|
|
|
| |
VII. Beets en de andere humoristen.
Tusschen 1830 en 1840 was niet alleen de romantiek, maar ook over
het algemeen alles wat Engelsch was in de mode; doch op letterkundig gebied
voerde toen in Engeland de romantiek niet de alleenheerschappij. Naast het
romantisch proza was daar ook een voor Engeland nog meer nationale tak van
litteratuur opnieuw gaan bloeien, de humoristische, en ook op deze werd hier te
lande nu al spoedig de aandacht gevestigd
2).
Tot de eersten, die ons volk in kennis brachten met hetgeen de
jongere humoristen in Engeland hadden geleverd, behoorde ook
Potgieter. Misschien had hij wel de
voordrachten bijgewoond, die de Engelsche boekverkooper B.S. Nayler te
Amsterdam hield in de door hem in 1823 gestichte ‘English literary
society’, die minstens tot 1841 heeft bestaan en waarvan de strekking
was, bekendheid met Engelsche letterkunde hier te lande te bevorderen
3). Hoe het zij, in
1836 gaf Potgieter ‘Proeven van een
humorist’, vertaald | | | | naar de in 1833 verzameld
uitgegeven, maar grootendeels reeds vroeger verschenen,
‘Essays’ van
Charles Lamb. In 1840 liet hij, onder den titel
‘Tafelkout’, daarop vertalingen volgen uit
William Hazlitt's ‘Tabletalk’
(1818), en in 1842 vertaalde hij onder den titel ‘Studies en
Schetsen’ het een en ander van
James Henry Leigh Hunt. Zelfs gaf hij in De Gids van 1837
van de toen juist verschenen ‘Pickwick-papers’ van
Charles Dickens enkele proeven in vertaling
1).
Toch was het ook weer op dit gebied
Jacob Geel, die bij ons het meest aanmoedigde
tot schrijven in humoristischen trant door van een ouderen Engelschen humorist,
Lawrence Sterne, in 1837 de ‘Sentimental
Journey’ als ‘De Sentimenteele reis’
in nieuwe vertaling uit te geven. Aanvankelijk maakte dat werkje nog niet dien
opgang, dien Geel er van verwacht had. De Gids was toen nog nauwelijks
opgericht en de andere tijdschriften schonken er geen aandacht aan.
Johannes van der Hey, toen redacteur van
‘De Recensent ook der Recensenten’, wilde er zelfs
eene reeds door Prof.
Van Assen geschreven aankondiging niet van opnemen, te
onrechte bewerende, dat de vroegere vertaling, door
Bernardus Brunius er in 1779 van gegeven, veel
beter was. Daarom maakte Geel er reclame voor door zijne, daarover met
Van der Hey gevoerde, briefwisseling uit te geven in eene brochure,
getiteld ‘Mededeeling aan alle recenserende geleerden in ons
vaderland’, in 1838 nog gevolgd door een wel wat ploertig gesteld
vlugschrift ‘Pillen voor recenserende geleerden te slikken,
enz.’, geschreven door den uitgever van Geel's
vertaling, den boven reeds genoemden boekverkooper B.S. Nayler
2). | | | |
Vermoedelijk heeft dit twistgeschrijf, dat ook niet onbeantwoord
bleef, gewerkt, want dat de Engelsche ‘humour’ hier had ingeslagen,
zou ook al spoedig blijken uit oorspronkelijke proeven van humoristische
geschriften in onze eigene taal. De eerste kwamen alle, en in niet gering
aantal, voort uit een Leidschen studentenkring, waarop van alle professoren
Jacob Geel zeker den meesten invloed had. Het
was de kring, die 27 September 1833 de ‘Rederijkerskamer voor uiterlijke
welsprekendheid’
1) stichtte, waarvan oefening in
versvoordracht het hoofddoel was, doch waar niet uitsluitend werken van anderen
behoefden te worden voorgedragen en eigen maaksel niet werd uitgesloten. Tot de
oprichters behoorden
Bernard Gewin, de eerste voorzitter,
Laurens Reinhard Beynen, later rector van het
Haagsch gymnasium, toen secretaris en opsteller van het in 1835 gedrukte
verslag der ‘Lotgevallen’ van de jonge vereeniging
2),
Johannes Petrus Hasebroek en
Johannes Kneppelhout. Wat later traden o.a. ook
Nicolaas Beets,
Jonckbloet en
Samuel Constant Snellen van Vollenhoven als
leden toe.
Dat in dien kring de Engelsche humoristen al spoedig groote
waardeering hadden gevonden, blijkt uit menig stuk in de Leidsche
Studenten-almanakken van dien tijd. Dáár is de zin voor
humoristischen schrijftrant bij ons ontkiemd en aangekweekt, en binnen enkele
jaren zelfs zoozeer tot wasdom gekomen, dat reeds in 1839 Nicolaas
Beets in staat was ook buiten de studentenwereld op te treden met een
geheelen bundel humoristische schetsen en verhalen, die met elkaar een later
nooit weer geëvenaard meesterstuk bleken te vormen, de
Camera Obscura van
Hildebrand
3), zooals de schrijver | | | | zich ook daar bleef noemen,
terwijl de naam van zijn boek er ons aan herinnert, dat juist in dien zelfden
tijd Daguerre met zijne nieuwe vinding de menschen in verbazing bracht.
De eerste druk van dit werk had nog lang niet dien omvang, dien het
later gekregen heeft. Men vond er vooreerst twee schetsen in terug, die reeds
in de Leidsche studenten-almanakken voor 1837 en 1838 waren opgenomen,
namelijk: ‘Een beestenspel’, eene reeks van, in het
oog van sommigen wel wat al te striemende, geeselslagen, toegediend aan de
heeren der schepping, die niet gevoelen, wanneer er wilde dieren in een
kijkspel vertoond worden, hoe jammerlijk dan de natuur wordt verkracht, het
leven wordt gebluscht, het grootsche wordt verkleind en verlaagd; en
‘Varen en Rijden’, dat ons verplaatst in den tijd,
dat trekschuiten en diligences, met al hare vooren nadeelen, bij ons nog de
gewone vervoermiddelen waren, maar toch ook reeds enkele stoombooten de raderen
roerden en spoorwegen met blijde verwachting te gemoet gezien werden.
Behalve deze beide kleinere opstellen kwamen er nog vijf andere van
denzelfden aard en omvang in voor, namelijk:
‘Jongens’ en | | | | ‘Kinderrampen’: beide de uiting van heimwee
naar de heerlijke kinderjaren, dat niet zelden den aankomenden jongeling
evengoed bevangt, als den grijsaard, met wien hij ook overigens meer
eigenaardigheden gemeen heeft, dan met den volwassen man, al zullen hem de
kinderrampen nog verscher in het geheugen liggen, zooals de boeien, die de
school een kindergeest aanlegt en de tallooze fouten in de rekensommen, die ook
wel anderen dan Hildebrand tureluursch hebben gemaakt. Verder:
‘Humoristen’, eene grappige stoeierij van Hildebrand
met zich zelf en zijne concurrenten in het vak van den humor;
‘Genoegens smaken’, eene bestraffing van Augustijn,
die zich op de Rotterdamsche kermis maar niet kon vermaken; en
‘Verre vrienden’, dat misschien wat al te veel den
‘baardeloozen’ Hildebrand verraadt, zooals hij zich zelf elders wel
noemt, een weinig bluffende op zijn ‘ouden’ vriend Antoine van
Constantinopel (in werkelijkheid
Antoine Testa).
Ofschoon al deze kleine stukjes hunne eigene verdiensten hebben en
vooral bekoren door een nieuwen, frisschen en nog altijd frisch gebleven vorm
van teekenend Nederlandsch, zal de ‘Camera’ toch
zeker het meest bewonderd zijn, zooals zij het nog wordt, om de drie langere
verhalen, die er in voorkomen. Vooreerst: ‘Een onaangenaam mensch
in den Haarlemmerhout’, namelijk neef Nurks, die er in slaagt,
ook met nuchtere, gevoellooze, plaagzieke nurkschheden ons kostelijk te
vermaken, omdat hij ze weet op te stapelen met eene virtuositeit, die ons
bewondering afdwingt, terwijl de fijne opmerkingen van
Hildebrand daartusschen menig kleiner nurksje tot inkeer
zullen hebben gebracht. Vervolgens: ‘Een oude
kennis’, of de ontnuchterde Buikje, die hitte en afstand
trotseert om zijn ouden academievriend in zijn theetuin op te zoeken, maar, op
een ongelegen tijd gekomen, dezen terugvindt als verlegen vader van een
halfbedorven bakvischje, een lummelachtigen oudsten zoon en een balsturigen
kwajongen, die zelfs voor den vreemden bezoeker geen ontzag heeft. En
eindelijk, als het langste verhaal, ‘De Familie
Stastok’.
