|
|
|
| |
XXIX. Bilderdijk in opstand tegen den tijdgeest.
De overstelpend snelle opeenvolging der gebeurtenissen in het
tijdperk der Revolutie, zoowel in ons vaderland, als in Frankrijk, en het
daarop als een wonder gevolgde Napoleontisch keizerrijk, met zijne reeks van
schitterende overwinningen en zijn plotselingen val, had over geheel Europa de
geesten in eene beroering gebracht, waarvan de wedergade nauwelijks in eenigen
tijd is aan te wijzen. Jaren lang had men ook hier te lande geleefd als in een
roes van geestelijke dronkenschap of onbehaaglijke geprikkeldheid. Verrukking
en verschrikking hadden elkaar telkens afgewisseld, en om weer tot zich zelf te
komen, had de maatschappij nu niets dringender noodig dan rust. Napoleon's val
had die gebracht, en niemand scheen | | | | nu een grooter vijand der
menschheid, dan wie den gewenschten vrede, de heilzame rust weer zou willen
verstoren en zich verzetten tegen het bestaande, al was dat ook het pas tot
stand gekomene.
Veel van het oude was door de Revolutie vernield of omvergeworpen en
restauratie daarvan, waar sommigen buitenslands naar streefden, was niet meer
mogelijk. Men moest zich leeren verzoenen met het nieuwe, dat in menig opzicht
ook zooveel beter was, dan het oude; en hier te lande wilde men dat ook wel.
Van hetgeen op sociaal en politiek gebied als verbetering was ingevoerd, moest
door besnoeiing van te wilde ranken de regelmatige groei worden bevorderd.
Dat begreep hier met zijn volk ook de Koning, die dankbaar de
erfenis van Revolutie en Keizerschap had aanvaard, in naam als constitutioneel
vorst, zooals de tijdgeest dat verlangde, in werkelijkheid als monarch, zooals
men hem toeliet te zijn, omdat men van zijne vrijzinnige denkbeelden overtuigd
was. Zij bleken uit zijne daden, die alle de volkswelvaart beoogden, en
eveneens uit de keus zijner raadslieden en hooge ambtenaren, want bij voorkeur
bevorderde hij daartoe oudpatriotten of verzoeningsgezinde oranje-mannen, die
uit de Revolutie leering hadden getrokken, evenals hijzelf. Het gezond verstand
beschouwde hij als machtiger middel om eendracht, onderlinge waardeering en
volksgeluk te bevorderen, dan het hartstochtelijk gevoel, dat de heerschappij
aan het persoonlijke zoekt te verschaffen en daarmee zoo licht twist en
tweedracht veroorzaakt.
Dat rationalisme waardeerde hij daarom ook ten aanzien van kerk en
godsdienst. Religieuse verdraagzaamheid was ook zijne leus, en verzoening door
het wegslijpen van de scherpe kanten. Vandaar, bij behoud der gelijkstelling
van alle godsdienstige gezindten, de vervorming der groote, der gereformeerde
kerk tot een Nederduitsch-Hervormd kerkgenootschap, met eene zóó
vage geloofsbelijdenis, dat zij, die niet meer staatskerk kon blijven, nu
althans de gelegenheid kreeg, zich tot algemeene volkskerk te ontwikkelen.
Verreweg de groote meerderheid der Nederlanders juichte dat alles
toe en zag er het middel in om vrede en welvaart te bevorderen in het
gemeenzame vaderland, waarop ieder trotsch was, en waarvoor ieder des te liever
wilde ijveren, omdat de Koning in het oogvallend hen begunstigde, die in den
Franschen tijd, zonder juist aan het Oranjestamhuis te denken, aan hun
nationaal karakter | | | | getrouw waren gebleven en zich ‘van
vreemde smetten vrij’ hadden gehouden.
In eene door dezen geest bezielde maatschappij, onder de raadslieden
van een Koning als Willem I, onder de leidslieden van zulk een volk als het
Nederlandsche toen was geworden, was er geene plaats voor Mr.
Willem Bilderdijk.
Aanvankelijk begreep hij dat nog niet, toen hij tot de eersten
behoorde om over ‘Hollands Verlossing’ mee te
juichen en in de ‘Vaderlandsche Uitboezemingen’ (van
1815) nog opgeschroefder toon van vaderlandsliefde aan te slaan; maar spoedig
zou het hem op gevoelige wijze aan het verstand worden gebracht. De gehechtheid
die hij aan Willem V had betoond, ook door dezen in zijne ballingschap te
volgen, werd door Koning Willem I niet over het hoofd gezien; en daar de
verdrijving van Napoleon den dichter van zijn kort te voren verworven jaargeld
beroofde en aan nieuwe armoede ter prooi liet, kende de Koning hem ook van
zijne zijde een jaargeld toe. Dat was echter slechts een
‘bedelbrok’ in het oog van Bilderdijk, die veel meer, die
geheel iets anders wenschte.
Hofpoëet was hij reeds eenmaal, bij Koning Lodewijk, geweest en
daarom kon hij het onmogelijk weer worden bij Koning Willem, die hem bovendien
niet vertrouwde, omdat zijne ‘Ode aan Napoleon’ en zijne
‘Hulde aan Zijne Keizerlijke en Koninklijke Majesteit’ nog niet uit
ieders geheugen gewischt waren. Daarbij kwam, dat Bilderdijk altijd de
beginselen der Fransche revolutie had verfoeid en was blijven verfoeien,
terwijl de Koning juist zijn best deed, er de voor het volk heilzame vruchten
van te plukken. Ware hij nu slechts verzoeningsgezind geweest! Maar hij was
onberekenbaar hartstochtelijk en opbruisend, met nog ongedoofde dichterlijke
geestdrift, heerschzuchtig en strijdlustig, met nog onverzwakte
strijdvaardigheid. Voor de rust van den staat, voor de eendracht van volk en
vorst zou Bilderdijk's invloed een gevaar zijn geweest. Dat begreep de
Koning en daarom hield hij hem op den achtergrond. Voor ieder was er plaats in
het groote Nederlandsche huisgezin: alleen voor dwarsdrijvers als
Bilderdijk niet.
Dat men het aanvankelijk toch nog wel met hem heeft willen
beproeven, bleek in 1814 niet alleen uit zijne benoeming tot voorzitter, later
tot bezoldigd secretaris van het Kon. Instituut, maar ook uit zijne aanstelling
tot auditeur-militair te Amsterdam, welk ambt hij evenwel niet veel langer dan
een half jaar heeft willen | | | | bekleeden. Ook schijnt de Koning hem,
bij monde van Wiselius, het professoraat in de Nederlandsche taal en
letterkunde aan het Athenaeum van Amsterdam te hebben beloofd, het eenige
trouwens, waarover de Koning niet persoonlijk kon beschikken, terwijl hij aan
vijf rijkshoogescholen (waaronder drie in België) anderen benoemde. Zulk
een professoraat had Bilderdijk levenslang gewenscht, al noemde hij
zich in dezen tijd al sinds twee jaar ‘in den volsten graad kindsch en
tevens memorieloos en er dus volstrekt onbekwaam toe’; maar dat meende
hij natuurlijk niet, en met angstig verlangen zag hij naar de benoeming uit.
