|
|
|
| | | | | |
XXV. Tollens en zijn kring.
Nu de Nederlanden onder een eigen koning uit het Nassausche stamhuis
weder een onafhankelijke staat geworden waren, moest er ook, als in andere
landen, bij officiëele gelegenheden een eigen volkslied worden aangeheven,
meende men; en de oude prinsgezinden dachten natuurlijk terstond aan het
‘Wilhelmus’, dat daarop historische rechten had. De woorden er van
pasten evenwel niet meer bij de tijdsomstandigheden. Zooeven verlost van de
Fransche tirannie, kon men toch niet meer zingen van de dwingelandij der
Spanjaarden in het verleden. Geen wonder dus, dat verscheidene dichters voor
den dag kwamen met nieuwe liederen, in den vorm van en zooveel mogelijk
aansluitend bij de woorden van het ‘Wilhelmus’. Zóó
Bilderdijk, Loots, Johan Samuel Swaan, M. Murray en anderen.
Van al die liederen werd er slechts één tamelijk
populair, namelijk ‘Het lied van Nederland’ dat
Spandaw in 1815 schreef met dezen, nu nog niet
geheel vergeten, aanhef: ‘Wilhelmus van Nassouwen was onzer vadren lied,
hun toevlugt, hun vertrouwen, toen alles hen verliet. Toen 't wreed geweld van
Spanje de moordbijl had gewet, was 't Willem van Oranje, die Neerland heeft
gered. - Wilhelmus van Nassouwen is weder Neerlands lied: Op hem rust ons
vertrouwen en hij begeeft ons niet. Het saamvereend Europe verplet de
dwinglandij; Oranje, Neerlands hope, maakt Neerland weder vrij!’ Men
vindt het in liedboekjes van dien tijd, maar de wijze waarop het toen werd
gezongen, omdat die toevallig bij de versmaat paste, was - zonderling genoeg! -
die van het Napoleonslied ‘Partant pour la Syrie’ van Koningin
Hortense
1), dat indertijd
hier te lande misschien nog meer dan in Frankrijk zelf werd gezongen.
Men moest zich daarmee wel behelpen, want niemand kende hier toen
nog de oude wijs van het ‘Wilhelmus’, en de verkorte melodie uit de
achttiende eeuw was niet meer in overeenstemming te brengen met de
oorspronkelijke versmaat en was bovendien reeds sinds jaren verbonden aan een
spottekst uit den Bataafschen tijd: | | | | ‘Wilhellemisje van
Nassouwen ben jij van Duitschen bloed; de ellebogen door de mouwen en de haren
door den hoed! Ben jij, ben jij Wilhellemis, en lust je dan wel schellevisch?
en dat is goed’. Eerst meer dan vijftig jaar later zou de oude melodie
weer bekend worden gemaakt, maar kort na 1813 was dat ‘Wilhelmus’
inderdaad als volkslied onbruikbaar geworden en moest er dus naar een nieuw
volkslied worden omgezien.
Ook hierbij was het weder de Luit.-admiraal Van Kinsbergen, die van
den wensch eene daad maakte met voor woorden en muziek van een volkslied een
prijs uit te loven, door eene commissie uit het Kon. Instituut toe te kennen.
Twee liederen werden in 1817 als gelijkwaardig bekroond, beide op eene melodie
van J.W. Wilms
1). Het eene bleek het werk te zijn van Mr
Jean Brand van Cabauw (geb. 1785 †
1847), rechter te Amsterdam
2), en ving aan met deze strophe:
‘Wij leven vrij, wij leven blij op Neerlands dierbren grond: ontworsteld
aan de slavernij, zijn wij door eendragt groot en vrij. Hier duldt de grond
geen dwinglandij, waar vrijheid eeuwen stond’. Velen gaven aan dit lied
de voorkeur boven het andere, omdat de woorden, en in overeenstemming daarmee
de melodie, veel opwekkelijker waren; maar de grootere, bijna stichtelijke
plechtstatigheid van het andere gaf bij het groote publiek den doorslag, vooral
nadat in 1830 door een voortreffelijk zanger als Vrugt en onder den indruk van
den Belgischen opstand het geheele volk het als zijn volkslied meezong.
‘Wien Neerlandsch bloed in de aders vloeit, van vreemde
smetten vrij, wiens hart voor land en koning gloeit, verheff' den zang als wij!
Hij stell' met ons, vereend van zin, met onbeklemde borst het godgevallig
feestlied in voor vaderland en vorst!’ zoo luidde de eerste strophe, die
met de vijfde, de plechtige bede: ‘Bescherm, o God, bewaar den grond,
waarop onze adem gaat’ er het algemeen bekende gedeelte van uitmaakt,
terwijl de overige strophen slechts | | | | bij weinigen bekend zijn,
zooals trouwens zeer begrijpelijk is, daar geen enkel volk zijn volkslied
geheel van buiten kent.
De dichter van het lied was
Hendrik Tollens, die ook daarmee weer toonde,
hoe goed hij in den geest van zijn volk was doorgedrongen en in staat was
uitdrukking te geven aan hetgeen er toen in het hart van het volk omging. Op
taal en woordenkeus zijn toen reeds, en vooral later, gegronde aanmerkingen
gemaakt, en gerektheid is aan het lied niet zonder recht verweten, maar tegen
die gebreken wogen de deugden in het oog der beoordeelaars ruimschoots op. Het
werd in den mond gelegd van den onverbasterden Nederlander, ‘van vreemde
smetten vrij’, zooals het heet, die trouw was gebleven aan zijn vaderland
en niet besmet was door eer-of baatzuchtig huldebetoon aan den vreemden
overheerscher. Het klonk als een godsdienstig lied, omdat vaderlandsliefde ook
in Gods oog eene deugd werd geacht, waarvan ‘de godheid op haar
hemeltroon’ gaarne de uiting vernam. En niet minder was het een lied van
liefde tot den Oranjevorst. Voor 's volks gevoel moesten ‘land en koning
één’ zijn, en daarom steeg dan ook ten slotte deze bede ten
hemel: ‘bewaar den vorst, bewaar zijn huis, en ons, zijn
huisgezin!’
