij voorkeur werden vertoond;
maar ook verscheidene van
Corneille en
Racine kwamen opnieuw in trek, en eenige nieuwere, die
in denzelfden trant in Frankrijk waren gedicht, want sinds het begin van de
negentiende eeuw deed zich onder letterkundigen een geest van reactie ten
gun- | | | | ste van het Fransche-classicisme gelden, die hier, door het
talent der toenmalige acteurs gesteund, zelfs over het burgerlijk treurspel en
tooneelspel vermocht te zegevieren.
Shakespeare was intusschen er nog niet in geslaagd, bij
ons onvoorwaardelijk bewondering te wekken en in onvervalschten vorm de
toeschouwers te boeien.
Paulus van Hemert was bij ons een van de zeer
weinigen, die hem in zijne volle grootheid wisten te waardeeren en die eene
lans voor hem durfden laten breken. Hij deed dat in 1808 door in het laatste
deeltje van zijne ‘Lektuur’, van den lateren
Leuvenschen en Groningschen hoogleeraar Gerrit Johan Meijer een
uitvoerig opstel over ‘Willem Shakspeare’ op te nemen, bestaande
uit eene levensgeschiedenis, eene algemeene karakteristiek en verdediging van
zijne tooneelstukken en eene in bijzonderheden afdalende ontleding van Hamlet's
karakter. De ‘konstidé des digters’ was, volgens hem, ook in
de dramatische dichtkunst het alles overheerschende, waaraan de
Fransch-classieke eischen van plaats- en tijdseenheid ondergeschikt waren en
waarvoor deze dan ook moesten wijken, als die ‘konstidé’ ze,
zooals bij Shakespeare het geval was, niet toeliet. Bij hem, meende hij, kunnen
wij die eenheden zooveel gemakkelijker ontberen, omdat zijne
‘konstidé’, die ze verwaarloost, zooveel hooger is, en zijne
voortreffelijkheid veel eer bestaat ‘deels in zijne natuurlijke, ware en
krachtige taal, deels in zijne psychologisch-ware en levendige
karakterschetsen’. ‘Zijne karakters’, zegt hij, ‘zijn
niet, gelijk die van andere tooneeldigters, individuen: neen, 't zijn
soorten, die in alle landen en in alle tijden hun gelijken
hebben’. Wil Shakespeare een hartstocht schilderen, dan schetst hij niet
‘een enkelen hartstogtelijken mensch’, maar eene handeling,
waarbij ‘alle personen tot de voorstelling van deze hartstogt medewerken
of dezelve door tegenstelling nog treffender maken’. Kleingeestig is het,
tegenover deze groote hoedanigheden in de weegschaal te leggen eene zekere
ruwheid en onkieschheid van taal, die aan 's dichters tijd eigen was, en een
jacht maken op woordspelingen, waartoe z.i. de Engelsche taal aanleiding gaf.
Wie daaraan aanstoot namen, letten te veel op kleinigheden en zagen daarom de
eigenschappen van meer beteekenis over het hoofd, meende hij terecht; maar het
zou nog lang bij ons moeten duren, vóór de oogen daarvoor
opengingen.
Zelfs iemand als Bilderdijk liet daardoor zijn oordeel
nog | | | | verblinden. Wel was hij veel beter met Shakespeare's werken
bekend, dan met die van Schiller, en waardeerde hij ook wel zijne
menschenkennis, karakterteekening en karakterontwikkeling, zoo-dat hij hem geen
genie durfde ontzeggen, wat hem natuurlijk niet behoefde te verhinderen in zijn
‘Hamlet Scriblerus’ het beroemde ‘to be or not to be’
geestig te parodiëeren, maar zijne stukken waren in zijn oog veel te ruw
en te realistisch, om hem een groot genot te schenken. Hij vond er de ware
poëzie niet in
1).
Ook
Feith, die toch de gestrenge kunstregels van
het Fransch-classicisme niet voorstond, vond genoeg in Shakespeare af te keuren
om hem, bij de ‘veele oorspronglijke schoonheden’, waardoor hij
‘één der grootste geniën’ in de dramatische
dichtkunst mocht heeten, toch dat ‘volmaakte’ te ontzeggen, dat hij
‘in de Grieksche en Fransche stukken bewonderde’
2); en
Helmers was er min of meer trotsch op,
‘dat’ zooals hij in den zesden zang van ‘De Hollandsche
Natie’ (l812) zeide, ‘Shakespeare's wansmaak in het oor der Britten
nog schoon’ heette, toen de Nederlanders reeds lang te fijn van smaak
waren om er veel van te kunnen genieten.
Toch had Voltaire zooveel goeds van Shakespeare gezegd, al schijnt
hij daar later spijt van gekregen te hebben, dat in Frankrijk ook de aanhangers
van het halfclassieke treurspel met zijne stukken hun voordeel trachtten te
doen door ze om te gieten tot treurspelen in hun trant, dus o.a. door invoering
van de drie tooneeleenheden, waarnaar ze zich niet zonder de jammerlijkste
verminking lieten verwringen. Des ondanks waagde J.F. Ducis
3) dat te doen, en hij
verstoutte zich, er ook nog andere noodelooze veranderingen in aan te brengen,
omdat hij er den geest niet van begreep. Ook bij ons werden die erbarmelijke
omwerkingen van Ducis in regelmatige alexandrijnen vertaald en met veel bijval
vertoond: sedert 1779 de ‘Hamlet’, die ook later nog eens weer door
A.J. Zubli vertaald is, sedert 1786 de ‘Koning Lear’,
sedert 1800 de ‘Macbeth’ en sedert 1802 de ‘Othello of de
Moor van | | | | Venetiën’, door Uylenbroek in
Nederlandsche verzen overgebracht.
In de hoofdrollen dezer vier stukken van Ducis schitterde zoowel
Andries Snoek als Ward Bingley, terwijl Mevr. Ziesenis-Wattier voortreffelijk
de rol van Geertruida, Hamlet's moeder, en die van Lady Macbeth speelde. Van de
nieuwere Fransche treurspelen werd de ‘Omasis’ Van Baour-Lormian
(in 1810 door
Marten Westerman vertaald) vooral door het spel
van Snoek als Omasis en van Jelgerhuis als Simeon bewonderd. Van M.J.
Chénier werden vooral twee treurspelen vertoond: de ‘Cajus
Gracchus’ (in 1797 door
Uylenbroek vertaald), met Mevr.
Ziesenis-Wattier in de rol van Cornelia, en de ‘Fénélon of
de Kameryksche kloosterlingen’ (van denzelfden vertaler), waarin de rol
van Heloïse voortreffelijk werd vervuld door dezelfde groote actrice, die
vooral ook uitmuntte in de rol van Epicharis (waarin zij in 1804 ook door Ch.