In dit van het begin tot het eind onderhoudend verhaal, waarin alles
met zóó sprekende trekken geteekend is, dat het zich onmiddellijk
in onzen geest vasthecht, vertelt Hildebrand, hoe hij bij Oom en Tante Stastok
in het kleine stadje D. (Delft) komt logeeren en in de diligence,
die hem er heen voert, stand en karakter van zijne medereizigers afleidt uit
hun uiterlijk, om later te bemerken, dat al | | | | zijne vernuftige
gevolgtrekkingen glad verkeerd waren geweest. Hartelijk bij Oom en Tante
ontvangen, gaat hij nu de stad bekijken met hun zoon Pieter, een uitmuntend
type van den houterigen student, die het eigenlijk studentenleven nooit heeft
meegeleefd en, wanneer hij zich voor eene enkele maal verstout pot te spelen,
met zijne aan pedanterie gepaarde onbeholpenheid en verlegenheid een
bespottelijk figuur maakt. Met dit tafereeltje heeft Hildebrand het
societeitspotspel gekarakteriseerd en vereeuwigd, evenals hij het deed met
‘de aangekleede boterham’ van dien tijd: het avondpartijtje, waarop
de heeren pijpen rooken en de dames handwerken, Mevrouw Dorbeen, de gade van
een droogkomiek man,
Borger's ‘Aan den Rijn’
reciteert, dat toen afgezaagd was geworden, Hildebrand den nieuweren tijd ten
gehoore brengt in een door hem zelf vertaald gedichtje van Victor Hugo en de
muzikale olifant te ongelegener tijd voor zijn ‘Ach, du lieber
Augustin’ aller aandacht vraagt. Op dat avondje wordt Pieter Stastok
‘waratje’ verliefd op Koosje van Naslaan, en Hildebrand wil hem
daarbij voorthelpen door een roeipartijtje te organiseeren, waar Pieters
houterigheid nog te grappiger uitkomt door de tegenstelling met den brutalen
verloopen student Dolf van Brammen, en waar de sentimenteele Amelie met hare
gitaar en verzotheid op vergeet-mij-nietjes aardig contrasteert met het jolige
Christientje en vooral met de boerendeerne, die van ‘Klompertjen en zijn
wijfje’ zingt. Dat Pieter in zijne onhandigheid een nat pak haalt en een
droog pak van den boer moet leenen, vormt het trago-comisch slot der
geschiedenis.
Min of meer een ‘hors d'oeuvre’ is het hoofdstuk, waarin
Keesje, het diakenhuismannetje, de eenvoudige geschiedenis van zijn doodshemd
vertelt. Het is de eenigszins weemoedig-sentimenteele, aan Dickens
herinnerende, roertoon, die voor een oogenblik den lach vervangt, door het
vermakelijke verhaal bijna onafgebroken verwekt, en wordt daarom door velen
voor het eigenlijk humoristische in dit zedenschilderend verhaal gehouden, 't
Is de humor met den traan in 't oog; maar fijner en, naar ik meen, gezonder
humor is toch in de andere hoofdstukken te vinden, en wel het meest, wanneer
Hildebrand Oom en Tante Stastok, die goede ouderwetsch-hollandsche
burgerluidjes, een beetje voor den gek houdt, maar zóó, dat
duidelijk blijkt, voor wie humor gevoelt, hoe lief de schrijver hen heeft
ondanks, ja misschien zelfs ook wel om hunne wat ouderwetsche eigenaardigheden,
waarover hij zijne lezers doet glimlachen. | | | | Alle typen in dit
verhaal zijn meesterlijk geteekend, maar als humoristische typen munten Oom en
Tante Stastok boven alle andere uit.
De eerste druk der ‘Camera’ werd gretig
gekocht en gelezen. Reeds een half jaar later (in 1840) was een tweede druk
noodig, die niets nieuws bracht, behalve de mededeeling, dat van den schrijver
‘mettertijd nieuwe vertooningen van de Camera Obscura’ te
verwachten waren. Nog in hetzelfde jaar had Hildebrand er dan ook twee geheel
en ééne gedeeltelijk voltooid, maar het moest om andere redenen,
dan gebrek aan belangstelling bij het publiek, nog tot 1851 duren
vóór er een derde druk van de ‘Camera’ verscheen,
waarin zij werden opgenomen.
De kortste van de drie, ‘'s Winters
buiten’, is eene, misschien wat overdreven langademige lofrede op
het buitenleven in den winter, maar doorweven met aardige, uit het leven
gegrepen gesprekken van buitenlui in Noordhollandschen tongval. Veel langer is
de ‘Gerrit Witse’, waarin wij den held van het verhaal, een Leidsch
student, vóór zijn examen met zijn vrienden aantreffen in het
vermaarde ‘zweetkamertje’ van het oude Leidsche academiegebouw en
na zijn examen getuigen zijn van de uitingen der ‘oudervreugde’,
die aanleiding geven tot het teekenen van een sprekend gelijkend tafereel der
vroegere gymnasiale promotie in de Fransche kerk te Rotterdam,
waarbij hun veelbelovende zoon voor hen toen de hoofdpersoon was, maar die hen
tevens verleiden, dien lieveling tegenover vrienden en verwanten als
zóó knap voor te stellen, dat het op een feestavondje voor het
daardoor tegen hem ingenomen Klaartje Donze, dat hem bekoord heeft, uiterst
moeielijk wordt, wat gunstiger te gaan denken over den gewaand pedanten
candidaat-medicus, die haar eerst twee jaar later als geneesheer onder droevige
omstandigheden terugziet, en waarschijnlijk niet voor het laatst; maar
Hildebrand heeft zijn verhaal ook later niet voltooid.
Het uitvoerigste en belangwekkendste der drie nieuwe bijdragen tot
zijne ‘Camera’ gaf
Hildebrand in ‘De Familie
Kegge’, een waardigen tegenhanger van ‘De Familie
Stastok’. Met den schrijver zelf treden wij hier het gezin binnen van den
in West-Indië schatrijk geworden parvenu, met al die half komieke, half
ploertig-onaangename eigenaardigheden, die zulke menschen vertoonen aan wie
alleen let op uiterlijkheden en daardoorheen de eerlijke rondborstigheid en
ontveinsde gevoeligheid niet weet op te merken, waardoor men- | | | | schen als de oude heer Kegge toch op den duur onze sympathie kunnen winnen.
De teekening van deze figuur schijnt mij Hildebrand's meesterwerk als humorist,
en in het schetsen van zijne verhouding tot zijne dochter Henriëtte, zijne
liefde en zijn trots, wier ontstemd humeur hij met medewerking van den naar het
leven geteekenden bloemist tracht te paaien, toont Hildebrand zich een
scherpziend en tegelijk fijngevoelig menschenkenner, want het is met het hart,
dat men de ziel der menschen doorgrondt, meer dan met het verstand.
Menschenkenner toont hij zich trouwens ook elders, hetzij hij met fijn
humoristische opmerkingen zijn verhaal kruidt en tot glimlachen en nadenken
dwingt, hetzij hij een gevoel van ernstigen weemoed wekt, zooals bij zijn
onderhoud met de grootmoeder van het gezin, die haar overleden kleinzoon, haar
lieven William, zoo innig betreurt, of bij zijn gesprek met de arme Suzette
Noiret, die door den ‘charmante’ Van der Hoogen met zedelooze
liefdesverklaringen wordt vervolgd, of aan het sterfbed harer oude moeder, die
op een hofje woont. Toch ontbreekt ook dáár het vermakelijke
element, dat de humor verlangt, niet geheel. In de hofjesjuffrouwen vertoont
het zich, zooals men het hier en daar ook bij Dickens kan aantreffen. Vroolijk
van het begin tot het eind daarentegen zijn de hoofdstukken, waarin
Henriëtte als pianiste hare medewerking op een concert verleent, en waarin
Hildebrand bij den koekebakker De Groot, zijne vrouw en zijne dochter Saartje
(‘met de mof’) al die onschuldige genoegens smaakt, die eenvoudige
burgerluidjes op de ‘verguldpartijtjes’ (van het verleden) vonden
of zich wisten te scheppen.