Als zoodanig toch wilden Tollens en zijne geestverwanten,
die toen ver in de meerderheid waren, den koning gaarne vereeren en liefhebben,
als een vaderlijk bestuurder, hoofd van het groote huisgezin der Nederlandsche
burgers, zooals ieder vader hoofd in zijn gezin was. In denzelfden geest vatte
ook Koning Willem I zijn vorstelijk ambt op. Als de vader van een groot gezin
regelde hij alles zelf met verstand en bezadigdheid, met vaderlijk gezag
optredend, waar eene beslissing noodig was. En daar hij goedhartig van aard was
en onvermoeid arbeidde om zijn volk de verloren welvaart te doen herwinnen, zag
dat nu weer eendrachtig geworden volk ook met kinderlijken eerbied en
genegenheid op tot den Koning, die zelf op vorstelijke praal niet gesteld was,
maar eenvoudig bleef in leefwijze en voordoen, in tegenstelling tot den
schitterenden imperator, die aan het volk, ondanks al dien glans, tot een
gruwel was geworden.
Zoo bezong Tollens hem ook in den langen
‘Feestzang’ in alexandrijnen, met eenige strophen
besloten, toen in 's Vorsten gezin zelf het huwelijksfeest van den Kroonprins
met Grootvorstin Anna Paulowna van Rusland op 21 Febr. 1816, in
tegenwoordigheid van | | | | den hier reeds vroeger verheerlijkten
Russischen Czaar, werd gevierd als een familiefeest ook van het groote
huisgezin, het Nederlandsche volk. Met dien ten deele schilderenden feestzang
had
Tollens ook in verhevenheid zich zelf nog
overtroffen, meenden zijne tijdgenooten. De geheele plechtigheid werd daarin op
indrukwekkende wijze nog eens aan lezers en hoorders voor oogen gebracht, in
het licht der tijdsomstandigheden geplaatst; en telkens wanneer de dichter zelf
of Loots of iemand anders den feestzang voordroeg, maakte hij diepen
indruk. Falck verklaarde, hem ‘meer dan eens herlezen te hebben en
opgetogen te blijven over die uitvoering van eene taak, welke zoo groote
moeijelijkheid inhad.’ Toen dat zoo voortreffelijk bezongen huwelijk het
volgende jaar bekroond werd met de geboorte van een zoon, zong Tollens
‘Bij de geboorte van den jongen Prins’ (later Koning
Willem III) een nieuwen lierzang.
Met nog uitbundiger toejuiching werd van Tollens in 1819
een nieuw en veel uitvoeriger gedicht begroet, nadat het door de Hollandsche
Maatschappij van Fraaije Kunsten en Wetenschappen met goud was bekroond: het
Tafereel van de Overwintering der Hollanders op
Nova-Zembla. In veler oog was het, en bleef het nog lang, een der
heerlijkste gedichten, die ooit door een Nederlander waren gemaakt. Ieder, die
ook maar eenig gevoel voor poëzie had, kende al spoedig van de vloeiende
alexandrijnen, waarin het geschreven was, geheele reeksen van buiten, en dat
iemand zelfs het geheele gedicht zonder veel moeite uit het hoofd had geleerd,
was lang geen zeldzaamheid. Vertalingen in Fransch en Hoogduitsch, Engelsch en
Boerenfriesch werden er van uitgegeven.
1)
Later is die roem wel wat gedaald en heeft de al te uitbundige lof
zelfs tot onverdiende afkeuring geprikkeld, alsof het eenvoudig
scheepsjournaal, door den scheepsdokter
Gerrit de Veer tijdens de Overwintering gehouden, boven
Tollens' gedicht te verkiezen zou | | | | zijn; maar dat het
dichtstuk groote verdiensten moet hebben, volgt reeds van zelf uit het feit,
dat het in zeldzame mate jaren lang een geheel volk in verrukking heeft kunnen
brengen. Om dat te begrijpen, moet men er echter niets anders in willen zien,
dan het is, namelijk eene reeks van tafereelen van de Overwintering, die met
elkaar eene schilderij uitmaken, en wel eene schilderij in den geest van de in
Tollens' tijd bloeiende schilderschool: de school van J.W.
Pieneman.
Als dichtstuk zou ik ‘De Overwintering’
willen plaatsen naast Pienemans groote doek ‘De slag van Waterloo’,
dat er vele hoedanigheden mee gemeen geeft en samen met het dichtstuk van
Tollens den kunstsmaak van dien tijd het zuiverst vertegenwoordigt.
Het biedt ons een naast-elkaar van figuren en kleuren, die ieder op zich zelf
haar vollen eisch kregen en wel door de groepeering een geheel vormen, maar
niet tot eene harmonische kleur-eenheid samensmelten. Eene galerij van sprekend
gelijkende portretten zal men er met zeker welgevallen aantreffen, met zorg
gerangschikt, maar zonder meer diepte, dan de regelen van het perspectief dat
vereischen, een historisch monument, zooals 's Keizers hofschilder David er
zoovele schiep, maar geene kleur- of figuurverbeelding boven het waterpas der
historische werkelijkheid.