Hodges is afgebeeld) in Legouvé's, door
Uylenbroek in 1781 vertaald, treurspel
‘Epicharis en Nero’, waarbij zij voor de rol van Nero in Bingley
een meesterlijk tegenspeler vond. Van De Belloy zag men gaarne de ‘Gaston
en Bayard’ in de vertaling van J.G. Doornik (van 1785)
vertoonen, wanneer Dirk Kamphuizen er als Gaston van Foix in optrad en
Jelgerhuis of Bingley als Avogaro, in welk karakter F.J. Pfeiffer een mooi
portret van Bingley heeft gemaakt. Nog een ander stuk van De Belloy, de
‘Zelmire’ (reeds in 1763 door N.W. op den Hooff vertaald),
maakte grooten opgang door het spel van Snoek als Anthenor en Jelgerhuis als
Rhamses.
Van de oudere Fransche treurspelen wist de ‘Herkules en
Dianira’, door
Katharina Lescailje eene eeuw te voren uit het Fransch van
J. de la Tuilerie overgebracht, zich nog te handhaven door het spel van
Jelgerhuis als Herkules, en de ‘Herodes en
Mariamne’, eveneens door Katharina Lescailje vertaald naar
Tristan l'Hermite, door de heerlijke uitbeelding van Mariamne door Mevr.
Ziesenis-Wattier. Van
Voltaire vooral werden verschillende treurspelen dikwijls
vertoond, o.a. de ‘Sémiramis’ en de
‘Mérope’, waarin Mevr. Ziesenis-Wattier de titelrol vervulde
en zich zelve nog overtrof; de ‘Orestes’, waarvan de hoofdrol als
een der beste rollen van Andries Snoek werd beschouwd, zoodat J. Kamphuizen hem
daarin in 1805 dan ook heeft afgebeeld; de ‘Zaïre’, met Snoek
in de rol van Orosman, en de ‘Mahomet’, waarin zoowel Bingley als
Snoek de titelrol speelde en Jelgerhuis die van Zopir. Ook
Racine gaf aan | | | | Mevr. Ziesenis-Wattier ruime
gelegenheid om hare groote talenten ten toon te spreiden, hetzij als Phedra,
hetzij als Agrippina (in de ‘Britannicus’) of als Athalia, waarbij
Mevr. Sardet-Wouters haar als Josabeth, Snoek haar als de hoogepriester Jojada
en Jelgerhuis haar als Mathan ter zijde stonden. Ook in
Corneille's ‘Rodogune’ muntte zij uit, terwijl
Rodrigo, de hoofdpersoon van ‘De Cid’, zoowel door Snoek, als door
Bingley meesterlijk werd voorgesteld.
Andries Snoek wist ook triomfen te behalen als Achilles in het
treurspel van Huydecoper, als Monzongo in dat van Van Winter en als Jacob
Simonszoon de Ryk in dat van Van Merken. Behalve deze, en Vondel's
‘Gysbreght van Aemstel’, waarin Mevr. Ziesenis-Wattier Badeloch
voorstelde, waren er nog enkele andere oorspronkelijke treurspelen, die zich in
dezen tijd wisten te handhaven, zooals de ‘Jacoba van Beieren’ van
Jan de Marre, de ‘Robert de Vries’ en de ‘Aleid van
Poelgeest’ van Willem Haverkorn, de ‘Ines de Gastro’
en de ‘Mucius Cordus’ van Feith, de ‘Maria van
Lalain’ en andere treurspelen van Jan Nomsz, waarin dankbare
rollen voorkwamen.
Toch was het aantal oorspronkelijke treurspelen, die destijds
vertoond werden, uiterst gering in vergelijking van de vele vertalingen uit het
Fransch, en terzelfder tijd dat ook allengs de minachting der dichters toenam
voor Kotzebue's stukken, die door hen ‘een zamenflanzing van zoutelooze
scherts en schrikwekkenden ernst’ genoemd werden, waardoor men ‘tot
de eerste barbaarschheid der kunst teruggevoerd’ werd, betreurden
diezelfde dichters het, dat er zoo weinig nieuwe Nederlandsche treurspelen
werden vervaardigd. Tollens wenschte zelfs, ‘dat de Bataafsche
Maatschappij van taalen dichtkunde eereprijzen voor oorspronkelijke
tooneelstukken zou uitloven’, en sloeg intusschen daartoe zelf de hand
aan het werk; maar geheel zonder voorgangers was hij toch niet.
Een voorganger had hij o.a. in
Helmers, die in 1798 zijne
Dinomaché in druk en ook ten tooneele
bracht; een treurspel in alexandrijnen en Franschen trant, maar in vier
bedrijven, die, in navolging van
Van Merken's ‘Gelonide’, alle
(behalve het derde) met koorzangen besloten worden, waarvoor B. Ruloffs de
muziek gecomponeerd had. ‘De fabel van het zelve is louter
vinding’, zegt de dichter in zijn voorbericht, maar 't is eene vinding,
waaraan hij getracht heeft geen Fransch maar geheel een Grieksch karakter te
geven. Het eerste bedrijf schetst, in gesprekken met Idamas, opper- | | | | priester van
Minerva, den toestand in Athene. Die stad wordt door den Thebaanschen tiran
Philocles overheerscht. Twintig jaar vroeger heeft deze het toenmalige hoofd
van den Atheenschen staat, Ereus, gedood en zich in diens plaats gesteld.
Ereus' weduwe Dinomaché is toen gevlucht, men weet niet waarheen, maar
Idamas kent eene godspraak, die voorspeld heeft, dat een jong held Athene zal
bevrijden, zoodra zij teruggekeerd zal zijn. Dien jongen held ziet hij in
Thrasyllus, die door zijne moeder in de eenzaamheid is opgevoed, maar evenmin
haar naam, als dien zijns vaders kent. Drie jaar geleden is hij haar ontvlucht
en heeft hij zich te Thebe in den krijgsdienst begeven. Na tal van heldendaden
verricht te hebben is hij nu te Athene, waar hij zich ergert aan de gruwelijke
dwingelandij van Philocles.
In het tweede bedrijf treedt nu Dinomaché zelve op, door het
orakel van Delos aangespoord, den haar ontvluchten zoon te Athene te zoeken.
Idamas herkent haar, en ook Thrasyllus zweert, nu hij weet, wie zijne ouders
zijn, Athene te zullen bevrijden; maar Philocles laat hem tot zich roepen, en
uit overgroote fierheid waagt hij zich in het hol van den leeuw, waardoor wij
hem in het derde bedrijf als gevangene in de macht van den tiran vinden. Ook
Dinomaché heeft hij gevangen laten nemen, en nu eischt hij van haar, dat
zij hem in het openbaar als haar heer zal erkennen om daarmee het leven van
haar zoon te redden, die anders onverbiddelijk ter dood zal gebracht worden.