Sommigen hebben
Hildebrand's verontschuldiging van het feit, dat hij
zelf in het verhaal ‘de mooie rol speelt’, niet willen aannemen, en
hem daarvan een ernstig verwijt gemaakt. Te onrechte, geloof ik, want dat hij
Van der Hoogen, den lichtmis, die terzelfder tijd, dat hij Henriëtte het
hof maakt, andere meisjes zoekt te verleiden, ontmaskert, is eigenlijk niet
iets bijzonders, maar iets wat ieder flink en fatsoenlijk man ook zou hebben
gedaan. De schrijver had datzelfde ook door een ander kunnen laten doen, doch
had dan in zijn verhaal nog een ander, een liefst even kleurloos persoon als
hij zelf was, moeten invoeren, die nu overbodig werd. Hem, die er aanstoot aan
blijft nemen, zou ik willen aanraden, voortaan telkens, wanneer er van
Hildebrand sprake is, aan een ‘hij’ te denken inplaats van aan een
‘ik’, en zijne ergernis zal verdwijnen. Dat overi- | | | | gens de persoonlijkheid van den schrijver zich herhaaldelijk doet gevoelen
door het verhaal met eigen opmerkingen te doorvlechten, is waar, maar behoorde
al sinds lang tot de kenmerkende eigenschappen van alle humoristische
geschriften zonder uitzondering.
In 1854 sloot
Beets zijne ‘Camera
Obscura’ af, toen hij in den vierden druk ook nog vele andere
humoristische schetsen had opgenomen, die van hem vroeger reeds elders
geplaatst waren. In dien vierden en alle latere drukken vindt men nu ook de
vijf opstellen, die reeds in
De Gids en in 1840 ook weer in Beets' bundel
‘Proza en Poëzy’ waren verschenen, namelijk
‘Vooruitgang’, ‘Het
Water’, ‘Begraven’, ‘Eene
tentoonstelling van schilderijen’ en ‘De
Wind’, en verder, behalve een in 1839 tot
Baculus, d.i.
Kneppelhout, gerichten brief, de typeering van ‘Teun
de jager’, reeds in 1841, maar onder den titel ‘De
patrijzen’, in ‘Het Leeskabinet’
opgenomen.
Eindelijk vindt men er nog twaalf schetsen, die alle, behalve de
laatste, in 1841 gedrukt waren in de zoogenaamde karakterschetsen
‘De Nederlanden’, waaraan ook
Van Lennep,
Hasebroek,
Heije en anderen verdienstelijke bijdragen hadden
geleverd, maar waarvan de uitgave toen wegens gebrek aan inteekenaars moest
gestaakt worden (zoodat Beets' laatste schets er niet meer in kon
worden opgenomen), omdat de Gidscritiek er met waanwijze minachting den staf
over had gebroken. Zij zijn getiteld: ‘De
veerschipper’, ‘De schippersknecht’,
‘De barbier’, ‘De
huurkoetsier’, ‘Het Noordbrabantsche
meisje’, ‘De Limburgsche Voerman’,
‘De Markensche visscher’, ‘De jager en
de polsdrager’, ‘De Leidsche
peuëraar’, ‘De Noord-hollandsche
boerin’, ‘De Noord-hollandsche boer’,
en ‘De baker’.
Ze alle afzonderlijk te bespreken, gaat niet aan, maar over het
algemeen kan men er wel van zeggen, dat zij, ofschoon blijkbaar naar het
voorbeeld geschreven van bundels als ‘Les Français peints par
eux-mêmes’ (Paris 1841), bijeengelbracht door verschillenden, o.a.
Honoré de Balzac en Jules Janin, die ook reeds vroeger dergelijke typen
en karakterschetsen hadden uitgegeven, en misschien ook naar het voorbeeld van
Dickens' ‘Sketches’, toch, omdat zij op waarneming van het leven
zelf berusten, door en door nationaal zijn, zooals trouwens de geheele
‘Camera Obscura’ dat is, als uitvloeisel van Beets' echt
Hollandsch karakter, waardoor het zuiver persoonlijke en het algemeen nationale
tot eene merkwaardige eenheid zijn samengevallen. Daaraan dankte de
‘Camera Obscura’ | | | | dan ook gewis de groote populariteit,
die zij onafgebroken genoot en nog altijd blijft genieten, al zijn de er in
geschilderde toestanden nu ook ten deele verouderd of zelfs geheel verdwenen,
zoodat Beets het in 1887 noodig vond, in zijn werkje ‘Na vijftig
jaar’ er een niet overbodigen commentaar op te leveren, die bewijst, dat
hij ook toen den humoristischen schrijftrant nog niet had verleerd.
Dat taal en stijl der ‘Camera’
ongeëvenaard keurig zijn, pittig en sober teekenend en treffend, heeft
niemand ooit betwijfeld, en dat de critiek, die het werk na den tweeden druk
toch ongunstig beoordeelde, zich ook toen weer, zooals zoo dikwijls, deerlijk
heeft vergist, maar het verrukte publiek niet op een dwaalweg heeft vermogen te
brengen, bewijzen de vertalingen, die er in verschillende talen van dit bijna
onvertaalbare boek zijn ondernomen, en vooral de elkaar telkens opvolgende
nieuwe drukken, waarvan de vijfentwintigste in 1909, de vijf en dertigste in
1924 het licht zag.
Toen Beets de eerste uitgave er van ter perse legde, was,
door zijne verloving met Aleide van Foreest, het bekoorlijk dorpje
Heiloo het middelpunt van zijn gedachtenkring en de geliefde plek,
waarheen telkens weder zijne schreden zich richtten. Maar behalve zijne
verloofde vond hij daar ook een Leidsch academievriend, die er van zijne
gezellige pastorie een opgewekt middelpunt van letterkundig leven had gemaakt,
den jongen predikant
Johannes Petrus Hasebroek
1).
Te Leiden 6 November 1812 geboren, was hij er reeds als
gymnasiast toe gekomen, met zijne vroomgodsdienstige stemming letterkundige
neigingen te verbinden, omdat liefde voor poëzie bij hem als in 't bloed
zat, daar niet alleen zijn grootvader van vaderskant eenmaal gedichten had
gemaakt, maar bovendien nog zijne moeder de dochter was van Bellamy's vriend
J.P. Kleyn en van
Antoinette Ockerse, wier invloed op haar kleinzoon
onmiskenbaar was. Bewondering voor Bilderdijk's poëzie heeft dan ook maar
nauwelijks eenigermate die wel wat al te weekelijke gevoeligheid weten te
temperen, die door bemiddeling van zijne grootouders van Van Alphen op hem was
overgegaan.
In 1829 te Leiden student in de theologie geworden, trok hij in 1830
geestdriftig met de studentencompagnie der Leidsche | | | | jagers mee op
om aan den Tiendaagschen Veldtocht deel te nemen, en als metalenkruisridder
heeft hij levenslang de herinneringsfeesten aan dien veldtocht, dikwijls ook
met feestredenen en gedichten, meegevierd. Uit den krijg teruggekeerd, zette
hij te Leiden niet alleen zijne studiën, maar ook zijne letteroefeningen
voort, met name in de ‘Rederijkerskamer voor uiterlijke
welsprekendheid’, waarin hij zich andere jeugdige letterkundigen, zooals
Beets sinds 1833, tot vrienden voor het leven
maakte. Toch zagen er in dien tijd van hem nog geene andere gedichten het
licht, dan in den Leidschen studenten-almanak, en in den Muzen-almanak een op
Bilderdijk's dood, al hebben zijne studiën misschien wel wat onder deze
vriendschappelijke letteroefeningen geleden, want zijne eerste poging om
proponents-examen af te leggen mislukte. Toen hij echter in 1836 geslaagd was,
ontving hij reeds in hetzelfde jaar het zoo gewenschte beroep naar Heiloo als
opvolger van Van Lennep's vriend W.R. Veder, wiens krijgskameraad hij ook reeds
was geweest.