Eene korte herinnering aan de snelle opkomst van winstgevenden
handel en kloeke zeevaart in de Republiek gedurende de eerste jaren van den
worstelstrijd met Spanje brengt ons tot Heemskerk's ‘stout bedrijf’
om ‘Neerlands vlag Europa den doortogt te laten wijzen naar China en
vandaar naar d'Indus langs Nova-Zemblaas kust, in storm en sneeuw
verloren’. Het eerste tafereel, dat de dichter ons schetst, is dat van
het afscheid, op ‘Tessels duinen’ toegezwaaid aan de beide schepen
van ‘den kloeken’ Rijp en van Heemskerk met ‘den
schrandren’ Barends. ‘Hun togt, hun waagstuk’ zal het roerend
onderwerp van het dichtstuk zijn; maar al spoedig werpt de storm, zooals met
sobere aanschouwelijkheid geschilderd wordt, de beide schepen van elkaar. Op
elk van de ranke vaartuigen meent men reeds den ondergang van het andere te
moeten betreuren, maar Rijp weet zich in veilige haven te redden en Heemskerk
komt voorbij de Noordkaap Oostwaarts terecht in eene zee van ijsschotsen en
ijsbergen, domkerken van sneeuw en schitterende ijspaleizen, met groote
kunstvaardigheid beschreven.
‘Hier, waar de Wintervorst zijn zetel opgeslagen heeft’,
ligt | | | | het schip onbeweeglijk, doch niet ver van daar wordt land
gezien, en het scheepsvolk gaat op verkenning uit. Hoe in den nacht een ijsbeer
een van de slapenden ongezien wegsleept, stelt een huiveringwekkend tafereel
ons aanschouwelijk voor, gevolgd door de opwekkelijker tooneelen der slooping
van het schip en optimmering van de hut, waarin men zal overwinteren. Dat de
dichter hier de timmer-mansvaktaal aan de poëzie heeft dienstbaar gemaakt,
mag wel met waardeering worden opgemerkt. Volgende tafereelen vertoonen ons de
hut door ijsberen belegerd, het naderen en aanbreken van den maandenlangen
poolnacht, het vieren van een feestdag onder half vroolijken half weemoedigen
kout en het schitteren van het noorderlicht als een ‘prachtig
vuurwerk’. Dan vertelt ons de dichter van het stikkingsgevaar, waaraan de
mannen in de al te dicht toegestopte hut eens maar ternauwernood ontsnapten, en
van het wegslinken van voedsel en brandstof, met uithongering en bevriezen in
't verschiet. Als de wakkere Barends, de kundige stuurman, bezwijkt, is
‘de nood ten top, de ramp het hoogst gestegen’ en zijn de mannen
der wanhoop nabij, maar dan ook vertoont zich de eerste flauwe straal der hoop
in het eerste stralen van het terugkeerende daglicht.
Nu nadert het dichtstuk ook zijn einde; de overwintering is
volbracht. Met de eenig overgebleven boot banen de kloeke mannen zich dwars
door de ijsschotsen een weg naar het Zuidwesten, en aan ‘Laplands
oever’ zien zij reeds van verre met verrukking ‘de vlag van 't
Vaderland’ wapperen van het schip van Rijp, die daar heeft overwinterd.
Zoo kunnen dan de meesten behouden naar vrienden en verwanten, naar vrouw en
kinderen terugkeeren, en ‘'t erkentlijk Vaderland, dat zijn uit den dood
herlevende kindren weer juichend opneemt’, geeft hun, zij de tocht ook
niet geslaagd, de zoo welverdiende eer, want ‘het rekent d' uitslag niet,
maar telt het doel alleen.’
Op deze wijze heeft
Tollens van de los achter elkaar opgeteekende
feiten in het scheepsjournaal, door telkens het gelijksoortige bijeen te nemen
en de aandacht op de hoofdzaken alleen te vestigen, eene reeks van boeiende
tafereelen gemaakt, die met elkaar een beeld geven van de grootheid onzer
voorvaderen in hunne kloeke eenvoudigheid.
Toen Tollens dit dichtwerk schreef, was hij nog geen
veertig jaar oud en dus in de kracht van zijn leven; maar toch was hij reeds | | | | door zijn volk als ‘vader Tollens’ geliefd. Hoe groot
zijne populariteit toen was, blijkt wel het best hieruit, dat, toen in 1822 een
vierde druk noodig was van zijne ‘Gedichten’ (door
het opnemen van eenige nieuwe tot drie deelen uitgebreid), de uitgever, zijn
vriend Immerzeel, het aandurfde, eene oplaag van tien duizend exemplaren ter
perse te leggen, die reeds in 1831 door een vijfden druk kon worden gevolgd,
terwijl hij bovendien in 1821 het eerste, in 1828 een tweede deel van
‘Nieuwe Gedichten’ uitgaf. Om een tweede voorbeeld
van zulk eene populariteit aan te treffen, moet men tot
Cats teruggaan. En die populariteit had niets aan
reclame te danken, want daarvan was niemand meer afkeerig dan Tollens,
die als zijn uitgever Immerzeel het eens met colportage (‘kwakzalverige
bedelarij’ noemt hij het) wilde beproeven, hem voor eenige jaren de
vriendschap opzegde en naar een anderen uitgever omzag. Wie mocht meenen, dat
een zoo verbazend debiet zijner werken den dichter wel schatten moet hebben
opgebracht, zou zich vergissen. Tollens heeft er ter nauwernood eenig
honorarium voor willen aannemen. De bron zijner inkomsten was zijn verfhandel,
dien hij als een goed koopman ijverig behartigde, maar hij had te veel
kunstgevoel om poëzie als koopwaar te kunnen beschouwen. Alleen de
materiëele boekvorm moest naar zijne meening worden betaald; en dien
leverde zijn uitgever, van wien hij alleen eene goede verzorging van dien vorm
verlangde
1).