Het gesprek, dat zich nu tusschen moeder en zoon ontwikkelt, is het hoogtepunt
van het stuk. Aanvankelijk is Dinomaché bereid toe te geven, maar haar
zoon wenscht het leven niet ten koste van beider eer en weet zijne moeder te
bewegen, zich tegen den wreeden eisch te verzetten. Hij zal dus ter dood
gebracht worden, maar in het vierde bedrijf verneemt men, hoe hij, naar de
strafplaats gevoerd, zich heeft weten los te rukken en zich aan het hoofd der
in opstand gekomen Atheners heeft geplaatst. Het komt nu tot een hevigen strijd
in het voorhof van den Minervatempel, en met den dood van Philocles en de
bevrijding van Athene eindigt dit stuk, waarvan de verzen beter zijn dan de
samenstelling, en de ‘vinding’ zeker al zeer weinig beduidt. Toch
is die in hoofdzaak geene eigene vinding, maar slechts eene vereenvoudiging der
stof van Voltaire's ‘Mérope’, zooals de tijdgenooten zeer
goed hebben opgemerkt
1). | | | | Ook
zal hun wel niet zijn ontgaan, dat zelfs verschillende versregels uit de
‘Mérope’ zijn nagevolgd of zelfs vertaald. Veel roem heeft
Helmers daarom met zijn treurspel niet ingeoogst. Het schijnt ook niet
lang op het repertoire gebleven te zijn; maar wel heeft de dichter sinds dien
tijd zich veel invloed op tooneelzaken verworven, daar de vertooning van zijn
treurspel hem in aanraking had gebracht met de voornaamste Amsterdamsche
acteurs, die veel waarde hechtten aan zijn oordeel en ook zelf op de keus der
stukken geen geringen invloed hadden.
In het volgende jaar (1799) zag een ander treurspel in verzen en
geheel in Fransch-classieken trant het licht, geschreven door
Daniël Bleecker, een zeer bescheiden
dichter, die zich reeds te voren bekend had gemaakt door kleine gedichten, door
hem in Felix Meritis voorgelezen, maar nooit uitgegeven. Een treurspel echter
achtte hij voor voorlezing terecht ongeschikt, en daar hij ‘geen
voornemen had hetzelve ten tooneele aan te geven’, besloot hij met
schroom, het te laten drukken. Onder den titel
Titus Manlius Torquatus of de zegepraal der
krygstucht behandelt het de bekende Romeinsche overlevering van den
consul Manlius, die niet aarzelde zijn eigen zoon Titus ter dood te doen
veroordeelen, toen hij de bezworen krijgstucht had geschonden door als
onderbevelhebber eene afdeeling vijanden aan te vallen en te verslaan in plaats
van op de hem aangewezen post de hoofdmacht der vijanden in het oog te houden.
De zoon, die zich door jeugdige drift had laten vervoeren, zooals zijn vader
dat ook eens als jong krijgsman had gedaan, bezit hetzelfde oud-Romeinsche
karakter als zijn vader en begrijpt dus onmiddellijk, dat deze geen ander
vonnis mocht vellen en dat hij den dood heeft verdiend, waaraan hij zich niet
wil onttrekken, ook niet, als zijne ruiters muitziek genade voor hem komen
eischen. De drie bedrijven, waarin deze eenvoudige handeling zich ontwikkelt,
zonder dat bij vader of zoon veel van weifelen of inwendigen strijd te
bespeuren valt, zijn zeker te gerekt; maar belangwekkender wordt het stuk met
het vierde bedrijf, wanneer met haar zoontje de echtgenoote van den jongen
Manlius, Marcia optreedt, die eigenlijk Decia had moeten | | | | heeten,
omdat zij de dochter is van den anderen consul, Paulus Decius Mus. Zij tracht
vader en zoon beide te bewegen, het vonnis onuitgevoerd te laten, en wil zich
zelfs, om de uitvoering te verhinderen, aan het hoofd van de muitzieke
krijgslieden stellen; maar het is de grootmoedige Titus Manlius zelf, die de
muiters met straffe woorden aan hun plicht herinnert en zijne vrouw weet te
overtuigen, dat hij als echt Romein de schending der krijgstucht gewillig met
zijn leven behoort te boeten. In het laatste bedrijf doet Decius nog eene
poging om hem te redden door de voltrekking van het vonnis te willen uitstellen
tot na den aanstaanden veldslag, maar ook dat redmiddel wijst Titus Manlius af,
en het stuk eindigt met het verhaal van zijn sterven en het oprukken van het
Romeinsche leger om den beslissenden slag te slaan, waarvan een droom heeft
voorspeld, dat het eene overwinning zal zijn, maar aan een der beide consuls
het leven zal kosten. Consul Manlius hoopt nu, dat niet Decius, maar hij zelf,
die reeds met groote smart zijn zoon aan het welzijn van den staat heeft
opgeofferd, den dood in den strijd zal vinden, maar mocht het lot hem sparen,
om hem nog verder zijn vaderland van nut te doen zijn, ook dan zal hij tevreden
wezen, want, zegt hij, ‘niets kan den sterveling een grooter wellust
geven, dan voor het heil zyns lands te sterven of te leven’.
Ook waren er treurspeldichters, die hunne onderwerpen aan romans
ontleenden. Zoo deed b.v.
Andries Kraft († 1810), toen hij uit
‘Les Incas’ van Marmontel dezelfde stof voor zijn treurspel
Alonzo of de zegepraal der liefde (in 1798)
putte, als Jan Nomsz voor zijn reeds vroeger vermeld stuk ‘Cora
of de Peruanen’ en Jan Verveer voor zijn ‘Cora of de
zegepraal der liefde op het bijgeloof’ (van 1790). Is Kraft's
stuk inderdaad wat levendiger dan het hunne, ook omdat hij zich nog wat meer
tooneelverandering, zelfs midden in een bedrijf, veroorloofd heeft, dan zij, en
zich dus nog minder streng aan de wetten van het Fransch-classieke treurspel
heeft willen houden, te ontkennen valt het niet, dat hij op het eind het aan
den Spaanschen edelman Alonzo wel wat al te gemakkelijk gemaakt heeft, niet
alleen het leven van zijne geliefde Cora, de zonnemaagd, te redden, maar ook
Ataliba, den koning van Quito, tot de bekentenis te brengen, dat het
Christendom zijn zonnedienst ver overtreft. Een paar andere treurspelen van
Kraft zijn getiteld ‘Czaar Peter III’
(1801) en ‘James Cook’ (1804). Het laatste speelt op
een eiland in de stille Zuidzee. | | | |
Romans leverden ook treurspelstof aan
Abraham Louis Barbaz
1) (geb. 1770 te Amsterdam, waar hij in 1833
overleed), een vruchtbaar dichter, die echter bij zijne tijdgenooten niet hoog
stond aangeschreven. Wij hadden reeds aanleiding, kleine en grootere
dichtstukken van hem te vermelden en ook vertalingen van tooneelstukken, zooals
hij er vele aan den schouwburg leverde, waardoor hij in de tooneelwereld ook
wel eenig gezag kreeg, dat hij nog vermeerderde door in 1808-9 met een
tijdschrift ‘Amstels Schouwtooneel’ ook als,
trouwens zeer welwillend, tooneelcriticus op tetreden.