Hoe groot was dus zijne teleurstelling, toen op het eind van 1815 niet hij,
maar de, vooral als wiskundige verdienstelijke, Amsterdamsche praeceptor aan de
Latijnsche school,
Johannes Pieter van Capelle
1)
(te Vlissingen in 1783 geboren), werd benoemd tot dat ambt, dat hij tot zijn
vroegen dood in 1829 heeft bekleed, en met eere, ook blijkens zijne in 1821
uitgegeven degelijke ‘Bijdragen tot de geschiedenis der
wetenschappen en letteren in Nederland.’ Het waren vooral de
hoogleeraren Cras en Van Swinden geweest, die verhoed hadden, dat te Amsterdam
als hun ambtgenoot iemand optrad, die het met de waarheid nooit ernstig had
gemeend en dus daardoor ongeschikt was, op wetenschappelijk gebied voorlichting
te geven aan jonge mannen, voor welke de schittering zijner vernuftsinvallen en
paradoxen, en de gloed zijner hartstochtelijke verbeelding een wezenlijk gevaar
zouden hebben opgeleverd.
Voor Bilderdijk was het eene grievende teleurstelling. Het
moest in zijn oog ook een bitter onrecht wezen, hem aangedaan, die zich wel
bewust was, de veelzijdigste taalbeoefenaar te zijn van ons land, geraadpleegd
zelfs door
Jacob Grimm en later voor
Hoffmann von Fallersleben de vraagbaak bij zijne studie
der middel-eeuwsche letterkunde. Hij is dan ook onvermoeid voortgegaan met door
nieuwe werken over Nederlandsche taal en letteren te bewijzen, hoeveel studie
hij daarvan had gemaakt; maar de ruim dertig, meest omvangrijke, deelen, waarin
hij die studiën heeft neergelegd, hebben, wegens zijne onbetrouwbaarheid
en zijn misbruik van verbeelding, ten slotte aan het nageslacht niets anders
kunnen bewijzen, dan dat hij die wetenschappen langen tijd op verkeerde wegen
heeft | | | | gebracht en maar zeer weinig heeft uitgedacht en meegedeeld,
wat haar kon bevorderen
1).
Sinds het Amsterdamsch professoraat hem was ontgaan, behoorde
Bilderdijk niet meer alleen tot de
malcontenten, maar kwam hij in vollen opstand tegen den tijdgeest, die hem nu
te meer tot verzet had geprikkeld, maar met wien hij toch ook buitendien reeds
geen vrede kon hebben, omdat zijne wereldbeschouwing, zijn geloof, er vierkant
tegenover stond. De gelukkige omkeer in staat en maatschappij toch had er veel
toe bijgedragen, het geloof aan den geleidelijken, maar onafgebroken
vooruitgang van het menschelijk geslacht te versterken: een overoud geloof, dat
eerst zal ophouden onder een volk te heerschen, wanneer dat volk zijne
levenskracht zal hebben verloren. Bilderdijk nu bezat dat geloof niet
meer. Na eene gouden eeuw zag hij achteruitgang en verval steeds in grootere
afmetingen zich openbaren, en eerst met de spoedig verwachte komst van den
Antikrist en den grooten oordeelsdag zou dat alles eindigen. Hoe zulk een
ontzenuwend geloof eenige bekoring voor hem kon hebben? Hij kende, meer dan
anderen, de heerschappij der zonde over de wereld, ook bij ervaring in eigen
gemoed, maar hij wist dat diep vernederend gevoel steeds te verbannen door het
troostrijk geloof in de goddelijke verlossing door het bloed van Christus, en
dat geloof moest in zijn oog wel verzwakken, ja was nauwelijks meer
bestaanbaar, wanneer men ging gelooven, dat 's menschen vooruitgang die
verlossing geleidelijk aanbracht. En zoo werd iedere gedachte aan vooruitgang
hem eene ergernis en was er niets wat hem meer ergerde, dan de leer der
evolutie, die allengs meer aanhangers begon te winnen tegenover de vroegere
theorie van de onveranderlijkheid der soorten, en die zelfs toen reeds tot de
hypothese had geleid, dat de mensch zich uit een aap of aapachtig wezen had
ontwikkeld.
Reeds in 1748 was er van Benoit de Maillet onder zijn omgekeerden
naam ‘Telliamed’ te Amsterdam in het Fransch een werk verschenen,
dat over den oorsprong van den mensch handelde, en in 1773 had bij ons voor het
eerst de geneesheer
Pieter van Schelle 's menschen afstamming van
den aap aangevoerd als bewijs voor het goed recht van het vegetarisme, dat hij
voorstond. Anderen, | | | | zooals buitenslands Lamarck, Goethe en Erasmus
Darwin, hadden daarna, als verspreiders van de evolutieleer, de door Darwin's
kleinzoon eene halve eeuw later boven alle bedenking verheven descendentieleer
helpen voorbereiden, die bij ons ook reeds tusschen 1800 en 1816 m
verschillende verhandelingen door
Jacob Elisa Doornik (geb. 1777 † 1837)
was uiteengezet, maar eerst langzaam kon doordringen, omdat eerbied voor de
geloofwaardigheid van het bijbelsch scheppingsverhaal den geloovige belette er
mee in te stemmen Ook voor Bilderdijk mag ontzag voor de
Openbaringsschriften een beletsel geweest zijn, om er zijn zegel aan te
hechten, maar hij bezat verbeelding genoeg om ze, indien hij gewild had, er mee
in overeen-stemming te brengen. Grooter beletsel was het voor hem, dat hij geen
oog kon hebben voor de verheffende gedachte, dat uit het lagere bij voortduring
het hoogere zich ontwikkelt en nog tot in het oneindige ontwikkelen kan. Hij
had niet anders dan grimmigen spot over voor die verdorven nieuwlichters,
‘'t afvallig wangeslacht, uit apen voortgebroed, tot apen weer
verbasterd’, zooals hij ze in 1824 noemde, en schijnt zich tegenover deze
gaarne te hebben aangesloten bij de voorstelling van den Schotschen philosoof A
Ramsay, dat de dieren, in plaats van zich door den mensch heen tot nog hoogere
wezens te ontwikkelen, gevallen engelen waren
1).
Deze zonderlinge theorie verkondigde
Bilderdijk in 1817 in een afzonderlijk
uitgegeven dichtstuk
De Dieren, het eerste wat hij, afgezien van zijne
vaderlandsche bundels, liet volgen op zijne beide deelen
Affodillen (van 1814), zoo genoemd naar de
bloemen, die, volgens Homerus, op den weg naar het doodenrijk groeiden, en
zijne
Nieuwe Uitspruitsels van 1817.