Nieuwe wegen sloeg
Tollens met deze gedichten nauwelijks meer in,
ofschoon hij in de beheersching van taal en versbouw zich telkens weer grooter
meester toonde, en zichzelf ook hoogere eischen stelde. De vaderlandsche
romance bleef nog een lievelingsvak van hem, zooals hij toonde door verhalen
als ‘Jan Harink’, ‘De Spaansche
broeders voor Haarlem’, ‘Dirk Willemsz. van
Asperen’, ‘Lieven Heere van
Zierikzee’, ‘De jongeling van
West-Zanen’, ‘Nanning Kopperszoon te
Hoorn’, en ‘Het Te Deum Laudamus in
's-Hertogenbosch’. Ook liederen ter eere van het vaderland bleef
hij zingen. In een daarvan, dat hij
‘Vaderlandsliefde’ betitelde, wees hij voor zich den
naam, ‘wereldburger’ af, niet, omdat hij weigerde te erkennen wat
er groots en goeds in andere landen gevonden wordt, maar omdat hij nu eenmaal
de meeste liefde gevoelde voor | | | | wat hem het meest nabij was. Daarom
bleef hij ook huiselijke stukjes dichten, zij het ook niet zooveel als vroeger,
toen zijne kinderen nog jong waren en zijne vadervreugde eveneens.
Meest bepaalde Tollens zich tot het schrijven van kortere
gedichten, omdat hij sobere eenvoudigheid hoog stelde, misschien zelfs wat te
veel najoeg, en overlading en uitweiding afkeurde. Slechts eene enkele maal
ontwierp hij een grooter gedicht, zooals toen hij in alexandrijnen een
schilderend verhaal gaf van den door Graaf Willem I ondernomen en met
De verovering van Damiate besloten kruistocht, en
toen hij in
Klara en Ewoud, eveneens in alexandrijnen,
tot in bijzonderheden uitgewerkte tafereelen van eene overstrooming schilderde,
waartoe in een land als het onze voor zoovelen aanleiding geweest is, maar
waarin misschien niemand beter is geslaagd dan Tollens, die den indruk
der ellende, door het geweld der golven aangericht, nog wist te verhoogen door
als tegenstelling eene liefelijke idylle te schetsen, die zoo wreed door den
woesten watervloed verstoord schijnt, tot op het einde van het gedicht niet
alleen Klara, maar ook haar Ewoud gered blijkt.
De voortreffelijke beschrijving van den ijsgang in dit gedicht
evenals van de poolnatuur in ‘De Overwintering’,
bewijst opnieuw, hoeveel oog Tollens had voor de natuur in alle
jaargetijden, en menig kleiner gedicht is dan ook door hem aan de ontwakende,
bloeiende of in winterslaap verzonken natuur gewijd. Kenmerkend voor den
dichter is vooral zijne ‘Avondmijmering’, waarin hij
met weemoed terugdenkt aan de jaren zijner jeugd, tusschen de Eltensche
heuvelen doorgebracht, toen hij den strijd nog niet kende tusschen zijne zucht
tot de vrije beoefening der dichtkunst en den eisch der zorgvuldige
plichtsbetrachting, waardoor hij genoopt was in de Rotterdamsche Wijnstraat
achter den lessenaar voor zijn gezin het dagelijksch brood te verdienen. Is
iets bij machte hem, in gepeins omdolend langs een eenzaam pad buiten ‘de
beuzelzieke stad, tot de menschen weer te roepen’, dan is het ‘Het
kerkgebouw’, de grijze tempel, waarin allen zonder onderscheid van rang
of stand samenkomen om zich als broeders in gebed te wenden tot denzelfden
Hemelschen Vader.
Welke kerk Tollens hier bedoelt, blijkt uit het gedicht
niet en behoefde er ook niet uit te blijken, want in een ander gedicht, dat hij
‘Geloofsbelijdenis’ betitelde, spreekt hij het
duidelijk uit, dat ieder vroom geloof hem heilig is, en hij zonder onderscheid
van kerk- | | | | genootschap ieder Christen, ‘die de stem volgt van 't
geweten, als zijn geloofsgenoot erkent, ook zelfs den zoon van Abraham’.
Met zulk eene overtuiging kon hij moeielijk meer een gehoorzaam zoon blijven
van de Katholieke kerk, waartoe hij van afkomst en opvoeding behoorde, en
vreemd is het dan ook niet, dat hij zich met zijn gezin door zijn vriend, den
Rotterdamschen predikant
Abraham des Amorie van der Hoeven in 1827, even
vóór deze naar Amsterdam vertrok om daar het professoraat aan het
Remonstrantsche seminarie te aanvaarden, tot lidmaat van de Remonstrantsche
broederschap liet aannemen. Met Vondel had dus deze dichter geloofsverandering
gemeen, maar de motieven, die hem daartoe leidden, maakten tevens, dat hij, in
tegenstelling tot Vondel, noch voor zijn nieuw geloof ijverde, noch vijandig
tegen de door hem verlaten kerk optrad. Zonder eenigen ophef had zijn overgang
plaats en belandde hij als vanzelf dáár, waar hij zich al lang
het meest had te huis gevoeld, in den kleinen kring der vrijzinnige Christenen,
voor wie liefde tot God en den evenmensch één was, en het
ééne noodige.
Wanneer
Tollens in zijne gedichten predikt - en dat
doet hij zoo nu en dan - dan is ‘menschenliefde, broederlijke
gezindheid’ meestal zijn tekst. Voor dezen zoon der Revolutie waren
‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’ geene ijdele leuzen. In
anderen zag hij allereerst den mensch, den natuurgenoot, en dien wilde hij
vooral ook in den arme doen waardeeren en liefhebben. Vandaar menig gedicht,
waarmee hij de meergegoeden opwekte tot medelijden en weldoen. Wie het goed
heeft in deze wereld, moest er toe bijdragen, dat anderen het althans niet zoo
verschrikkelijk ellendig hadden als soms het geval was, meende hij. ‘Het
Oosten blaast, het wintert fel, 't is buiten vinnig koud. Goddank! Wij hebben
turf en hout, wij zitten warm en wel. Al zijn de boomen wit als dons, de
grachten hard als lood, wat, wijfjelief! wat deert het ons? Wij hebben warmen
wijn en pons, wij hebben dek en brood!’ Zoo begon hij zijn
‘Winter-avondliedje’ vol dankbaarheid, maar die tevreden aanloop
diende alleen om te beter te doen uitkomen, hoevelen er zonder vuur om zich te
warmen, zonder deksel en voedsel onder het barre winterweer leden, en hoe
noodig, maar ook hoe zalig weldoen was. Dergelijke gemoedelijke opwekkingen tot
weldadigheid zou Tollens er later nog meer dichten en dan zou hij er
ook de middelen mee bijeenbrengen om weldadig te kunnen zijn.