Het treurspel, dat wij als zijn beste werk met enkele woorden zullen
bespreken, kwam in 1800 uit onder den titel
Herzilia. Het is een tafereel uit den strijd over
de oppermacht in Rome tusschen de Sabijnen en Romulus, die zijn Sabijnschen
medekoning Tatius doet vermoorden, maar daardoor het ongeluk bewerkt van zijne
dochter Herzilia, die in gloeiende liefde voor den Sabijn Numa Pompilius is
ontbrand en ook reeds aan hem verloofd is, maar zich na den moord op Tatius
versmaad ziet door den echten Sabijn, die van haar als dochter van den
moordenaar zelfs een afkeer krijgt en zich met Tatia, de dochter van den
vermoorde, in den echt verbindt. Uit minnenijd laat Herzilia nu hare
mededingster door eene slavin met vergif van het leven berooven, waarna zij ook
zich zelve doorsteekt, den heerschzuchtigen Romulus, dien zij ‘haar
moordenaar, niet meer haar vader’ noemt, aan wroeging ter prooi latend.
Een lijkzang, in cantatevorm, in het midden van het laatste bedrijf was bestemd
om gezongen te worden, maar kon, meende de dichter, desnoods ook wel
voorgedragen worden.
In de voorrede van dit stuk deelt Barbaz mee, dat hij,
schoon ‘de behandeling der stof volstrekt eigen vinding’ mocht
heeten, ‘die stof zelf en de karakters der personaadjen’, ja zelfs
‘eenigen der schoone samenspraken’ getrokken had uit het zesde en
zevende boek van
Florian's ‘Numa Pompilius’,
zelf een roman in den trant van Fénélon's
‘Télémaque’ en bij ons door Jan Nomsz ook in
verzen vertaald, evenals, maar niet evengoed als, Feitama dat indertijd met de
‘Télémaque’ had gedaan. Ook uit
Fénélon's roman heeft
Barbaz in 1814 de stof voor een treurspel geput,
waaraan hij den titel ‘Pygmalion, koning van Tyrus’
gaf; maar dat is een erbarmelijk drama, ‘meestal’, volgens den
samensteller zelf, ‘redeneerende | | | | naar den aard van deszelfs
onderwerp’. In het Fransch schreef Barbaz een treurspel
‘Idomenée’, dat hij in 1811 in Nederlandsche
verzen overbracht als
Idomeneus, koning van Krete, waarmee hij dezelfde
(aan de geschiedenis van Jefta verwante) stof verwerkte, die Crébillon
in een gelijknamig treurspel, maar z.i. niet zeer gelukkig, behandeld had,
zoodat hij meende met den Franschen treurspeldichter wel te kunnen wedijveren,
althans in zooverre hij getracht had ‘het karakter van Idomeneus te
veredelen’, waarin hij inderdaad is geslaagd.
Onder leiding van Barbaz en Uylenbroek legde ook
Hendrik Tollens
1) zich reeds in zijne
jongelingsjaren op dramatischen arbeid toe. Het eerste, niet wat hij schreef,
maar wat hij (in 1799) uitgaf, was een blijspel in één bedrijf en
in proza, getiteld ‘De bruiloft’. Met drie andere
dergelijke, van 1800 en het volgende jaar, vormde het een bundeltje
‘Tooneelstukjes in proza’, maar hij beleefde er niet
veel genoegen van. ‘De bruiloft’ werd door de critiek zelfs, en
terecht, ‘een aaneenschakeling van ongerijmdheden’ genoemd, en hij
zag in, dat hij in dezen met zijn vriend
Westerman niet kon wedijveren, die althans met
sommige kleine stukjes, zooals ‘Wat doet het lot
niet’ (van 1797), ‘De herstelde
misslag’ (van 1800), ‘Het huishouden van Jan
Steen’ (van 1805) en ‘De eerste
April’, al waren zij ook onbeduidend, eenigen bijval had
gevonden, maar daarmee toch nog niet slaagde in hetgeen ook Tollens
beoogde, er, wat zij de ‘oude laffe kluchten’ noemden, mee
‘van het tooneel te helpen verbannen’.
Nu waagde Tollens het ook, in 1800, een reeds veel vroeger
in verzen geschreven ‘burger treurspel’
Konstantijn uit te geven, waarin de gruwelijke
moord uit geldzucht vertoond wordt, door ouders gepleegd op hun uit den krijg
teruggekeerden, maar door hen niet herkenden zoon Konstantijn. Het trok de
aandacht niet, zooals het ook niet verdiende.
In het volgende jaar kwam Tollens voor den dag met een kort
tooneelspel in verzen,
Blinval en Emelia of het loon der edelmoedigheid,
waarvan bijna de helft wordt ingenomen door een verhaal van Frontijn, den
knecht van Blinval, aan den kastelein, bij wien | | | | zij logeeren. Wij
vernemen daaruit, hoe in den vorigen nacht zijn heer eene rooversbende heeft
verjaagd, die den baron Dorcourt en diens dochter Emelia had aangevallen,
terwijl de andere helft van het stuk op kunstelooze wijze den baron tot de
ontdekking brengt, dat zijn redder dezelfde Blinval is, aan wien hij de hand
zijner dochter had geweigerd, omdat hij maar een burgerman was, en dat de
aanvoerder der rooversbende de edelman was, voor wien hij zijne dochter had
bestemd. Natuurlijk triomfeert dan de liefde, ondanks de bescheidenheid van
Blinval, die als redder onbekend had wenschen te blijven. Het komieke optreden
van Frontijn en den kastelein geeft aan dit blijeindend spel eer het karakter
van een blij- dan van een tooneelspel. Tollens had de voldoening, dat
dit stukje op den Amsterdamschen schouwburg werd vertoond, evenals twee andere
tooneelspelen, die hij in denzelfden tijd uit het Fransch van Pigault le Brun
vertaalde.
Eerst daarna wijdde
Tollens zich uitsluitend aan het treurspel, en
om zich daarin te oefenen vertaalde hij van 1801 tot 1804 niet minder dan zeven
Fransche treurspelen: één van
Christian, één van
Saint-Marcel, de ‘Abufar of het Arabisch
huisgezin’ van
Ducis, de ‘Andromaché’ van
Racine, waaraan hij reeds vóór zijn
vijftiende jaar zijne krachten beproefd had, en drie treurspelen van
Voltaire, namelijk ‘De dood van Cesar’
(1801), ‘Katilina of Rome gered’ (1802), waarmee hij vooral veel
eer inlegde, en ‘De Guebers’ (1804). In later tijd betreurde hij
het, dat hij ‘op de treurspelmaat, met pijnelijke longen, de klanken
nagebaauwd had, die de nabuurs zongen’, en zoo ‘den lieven tijd
verkwist’ had, in plaats van iets oorspronkelijks te leveren, waaraan de
Schouwburg toen gebrek had.