Het dichtstuk ‘De Dieren’ begint met de herinnering aan
den val van een deel der Engelen na hun opstand tegen God. Wie van hen daarna
berouw toonden, werden niet ter helle verwezen, maar mochten in diergestalte op
aarde blijven leven om daar, als boete voor hun misdrijf, den eens door hen
benijden mensch nederig te dienen. Zoo heerscht Adam als koning over hen in het
Paradijs, en aan elk van hen geeft hij den voor hen passenden naam in eene
taal, die, hoezeer met 's menschen ‘val vervallen en ontaard’, nog
altijd veel van haar bovenaardsch, met klanken schilderend karakter | | | | heeft behouden, zooals de dichter met de daad zelf bewijst, wanneer
hij deze beroemd geworden lofspraak tot haar richt:
‘Nog doet ge ons door uw kracht het stroomgeruisch der
wateren,
't Geplasch van 't klettrend nat, 't geklak der beekjens
klateren,
Des afgronds joelen op 't gedonder van de lucht,
En 't stormgebulder van den noodstorm als hij zucht, -
Nog 't zacht geritsel van het lover, 't aaklig loeien
Des woudstiers naar zijn prooi door luistrende ooren vloeien,
En 't tjilpend piepen der gepluimde burgerschap
Met krakend raafgekras en knettrend uilgeknap
Verwiss'len - liefde en haat met onderscheid van klanken
Bezielen: 't spartlen zelf der dartle wijngaardranken
Erkennen, en den toon, waarmee de braambosch schudt,
Of de olm het hoofd beweegt, wen hy zijn weerhelft
stut.
Nog rukt ge 't hart omhoog of weet het door uw galmen
Met sombren weemoed, als een mistdamp, te overwalmen,
Stort vreugde en droefheid, stort den hemel voor ons
uit!
Of 't siddren van de Hel: Vermogend spraakgeluid!
O schildring zonder verf, door loutre luchtpenseelen!’
Aan Adams woorden, die de dieren verstaan, onderwerpen zij zich met
diep ontzag in dat heerlijk Paradijs, waarin voor den eersten mensch de
zaligheid ten top klimt, wanneer ook Eva geschapen is. De Paradijsbeschrijving,
die
Bilderdijk hier geeft, kan gerust de
vergelijking doorstaan met die van Vondel in diens ‘Adam in
ballingschap’, en eveneens het verhaal van Eva's verleiding door Nachas,
den in een slangenlichaam gebannen Engel, die nu voor de tweede maal in opstand
komt tegen God. Sinds den val van het menschenpaar en hunne verdrijving uit den
hof Eden heeft de mensch zijn onbeperkt gezag over de dieren verloren. Vele
zijn hem in de bosschen ontvlucht en verwilderd; maar toch zijn er andere, die
de dichter met enkele trekken meesterlijk teekent, hem getrouw gebleven, als
huisdieren het leven met hem deelend en als zijne geestelijke verwanten hem
begrijpend, als hij wenkt of spreekt. Zullen zij ook in de eeuwigheid zijn lot
met hem deelen? vraagt de dichter, en ‘ja’ is zijn antwoord.
Wanneer het ‘Vergaan’ der stoffelijke wereld, waaraan
Bilderdijk in 1816 reeds een mooi dichtstuk had gewijd, een
noodzakelijk gevolg zou geworden zijn van haar voort-durenden achteruitgang, en
alleen wat geest is zou overblijven, dan zou ook de geest der dieren, uit den
kerker van hun aardsch bestaan verlost, weer zijn englenrang innemen of als
duivel tot nog zwaarder straf worden gedoemd.
Wie slechts oog had voor de nuchtere werkelijkheid, had niet dan
spot over voor dit voor hem zoo fantastisch dichtstuk, maar | | | | wie
bereid was den dichter in zijne stoute verbeelding te volgen en in staat was
alle bekoring van zijn taalgetoover te voelen, begreep onmiddellijk, dat een
man, die, als Bilderdijk, bij ons de eenige was, bij machte zulk een
poëem te schrijven, een gevaarlijk vijand moest worden, ook al stond hij
in den strijd tegen den tijdgeest alleen.
Wat hem in den tijdgeest wel het meest ergerde, het was de prediking
der verdraagzaamheid, waarin een opbruisend man als hij was niet anders dan
onverschilligheid kon zien; het was de zucht tot gelijkstelling, die zijn
aristocratische geest niet kon verdragen. Bij zijn geloof aan het verval der
maatschappij moest in zijn oog wel het minst verdorven zijn, wat het karakter
van het verleden het best had bewaard, en niet juist het verleden der vorige
eeuw, dat ook reeds diep bedorven was, maar het middeleeuwsche, waarin zijne
stamvaders leefden: de graven van Teisterbant en die uit het Oosten hierheen
gekomen Elius, wiens Oostersche trekken hij zelf nog meende in zijn gelaat te
hebben bewaard. De zoon van ridderlijke krijgshelden als deze kon moeielijk
samenwerken met burgermenschen als de winkelier Tollens, de makelaar Loots, de
schoolmeesterszoon Van der Palm, de oud-bloemist Van Kampen, met boekverkoopers
als Loosjes, Immerzeel en Yntema. Wat schitterde en flonkerde trok hem aan,
vorstelijke praal, het ‘heerenhuis, dat door 't geboomte steekt’,
geen ‘hutten, laag gebouwd en arme en slechte dorpen’; en juist bij
die laatste was het, dat Tollens en de zijnen zoo gaarne verwijlden. Hen trok
de tegenstelling aan van eerlijke en brave armoede met ontevreden en
hoog-moedigen rijkdom. Zij zagen in den arme den broeder der rijken en
predikten de leer, dat persoonlijke verdiensten en zedelijke waarde verschil
van rang en stand uitwischten, en dat het wel noodig, maar niet voldoende is,
den arme weldadigheid te bewijzen, dat het beter is hem door waardeering en
onderwijs op te heffen uit de diepten der onwetendheid en het moeras der
slaafsche dienstbaarheid.
En op datzelfde volk, het ‘profanum vulgus’, zag
Bilderdijk met diepe minachting neer. Niemand
mocht de plaats verlaten, hem door God op aarde aangewezen. Volksverlichting
was hem een schrikbeeld. Zedenbederf en vervaging van het godsdienstig geloof
zou er het gevolg van zijn, meende hij, en niets kon hij minder verdragen, dan
verzaking van het oudvaderlijk geloof | | | | aan de Drieëenige, uit
de Openbaringsschriften kenbare, in de wereldgeschiedenis persoonlijk
ingrijpende en zich in het menschenhart voelbaar makende Godheid, als Jezus
mensch geworden om als Christus het menschdom met zijn zoenbloed van den vloek
der zonde te verlossen. Eene ergernis was hem daarom bovenal het door
philosofenwaan gekweekte, hier wat meer piëtistisch, ginds wat meer
rationalistisch gekleurde deïsme, dat, zoo vaak als nieuwe wijn gegoten in
de oude leeren zakken der gereformeerde kerkleer van den kansel ruischte op de
wiegelende maat der rhythmisch gebouwde zinnen van Van der Palm en zijne
leerlingen of heftiger bruiste in de hartstochtelijke taal van een vernuftig
rationalist als Borger.