Behalve oorspronkelijke gedichten heeft Tollens in dezen
tijd | | | | ook vrij wat vertalingen uitgegeven. In 1818 zagen van hem
twee stukjes
Romancen, balladen en legenden het licht, die
drie en dertig gedichten bevatten uit het Fransch en Engelsch, maar verreweg
het meest uit het Hoogduitsch vertaald, waarbij hij eene merkbare voorkeur
toonde voor Bürger en Schiller. Gewoonlijk wist hij den toon van het
oorspronkelijke goed te vatten en zuiver weer te geven, het best wanneer die
schalksch of naïef was, minder goed, wanneer de romantische stemming naar
het geheimzinnig-mystieke overhelde, dat met zijne realistische natuur niet
strookte. In 1889 gaf hij ook nog een bundel ‘Dichtbloemen bij de
naburen geplukt’ in 't licht, doch vele van deze waren ook reeds
vroeger door hem vertaald en zelfs hier en daar gedrukt.
Tusschen deze beide bundels in verscheen in 1832 zijne vertaling der
Liedjes van Matthias Claudius, waarin hij zoo
voortreffelijk slaagde, omdat van alle buitenlandsche dichters geen enkele
zooveel geestverwantschap met hem vertoont als Claudius. Zacht gevoel,
eenvoudigheid van uitdrukking en guitigheid van opmerking waren beiden evenzeer
eigen. Bijna zou men zeggen, dat hij dat van Claudius had geleerd, en zeker is
de poëzie der Duitschers niet geheel zonder invloed op hem gebleven; maar
aan zijne oorspronkelijkheid doet dat niet te kort. Hij wilde boven alles zich
zelf zijn, geen navolger. Hij verheugde er zich in, dat, wanneer het nageslacht
nog eens zijne zangen zou vermelden, het dan zijne dichtkunst naar zijn eigen
naam zou noemen, en dat behoort het nageslacht ook te doen. Tollens
volgde de lijn van eigen ontwikkeling, tot eene school behoorde hij niet.
Wèl daarentegen heeft hij eene school gevormd. Dat men hem
navolgde, kon hij niet verhinderen, en dat men het vooral deed in die
eigenaardigheden, welke aan anderen juist als eene ‘manier’
begonnen te mishagen, b.v. in klankspeling ep. letterrijm,
óvereen-voudigheid en gezochte naïveteit, heeft ook aan zijn roem
bij het nageslacht geen goed gedaan. Dat de vrienden zijner jeugd,
Westerman en
Immerzeel, zijn invloed ondergingen, is niet
vreemd: de eerste in zijne beide deelen
‘Dichtstukjes’ (1813-17) en in zijne
‘Dichterlijke mengelingen’ (1822), de tweede in
zijne twee deelen ‘Gedichten’ (1823) en het
dichtstuk ‘De Moederliefde, in vier zangen’ (1819).
Spandaw was reeds van aanleg zijn geestverwant en
dus van zelf geniegd zich bij hem aan te sluiten.
Warnsinck leerde nooit op eigen beenen te staan,
en toen hij in Feith zijn afgod had | | | | verloren, sloot hij zich te
nauwer bij zijn vriend
Tollens aan, wien hij als eene schaduw op zijde
bleef, eene echte schaduw zonder kleur en ronding, en die daarom
Tollens alleen in zijne gemoedelijke vroomheid wist te volgen.
Een vriend en navolger van Tollens als de Gorkumsche
dichter Mr.
Abraham Boxman
1) (geb.
1796 † 1856) behoeft slechts even vermeld. Zijn bundel
‘Gedichten’ (van 1823) heeft evenmin iets wat hem
bijzonder onderscheidt, als zijne ‘Dichterlijke
Nalatenschap’, die in 1862 in twee deelen werd uitgegeven.
Leerlinge van Tollens was de jong gestorven dichteres
Johanna Constantia Cleve (te
Dordrecht in 1802 geboren en te Leiden in 1822
overleden), wier ‘Lentebloemen’ van 1817 nog niet
eens hare eerstelingen waren. Evenals hare gedichten beschaafde
Tollens ook die van den genie-officier
F.P. Gisius Nanning
2) (geb. 1798 † 1832), die in 1825
‘Mengeldichtjes’ en in 1828 eene
‘Proeve van krijgsgezangen’ uitgaf.
Niet minder trouwen aanhanger vond Tollens in zijn jongeren
vriend en stadgenoot
Johannes Leonardus Nierstrasz, 4 Maart 1796
geboren en aanvankelijk door Immerzeel in de dichtkunst terecht gewezen en door
dezen bij Tollens aanbevolen. Ook hij behoorde tot die aanhankelijke
zielen, die, in vereering van den bewonderden meester opgaande, niet eens
gevoelen, hoe weinig eigen ziel zij zelf bezitten. Daarom behoeft hun werk nog
niet, zooals dat der opzettelijke navolgers, onbeholpen en gekunsteld te wezen;
en Nierstrasz ontbrak het dan ook niet aan oprecht gevoel en
technische vaardigheid, wel aan zelfstandige vinding en frischheid.