Langen tijd, naar 't schijnt onder den indruk eener ongelukkige
liefde, ongetrouwd gebleven, had hij het geluk in zijne zuster
Elizabeth Johanna Hasebroek
1) (geb. 4 April 1811 † 12 Sept. 1887) eene
liefdevolle verzorgster van zijn huishouden te vinden en daardoor ook de
gelegenheid, zijn vrienden eene gastvrije ontvangst in zijne pastorie te kunnen
bereiden. Editha, zooals hij zijne zuster noemde, was evenwel veel meer voor
hem dan eene vriendelijke huisverzorgster; zij was voor hem eene zielsvriendin,
zooals onder Byron's suggestieven invloed in dien tijd wel meer zusters voor
hare broeders, b.v. ook Serena voor
Beets, werden; en dat kon zij te gemakkelijker
worden, omdat ook zij zich aan de letteren wijdde, zooals hare beide romans
‘Te laat’ (van 1838) en
‘Elise’ (van 1839) en later nog andere geschriften
bewijzen.
Gedurende de zeven jaar, waarin Hasebroek te
Heiloo de gulle gastheer was van Beets en zijne andere
academievrienden, bij welke zich al spoedig
Geertruida Toussaint, die een tijd lang schijnt
gehoopt te hebben, voor Hasebroek nog iets meer dan eene goede vriendin te
zullen worden
2),
en haar zoogenoemde | | | | lijfjonker
W.J. Hofdijk uit het naburige
Alkmaar voegden, vormde zich daar als van zelf een letterkundige
kring, waarin een toon begon te heerschen, die niet meer bleek samen te stemmen
met den jonghollandschen klank, door
De Gids aangeheven. De altijd min of meer vijandelijk
gebleven vriendschap tusschen
Beets en
Potgieter veroorzaakte allengs tusschen beiden
eene gespannen verhouding, waarin Heiloo eer aan de zijde van Beets
dan van de Gidsredactie stond, al werd daarmee toen nog niet gebroken, omdat de
jongeren elkaar in den strijd tegen de ouderen nog noodig hadden.
Potgieter zelf is dan ook wel eens aan
Hasebroek te Heiloo een bezoek komen brengen.
In September 1837 deed hij het op aansporen van Beets voor de eerste
maal, en wel als redacteur van ‘Tesselschade’, om te
zien, of hij voor dat jaarboekje van Hasebroek iets kon loskrijgen,
liefst proza; en dat gelukte hem ook. Hasebroek zond hem een opstel
‘De Haarlemsche courant’ dat, met het aan
Charles Lamb ontleende pseudoniem
‘Jonathan' geteekend, het eerst in de Tesselschade voor 1838
het licht zag.
Jonathan neemt daarin het karakter aan van een oud vrijer die als
onwillekeurig zich zelf en anderen van zijn leeftijd in een bespottelijk
daglicht stelt, alsof de schrijver in dezen Jonathan een bekrompen
achterblijver wilde voorstellen, maar wie iets verder dan tot den letterlijken
zin der woorden doordringt, merkt duidelijk, dat ook Hasebroek, zooals
Beets, toen hij Oom en Tante Stastok min of meer belachelijk voorstelde, meer
liefde gevoelt voor de oudere vertegenwoordigers van het menschen geslacht, dan
voor Jong-Holland. Daarin is de humor van dit opstel gelegen, nauw verwant aan
den humor der ‘Camera Obscura’.
Alle rubrieken der ‘Opregte Haarlemsche courant’ worden
achtereenvolgens besproken. Zeker meer dan half gemeend is de grappige
minachting voor de politieke kamerdebatten, en bij de rubriek advertenties
schijnt de humor een zeer persoonlijk karakter aan te nemen. De
huwelijksadvertenties geven aan Jonathan aanleiding tot eene vluchtige
herinnering aan eene half weggevaagde liefdesillusie en tot bespiegelingen over
bruiloften en het onzedelijk-onaesthetische van den dans. Bij de geboorte
advententies spreekt de liefde tot kinderen, die hij niet heeft zich bij den
oudvrijer uit, en bij de doodsadvertenties komt bij Jonathan de gedachte op,
dat ook zijn eigen doodsbericht eenmaal | | | | in die courant zal prijken,
en dat er zoovelen arm en eenzaam sterven, zonder dat er ooit van hun dood
eenige aankondiging in die courant wordt gedaan. Zoo is het gevoelig-weemoedig
slot van dit opstel, dat zeker niet is opgeweld uit een volkomen gelukkig en
tevreden hart, maar uit dat van een jongen man, die tracht te leeren, hoe men
met een glimlach kan berusten in het onveranderlijke.
De ingenomenheid, waarmee Hasebroek's vrienden
dit opstel begroetten, wekte hem op om nog andere, b.v. de verdienstelijke
bespiegeling over ‘het Album’, in denzelfden trant, in denzelfden
levendigen en keurigen stijl, maar niet met dezelfde frischheid te schrijven.
Gebrek aan oorspronkelijkheid, met name te groote afhankelijkheid van
Charles Lamb, en ook te sterke neiging tot het
stichtelijke is er aan verweten, maar toen Hasebroek ze in 1840 samen
onder den titel Jonathan's
Waarheid en Droomen
1) uitgaf, wisten zij toch vele dankbare lezers te vinden, en ook
lang te behouden, want in 1913 verscheen er nog een elfde druk van, dien de
bundel als stijlwerk ook zeker verdiende. In de latere drukken is hij ook niet
onbelangrijk uitgebreid door toevoeging van de negen karakterschetsen of typen,
die in 1841 van Hasebroek waren opgenomen in den bundel
‘De Nederlanden’, waaraan, zooals wij reeds zagen,
ook Beets en anderen bijdragen hadden geleverd, welke, in
‘Camera’ of ‘Waarheid en Droomen’ opgenomen, veel meer
waardeering vonden, dan bij hun eerste verschijnen.
Het voorbeeld, door Hildebrand en Jonathan met hunne humoristische
bundels gegeven, vond al spoedig navolging, en wel allereerst bij de leden van
hun ouden Leidschen vriendenkring, zooals
Bernard Gewin
2), die 12 Mei 1812 te Rotterdam werd geboren en 11
Maart 1873 te Utrecht overleed, en in 1841, even
vóór hij predikant werd, in een doorloopend verhaal met hen
trachtte te wedijveren, en, onder den schuil- en bentnaam
‘Vlerk’, | | | | het publiek te vermaken met zijne
‘Reisontmoetingen van Joachim Polsbroekerwoud en zijne
vrienden’, geïllustreerd door Hork (d.i. J.W. Kaiser).
Dat gewild grappig reisverhaal doet echter ver onder voor de
‘Camera’ en zelfs voor ‘Waarheid en Droomen’, omdat
stijl en karakter er van veel grover zijn, al mag het ook vlot en onderhoudend
geschreven worden genoemd. Al te zeer in het oog vallend is de navolging van
Dickens' ‘Pickwickpapers’,
zelfs uitkomend in de opschriften der hoofdstukken, bv. ‘Een hoofdstuk,
waarin de nieuwsgierige lezer, die gaarne vernemen wil, hoe de reizigers over
de badplaatsen naar Frankfort trekken, zeer teleurgesteld wordt; en dat verder
zeer geschikt is om overgeslagen te worden door menschen, die niet gaarne
kennis maken willen met Frankforter families’. Ook de vijf hoofdpersonen
van het verhaal, die met elkaar een reisje door Duitschland maken, zijn typen,
die als grove copieën sprekend gelijken op Pickwick en zijne vrienden,
namelijk de vijfendertigjarige ongehuwde advocaat Joachim Polsbroekerwoud, eene
specialiteit in het zeggen van groote banaliteiten en het goedmoedig verdragen
van allerlei kleine ongelukken; Jan Veervlug, een grappenmaker, die vooral
sterk is in woordspelingen; Eduard van Torteltak, een verliefd en elegant
jongmensch, Dionysius de Morder, een nurks, die, getrouw aan zijn naam, te pas
of te onpas mort; en August Holstaff, die sentimenteel is en er een genot in
vindt, zich zelf ongelukkig te gevoelen en anderen ongelukkig te zien.