Als hoogleeraar te Amsterdam zou hij zeker niet hebben nagelaten
voor zijne denkbeelden te ijveren, en nu hem dat belet was, besloot hij het
elders te doen, en wel aan die hoogeschool, waar de tijdgeest de meeste
katheders had ingenomen en van waar hij zich over het geheele land verspreidde,
de Leidsche hoogeschool. In Mei 1817 verliet hij Amsterdam en vestigde hij zich
metterwoon te Leiden om er als privaat docent vaderlandsche
geschiedenis te onderwijzen, of liever, het groote geschiedwerk van Wagenaar
aan eene vinnige en partijdige critiek te onderwerpen en het zóó
als uitgangspunt te gebruiken voor het verkondigen van zijne godsdienstige en
staatkundige denkbeelden. Zijn vriend Prof. H.W. Tydeman, die hem tot het
openen van geschiedlessen had aangemoedigd, heeft na zijn dood de dictaten,
door hem voor zijne colleges opgesteld, in dertien deelen uitgegeven onder den
min juisten titel
Geschiedenis des Vaderlands
1).
Groot was de schaar der leerlingen, die zijne colleges volgde, niet,
maar toch was de invloed, dien hij met zijne uiterst suggestieve voordracht
oefende, niet gering, omdat zijne toehoorders tot de meest ontwikkelden onder
de studenten behoorden. Aanvankelijk waren het alleen de zoons van
Van Hogendorp,
Willem en (later)
Dirk,
Nicolaas Carbasius,
Abraham Capadose,
Isaac da Costa en | | | | J.T. Bodel
Nyenhuis, later o.a. ook nog
A. Brugmans,
P.J. Elout,
J. Rau en de toekomstige hoofdman der
anti-revolutionaire of christelijk-historische staatspartij
Guillaume Groen van Prinsterer (geb. 1801
† 1876).
Van deze allen trad destijds
Isaac da Costa het meest op den voorgrond,
omdat hij ook al vroeger leerling van
Bilderdijk was geweest. Te
Amsterdam was hij 14 Januari 1798 als eenig kind geboren
uit ouders van aanzienlijke afkomst onder de Portugeesche Joden. Zijne eerste
dichtoefeningen hadden den vroeg ontwikkelden, bijzonder begaafden knaap reeds
in 1813 met Bilderdijk in aanraking gebracht, die zijne verzen prees
en hem eene schitterende toekomst als dichter voorspelde. Reeds in 1811 student
in de letteren en de rechten aan het Athenaeum van zijne geboortestad geworden,
volgde hij met ingenomenheid de colleges van Prof. D.J. van Lennep, die hem
vooral voor Aeschylus eene groote bewondering inboezemde, zoodat hij reeds in
1816 voor den dag kwam met eene vertaling van diens
Perzen, in 1818 door eene andere, van diens
Prometheus, gevolgd. Tevens besloot zijn vader
hem nog een jaar privaatlessen bij Bilderdijk, vooral in de
rechtswetenschap, te laten nemen, vóór hij in 1816 naar de
Leidsche hoogeschool vertrok om daar zijne studiën te voltooien.
Natuurlijk, dat hij daar een der eersten was om in 1817
Bilderdijk's lessen te gaan bijwonen, die hem te meer boeiden, omdat
hij nu al verscheidene jaren meer en meer den invloed van diens geest had
kunnen ondergaan, terwijl hij toch reeds van nature zijn geestverwant was.
Immers ook tegen zijne aristocratische idealen druischten de beginselen der
Revolutie in. Fier was hij op zijne afkomst van dat ‘oud en edel volk der
Hebreeuwen’, zooals Bilderdijk het noemde, van den Portugeeschen
adel uit dat volk, die, door de Spanjaarden verdreven, in de Nederlandsche
republiek gastvrij was opgenomen. Dankbaar daarvoor, hadden zijne vaderen hier
te lande toch gemakkelijk hun stam- en familietrots kunnen bewaren, ten volle
erkennend, dat zij als vreemdelingen op het staatsburgerschap geen recht
hadden, en uitziende naar den tijd, waarop zij door Gods beschikking in het
beloofde land opnieuw tot heerschappij zouden komen. En nu had de Revolutie,
door hun het staatsburgerschap te verleenen, hen gelijk gesteld met alle
Germaansche Nederlanders, die in godsdienst en ras te veel van hen verschilden
om ze al dadelijk | | | | ook in het maatschappelijk leven als huns
gelijken te kunnen beschouwen, laat staan dan als mannen van ouden adel. Wie
onder hen de rechten van den mensch aanvaardden, verscheurden daarmee hunne
adelbrieven, ouder en beter dan eenig Christen wapenschild: en dat wilde Da
Costa niet. Hij kon meegevoelen met den graaf van Teisterbant, onder wiens
banier hij daarom gaarne het zwaard trok tegen het tot macht gekomen
proletariaat. Het eerst vertoonde hij zich in het openbaar als schildknaap van
Bilderdijk in de voorrede van zijne juridische dissertatie, waarop hij
tegen het eind van 1818 te Leiden promoveerde.
Prat op dezen leerling en vertrouwend op den invloed, ook op andere
leerlingen door hem geoefend, begon Bilderdijk nu nog heftiger toon
aan te slaan dan te voren, misschien ook als gevolg van den nieuwen schok, dien
zijn zenuwgestel in het begin van 1819 ondervond, toen de tijding hem bereikte,
dat op zee, dicht bij Batavia, de twintigjarige Julius Willem, zijn oudste zoon
sedert Elius in 1813 overleed, hem door den dood was ontrukt, zoodat hem van
zijne kinderen nu nog maar alleen zijne geheel van hem vervreemde dochter
Louise en zijn in 1812 geboren zoontje Lodewijk Willem overbleven.
‘Ter Nagedachtenis van Julius Willem Bilderdijk’ gaf
hij toen met zijne vrouw, Wiselius en Da Costa een bundel
gedichten uit, waarin hij ook nog beproefde zijne echtgenoote te troosten, wier
eigen poëzie van nog dieper smart dan de zijne getuigde.