Tot zijne oudste gedichten behoort een langademig lierdicht
De Verlosser, dat hij met enkele andere gedichten
in 1820, na lang aarzelen, met eene opdracht aan
Feith, uitgaf, niet omdat het hem zelf als dichtstuk
bevredigde, maar omdat zijne vrienden, die het bij voorlezing stichtelijk
hadden gevonden, meenden, dat het ook anderen stichten zou. In 1822 liet hij
daarop zijn
John Howard volgen, een dichtstuk in
alexandrijnen ter eere van dien Engelschen menschenvriend, die voor betere
inrichting der gevangenissen en | | | | zedelijke verbetering der
gevangenen had geijverd en wiens werk Nierstrasz aan zijne
landgenooten ten voorbeeld stelde.
Een nieuw gedicht, dat hij in 1826 uitgaf, was eene reeks van
episoden, die samen eene dichterlijke levensbeschrijving vormden van den
kloeken en onbaatzuchtigen loods
Frans Naerebout, in Augustus 1818 in zijn
zeventigste jaar overleden, na aan tal van schipbreukelingen, met gevaar voor
eigen leven, het leven te hebben gered. Hij noemde het ‘een dichterlijke
bloem gestrooid op een eerlijk graf’, het graf van een nederig man, die,
‘in vermaardheid opgestegen, den staat tot eer, de menschheid tot een
zegen was geweest.’ In meestal goedgebouwde alexandrijnen worden er de
heldendaden van dezen eenvoudigen zeeman in den breede in verhaald en
geschilderd, van zijne eerste befaamde reddingsdaad (van een en zeventig
passagiers der ‘Woesduin’ in Augustus 1779) af, waarvan het verhaal
het vierde deel van het gedicht uitmaakt, maar door de vermelding van allerlei
kleine op elkaar gelijkende bijzonderheden in op elkaar gelijkende beelden en
zinnen zóó traag voortkruipt, dat de lezer van onzen tijd niet
licht den moed zal behouden, ook de verhalen van Naerebout's andere daden te
gaan lezen, zooals van zijn merkwaardigen tocht met de ‘Zuiderburg’
en zijne reis met de ‘Voorland’. In soberheid en zelfbeheersching
heeft Nierstrasz hier Tollens allesbehalve tot voorbeeld genomen, al
treft ons bij de beschrijvingen telkens de navolging van gedeelten uit
‘De Overwintering’.
Eindelijk volgde van
Nierstrasz in 1827 nog een bundel
‘Gedichten’, waarin een leerdicht ‘De
Onsterfelijkheid’ en eene te Antwerpen met goud bekroonde
‘Dithyrambe op Petrus Paulus Rubens’ opmerking
verdienen. Dat zijn ‘Frans Naerebout’ reeds in 1827 een tweeden
druk beleefde, waarin eenige verbeteringen, vooral ten aanzien van de caesuur,
waren aangebracht, heeft den bescheiden, maar voor scherpe critiek al te
gevoeligen dichter weinig voldoening kunnen geven, want in 1828 verscheen er
een hatelijk hekeldicht onder den titel ‘Nieskruid voor den heer
J.L. Nierstrasz’, zonder naam van den schrijver, die later echter
gebleken is
Jan Wap geweest te zijn, een jeugdige belhamel
uit Bilderdijk's school. Op de vrienden van Nierstrasz maakte deze
vlegelachtige aanval nog te pijnlijker indruk, omdat de zoo welmeenende,
zachtmoedige dichter niet lang daarna, 2 Augustus 1828, nog zoo jong, overleed.
Tollens schreef toen een gedicht
‘Ter uitvaart’ | | | | voor zijn vriend en vier
versregels op zijn grafzerk te Alphen.
Geheel in den geest van den tijd, waarin de Maatschappijen van
Weldadigheid en Tot Nut van 't Algemeen zooveel bijval vonden, rekenden de
dichters uit Tollens' school, zooals Nierstrasz, zich niet te
verheven, om door hunne gedichten mee te werken tot het aankweeken van
huiselijke en maatschappelijke deugden, zooals plichtsbetrachting,
verdraagzaamheid, vrome godsdienstzin, menschlievendheid en weldadigheid.
Daardoor onderscheidt zich ook de poëzie van een ander van
Tollens' leerlingen en vrienden,
Willem Messchert, te Rotterdam in
1790 geboren en daar in 1844 overleden. Aan de Maatschappij van Weldadigheid
wijdde hij een lofdicht, een ander gedicht aan den ‘Watersnood’ van
1820, maar zijn naam vestigde hij door zijn dichtstuk
De gouden bruiloft, in 1825 uitgegeven met een
‘voorberigt’ van Tollens, die er in 1848 ook eene
prachtuitgave van bezorgde met vignetten van Charles Rochussen versierd
1). In den
trant van de ‘Luise’ en den ‘Siebzigste Geburtstag’ van
J.H. Voss, maar toch met echt Nederlandsche kleur en oorspronkelijke opvatting,
geeft Messchert daarin het schilderend verhaal eener eenvoudige
goudenbruiloftsviering in drie tafereelen, aan Morgen, Middag en Avond van den
feestdag gewijd.
Naar het werkelijke leven en wel van Rotterdammers, in wier midden
de dichter leefde, en wier eigenaardigheden zich hier en daar duidelijk
verraden, zijn de hoofdpersonen van deze stadsidylle geteekend: het gouden
bruidspaar zelf, de reeds wat krukkende bruidegom en de nog kittige bruid,
dankbaar voor hun gezegend huwelijksleven; en hunne kinderen, zoowel de oudste
zoon, die zelf reeds grootvader is, en het blonde Saartjen, voor wie de avond
van het feest tevens haar verlovingsfeest met den huisdokter wordt, als de
schoonzoon-wijnkooper en de schoonzoon-effektenmakelaar, die het
zóó druk heeft, dat hij het groenmaken en de eerste begroeting
van het bruidspaar 's morgens bijna als tijdverlies betreurt en 's middags
wegens drukke zaken eerst aan het feestmaal kan verschijnen, wanneer de gasten
reeds begonnen zijn; en dan de kleinkinderen, de jonge predikant met vrouw en
kind en de nog | | | | jeugdiger dichter, van wiens bruiloftsdicht gezegd
wordt ‘al is 't van Tollens niet, het is hem nagezongen’, en die
aan den maaltijd zelf met zijn nichtje verloofd wordt; en ten slotte de oude
vriend van den huize, die vrouw en kroost heeft moeten verliezen en nu, eenzaam
overgebleven, met gemengd gevoel van weemoed en deelneming in de vreugde zijner
vrienden, te midden van zooveel dankbare vroolijkheid aan den somberen ernst
van het leven herinnert.