Aan den schrijver kan de verdienste niet ontzegd worden, dat hij een
nauwkeurig waarnemer is van het alledaagsche en ploertige, waarmee hij terecht
den draak steekt, maar wat zóó alledaagsch en ploertig is, dat
men vraagt, of het niet eer verzwegen, dan bespot verdient te worden. Van veel
smaak getuigt het waarnemingsvermogen van den schrijver althans niet en wanneer
men hem des ondanks geen smaak ontzegt, dan beteekent dat vooral, dat hij met
bijzondere voorliefde dat gebied der aesthetica bestudeerd heeft, waarop het
zintuig van den smaak heerschappij voert. Erkend moet echter worden, dat de
avonturen, waarvan verteld wordt, aanvankelijk wel al te zot, en ook niet veel
meer, zijn, maar dat later de toon wat ernstiger wordt en het verhaal, schoon
nog steeds met dwaasheden vermengd, dan een wat meer romantisch karakter
aanneemt. Het best geslaagd is de be- | | | | schrijving van de beide
bezoeken aan de Frankforter families.
Eenig gevoel voor het werkelijk humoristische ontbreekt echter niet,
al kenmerkte de schrijver zelf den humorist als iemand, die ‘door een
fijnen glimlach aanduidt, dat hij van een piquanten zet zwanger gaat en dan
weer met veel zorg op iets naïefs en heel goedhartigs studeert’.
Toch is er humor van goede soort in de verhalen van het bezoek aan den
grafkelder op den Kreutzberg bij Bonn, van den dood van Mijntje, Pol's oude
dienstbode, en van het oponthoud bij de moeder van den schoorsteenveger
Pietro.
Eenigszins hinderlijk is het, dat alle Hollanders, die de vrienden
op reis ontmoeten, bespottelijk worden voorgesteld, in tegenstelling tot de
vreemdelingen, vooral de Engelschen, waarmee zij kennis maken. Daarmee staat
het boek aan het begin eener periode, waarin de Nederlanders gaarne den schijn
aannamen van laag op hunne eigene landgenooten neer te zien en hunne gebreken
breed uitmaten. Of deze kastijding, door velen als een opvoedingsmiddel
beschouwd, inderdaad zoo goede uitkomsten heeft opgeleverd, dat nu die
zelfbespotting overbodig mag geacht worden, of dat die spot ook vroeger reeds
onverdiend was, zullen wij maar in 't midden laten. Zeker zal men nu niet licht
meer gelooven, dat hij, die zijne landgenooten verlaagt of bespot, zich
daardoor zooveel beter toont, dan zij, want fouten van anderen leert men het
best aan zich zelf kennen.
Van geheel ander gehalte waren de, eigenlijk nog meer satirische dan
humoristische, werken van
Johannes Kneppelhout
1), te
Leiden 8 Januari 1814 geboren en 8 November 1885 op zijn landgoed
‘De Hemelsche Berg’ bij Oosterbeek
overleden. In 1831 werd hij student in de rechten te Leiden, de
stad, waar zijne ouders woonden; maar eigenlijk student is hij nooit recht
geweest. Niet alleen heeft hij geen enkel examen gedaan, omdat hij de
inspanning er niet voor over had en rijk genoeg was, maar aan het
studentenleven zelf heeft hij ook weinig en nooit van harte deelgenomen. Van
den aanvang af was hij liefst ‘auteur’, waartoe reeds op de
kostschool te Noordhey bij hem de neiging ontwikkeld was. | | | |
Ongelukkig verkeerde hij in den waan, meer naam te zullen maken door
in het Fransch eerst verzen en vervolgens ook proza te schrijven, want hoe goed
hij ook Fransch verstond, een Fransch-man met echt Franschen stijl kon hij toch
nooit worden. ‘C'était toujours l'ouvrage d'un
étranger,’ zooals Jules Janin tot hem zeide, en, wat erger was,
ten gevolge daarvan ‘il n'y avait aucune individualité’ in
zijne geschriften. Toch ging hij er na deze terechtwijzing nog mee voort en gaf
hij van 1832 tot 1837 zeven werkjes in het Fransch uit, grootendeels in
romantischen geest en kleurlooze navolging van
Victor Hugo's proza en poëzie. Toen kwam hij
eindelijk, zonder ooit zijne liefde voor het Fransch te verliezen, er toe, ook
in het Nederlandsch de pen op te vatten.
Aanleiding daartoe gaven oneenigheden in de Leidsche
studentenwereld, waaraan de oudere student
Kneppelhout niet alleen een einde wilde maken,
maar die hij ook voor het vervolg wilde zoeken te voorkomen door het
studentenleven te verbeteren en als middel daartoe ‘de wonde
plekken’ er van aan te wijzen en ‘de gebreken, de misstanden, die
aan de Academie heerschen, buiten den naauwen en vooringenomen studentenkring
bekend te maken’ aan ‘allen, die het wel meenen met de Leidsche
hoogeschool, aan Ouders en Voogden’
1). Daarom noemde hij ook zich zelf
‘Klikspaan’, toen hij met dat doel van 1839 tot 1841
in afleveringen
Studenten-typen uitgaf, en vóór
deze nog volledig, d.i. ten getale van twaalf, verschenen waren, ook van 1840
tot 1844
Studentenleven en
De Studenten en hun Bijloop ter perse zond, met
geestige teekeningen van den student Alexander Ver Huell versierd, en alle
samen nog eens in 1860-61 herdrukt
2).
Het gevolg van de strekking, die Kneppelhout's
geschriften | | | | hadden, was, dat op eene enkele uitzondering na alleen
typen van minderwaardige of zelfs verachtelijke studenten werden geteekend,
waaraan slechts eene kleine minderheid beantwoordde, terwijl alleen de schets
‘De Student’ bedoelde, het gemiddelde weer te geven. Aan het feit,
dat hij er daarom ook op uit was, zoo realistisch mogelijk te zijn, danken deze
geschriften hunne treffende getrouwheid van teekening, vooral uitkomend in het
weergeven van kleine uiterlijke bijzonderheden en in de taal der gesprekken,
die als op het oogenblik zelf uit de werkelijkheid gegrepen schijnen. Van
idealiseeren der studentenmaatschappij is geen sprake; maar de
‘Bijloop’, hoezeer de typeering daarvan nauwelijks begonnen weer
werd gestaakt, komt er, ook in voorbijgaande kenmerking hier en daar in de
‘Studenten-typen’, niet beter af, en eigenlijk evenmin de
burgermaatschappij, voor zoover wij daarmee terloops kennis maken. Alles is met
eene uiterst pessimistische bril bekeken, zoodat niemand bij de lezing van die
schetsen er zijn eigen studententijd in zal hervonden hebben; maar wel zal de
sprekende teekening menige herinnering bij den oud-student hebben wakker
geroepen. Op VerHuell's vraag: ‘Zijn er zoo?’ kon men antwoorden:
‘Zoo zijn er,’ doch met de bijvoeging ‘maar er zijn er ook
anderen’. Intusschen kan groote, dikwijls dramatische aanschouwelijkheid
vooral aan de ‘typen’ niet worden ontzegd, terwijl de levendige,
naar kortheid strevende stijl treft en boeit, al zal des schrijvers zin voor al
te drastische uitdrukkingen soms ontstemmen, evenals zijn overvloed van
vergelijkingen en zijne jacht op geestigheden vermoeit.
Kneppelhout is ongetwijfeld een oorspronkelijk
schrijver, al heeft hij ook het een en ander ontleend aan de
‘Physiologie de l'Etudiant’ van
L. Huart en zelfs aan den
‘Spectator’ van
Van Effen, met wien hij gemeen heeft, dat hij wel verreweg
het meeste aan deze studentengeschriften zelf heeft geleverd, maar toch ook,
evenals Van Effen, tot medewerking uitnoodigde en dan ook wel medewerkers heeft
gevonden
1). Behalve kleinere stukjes en eenige verzen,
die hij in zijne eigene schetsen opnam, zijn van anderen drie volmaakt in zijn
trant geschreven geestige | | | | schetsen, namelijk van
Samuel Constant Snellen van Vollenhoven (te
Rotterdam 19 October 1816 geboren en als beroemd entomoloog 22
Maart 1880 in Den Haag overleden) ‘De
Jurist-Litterator’ in de ‘Studenten-typen’;
van den lateren predikant
Henri Thierry de Blaauw (geb. 1818 † 1858)
‘Convocatie’ in het ‘Studentenleven’ en
van den jong (reeds 6 November 1852) overleden
Christian Heinrich Riehm ‘De Praetor’
in ‘De Studenten en hun Bijloop’.