Inderdaad is
Katharina Wilhelmina
1) dezen slag nooit te boven gekomen, maar zij trachtte
het toch door zich te ijveriger aan de dichtkunst te wijden. Waren
vóór dien tijd hare gedichten nog bijna uitsluitend verschenen in
bundels van haar man, zooals nog in 1818 in de beide deelen, waaraan hij den
titel had gegeven van
Wit en Rood, omdat deze ruiker van leliën en
rozen zoowel het wit zijner grijsheid als heft rood van haar jeugdiger bloed
weerspiegelde, en in 1819 in de beide bundels
Nieuwe Dichtschakeering, daarna begon zij als
dichteres nu zelfstandig met eigen dichtbundels op te treden, Hare
‘Poëzy’ (van 1820) werd daarom ingeleid met een
gedicht van haar man ‘Aan mijne egade’, dat bijna een | | | | brevet van zelfstandigheid zou kunnen genoemd worden; maar de beide
grootere dichtstukken, die er in voorkomen, ‘Het
huwlijk’ en ‘Vrouwenbestemming’, zijn
toch nog geheel en al van Bilderdijk's geest doortrokken.
In twee deelen volgde daarop (in 1823-24) hare vertaling van
Southey's heldendicht in vijfentwintig zangen,
Rodrigo de Goth, koning van Spanje, door
Bilderdijk voorzien van een voorbericht en
verklarende aanteekeningen, die ook vertaalde verzen van hem bevatten. De
Engelsche dichter was er bijzonder mee ingenomen en betuigde dat in persoon aan
de vertaalster, toen hij haar in 1825 te Leiden een bezoek kwam
brengen.
Daarop gaf zij in 1827 een bundel
‘Gedichten’ uit, aanvangende met eene voor de kennis
van haar persoon belangwekkende, zij het ook vrij naar
Lavater gevolgde, ‘Hymne aan
God’. Over het algemeen draagt in dezen bundel hare poëzie
een stichtelijk karakter, doch tevens komt er meermalen in uit, b.v. in het
aandoenlijk gedichtje, dat zij ‘in het album van Hoffmann von
Fallersleben’ schreef, dat droefheid over het verlies van haar oudsten
zoon haar geest nog steeds geheel bleef vervullen. In haar laatsten bundel
‘Nieuwe Gedichten’ (van 1829), waarin b.v. ook hare
bekende verzen ‘Sir Philip Sidney’ en
‘Het weesjen’ voorkomen, heerscht over het algemeen
een lieflijk vrome, berustende toon. ‘Laat ons dragen zonder klagen en
gedwee zijn bij de slagen van een Albestierend God’ is er de grondtoon;
en het maakt op ons bijna den indruk van een protest tegen haars mans
strijdlust, wanneer zij den bundel besluit met het gedichtje ‘De
schrijfpen’, die zij slechts door ‘Kristenzin’
bestuurd wil zien, zoodat ‘geen letter schrifts haars naasten rust ooit
stooren, geen ijdle pennestreek, geen ziel-beschamend woord’ op den
oordeelsdag tegen haar getuigen zou. ‘De geest van liefde en
ootmoed’, waarom zij bidt, heeft haar in hare laatste droeve levensjaren
dermate bezield, dat de herinnering aan hare bewonderenswaardige
zachtmoedigheid en hulpvaardige liefde nog altijd onverzwakt is blijven
voortleven.
Evenals Vondel eenmaal gesproken had van de beide zonen, die hij in
de poëzie zou nalaten, roemde ook Bilderdijk op twee leerlingen,
die na hem de echte poëzie in eere zouden houden. De eene was zijne vrouw,
de tweede
Isaac da Costa
1). Wat
deze | | | | laatste toen reeds als dichter vermocht, bewijzen de beide
deelen ‘Poëzy’, door hem in 1821-22 uitgegeven.
Dat de classieken zijne eerste leermeesters in de kunst geweest waren blijkt in
deze bundels nog duidelijk uit gedichten in hun trant of uit hunne talen
overgebracht; maar in de ‘Inleiding’ tot de verheven hymne
‘Voorzienigheid’ kon hij toch niet verzwijgen, dat
Homerus, de Meoonsche zwaan, hem niet meer in alle opzichten kon voldoen en dat
hij ‘Jerusalems Profeten’ alleen als ‘de ware Dichters’
kon erkennen, want van zich zelf getuigde hij daar, en zijn geheele leven als
dichter zou dat bevestigen: ‘Ik ben geen zoon der laauwe Westerstranden!
Mijn vaderland is daar de zon ontwaakt! En als de gloed der Libyaansche zanden,
zoo is de dorst naar Dichtkunst, die mij blaakt’,
Toch trok ook de Westersche poëzie hem wel aan; althans van
zijne bewondering voor Lamartine getuigen verscheidene vertalingen uit diens
welluidend Fransch; en dat zelfs
Byron's gloeiende poëzie hem niet onverschillig had
kunnen laten, zien wij uit zijne vertaling van een fragment uit diens
‘Cain’, met oorspronkelijke reien doorvlochten, en
uit een gedicht, waarin hij zijne eigene voorstelling van Cain's
gemoedsbewegingen geeft. Zeker heeft hij ook | | | | sterke
gevoelsindrukken van Byron's ‘Hebrew melodies’
ontvangen.
Sommige gedichten zijn Da Costa ingegeven door zijn
Israëlie-tisch stamgevoel, zooals ‘De tocht uit
Babel’. Vijf bijschriften bij portretten van de vijf eerste
stadhouders uit het Oranjestamhuis getuigen van zijne liefde voor dat stamhuis.
Verscheidene verzen zijn tot zijn vader (aan wien hij het eerste deel opdroeg),
tot zijne vrienden, en ook tot Bilderdijk gericht, en daarom even actueel als
zijne strafdichten op ‘Napoleon’, op het ‘aan den vloek
gewijd Parijs’ en tegen de ‘Vrijheid’, met het Horatiaansche
motto: ‘Odi profanum vulgus’. Nog opmerkelijker dan deze zijn de
lierdichten, welke de dichtkunst zelve tot onderwerp hebben: de grootere,
‘Des dichters lotbestemming’ en ‘Het natuurlijk verband van
wijsbegeerte en dichtkuns’, en een kleiner, in lierzangvorm, waarin hij
‘De Gaaf der poëzy’ in eene beroemd geworden strophe aldus
kenmerkt: ‘Gevoel, Verbeelding, Heldenmoed, tot ééne
ondeelbre kracht verbonden, te zaam gesmolten tot één gloed en
door den boezem uitgezonden op vleugelen van melody, om al wat ademt te
betooveren, om al wat hart heeft te veroveren.... ziedaar de gaaf der
Poëzy!’