Daarna heeft hij dan ook dat gedaan en ‘wilde hij’,
zooals hij zegt, ‘zijne kunstbroeders voorgaan’, om te bewerken,
dat stukken als die van
Kotzebue verdrongen werden en ‘zijne landgenooten
eens van hunnen zwijmelsmaak zouden terugkomen en het ware schoone voor het
opgetooide wanstaltige zouden verkiezen’. Dat ware schoone achtte hij
toen gelegen in het Fransch-classicisme, in welken trant hij in 1805 dan ook
zijn treurspel
Lukretia of de verlossing van Rome schreef op
verzoek van Mevr. Ziesenis-Wattier, aan wie hij het opdroeg. Zijne
dichtvrienden en ook de kunstrechters prezen het zeer, al merkten enkelen ook
op, dat hij meer partij van zijn onderwerp had kunnen trekken en te vaak tegen
de historische kleur had gezondigd, omdat hij geene classieke opleiding had
ge- | | | | noten. Over de waarde der verzen als zoodanig heerschte verschil
van meening, en wij zouden er nu gebrek aan handeling in afkeuren en het dus
niet betreuren, dat het tot 's dichters groote teleurstelling niet vertoond
werd, omdat de republikeinsche regeeringsvorm er door Brutus tegenov er den
monarchalen te krachtig in werd bepleit in strijd met de Napoleontische
staatkunde, waarmede de commissarissen van den Schouwburg meenden rekening te
moeten houden.
Met zijn volgend, en laatste, treurspel was Tollens in dat
opzicht gelukkiger. Het verscheen in 1806 onder den titel De Hoekschen en
Kabeljaauwschen en behandelde den aanvang dier twisten, dus het optreden
van Graaf Willem V tegen zijne moeder, Margareta van Henegouwen. Hier was dus
een vaderlandsch onderwerp boven een classiek gekozen en eenigszins romantisch
bewerkt. Ook had Tollens er zich wat minder streng in gehouden aan de
regels van het Fransch-classieke treurspel, zoodat er ook wat meer handeling in
was, terwijl de verzen gespierder en dichterlijker waren. Dat de critiek met
dat treurspel een nieuw tijdperk in de geschiedenis onzer dramatische
dichtkunst aangebroken zag en Tollens ‘den eerste onzer
treurspeldichters’ noemde, is voor hem zelf geen spoorslag geweest om
verder in deze richting voort te gaan. Hij begreep zelf, dat hij geen
treurspeldichter van nature was en heeft daarna niets meer voor het tooneel
geschreven.
Evenmin als Tollens was ook Johannes Kinker van
aanleg treurspeldichter, al liet hij in 1804 nog een tweede treurspel,
Almanzor en Zehra, volgen op zijn eersteling, Celia (van 1792),
waarin de heldin haar echtgenoot, den Egyptischen kalief Soliman, doodt,
wanneer zij vernomen heeft, dat deze haar vader had vermoord. Nog minder
treurspeldichter dan deze beiden was Adriaan Loosjes, maar zelf zag
hij dat niet in. Na reeds vroeger vrijwat in verschillenden trant aan het
tooneel geleverd te hebben, ontleende hij aan de ramp van Leiden het denkbeeld,
in 1807 een treurspel Amelia Fabricius of Delft door buskruid verwoest
1)
te dichten, waarin de vrouw van den schilder Karel Fabricius, die zelf bij deze
Delftsche ramp van 1654 omkwam, de droevige, maar weinig tragische, hoofdrol
vervult en er op het einde in slaagt, ten aanschouwen van Johan de Witt, zelve
haar dochtertje Klara nog levend van | | | | onder de puinhopen te
voorschijn te brengen. In 1808 was de overstrooming op Walcheren
en Zuid-Beveland voor hem eene gewenschte aanleiding om een
treurspel ‘Ewoud van Lodijke of de ondergang der Zeeuwsche stad
Romerswael’ te schrijven, dat niet zonder behulp van waterwerken
kan vertoond zijn. In dat zelfde jaar vertoonde het gezelschap van Van Dinsen
te Haarlem zijn ‘Kenau Hasselaar’ en in 1810 zag hij
zoowel zijn ‘Magdalena Moons’ als zijn
‘Albrecht Beiling’
1) en ‘Baarte van
IJsselstein’ op het tooneel gebracht: vloeiend berijmde stukken,
die, het een wat meer, het ander wat minder getrouw, de Fransch-classieke
kunstregels volgen, maar bovenal vaderlandsche stukken wenschen te wezen.
Opmerkelijk is het, dat in dezen tijd ook
Bilderdijk geen weerstand meer kon bieden aan
zijn lust om treurspelen samen te stellen. Met de theorie van het treurspel had
hij zich, sedert hij de beide Oedipussen van
Sophocles begon te vertalen, dikwijls genoeg bezig
gehouden en in 1808 vatte hij daarvan de uitkomsten samen in eene verhandeling
over ‘Het Treurspel’, waaruit blijkt, dat hij het in
den grond met de beginselen van het Fransch-classieke treurspel, vooral zooals
Voltaire het opvatte, eens was, al verwierp hij ook de
‘vertrouwelingen’ en enkele andere conventioneele vormen, en al
wilde hij ook het Grieksche treurspel wat meer nabij komen, zonder het evenwel
eens te zijn met eenige zijner tijdgenooten, die de reien weer trachtten in te
voeren. Zoo nu en dan had hij ook wel zelf tooneelstukken ontworpen, maar die
ontwerpen nooit uitgewerkt, omdat hij zich van nature te veel lierdichter
gevoelde, om zich voldoende aanleg voor het drama te kunnen toeschrijven.
Ook was in dezen tijd naar zijne meening de dramatische dichtkunst
en de smaak van het publiek eene geheel verkeerde richting opgegaan en vond hij
zichzelf te oud om nog met kans op goed gevolg tegen den stroom op te roeien.
Door de schuld van
Van Alphen was hier alles ‘Duitsche wanspraak,
Duitsche aart en zeden’ op het tooneel geworden en waren
‘vaderlandsche smaak en geest en vatbaarheden, ja, 't oordeel zelfs
verdoofd, zelfs uitgeroeid’. | | | | Ook in Frankrijk was men dien
verkeerden weg opgegaan, want ‘dáár ook woei die wind van
Brit en Duitscher over, die 't treurspel tot een school van booswicht maakte en
roover, die zede en godsdienst stoorde en dichtkunst heeft verwoest’.
Zóó beantwoordde hij in 1808 de aansporing van zijn
vriend Jeronimo de Vries, om ook iets aan den Schouwburg te leveren, in een
dichtstuk ‘Het Tooneel’; maar toen hij dat in het
tweede deel zijner ‘Najaarsbladen’ uitgaf, vond men
daaronder deze beide versregels: ‘Dus Alfius de tweede, en gaf zijn lier
den schop; bedacht zich, greep de pen, en stelde een treurspel op’.
Inderdaad, dat deed de onberekenbare man. Kort na deze grimmige ontboezeming
ontwierp en voltooide hij ‘in driemaal vier en twintig uur’ een
treurspel, dat hij met eene Fransche opdracht aan Koning Lodewijk, van 1 Juni
1808 gedateerd, uitgaf, nog vóór zijn gedicht ‘Het
Tooneel’ in het licht was verschenen. Het was getiteld
Floris de Vijfde
1).
Bilderdijk plaatste zich daarbij, als
aanhanger van den monarchalen regeeringsvorm, geheel op het standpunt van Melis
Stoke, volgens wien de edelste graaf door de snoodste verraders was vermoord.