In de schets ‘Minerva’ (het vijfde hoofdstuk van het
‘Studentenleven’) komt een lange feestdronk voor, die
Kneppelhout dankte aan zijn jongeren vriend
Jonckbloet, van wien de overlevering weet te
vertellen, dat hij als model gediend heeft voor de aantrekkelijke schets, die
Kneppelhout in zijne ‘Studenten-typen’ van den
ideaalstudent onder den naam ‘Flanor’ gaf. Eigenlijk humorist en in
dien zin geestverwant der overigen was Jonckbloet evenwel niet, want
toen ook hij zich liet verleiden om een klein werkje in soortgelijken trant te
schrijven, wist hij den waren toon niet te vatten en had hij er niet anders dan
verdriet van. Het was zijne, in 1843 naamloos verschenen, maar spoedig als zijn
werk herkende ‘Physiologie van Den Haag door een
Hagenaar’
1), waarmee hij de vele
‘Physiologieën’ van alles en nog wat, waarvoor
Honoré de Balzac met zijne
‘Physiologie du mariage’ (1824-29) in Frankrijk het
voorbeeld gegeven had, met nog ééne vermeerderde. Wel trok het
boekje de aandacht, en was er zelfs al spoedig een tweede druk van noodig, maar
het lokte ook hatelijke tegenschriften en trouwens ook eene apologie uit, want
in plaats van daarin Haagsche typen te teekenen, had Jonckbloet er
gemakkelijk te herkennen portretten in gegeven, ook van letterkundigen uit den
kring van het Haagsche genootschap ‘Oefening kweekt kennis’, met
wie hij bevriend was en die hij toch niet naliet belachelijk te maken.
Natuurlijk zou men bij
Jacob Geel, den bewonderaar van
Sterne, onverdeelde ingenomenheid met deze jonge
humoristische letterkunde hebben kunnen verwachten, te meer nog omdat zij
uitgegaan was van een studentenkring, die hem vereerde; maar ongelukkig had
Beets' opstel
‘Vooruitgang’ dat tot zijne ergernis in 1840 was
herdrukt, ofschoon hij meende het voorgoed te hebben afgemaakt, | | | | hem
in hooge mate tegen dezen jongen schrijver ontstemd en zag hij in diens
‘Camera’ niet veel meer dan het product van
‘copiëerlust van het dagelijksch leven’. Ook
Potgieter, die zijn best had gedaan den
Engelschen humor hier bekend te maken, scheen aangewezen om de loftrompet, voor
zoover hem dat mogelijk was, te steken over deze Nederlandsche proeven van
humor in 't algemeen en over de ‘Camera’ in 't bijzonder; maar hij
deed aanvankelijk niet meer dan het oordeel van allerlei letterkundigen
daarover in te winnen en zich min of meer te ergeren over den grooten opgang,
dien eerst Beets-Hildebrand en vervolgens ook de andere humoristen bij het
groote publiek maakten.
Eindelijk, in 1841, vatte ook hij de pen op om, Geel's
woorden tot de zijne makend, in
De Gids, ‘de kopijeerlust des dagelijkschen
levens’, onder zeker voorbehoud wat den stijl betreft, te veroordeelen in
eene over het algemeen ongunstige critiek van de ‘Camera
Obscura’ en de karakterschetsen ‘De
Nederlanden’ en ‘Nederlanders door
Nederlanders’ en van de
‘Studenten-typen’, ofschoon hij deze laatste aan de
andere in 't oog loopend voortrok, niet slechts om de oorspronkelijkheid der
typeering, maar vooral ook om het ethische doel, dat de schrijver er mee
beoogde. Wel maakte hij het niet zoo erg als de ‘Vaderlandsche
Letteroefeningen’, die aan de ‘Camera’ na den tijdelijken
opgang slechts een kort leven voorspelden, maar een classiek werk zag hij in de
‘Camera’ toch evenmin als in ‘Waarheid en
Droomen’, door hem wat later een boekje genoemd, dat Jonathan
maar liever niet had moeten schrijven. Zeker is maar zelden eene ongunstige
critiek door de geschiedenis - het wereldgericht - zoo afdoende weerlegd, als
deze
1). Vraagt men, hoe Potgieter zich zoo deerlijk
heeft kunnen vergissen in hetgeen toch zijne sterkste zijde was, de critiek,
dan moet het antwoord luiden, dat hij vooreerst zich hier door zijne antipathie
tegen de Leidsche schrijvers heeft laten verblinden, vervolgens te veel ontzag
had voor
Geel, en eindelijk altijd een te grooten afkeer
heeft | | | | gehad van het burgerlijk-alledaagsche om dat in de
litteratuur met liefde, zij 't ook in humoristischen trant, behandeld te willen
zien.
Intusschen bleef Jong-Holland
Potgieter ongelijk geven en werd het voorbeeld
der oudstudenten van de ‘Rederijkerskamer voor uiterlijke
welsprekendheid’ weldra ook door anderen, die daar hunne opleiding niet
hadden ontvangen, ijverig gevolgd. Nu scheen inderdaad bewaarheid te zullen
worden, wat Beets onder den indruk van hetgeen hij in zijn eigen
studentenkring had gehoord en gezien reeds in den eersten druk van zijne
‘Camera’ door een gefingeerd briefschrijver aan Hildebrand had
laten schrijven: ‘Daar is tegenwoordig zulk een ontzettende consumtie van
humor, mijn vriend, dat dit artikel verschrikkelijk duur moet geworden zijn en
dan ook bijgevolg akelig wordt vervalscht. Ik ben overtuigd, dat er in iedere
kerk, de dominé meegerekend, meer dan honderd humoristen bijeen zijn.
Men komt in geen koffijhuis, men rijdt in geen diligence, ja, wat meer is, men
zit in geen ‘bijwagen’ (toen tevens de titel van een kortlevend
tijdschrift) zonder een humorist. Het heele land is er van vergiftigd’.
Er waren er van allerlei soort, meer nog dan de lange lijst, die er in den
brief reeds van wordt gegeven.
Toch was er ook nog wel koorn onder het kaf. Onder de nieuwere
humoristische geschriften waren er toch ook, die uitmuntten door waarheid van
teekening en fijnheid van geest, zooals met name de
Schetsen uit de Pastorij te Mastland, d.i.
Westmaas in Maasland, de eerste standplaats van den schrijver,
Cornelis Elisa van Koetsveld
1) (geb. te Rotterdam 24 Mei 1807 † 17
Dec. 1893), die in 1843, toen de Schetsen verschenen, te
Schoonhoven predikant was om | | | | sedert 1849 hetzelfde
ambt te 's-Gravenhage te bekleeden, waar bij in 1878 ook
hofprediker werd. Het doel der Schetsen is, een juister beeld van den
dorpspredikant te geven, dan hetgeen het groote publiek doorgaans van hem
heeft, dat niet veel meer in hem ziet, dan ‘een boerin 't zwart’.
Behalve door nauwkeurige en aanschouwelijke beschrijvingen, met toevoeging van
de gedachten, door het beschrevene gewekt, b.v. van des schrijvers
‘studeervertrek’, van zijne ‘intrede’, van een
‘winter buiten’, enz. enz. munten de Schetsen vooral uit door fijne
karakterteekening, niet alleen van de Overmaasche boeren, maar ook van de
‘primaten van het dorp’, en daaronder van den
plattelandsheelmeester, die bewijst, dat ‘Het leven en de
wandelingen van Meester Maarten Vroeg’ niet te vergeefs voor
Van Koetsveld geschreven waren. Door nooit tot caricatuurteekening te
vervallen heeft de schrijver met zijne kunst bereikt, dat hij in deze Schetsen
een vertrouwbaar beeld heeft kunnen geven van het dorpsleven in het midden der
negentiende eeuw met den predikant als middelpunt. Ook deze zelf wordt
natuurlijk geschetst, en daarbij toont de schrijver zich niet alleen
menschenkenner, zooals in de teekening zijner dorpsgenooten, maar ook iemand,
wien het aan zelfkennis niet ontbrak. Tot de levendigste en bestgeslaagde
Schetsen behooren vooral ‘Het Bezoek’ van Oom Jan, den
Rotterdamschen tabaksverkooper, die de pastorie op stelten komt zetten, en
‘De Haan’, door Arij Ploegstaart vermoord, omdat hij zijn kind
bijna de oogen had uitgepikt: een aardig tafereeltje van een dorps-twist, dat
aan Vondel's Leeuwendalers doet denken. Het grootste gedeelte dezer Schetsen is
in den goedmoedig-vroolijken toon geschreven, behalve natuurlijk ‘Het
sterfbed’ en ‘Armoede’, ofschoon sentimentaliteit geen gebrek
van den schrijver is, en zijne kunst daarom allerminst tranenrijk.