Toen
Da Costa zijne
‘Poëzy’ uitgaf, sloot hij daarmee eene
levensperiode af, waarin ook op het laatst nog gewichtige dingen met hem hadden
plaats gevonden. Na zijne promotie had hij Leiden verlaten en te
Amsterdam zijne studiën in de letteren voortgezet, en in dat
vak kwam hij in het midden van 1821 te Leiden promoveeren. In drie
zijner stellingen betoonde hij zich toen een even beslist Bilderdijkiaan en
tegenstander van de heerschende staatsbeginselen, als zijne vrienden
J. Rau, die kort vóór hem, en
Dirk van Hogendorp, die een half jaar na hem den titel van
meester in de rechten behaalden met proefschriften, waarin de absolute
monarchie werd verdedigd. Nu begon men zich ernstig te verontrusten over
Bilderdijk's leeringen, waartegen sommige Leidsche
hoogleeraren, zooals
Siegenbeek,
Van der Palm en zelfs Bilderdijk's
vriend
Kemper, meenden in academische redevoeringen te
moeten waarschuwen, ofschoon zij toch nog den machtigen invloed onderschatten,
dien de zoo suggestieve Bilderdijk allengs was gaan oefenen op een
deel der studeerende jongelingschap, op die ‘baardelooze knapen’,
zooals zij zeiden, die nu met hun leermeester in opstand waren gekomen tegen | | | | de bestaande en zoo heilzaam werkende staatsinrichting
1).
Op
Da Costa had Bilderdijk's invloed, wat
men toen nog niet wist, ook reeds in andere richting gewerkt zonder
opzettelijke bedoeling bij den meester. In October 1820 had de jeugdige
leerling, ‘reeds Christen in 't verlangen’, zooals
Bilderdijk in 1818 bij zijne promotie zeide, toegegeven aan de
uitnoodiging, hem door zijn meester in eene hartelijke en treffende ode gedaan:
‘Wees vrij, in daad, gevoel en toon! Wees braaf en.... Christen en mijn
zoon: zoo was 't niet vruchtloos, dat ik leefde’. Op die woorden had hij
zijne laatste aarzeling overwonnen en zich zelf bekend, dat ook hij den
Messias, wiens komst de profeten van Gods uitverkoren volk uit Davids stam
voorspelden, en die zich aan het eind der dagen in al zijne heerlijkheid als
rechter der menschheid zou openbaren, erkende en aanbad in Jezus, den
Nazarener, den man van smarte, die aan het kruis gestorven was voor de zonden
der menschen, om hen met het offeren van zijn bloed van het eeuwig verderf te
redden. Eerst in October 1822, ruim een jaar nadat hij met zijne nicht Hanna
Belmonte in het huwelijk getreden was, ging hij, tegelijk met haar en zijn
vriend Abraham Capadose, in de Pieterskerk te Leiden,
in Bilderdijk's tegenwoordigheid, openlijk door den doop tot het
Christendom over.
Daardoor had Da Costa met heel zijn verleden gebroken en
zich vrijgemaakt, ook om onbeschroomd onder de Teisterbantsche banier in het
krijt te treden tegen de in Bilderdijk's en zijn oog verdorven wereld,
in jeugdigen overmoed overtuigd, dat hij de overwinning zou behalen. Hij voelde
in zich al het vuur van het Oostersch profetisme, vergetend, dat hij daarmee
zou optreden onder een Westersch volk, en gaf in 1823 zijne heftige, schier
vervloekende brochure
Bezwaren tegen den geest der eeuw uit, waarin
niets, wat de nieuwe tijd met geestdrift voorstond, van het constitutioneel
koningschap af tot de afschaffing der slavernij toe, onaange-vochten bleef;
waarin ieder godsdienstig geloof, dat met een geloof | | | | als dat van
Bilderdijk streed, voor ongodisme werd uitgekreten, voor het verderfelijk
uitvloeisel der waanwijze wijsbegeerte van
Kant,
Fichte en
Schelling, en waarin de bandelooze vrijheid van drukpers
werd betreurd, omdat ‘ieder uitkomend geschrift’, zooals hij zeide,
‘getuigenis gaf van de slapheid, van de onverschilligheid, van de
verkeerdheid, van de verdorvenheid, van de afschuwelijkheid der heerschende
denkwijze omtrent de godsdienst’, met zedenbederf als het natuurlijk
gevolg.
Da Costa's geschrift, waarin ironie dikwijls
voor betoog in de plaats treedt, werd begroet als eene hatelijke
caricatuur-teekening van alles wat men toen in de maatschappij het meest
waardeerde, en zelfs aan het hof sprak men van Da Costa als van
‘den aap van den grimmigen Bilderdijk’, die door marktgeschreeuw de
aandacht op zich wilde vestigen. Er heerschte eenigen tijd heftige beroering in
het land. De tijdschriften voeren tegen de Bilderdijkianen uit, scherpe,
dikwijls grof-beleedigende vlugschriften en schimp- of spotdichten kwamen er
van de pers en vonden zelfs bij bezadigden instemming. De aanval was al te kras
geweest en de aanvaller moest verdediger worden; maar het vlugschrift
De Sadduceën, dat hij in 1824 liet volgen,
gaf nieuwe ergernis zonder te overtuigen.
Bilderdijk, de leermeester, moest zijn leerling
wel bijspringen; hij schreef eene ‘toelichting’ op de
‘Bezwaren’, zooals men die van hem kon verwachten. Immers
hetzelfde, wat hij daarin in proza beweerde, had hij te voren ook reeds
meermalen in maat en rijm doen drukken.
In 1820 had hij zijne bezwaren tegen den tijdgeest uitgesproken in
zijne vrije vertaling van
Perzius' Hekeldichten, op zijn eigen tijd
toegepast, en in den bundel
Zedelijke Gispingen (1821), in sommige gedichten
van den bundel
Sprokkelingen, maar nergens zoo bits en uitdagend
als in de drie deelen van zijne
Krekelzangen (1822-23). Daarin komen zijne
schimpdichten in zoo overstelpenden overvloed voor en zijn zij van vinding zoo
verrassend, van klank zoo forsch, van scherpte zoo vlijmend, dat men ten slotte
het razend fanatisme, de in 't oog loopende overdrijving, ja zelfs den
onhebbelijken toon vergeet, om ook hier de titanische kracht te bewonderen,
waarmee hij zijne machtige taalbrokken wegslingerde in den dichten drom zijner
tegenstanders. En eene siddering zou deze hebben aangegrepen, als zij zich
onder de vleugelen van den tijdgeest niet veilig hadden geweten.
Dat vele zijner vroegere vrienden zich van hem afkeerden, omdat | | | | hij
sommige van hen of van hunne geestverwanten, ook wel met name, in zijne
gedichten afsnauwde, dat anderen over zijn geschrijf hunne ergernis niet konden
verbergen en het groote publiek hem als ‘domper’ of als
‘Willem van Teisterkoord’ bespotte en zijne gedichten
‘rekelzangen’ noemde, bracht hem niet tot zwijgen, ja prikkelde hem
misschien nog te meer. Met ongelooflijke snelheid volgden nu zijne dichtbundels
elkaar op: na zijne
Rotsgalmen (van 1824) telkens onder titels, die
ze kenmerkten als de laatste gevoels-uitstortingen van een stervenden
grijsaard, eerst als
Navonkeling en
Oprakeling, beide van hetzelfde jaar 1826, dan
als
Nieuwe Oprakeling in 1827, onmiddellijk door
De voet in 't graf gevolgd, daarna in 1828 als
Naklank,
Avondschemering en
Vermaking, in 1829 als
Nieuwe Vermaking en
Schemerschijn, eindelijk in 1830 als
Nasprokkeling.