Deze voorstelling der geschiedenis staat dus lijnrecht tegenover die, welke wij
in het oude volkslied vinden, waarvan Hooft zulk een aangrijpend treurspel
heeft weten te maken. Natuurlijk kan men Bilderdijk niet verwijten,
dat hij zich van dezen moord eene andere voorstelling vormde, die misschien
zelfs meer in overeenstemming is met de historische waarheid; maar wel had hij
mogen bedenken, dat bij die voorstelling de moord van Graaf Floris ophield eene
tragische stof te zijn, dat de verraderlijke moord van een zoo edel man, als
Floris heet, alleen een gruwelstuk is en geen onderwerp voor eene tragedie. De
alleenspraak van den Graaf in den kerker bij het begin van het vijfde bedrijf,
eene rechtvaardiging zijner daden, zooals ook Bilderdijk zelf er eene
voor hem had kunnen houden, kon bij den toeschouwer niets anders dan ergernis
wekken over het onverdiende lot, dat hem trof, maar maakt, op wie Hooft's
treurspel met het zijne vergelijkt, den | | | | indruk, eene opzettelijke
tegenstelling te zijn tot Floris zelfbeschuldiging bij Hooft, waartegen
Bilderdijk als het ware heeft willen protesteeren.
Overigens heeft hij aan
Hooft min of meer de figuur van Gijsbrecht van Amstel
ontleend, die bij Hooft een wel bezadigd, maar besluiteloos man is, afkeerig
van onrechtmatige handelingen en daarom niet met het geheele plan der
samenzweerders ingenomen, maar die hier een bijna onnoozel zwakkeling geworden
is, vol spijt over den zijns ondanks in onberadenheid gezworen eed om mee te
werken aan een verraad, dat hij verfoeit en nu huichelachtig moet bedekken.
Woerden daarentegen ziet, zij het ook te onrechte, in Floris den dwingeland, en
bij Velzen is minnenijd de drijfveer voor zijn wraaklust. Bij Hooft echter
heeft Velzen daarvoor in de verkrachting van zijne vrouw Machteld door den
Graaf afdoenden grond; maar hier is het ongegronde, zij het ook verklaarbare,
jaloezie, die hem drijft, want Machteld, schoon eenmaal door Floris tot vrouw
begeerd, en hem in haar hart ook meer genegen dan haar echtgenoot, was na haar
huwelijk door den Graaf altijd geëerbiedigd als gade van zijn vriend. Toch
vond Velzen's achterdocht voedsel in het feit, dat hij Machteld geheel
onverwacht te Utrecht met den Graaf in diens slaapvertrek aantrof, waar zij
(doch te vergeefs) gekomen was, om den Graaf tegen een geheimen aanslag (zij
weet niet van wien) te waarschuwen. Het tooneel (in het derde bedrijf), waarin
zij dit aan Velzen meedeelt, zich tegenover hem rechtvaardigt, maar intusschen
uit Velzen's houding opmaakt, dat deze de hoofdaanlegger van den aanslag is,
mag ongetwijfeld het beste gedeelte van het stuk worden genoemd en zal bij de
vertooning zijne werking niet hebben gemist, vooral ook door de levendige
hartstochtelijkheid van den dialoog, die ook elders in het stuk wel gewaardeerd
mag worden, in vergelijking met de houterige betoogen, die zoovele andere
treurspeldichters ons als samenspraken opdisschen.
Machteld's optreden in manskleeren na 's Graven gevangenneming,
wanneer zij hare liefde voor hem verraadt en met behulp van Amstel hem in de
gelegenheid stelt te ontvluchten, is daarentegen minder gelukkig, omdat het er
Floris toe brengt, door zijne weigering om lijfsbehoud in eene lafhartige
vlucht te zoeken zijn sterven tot eene theatrale vertooning te maken. Dat
Machteld daarop zelve stervend neerzijgt op zijn lijk, was voor haar eene
uitkomst en voor het treurspel een, trouwens reeds veel vaker | | | | vertoond, passend slot. De geheele handeling geschiedt, in strijd met
de historie, op het bisschoppelijk burgslot te Utrecht, omdat
Bilderdijk niet heeft willen zondigen tegen de classieke tooneelwet
der eenheid van plaats.
Bilderdijk had gehoopt, dat zijn treurspel zou
worden gespeeld bij gelegenheid, dat Koning Lodewijk, voor wien, toen hij
Amsterdam tot residentie verkoos, het Amsterdamsche stadhuis als paleis was
ingericht, voor het eerst den Amsterdamschen schouwburg bezocht, en daarom had
hij ook aan den veegen Floris eene voorspelling van Hollands toekomst onder de
regeering van Koning Lodewijk in den mond gelegd; maar zijne hoop werd niet
vervuld. Toen dat bezoek 3 Mei 1808 plaats had
1), speelde men
‘De beproeving of de jonge echtgenooten’, door
Adriaan Bruggemans in 1801 uit ‘Les rivaux
d'eux-mêmes’ van
Pigault le Brun vertaald. Bovendien werd er, bij eene
nieuwe tooneeldecoratie van F.J. Pfeiffer, die het IJ met Amsterdam op den
achtergrond voorstelde, een zinnespel met muziek van Freubel als
‘Hulde aan Z.M. Lodewijk Napoleon’ vertoond, door
Barbaz in het Nederlandsch en Fransch
vervaardigd.
Ook bij de viering van 's Konings verjaring, 2 September van het
zelfde jaar, werd Bilderdijk's ‘Floris’ niet vertoond,
maar
De Marre's ‘Jacoba van
Beieren’. De Koning zelf echter woonde deze voorstelling, waartoe
ieder, voor zoover er plaats was, vrijen toegang had, niet bij; maar
Bilderdijk trok zich de versmading van zijn stuk niet aan: hij had nu
eenmaal bij het schrijven er van een ‘elektrischen schok in het
hoofd’ gekregen, zooals hij zegt, en moest nu, ‘om in eens uit dien
bruischenden stroom eener aangezette verbeelding terug te komen’, een
tweede en ook een derde treurspel op zijn eersteling laten volgen. Vandaar nog
in hetzelfde jaar de uitgave van twee deelen treurspelen, die, behalve zijne
verhandeling over ‘Het Treurspel’, van hem nog twee
stukken, ‘Willem van Holland’ en
‘Kormak’, bevatten en van zijne vrouw het treurspel
‘Elfriede’. In 1809 volgde nog een derde deel met
Corneille's ‘Cinna’, door hem
op 's Konings verzoek vertaald, en de vertolking van
Racine's ‘Ifigenia in Aulis’
door zijne vrouw.
Aan zooveel tooneelarbeid had Bilderdijk 's Konings
opdracht | | | | te danken, om uit naam van het Kon. Instituut een rapport
op te stellen over de middelen, die de dramatische dichtkunst tot nieuwen bloei
zouden kunnen brengen
1); maar met dat rapport heeft hij bij het nageslacht
meer schande dan eer ingelegd, omdat hij daarin o.a. den raad durfde geven,
alles van het tooneel te weren, wat zou kunnen schaden aan het monarchaal
gezag, en dus niet alleen de geschiedenis der Brutussen, maar ook die van onzen
opstand tegen Philips II onder aanvoering van Willem van Oranje.