In den vierden druk (van 1849) zijn er nog twee schetsen, van eene
‘Begrafenis’, bijgevoegd, en sinds dien tijd zijn er nog
verscheidene nieuwe drukken en ook eene Engelsche en eene Hoogduitsche
vertaling van verschenen, als bewijs van den grooten opgang, dien
Van Koetsveld er mee maakte. Dat
Potgieter deze Schetsen veel gunstiger
beoordeelde, dan vroeger de ‘Camera Obscura’, zou
ons kunnen doen denken, dat hij allengs tot het inzicht gekomen was, zich
vroeger ten aanzien van deze soort van litteratuur te hebben vergist, want de
‘kopijeerlust des dagelijkschen levens’ openbaart zich bij Van
Koetsveld misschien nog duidelijker dan | | | | bij Beets,
terwijl de humor daarentegen bij hem eene bescheidener plaats inneemt.
Ten aanzien van andere humoristen kunnen wij volstaan met eene korte
vermelding, zooals van den ook als dichter opgetreden predikant van
Zweeloo,
Alexander Lodewijk Lesturgeon
1) (geb. 1815
† 1878), die o.a. ‘Een Drentsch gemeente-assessor met zijn
twee neven op reis naar Amsterdam in 't voorjaar van 1843’
humoristisch schetste in samenwerking met den (laatstelijk Assenschen)
journalist
Harm Boom (geb. 1810 † 1885); van den
Lutherschen predikant (sedert 1836 te Amsterdam)
Bartholomeus Theodorus Lublink Weddik
2) (geb.
1801 † 1862), die reeds sedert 1831 tal van gedichten en humoristisch
gekleurde prozastukken uitgaf, waarvan het meest geprezen zijn de
‘schetsen en tafereelen naar het burgerlijke leven uit de papieren
van Oudoom Jacob’, in 1851 gedrukt onder den titel
‘De Binnenkamer van een Kruidenier’, en die in 1844
onder den naam ‘De Tijdspiegel’ een nieuw
tijdschrift stichtte, dat nog geregeld uitkomt; en van den weekhartigen
Jacobus Leunis van der Vliet
3) (geb. 1814 † 1851), die onder het pseudoniem
‘Boudewijn’ meer dan door zijn ‘Proza en
Poëzy’ (1843) de aandacht trok door zijne teekening van
‘Jonge-Jufvrouwen’ (1845) en zes jaar lang (van
1845-1851) een sober bestaan vond in het redigeeren van een tijdschrift,
getiteld ‘De Tijd’.
Als humoristische roman uit dezen tijd valt de
Willem van Bergen te vermelden, van 1838 tot 1842
in twee deelen uitgegeven door Mr. A.
Gijsberti Hodenpijl. Blijkbaar is het eene
navolging van
Sterne's ‘Tristram Shandy’,
waarmee het werk, behalve andere eigenaardigheden, ook deze gemeen heeft, dat
er in den loop der gebeurtenissen opzettelijk geen gang is gebracht, zoodat de
held aan het eind van den roman nog slechts drie dagen ouder is, dan aan het
begin.
Een humoristischen roman, zij het ook van een geheel ander
ka- | | | | rakter, kan men ook zien in den
Ferdinand Huyck
1), het
meesterwerk van
Van Lennep, dat in 1840 het licht zag.
Eigenlijk is ook dit een historische roman, doch niet of nauwelijks meer uit de
romantische school van Walter Scott, misschien omdat Van Lennep zijn
verhaal plaatste in de achttiende eeuw, die hij niet uit romans behoefde te
leeren kennen, maar waarin hij van jongs af met zijn geest had geleefd door
alles, wat hem daarvan door zijne grootouders was verteld. 't Is ons dan ook
bij zijne teekening der personen van dezen roman, of hij ons in kennis wil
brengen met menschen, met wie hij zelf persoonlijk heeft verkeerd en die in
dankbare herinnering bij hem voortleefden, zooals vooral de hoofdschout van
Amsterdam, Vader Huyck, en zijne echtgenoote, het type van eene ouderwetsche
huismoeder, Ferdinands vroolijk en ondeugend zusje Santje, dat guitige
plaagzieke, en de vrome, maar toch goedhartige en daarom niet onsympathieke
tante Letje met hare vele aanhalingen uit de Schrift.
Evenals in ‘De Pleegzoon’, is ook hier de
titelheld Ferdinand minder door zijne handelingen de hoofdpersoon, dan wel,
omdat hij zijns ondanks betrokken wordt in de intrige, die ook hier met groote
kunstvaardigheid en vindingrijkheid is uitgesponnen. De ware held daarvan is de
geheimzinnige Vliesridder, met zijne schoone en lieftallige dochter Amelia, een
avonturier-edelman, dien Van Lennep niet heeft behoeven te scheppen,
daar juist in de eerste helft der achttiende eeuw de geschiedenis er
verscheidene voorbeelden van leverde, zooals onder de Nederlanders den
Groningschen baron Johan Willem van Ripperda, die zich omstreeks 1725 tot
eersten minister van Spanje had weten op te werken en, daar in ongenade
gevallen, ook nog te Marokko de regeering in handen kreeg en in 1787 overleed.
Deze romantische Vliesridder, half Spaansche grande, half rooverhoofdman,
speelt eene boeiende rol, maar ook eene zeer eigenaardige in die deftige
kringen der Amsterdamsche regenten-aristocratie, waartoe hij oorspronkelijk ook
behoort en waar het toeval | | | | hem in aanraking brengt met Ferdinand,
die de bescherming zijner dochter op zich neemt en daardoor in groote
ongelegenheid geraakt, vooral ook omdat Henriëtte Blaek, op wie hij zijne
zinnen gezet heeft, daardoor voor hem verloren dreigt te gaan. Van
Lennep is echter goedhartig genoeg om zijne lezers met eene blij-eindende
oplossing der vele moeielijkheden te bevredigen.
Bij verschillende gelegenheden toont
Van Lennep in dezen roman, dat ook gevoelige
humor hem niet geheel vreemd is. Hij had daarvan ook vroeger wel eene enkele
maal blijk gegeven, b.v. in ‘De Roos van Dekama’,
toen hij daar Daamke teekende in zijne droefheid over den dood van zijn lief
aapje, wat een weerklank schijnt gevonden te hebben in het ‘morta cara
scimia’, den grondtoon van Potgieters' gedicht
‘De Chineesche Mandarijn’ (van 1842). Toch is
Van Lennep's humor ook hier meer van vroolijken en oolijken aard en
wemelt het boek van snaaksche, ondeugende invallen, die het
onvergankelijk-studentikooze doen uitkomen, dat als eene tweede natuur van den
schrijver was.
Onder de bijpersonen ontbreekt het ook hier niet aan comische
figuren, zooals kapitein Pulver en Doedes, de drost van Terschelling, wier
prototype Van Lennep wel bij Dickens zal gevonden hebben. Ook
Zacharias Heynsz. is eene vermakelijke figuur, allesbehalve het evenbeeld van
den ouden Vlaamschen dichter, die hem zijn naam leende. De dichter, die in den
roman optreedt daarentegen, heet Lucas Helding en is, ook in verhouding tot
zijne dochter, een echt humoristisch type en als huispoëet van den heer
Blaek gevolgd naar de aanwijzingen, die
Van Effen in zijn ‘Spectator’ van zulke
dichters gaf. Bekendheid met den ‘Spectator’ zou Van
Lennep evenmin hebben kunnen loochenen, als met de romans van
Lesage, waaraan zijn roman soms doet denken.