Dat die honderden gedichten door
Bilderdijk werden gemaakt, kan men nauwelijks
meer zeggen: zij ontstroomden hem als tegen wil en dank, en wanneer hij ze
dichtend dicteerde, kon soms geene pen hem bijhouden. De rijmen vonden elkaar
als vanzelf; de kunst om de mooiste woorden te vlijen in geregelde, welluidende
maat deed hem geen oogenblik haperen, want waar het goede woord scheen te
ontbreken, schiep hij het betere. Hij was bijna automatisch kunstenaar
geworden.
Toch meene men niet, dat de kunstenaar bij hem geheel was
samengegroeid met den kunstvaardigen boetprofeet of staatshervormer. Te midden
van zijne straf- en hekeldichten en zijne godsdienstige klachten,
ontboezemingen en beschouwingen treft men ook nog tal van andere gedichten aan,
die in zijn vroeger leven onder opgewekter omstandigheden gemaakt hadden kunnen
zijn, en daar-onder vele vertalingen, meest uit de Classieken, met name uit de
poëzie van
Horatius en
Ausonius.
Van de oorspronkelijke gedichten noem ik slechts enkele als
voorbeeld. Vooreerst zijn lieflijk zangstukje ‘De
Rozen’ (reeds van 1812), het eenvoudig bevallig gedichtje op
‘'t Grasviooltje’ (1825), in den zelfden toon
gestemd als ‘Des levens lust’ (1817) en
‘Vrolijkheid’ (1824) naar
Hebel. Behartigenswaard is
‘Levensgenoegen’ (1823). Lieflijke tevredenheid
spreekt uit het gedicht ‘Aan de Vrouw’ (1824),
dankbaarheid uit de verzen, die de ‘Verrukkend schoone Regenboog van
zevenkleurig licht’ hem in 1825 ontlokte, stille berusting uit
‘Avond’ (1829). ‘Aan een
sijsjen’ (1824) en ‘Hooi- | | | | maand’(1827) zijn kleine meesterstukjes van teekening. Schilderachtig is het
langere dichtstuk ‘Holland’ (1825), waarin het
ontstaan van ons land, naar 's dichters verbeelding uit zeewier en rivierslib,
meesterlijk wordt voor oogen gesteld. Tegenover een verheven dithyrambe als
‘Orde’ (1827) treft men in zijne bundels ook
vermakelijke hekeldichtjes in vroolijk schertsenden toon aan, zooals
‘Poëetenoverstrooming’(1826) en de anecdote
‘De Volkstem’ (1818). Door de grappige overdrijving
behooren daartoe ook ‘Het tabakrooken’ (1828) en
‘Het Nicotiaansch kruid’ (1827), waarvan de dichter
de reuk niet kon verdragen.
Zij dragen dus een persoonlijk karakter, zooals vele andere,
waaronder zijn ‘Klaagzang’ (1820) en, in
blijmoediger toon, zijn ‘Ouderdom’ (1827) en
‘Genoeglijke ouderdom’ (‘Oud zijt gy, Paai
Witbol’ en ‘toch nog vrolyk’), dat hij in 1822 zeker niet uit
Southey's Engelsch zou hebben vertaald, wanneer hij den
ouderdom uitsluitend als een last had beschouwd, waaronder hij zelf gebukt
ging. Toch stond hem ook nu nog dagelijks de dood voor oogen, waarbij hij zich,
zooals in 1820, reeds den ‘Rondedans’ verbeeldde,
die de poëtastertjes om zijne lijkkist zouden dansen onder den juichkreet:
‘Nu is Bilderdijk een lijk!’ maar waarbij hij ook wel te kennen
gaf, dat hij van alle lijkzangen en grafredenen verschoond wenschte te blijven,
zooals in ‘Uitzicht op mijn dood’ (van 1824 met twee
vervolgen) en later (in 1827) nog eens in dat kunstvaardig gedicht
‘Uitvaart’, waarmee hij in doffe metaalklanken als
't ware de doodsklok over zich zelf luidde, toen hij zijn vrienden toeriep:
‘Befloersde trom noch rouwgebom ga romm'lend om voor mijn gebeente; geen
klokgebom uit hollen Dom roep 't wellekom in 't grafgesteente; geen dichte drom
volg' stroef en stom; festoen noch blom van krepgefrom om 't lijk vermomm' mijn
schaamle kleente! Mijn jaartal klom tot volle som, mijn oog verglom en de
ouderdom roept blind en krom ter doodsgemeente’.
Niet te Leiden zou de dood hem komen verlossen. Dáár
kon hij in 1827 geen huis meer vinden, dat hem paste, dáár vond
hij ook geene leerlingen meer, die zijne colleges volgden. Hij vertrok toen
naar Haarlem, waar hij telkens weer verhuisde en een, door ziekte
van vrouw en kind, armzalig en ook eenzelvig leven had moeten leiden, als oude
getrouwe vrienden, zooals
Jan van Walré en de gebroeders
Abraham en
Jeronimo de Vries, hem niet in zijne
eenzaamheid hadden getroost, een jong katholiek vriend,
Jan J.F.
| | | |
Wap, destijds
redacteur van het tijdschrift ‘Argus’, zich niet als
bewonderend leerling bij hem had aangemeld, en zijne Amsterdamsche vrienden,
zooals
Da Costa en
Willem de Clercq, hem niet zoo nu en dan hadden
opgezocht. In dezen tijd hield hij zich nu vooral ook met vertalen bezig. Reeds
in 1821 had hij van de
Muisen Kikvorschkrijg eene geestige vertaling
bezorgd, nu, in 1828 bracht hij
Euripides' satyrspel
De Cycloop en uit het Arabisch
Spreuken en Voorbeelden van Muslih Eddin Sadi
over, en ten slotte in 1829 nog een gedeelte van
Ovidius Gedaantverwisselingen.