Was dat slaafsche vorstendienst of gevoelloos staatkundig
doctrinarisme? Door dat laatste schijnt
Bilderdijk althans in dien tijd meer dan ooit
vroeger bezeten te zijn geweest, want daarvan getuigt ook zijn
Willem van Holland, waarvan zijne politieke
voorkeur voor Graaf Willem boven Ada van Holland, die de heldin had moeten
zijn, hem belette een eigenlijk treurspel te maken, zoodat het niets meer werd
dan een tamelijk levendig historisch (of liever onhistorisch) tafereel met
staatsrechtelijke strekking. Bilderdijk toch bereed daarin een zijner
meest geliefde stokpaardjes, namelijk dat de vrouw uit den aard der zaak niet
mag regeeren en Graaf Willem dus de wettige opvolger van zijn broeder was,
wiens recht hier zelfs door zijne nicht Ada wordt erkend, zoodat de
heerschzucht harer moeder, Adelheide van Kleef, die in haar alleen zich zelve
tot gravin wil verheffen, een nog hatelijker karakter krijgt. De ook door Ada
gewenschte zegepraal van den Graaf maakt dit stuk tot een blijeindend spel.
Van zijn
Kormak zegt Bilderdijk zelf, dat hij de
stof er van aan Homerus heeft ontleend, namelijk aan de laatste helft van de
Odyssee, waarin verhaald wordt, hoe Odysseus in de gestalte van een bedelaar op
Ithaka terugkeert, juist op het oogenblik, dat Penelope beloofd heeft, hare
hand te zullen schenken aan diengene van hare minnaars, die in staat zal
blijken den reuzenboog van haar doodgewaanden echtgenoot te spannen, en hoe dan
Odysseus zelf den boog spant en met hulp van zijn zoon Telemachus allen
verdrijft, die naar Penelope's hand hadden gedongen. Het tooneel der handeling
echter is door Bilderdijk van het Zuiden naar het Noorden
overgebracht, van het eiland Ithaka naar de boorden van de Clyde in Schotland,
in overeenstemming | | | | waarmee hij aan de handelende personen Schotsche
namen heeft gegeven. Odysseus zelf heet er Kormaak, naar een koningszoon bij
Ossian, Penelope heeft er den naam van Moïne en Telemachus dien van
Makdulf ontvangen, enz. Een zoon uit een vorig huwelijk van Kormak, Irdan
geheeten, is er van elders
1) door den dichter ingevoegd. Het komt mij voor, dat
deze plaats- en naamsverandering bedoeld is als poging tot verzoening van de
classieke en de moderne poëzie, tot versmelting der Grieksche en der
Britsche epiek van Homerus en Ossian.
Misschien ook daardoor maakt op ons dit treurspel een beteren indruk
dan de beide andere stukken van Bilderdijk, maar de stof was nu
eenmaal niet tragisch, zelfs niet in den geest van het Fransch-classieke
treurspel, en toch wilde
Bilderdijk met dit stuk blijkbaar niet weer een
blijeindend spel geven, zooals met zijn ‘Willem van
Holland’. Daarom heeft hij er een bloedig en dus treurig, maar
geenszins tragisch slot aan gegeven. Bij den strijd met de als
huwelijkspretendenten optredende Schotsche koningen, waarin ook hier de als
schipbreukeling teruggekeerde held zegeviert, wordt Kormak, terwijl hij
Moïne in veiligheid wil brengen, door Irdan voor een schaker van
Moïne aangezien en doodelijk gewond, en zoodra hij aan die wonde gestorven
is, doorsteekt Irdan in wanhoop over den door hem onbewust gepleegden
vadermoord zich zelf. Evenmin als deze geheel toevallige daad eene ontknooping
kan genoemd worden, kan men daarin een waarlijk tragisch slot zien van een
stuk, dat, evenals bij Homerus het geval is, met den triomf van den
heroïschen boogspanner had moeten eindigen.
De
Elfriede van Vrouwe
K.W. Bilderdijk was, zooals haar echtgenoot
schrijft, ‘de vrucht van hare inwijding door hem in de zuiverder smaak
van het echte Fransche treurspel, zoowel als in de Nederduitsche
versificatie’ en verving een vroeger door haar in het Engelsch geschreven
treurspel, dat dezelfde stof ‘naar den trant van het Engelsch
tooneel’ behandelde. Het is de vroeger meermalen gedramatiseerde, maar
door de dichteres in menig opzicht gewijzigde, Angelsaksische geschiedenis van
een edelman (hier Edelwolf geheeten), die, door zijn koning (hier Edgar)
afgezonden om voor hem de hand eener schoone jonkvrouw (Elfriede) | | | | te verwerven, zelf zoozeer door hare schoonheid wordt bekoord, dat hij
haar huwt en haar zijn geheim eerst veel later meedeelt, wanneer de Koning, nog
onbewust van het bedrog, hem op aansporen van een afgunstig verrader (Raimond)
komt bezoeken en natuurlijk alles ontdekt. Terwijl nu in de oorspronkelijke
geschiedenis de vrouw, die eene koningskroon had kunnen dragen, haar man als
bedrieger verfoeit, blijft in dit treurspel Elfriede hem onwankelbaar
liefhebben, al doet zij om zijn leven te redden ook afstand van zijn bezit.
Maar dat juist kan hij niet overleven. Uit schuldbesef wijst hij een tweekamp
met den Koning af, en in wanhoop doorsteekt hij zich, terwijl Elfriede hem in
den dood volgt. Eene groote aanwinst voor het tooneel was dit stuk zeker niet,
evenmin als de beide andere stukken, die Vrouwe K.W. Bilderdijk in
lateren tijd nog zou schrijven.
|
1)Voor het aandeel, dat Barth. Ruloffs had
aan den opgang, dien het zangspel bij ons maakte, en voor den heftigen strijd
daarover in 1784 zie men Johs. Hilman, Ons Tooneel, Amst. 1879 bl. 190
vlg. Tot zijne tegenstanders behoorde o.a. de uitgever van het weekschrift
De Tooneelspel-Beschouwer, dat van 1783 tot 1784 verscheen, maar
bestreden werd door een ander weekschrift, dat van 2 Febr. tot 24 April 1784
uitkwam, De Tooneelspel-Beoordeelaar.
2)Voor de opera te Amsterdam in dezen tijd
zie men H.C. Rogge, Oud Holland, V bl. 177-200, 241-262.
3)Zie bv. het tijdschrift ‘De
tooneelmatige Roskam’, Amst. 1799, N o. 6-8, bl. 43-60.
4)Voor het ballet zie men C.F. Haug,
Brieven uit Amsteldam over het nationaal tooneel, Amst. 1805 bl. 127-154
en Tooneelkundige Brieven, Amst. 1808 bl. 89-103.
1)Voor de bekroning van Mevr. Ziesenis-Wattier
door Kinker zie men Tooneelkundige Brieven, bl. 33-35.
1)Voor Pierre Auguste Caron de Beaumarchais
zie men Loménie, Beaumarchais et son temps, Paris 1855, 4
éd. Paris 1880, II dln.; Anton Bettelheim, Beaumarchais, eine
Biographie, Frankf. 1886 en Lintilhac, Beaumarchais et ses oeuvres
Paris 1887.