Tot het nauwkeurig mededeelen van allerlei kleine bijzonderheden,
zooals van de schikking der gasten aan tafel en de opgedischte gerechten, heeft
het voorbeeld van Voss (die daarin weer Homerus volgde) den dichter zeker
gebracht, maar dat hij het met talent deed en over zijn realisme een
zacht-poëtisch waas spreidde, mag men niet ontkennen. Dat een onderwerp
als het door hem behandelde zonder eenige vreemdsoortige nieuwheid, schokkende
verrassing of duistere diepzinnigheid juist door zijn blij-ernstigen eenvoud de
gelegenheid bood, het menschelijk leven niet onder den schoonen schijn eener
opgevijzelde grootheid, maar in zijne wezenlijke verhevenheid af te beelden,
kon misschien in geen tijd beter worden gevoeld, dan in dien, waarin
Messchert's Saartjen alles voor het gouden feest harer ouders in orde
bracht.
Van de velen, die tot Tollens' leerlingen mogen gerekend
worden, en ook tot hen, die als vertrouwde vrienden met hem omgingen, was er
geen, die als dichter in de schaduw kon staan bij
Adriaan Bogaers, vooral ook omdat hij geen
slaafsch navolger van den meester was, maar een zelfstandig leerling van groote
begaafdheid. Toch mag hij nu nog slechts terloops worden vermeld, want, al
maakte hij ook al van 1810, d.i. van zijn vijftiende jaar, af verzen, hij bleef
twintig jaren lang huiverig, ze te laten drukken, ook al droeg hij ze te
Rotterdam in verschillende maatschappijen voor. Als door hem bezongen
onderwerpen kennen wij o.a. de moederlijke tederheid en de onsterfelijkheid,
maar evenmin als de daaraan gewijde gedichten zijn er andere van hem uit deze
periode gedrukt. Alleen ‘De redding van het kind Mozes uit de
wateren’ (van 1822) heeft later, doch geheel omgewerkt, onder den titel
‘Jochébed’ het licht gezien. Als dichter
behoort Bogaers dus eigenlijk niet tot dit tijdvak onzer letteren,
maar eerst tot het volgende.
Tot Tollens' kring van Rotterdamsche kunstvrienden
behoorde | | | | nog de advocaat
Abraham Sieuwerts van Reesema
1) (geb. 1786 † 1848), die echter
maar zelden de lier besnaarde, doch zich naam maakte door zijne vele
verhandelingen over kunst en letteren, en de gemeentesecretaris van
Rotterdam,
Nicolaas Jeremias Storm van 's-Gravesande (geb.
1788 † 1860), die in 1827 een bundel ‘Luimige
gedichten’ uitgaf van middelmatig gehalte, zooals de grappig
berijmde anecdoten van Asschenbergh indertijd geweest waren. Enkele van deze
mochten zich in algemeene bekendheid verheugen, zooals ‘De doove
orgeltrapper’, die wel wist, hoeveel wind zijn eenvoudige organist voor
elk gezangvers noodig had, maar veel te vroeg met trappen ophield, toen een
grooter kunstenaar, met zijne prae- en interludia, zijn krachtig en vol geluid,
veel meer wind behoefde, dan de doove orgeltrapper gewend was te geven; en het
niet minder vlot berijmde verhaal van ‘De Jager en de Dichter’,
waarin verteld wordt, hoe de laatste, die niet werken kan op zijne bovenkamer,
omdat in het benedenvertrek een aan huis gebonden jager daar alles voor eene
jacht heeft ingericht, nu boven diens hoofd de kamer tot een vijver laat maken,
waar hij zich met visschen vermeit, maar natuurlijk met dit gevolg, dat het
water door de reten der zoldering heendringt en het geheele jachtgebied met
stortbuien overgiet. Zoo leerde de benedenbuurman de rust van zijn bovenbuur
eerbiedigen.
Hetzelfde onderwerp werd onder den titel ‘De
Kamerjagt’ veel beknopter ook behandeld door den Amsterdamschen
makelaar
Jacob van Oosterwijk Bruyn (geb. 1794 †
1874), ook een vriend van
Tollens, die veel meer opgang maakte met zijne
twee verzamelingen ‘Luimige dichtstukjes’ (van 1824
en 1830) en eene nieuwe verzameling ‘De boertige
zangster’ (van 1837, 6 dr. 1877), waaruit verscheidene gedichten
door velen geheel van buiten geleerd werden, wat de bewonderenswaardige
vloeiendheid der strophen en de natuurlijkheid der taal in verhaal en dialoog
ook gemakkelijk maakten.