Met zichtbaar afnemende krachten leefde hij te
Haarlem nog enkele jaren, maar toen 16 April 1830 zijne
trouwe echtgenoote hem ontvallen was, kon de hulpbehoevende man, die volkomen
ongeschikt was geworden om voor zich zelf te zorgen, niet lang meer het
smeulende levensvuur aanhouden en 18 December 1831 overleed ook hij, door
slechts weinige vrienden, die zijne uitvaart volgden, naar zijne laatste
rustplaats aan de zijde zijner vrouw in de Groote Kerk begeleid, en ook slechts
door weinigen betreurd. Die weinigen echter hielden zijne nagedachtenis in eere
en deden hun best om het land er van te overtuigen, dat het een zijner grootste
zonen had verloren
1). En zijne
denkbeelden stierven evenmin met hem als zijn roem, want de kleine schaar van
zijne vereerders en aanhangers groeide allengs aan en de strijdkreet, nu in
zijn naam tegen den tijdgeest aangeheven, zou nog lang zijne landgenooten in
beroering houden.
|
1)Voor Johannes Pieter van Capelle zie men
D.J. van Lennep, Gedachtenisrede op J.P. van Capelle, Amst. 1830.
1)Voor Bilderdijk's taalstudiën zie men
J. te Winkel, Bilderdijk als taalgeleerde in het
‘Bilderdijk-Gedenkboek’, Amst. 1906, bl. 109-136 en A. Kluyver,
Bilderdijk en de taalwetenschap in ‘Onze Eeuw,’ VI
(1906).
1)De theorie, dat de dieren de incarnatie
zouden zijn van enn deel der gevallen engelen, ontleende Bilderdijk aan de
‘Philosophical principles of natural and revealed religion’ van
Andrew Michael Ramsay, die deze theorie trouwens reeds had kunnen vinden bij
Origenes, De Principiis II 9 § 6.
1)Bilderdijk's lessen over de Vaderlandsche
geschiedenis werden na zijn dood uitgegeven door H.W. Tydeman als
Geschiedenis des Vaderlands, Amst. 1832-53 XIII dln. Zie daarover Joh.
C. Breen, Bilderdijk als geschiedkundige in het
‘Bilderdijk-Gedenkboek’, Amst. 1906 bl. 137-152 en J. Moll,
Bilderdijk's Geschiedenis des Vaderlands, Assen 1918. De eerste deelen
van dat werk werden kort na de uitgave bestreden door M. Siegenbeek, ‘De
eer van Wagenaar als historieschrijver en die van Jacoba van Beijeren tegen Mr.
W. Bilderdijk in zijne Geschiedenis des Vaderlands verdedigd’, Haarlem
1835.
1)Van Katharina Wilhelmina
Bilderdijk-Schweickhardt verzamelde Isaac da Costa de Dichtwerken,
Haarlem 1860 III dln. Voor de geschiedenis van haar leven zijn bouwstoffen
overvloedig aanwezig in de vele geschriften over haar echtgenoot, maar eene
uitvoerige karakterteekening van haar en kenschetsing van hare dichtwerken
ontbreekt ons nog.
1)Voor Isaac da Costa zie men:
Komplete dichtwerken van Is. da Costa, Haarlem 1861-63 III dln., met
toelichtingen en een overzicht van zijn leven en werken door J.P. Hasebroek (7
dr. Leiden 1891 III dln.). Afzonderlijk kwamen later nog met toelichtingen
uit ‘Meesterwerken’ met inl. en aant. door B. Scheltus van
Kloosterhuis, Leiden 1888 II dln; ‘Hagar’ met levensbericht door P.
Kat Pz., Tiel 1894; ‘Vijf-en-Twintig jaren. Een lied van 1840’ met
aant. van P. Kat Pz., Tiel 1894; ‘Poëzie’ uitg. door J.H. van
den Bosch, Zwolle 1894 (Zwolsche herdrukken N o. VIII).
Brieven van Mr. Isaac da Costa werden meegedeeld door G. Groen van
Prinsterer, Amst. 1872-76 IV dln. Verder zie men voor Da Costa nog:
H.J. Koenen, eene biographie in ‘Levensberigten van de Maatsch. der Ned.
Letterkunde te Leiden’ 1860, bl. 305-368; J.A. Alberdingk Thijm, Iz.
da Costa. Enkele trekken van 's dichters charakterbeeld, Amst. 1860; C.
Schwartz, Ter gedachtenis van Mr. Isaac da Costa, Amst. 1860; J.J. van
Oosterzee, Iets over da Costa, Rott. 1861; C.P. Tiele, Isaäc da
Costa in de Ned. Spectator van 30 Maart 1861; J.J.L. ten Kate,
Bilderdijk en Da Costa. Eene studie, Amst. 1862; A. Pierson,
Isaäc da Costa. Een Gedenkrede, Haarlem 1865; C. Busken Huet in
‘Litterarische Fantasiën’ I en XIV; Theod. Jorissen,
Isaäc da Costa (1870) in zijne ‘Historische en Literarische
Studiën, Haarlem 1891, bl. 481-487; P.F.Th. van Hoogstraten, Da Costa,
Eene studie, Breda 1875; Jan ten Brink in zijne Geschiedenis der Noord-N
ed. Letteren I (Amst. 1888) bl. 46-147, met uitvoerige bibliographie; P.
van Eck, Da Costa herdacht, Amst. 1890; G. Jonckbloet in zijne schetsen
‘Uit Nederland en Insulinde’, Amst. 1893, bl. 170-176; W.G.C.
Byvanck, De jeugd van Isaac da Costa, Leiden 1894-95, II dln. Vgl.
daarover J. te Winkel in De Ned. Spectator 1895, No. 3, bl. 21 vlg.
1)Die academische redevoeringen waren: van
Siegenbeek ‘de laude Wagenarii’ en van Kemper ‘De liberali
disputatione’, vermeld in een brief van Dirk van Hogendorp aan Da Costa
van 22 Sept. 1821. Zij werden beantwoord met eene brochure, ‘De Eer van
Leydens Hoogeschool in Mr. W. Bilderdijk verkeerdelijk aangerand en zijne
gevoelens ten onregte voor verderfelijk uitgekreten’, Leyden 1822. Van
der Palm viel Bilderdijk en Da Costa aan in eene redevoering ‘Over het
gezond verstand’, die hij 28 Januari 1824 te Leiden en wat later ook in
Den Haag hield. Bilderdijk zelf reageerde op die redevoering van Van der Palm
en vooral van Siegenbeek met verscheidene hatelijke hekeldichten.
1)Na Bilderdijk's dood gaven verscheiden
vereerders een bundel lof- en lijkzangen onder den titel Gedenkzuil,
Amst. 1833, uit. L. Royer boetseerde in 1832 de bekende buste met tulband van
Bilderdijk. Over zijne portretten zie men beschrijving en afbeelding door
J.F.M. Sterck in het ‘Bilderdijk-Gedenkboek’, Amst. 1906 bl.
403-436. D. van der Kellen graveerde een gedenkpenning op ‘seculi sui
decus’. In de Groote Kerk te Haarlem werd 4 Febr. 1832 een gedenksteen
voor hem geplaatst, evenals 26 Maart 1867 in den gevel van het huis te
's-Gravenhage (Prinsegracht 32), dat hij van 1786 tot 1795 bewoonde, en 7 Juli
1885 aan zijn sterfhuis op de Groote Markt te Haarlem.
|
|