1)Voor Pijpers zie men Tooneelkundige
Brieven, Amst. 1808, bl. 13-15 en A.J. Alberdingk Thijm ‘Nadere
bijzonderheden uit het letterkundige levenschronijkjen van Pieter
Pijpers’ in ‘Dietsche Warande’, VI (1864), bl.
297-336.
1)Vgl. ‘De tooneelmatige Roskam’,
Amst. 1799 N o. 16 bl. 128. Overigens trekt de schrijver van dit
tijdschrift ook zelf telkens weer en in de sterkste bewoordingen tegen stukken
van Von Kotzebue en dergelijke te velde.
2)Voor Petrus Johannes Kasteleyn zie men G.
Brender a Brandis, Proeven van Geschied- en Letterkundige Oefeningen,
Haarlem 1801, bl. 249-270. Negen tooneelstukken heeft hij uit het Hoogduitsch
vertaald, doch van de Dormont en Julia zijn, zooals hij zelf meedeelt,
alleen het eerste en tweede bedrijf vrij vertaald, maar het derde en vierde
oorspronkelijk. Tegen het verzet, dat zijne vertaling van Brandes' De Graaf
van Olsbach had gevonden, kwam Kasteleyn op met zijne brochure
‘Verdediger van den Naavolger van den Graaf van Olsbach’, Amst.
1780. Ook theoretisch handelde hij over het tooneel in zijn merkwaardig
geschrift Geschenk voor Tooneel-Dichters en Tooneel-Speelers, Amst.
1781. De zeer bijzondere verdiensten van den apotheker Kasteleyn als
scheikundige zijn door deskundigen terecht zeer gewaardeerd.
1)Voor A.F.F. von Kotzebue zie men
‘August von Kotzebue, Urteile der Zeitgenossen und der Gegenwart,
zusammengestellt von W. von Kotzebue’, Berlin 1881. Voor de Nederlandsche
vertalingen van Von Kotzebue's stukken zie men Karl Menne, ‘Der Einfluss
der deutschen Litteratur auf die niederländische um die Wende des XVIII
und XIX Jahrhunderts’, Weimar 1898, p. 89-96. Door Jan Steven van Esveldt
Holtrop alleen zijn vijftig stukken van Von Kotzebue in het Nederlandsch
vertaald, door Arend Fokke Simonsz. zeventien.
1)Bilderdijk's ongunstig oordeel over
Schiller vindt men, behalve in zijne Verhandeling over ‘Het
treurspel’, in zijn gedicht ‘Mijn buitenverblijf’ in
‘Dichtwerken’ XII bl. 107. Vgl. R.A. Kollewijn, Bilderdijk, zijn
leven en werken I (Amst. 1891) bl. 436.
1)Abällino der grosse Bandit is
gedramatiseerd naar een roman van Joh. H.D. Zschokke (1794), maar wie dezen
voor het tooneel bewerkt heeft, is niet uitgemaakt. Later heeft Zschokke vooral
met zijne ‘Stunden der Andacht’ groote populariteit verworven, ook
hier te lande.
1)Bilderdijk's oordeel over Shakespeare is te
vinden in zijne Verhandeling over ‘Het Treurspel’.
2)Het oordeel van Feith over Shakespeare
vindt men in ‘Iets over het Treurspel’ in de ‘Bydragen ter
bevordering der schoone kunsten en wetenschappen’, II (1794) bl. 254 vlg.
en III (1796), bl. 412-418. Over het algemeen verklaart Feith daar, het in zijn
oordeel over Shakespeare eens te zijn met Hugh Blair.
3)Voor Jean François Ducis zie men O.
Leroy, Etude sur la personne et les écrits de Ducis, 2 éd.
Paris 1834. Opmerkelijk is het, dat Ducis geen Engelsch verstond en Shakespeare
alleen uit eene slechte Fransche vertaling kende.
1)Te vergeefs trachtte de critiek, die het
stuk veel hooger stelde dan het publiek deed, dit weg te redeneeren. Zie
‘De tooneelmatige Roskam’, Amst. 1799, N o. 3, bl.
17-22. Over de verwantschap van Helmers' treurspel Dinomaché
met Voltaire's Mérope zie men Chr. van Schoonneveldt. ‘Over
de navolging der klassiek-fransche tragedie van nederl. treurspelen der
achttiende eeuw’, Doetinchem 1906, bl. 138-143.
1)Over A.L. Barbaz zie men Tooneelkundige
Brieven, Amst. 1808 bl. 6-13. Hij verdient meer waardeering, dan hij
gewoonlijk vond.
1)Voor Tollens als tooneelschrijver zie men
G.D.J. Schotel, Tollens en zijn tijd, Tiel 1860, bl. 8-16, 373-375.
Zijne blijspelen zijn eerst afzonderlijk uitgegeven en wat later in twee
bundels. Ook zijne treurspelen, behalve zijn laatste, verschenen, na eerst
afzonderlijk gedrukt te zijn, met elkaar als Tooneelpoëzy van H.
Tollens Czn, Amst. 1802-5 III dln.
1)Over Loosjes' Amelia Fabricius zie
men J.J.F. Wap in N.- en Z-Ned. Tooneelalmanak voor 1879, bl. 138-145.
1)Over Loosjes' ‘Albrecht
Beiling’ en die van P. Vreede zie men Juliette A. Binger, Albrecht
Beylinc in de geschiedenis en in de litteratuur, Amst. 1917, bl. 41-48.
Reeds de ‘Vaderlandsche Letteroefeningen’ 1811 bl. 295 hadden
opgemerkt, dat Loosjes bijna woordelijk geheele tooneelen uit het gelijknamig
stuk van P. Vreede had overgenomen.
1)Voor Bilderdijk als tooneeldichter zie men
J.H. Rössing, Bilderdijk en het tooneel in het
Bilderdijk-Gedenkboek, Amst. 1906 bl. 333-353. Veel juister wordt daarin
Bilderdijk's beteekenis voor het tooneel geteekend, dan te voren gedaan was
door H.J. Schimmel in De Gids, 1855 II bl. 360 vlgg.; maar de ontleding, die
Multatuli van Bilderdijk's ‘Floris V’ gaf, is van meer belang voor
de studie van Multatuli zelf, dan van Bilderdijk, dien hij niet
begreep.
1)Voor Koning Lodewijk's eerste bezoek aan
den Amsterdamschen Schouwburg en voor zijne verjaardagsviering aldaar zie men
de Tooneelkundige Brieven, Amst. 1808 bl. 51-61.
1)Voor Bilderdijk's ongedrukte
‘Consideratiën over de Aanmoediging der Tooneelpoëzie’
zie men R.A. Kollewijn, Bilderdijk, zijn leven en zijn werken I (Amst.
1891) bl. 451 vlg.
1)Het optreden van dezen tweeden zoon schijnt
door Bilderdijk ontleend te zijn aan Guido delle Colonne. Hij was reeds vroeger
door Sophocles tot held ïener, nu verloren, tragoedie gemaakt. Zie
Athenaeus, IV p. 43.
|
|