Eene andere berijmde anecdote van dezen, ‘De
Sterrekundige’, vertelt ons van een geleerde, die, zijn maaltijd
door een ander opgegeten vindend, in zijne afgetrokkenheid zich verbeeldt, dat
hij zelf zijn maaltijd al gedaan heeft. Vele gedichten in zijne bundels zijn
vertalingen of navolgingen van Fransche of Hoogduitsche | | | | voorbeelden; eene enkele maal bootst de dichter in stijl en
woordenkeus
Cats na; in twee gedichten, ‘De stedeling op
zijn buiten’ en ‘De landman in de
stad’, doet hij grappig uitkomen, hoe weinig iemand zich te huis
gevoelt in eene andere omgeving, dan waarin hij past. Ook aan gebeurtenissen
van den dag, vooral in Amsterdam, zooals het afbreken van
‘De Haringpakkerstoren’ in 1829 en ‘Het
sloopen van de Haarlemmerpoort’ in 1837, ontleende hij soms zijne
stof; maar meer geliefd werden toch zijne grootere gedichten. Daarmee trad hij
soms in het voetspoor van
Lucas Pater en
De Lannoy, wanneer hij b.v. in zijn rijmbrief
‘Het familjaar souper’ het opdrijven van
weelderigheid en deftigheid bij vriendschappelijke bijeenkomsten hekelde, of,
in een fragment ‘De trekschuit’, zijn reisgezelschap in zulk eene
schuit tusschen Amsterdam en Halfweg allervermakelijkst teekende door het
sprekende in te voeren. Zijn lievelingstrant echter was het toen zoo goed als
verouderde, maar door hem weder in eere gebrachte burleske, waardoor verhalen
uit de mythologie grappig anachronistisch, maar door hem nooit plat, werden
voorgesteld. De meest bekende verhalen van hem in dien trant waren zeker zijn
‘Orpheus’ en ‘Philemon en
Baucis’, maar vermelding verdienen toch ook nog zijn
‘Pygmalion’,
‘Phaëton’, ‘Theseus en
Ariadne’ (in drie zangen) en ‘Ulysses en
Penélope’ (in drie deelen).
Behalve deze bundeltjes heeft Van Oosterwijk Bruyn anoniem
ook nog twee bedrijven uitgegeven van eene treurspelparodie, getiteld
‘Jan Jacob of de Regietabak’, die samengesteld is
uit niet onaardige, grappig-hoogdravende parodieën van tooneelen uit toen
bekende treurspelen in alexandrijnen. Poëzie zou Van Oosterwijk
Bruyn zelf zijn dichtwerk niet hebben genoemd, maar geen van allen, die in
zijn trant dichtten, bezat toch zooveel heerschappij over taal en dichtvorm,
als hij, noch had een zoo grooten overvloed van gelukkige invallen. Vernuft kan
hem zeker niet worden ontzegd, en al is dat ook niet altijd even geestig of
fijn, laf is het toch nooit. In zijne vermakelijke dichtsoort, die toch zeker
ook wel recht van bestaan heeft in onze litteratuur, is hij een der besten, al
kan hij ook de vergelijking met een geestig man als
Staring in eene verwante dichtsoort moeielijk
doorstaan.
|
1)Spandaw's ‘Wilhelmus’ op de wijze
van ‘Partant pour la Syrie’ vond ik o.a. in het liedboekje
‘Het Haagsche bosch vol vrolijke zangers’.
1)De volksliederen van Tollens en van Brand
van Cabau kwamen het eerst ‘in gevolge het Programma van den Lt. Adm. van
Kinsbergen in Musiek gebragt door J.W. Wilms’, Amst. 1817 in folio uit.
Het ‘ Wien Neerlandsch bloed’ werd in het Fransch vertaald
door Charles Durand en door Aug. Clavareau, in het Hoogduitsch door F.W. von
Mauvillon en door G.W. Bueren, en in het Engelsch door J.F. Sanders. Ook
bestaat er eene vertaling van in het Boerenfriesch en eene in het
Hebreeuwsch.
2)Brand van Cabauw heeft zich verder als
dichter nog maar alleen bekend gemaakt door een bundeltje
‘Dichtstukjes’ (1824) en door in 1828 in alexandrijnen het
treurspel ‘Jeanne d'Arc of de maagd van Orleans’ uit het Fransch
van Alexandre Soumet te vertalen.
1)‘Les Bataves (of: L'hivernage des
Hollandais) à la Nouvelle-Zemble par A. Clavareau’, Brux. 1828, 3
éd. Maestricht 1838, 4 éd. Utrecht 1851; ‘Die
Holländer auf Nova Zembla von F.M. Duttenhofer, herausg. von P.W.
Quack’, Stuttgart 1850; ‘Die Ueberwinterung auf Nova Zembla
von A. Haeger’, Amst. 1871; ‘The Wintering of the Hollanders
on Nova Zembla by Anglo-Saxon’, Leeuw. 1860; ‘The Hollanders
in Nova Zembla. An arctic poem by D. van Pelt, New-York 1882; ‘De
Oerwintering der Hollanders op Nova Sembla, yn de jirren 1596 en 1597.
Forfryske fen H.G. van der Veen’, Ljouw. 1861. Hoeveel er nog verder
van Tollens in Fransch, Duitsch en Engelsch vertaald is, zie men bij G.D.J.
Schotel, Tollens en zijn tijd, Tiel 1860, bl. 299-320.
1)Zie daarover J. Valckenier Suringar,
Tollens uit zijn brieven geschetst als dichter en als koopman, in
‘Rotterdamsch Jaarboekje voor 1923’ en ook
afzonderlijk.
1)Van Abr. Boxman heeft men eene biographie
door J.W. Elink Sterk in de ‘Levensberigten van de Maatsch. der Ned.
Letterkunde te Leiden’, 1856, bl. 84-108, en ook voor de uitgave zijner
‘Dichterlijke Nalatenschap,’ Middelburg 1862 II dln.
2)Eene biographie van F.P. Gisius Nanning
bestaat er van Tollens' hand.
1)Tollens gaf ook nog Messchert's Nagelaten
Gedichten, Haarlem 1849 verzameld uit en schreef eene Karakterschets van
Messchert in ‘De Tijd’ 1848 II bl. 196 vlgg.
1)Voor Abraham Sieuwerts van Reesema zie men
G. Mees Az. in ‘Levensberigten van de Maatsch. der Ned. Letterkunde te
Leiden’ 1849, bl. 67-71.
|
|