Bij boeienden en levendigen verhaaltrant geeft dit werk ook
verscheidene voorbeelden van aardig geteekende, dramatische tooneeltjes, zooals
b.v. reeds in het begin de ontmoeting van Ferdinand en Henriëtte in den
koepel op Blaek's buitenplaats Guldenhof, en verder de scène van het
bekkensnijden, en vooral ook het tochtje op de Zuiderzee met den zeezieken
Weinstube, het grappig type van den rijk geworden mof, die het koninklijk
wapenschild van Spanje zoo mooi vond, dat hij het op de portieren van zijn
koets zou hebben laten schilderen, als men hem niet nog bijtijds gewaarschuwd
had. | | | |
Niet alle humor, dien wij in dezen tijd bij ons ontmoetten en
leerden kennen, is van hetzelfde gehalte, noch van hetzelfde karakter, maar
grooter tegenstelling zal men moeielijk aantreffen, dan den humor van
Hasebroek en dien van Van Lennep .Dat voor den Nederlander
die van den laatste veel meer aantrekkelijkheid moet bezitten, zal wel niemand
loochenen. Talrijke malen is de ‘Ferdinand Huyck’
dan ook gedrukt, en zelfs de vreemdeling heeft er in het Fransch, Engelsch en
Hoogduitsch van kunnen genieten.
|
2)Zie C. Hazewinkel, Bijdrage tot de
Psychologie der Humoristen, Leiden 1922, waarin de psyche van 20 humoristen
(bijna alle Engelschen of Amerikanen) en daaronder ook Beets en Hasebroek
bestudeerd wordt.
3)B.S. Nayler gaf uit: ‘An appeal to
the judgement of the Dutch and French inhabitants of the city of Amsterdam on
the subject of the English Language’, Amst. 1822.
1)Voor deze Engelsche humoristen kan men o.a.
raadplegen: Fitzgerald, Life of Lawrence Sterne, London 1864 II dln.
(ook nog 1896), Traill, Lawrence Sterne, London 1882 en A. de Froe,
Lawrence Sterne and his novels, studied in the light of modern
psychology, Amersfoort 1925. Veel jonger dan Sterne, die nog tot de
achttiende eeuw behoort, waren de Engelsche humoristen, die Potgieter door
vertaling bij ons invoerde: le Charles Lamb, wiens leven beschreven werd door
Ainger (London 1888), den uitgever van Lamb's gezamenlijke werken, London,
1883-1888 VI dln., 2e William Hazlitt, dien men o.a. kan leeren kennen uit
zijne ‘Memoirs’, London 1867 II dln., 3e J.H. Leigh Hunt, wiens
leven o.a. beschreven is door C. Monkhouse, London 1893, en 4e de zeer veel
jongere, maar ook veel beroemder Charles Dickens, voor wien ik hier alleen
verwijs naar J. Forster, The life of Charles Dickens, London 1872-1874,
III dln., en meermalen herdrukt.
2)Voor Geel's pamflettenstrijd naar aanleiding
van zijne vertaling van Sterne's Sentimental Journey zie men Martha J.
Hamaker, Jacob Geel naar zijn brieven en geschriften geschetst. Leiden
1907, bl. 126-128. Die vertaling werd eerst in 1857 (te Haarlem) en in 1870 (te
Amsterdam) herdrukt.
1)Voor deze kamer zie men vooreerst L.R.
Beynen ‘Lotgevallen der Rederijkerskamer voor uiterlijke welsprekendheid
binnen Leiden gedurende het tweede jaar van derzelver bestaan’, Leyden
1835 en Klikspaan's Studentenleven, bl. 375-429, en verder G. van Rijn,
Nicolaas Beets II, bl. 70-87, H. Ph. 't Hooft, De Student Beets,
Haarlem 1914 en beknopt Jan ten Brink, ‘Geschiedenis der Noord-Ned.
letteren’, I (1888), bl. 294-296.
2)Voor Laurens Reinhard Beynen, die steeds
ijverig deel heeft genomen aan de letterkundige beweging, al heeft hij op het
eigenlijk letterkundig gebied zoo goed als niets geleverd, en die Koningin Emma
in onze taal heeft onderwezen, waarbij hij de ‘Camera Obscura’ als
handboek gebruikte, zie men het gedenkschrift ter ‘Herinnering aan den
Maaltijd van 11 Sept. 1878 ter eere van Dr. L.R. Beynen’, 's-Grav. 1878
on Johs. Dyserinck, L.R. Beynen, 's-Grav. 1906.
3)Van de Camera Obscura heeft Beets zelf
21 drukken mogen beleven, gedeeltelijk met illustraties. De 25ste druk
verscheen te Haarlem 1909 als jubileum-uitgave met eene geheele reeks van bijna
onverdeeld huldebrengende beoordeelingen door de voornaamste schrijvers en
beoordeelaars van onzen tijd. Ook daarna is de ‘Camera’ als het
populairste boek onzer letterkunde (zie o.a. ‘De Ned. Spectator’
van Januari 1892) nog meermalen, in 1924 voor de 35ste maal, herdrukt. Vgl. ook
C. Scharten, Beets-Hildebrand in De Gids, 1914. Van Beets' eigen
toelichting op het werk, getiteld Na vijftig jaar. Noodige en overbodige
opheldering van de Camera Obscura door Hildebrand, Haarlem 1887, verscheen
reeds in 1888 een tweede, geheel herziene, druk. Een soort van
bibliographie van Hildebrand's Camera Obscura gaf Johs. Dyserinck in De
Gids van Dec. 1881, ook afzonderlijk en vermeerderd herdrukt, Middelburg 1882.
Ook de vertalingen, die er van verschenen, worden daar vermeld en besproken,
namelijk de Fransche vertaling van Léon Wocquier als
‘Scènes de la vie hollandaise’, Paris 1856 en ‘La
Chambre Obscure’, Paris 1860, en Duitsche vertalingen van gedeelten er
uit, o.a. van ‘Gerrit Witse’ door Albert Wild, 1862, twee van
‘De Familie Stastok’, Braunschweig 1864 en 1865 (door Adolf Glaser)
en twee van ‘De Familie Kegge’, Elberfeld 1865 en Braunschweig 1865
(door Adolf Glaser). In het Engelsch is ‘De peueraar’ als
‘The Leyden eel-bobber’ in 1877 door J.L. Lockhart vertaald,
terwijl van de Italiaansche vertaling, ‘La Camera Oscura’, Novara
1879 door Giovanni Antonioli een eerste deel het licht zag. Onvermeld was bij
Dyserinck gebleven eene derde Duitsche vertaling van ‘De Familie
Stastok’, door Wilfried Galen in ‘Germania’, Berlin VI (1876)
N 192; maar ook na 1882 kwamen er nog nieuwe uit, zooals eene Hongaarsche van
‘Verre vrienden’ als ‘Tavóli larátok’ van
Nagy Zsigmond, 1884. ‘Teun de jager’ werd in het Fransch door
Charles Simond, 1890, in het Engelsch door James Bullingal, 1892 en, met een
paar andere stukken, ook door James Mackinnon, 1898, vertaald. De laatste
schreef ook over ‘Dutch humor. The Camera Obscura of Hildebrand’
een zeer waardeerend stuk in ‘The Ladder’ I N. 6 (London 1891) p.
341-345. Van ‘De Familie Kegge’ gaf Ernst Keller in de
‘Elberfeldsche Zeitung’ in 1883 nog eene derde Duitsche vertaling
en eene vierde gaf W. Lange bij Reclam te Leipzig z. j. No. 648. ‘Een
oude kennis’ is in 1891 door H. van de Stadt zelfs in het Volapük
overgebracht. Zie Johs Dyserinck, Dr. Nicolaas Beets, Haarlem 1903, bl.
46-60.
1)Voor J.P. Hasebroek zie men Jan ten Brink,
Geschiedenis der Noord-Ned. letteren I (1888), bl. 282-231. Zijn leven
beschreef M.W. Maclaine Pont in de ‘Levensberichten van de Maatsch. der
Ned. Letterkunde te Leiden, 1897.
1)Voor Elisabeth Johanna Hasebroek zie men
behalve hare eigene biographische mededeeling in Verhalen en Schetsen,
Haarlem 1852, ook den open brief, tot haar in 1880 gericht door Mevr.
Bosboom-Toussaint bij den derden druk van haar roman De Graaf van
Devonshire.
2)Blijkens een paar brieven van haar,
afgedrukt door P.J. Meertens in De Gids LXXXIX (Mei 1925), bl. 260-265.
1)Over Hasebroek's bundel
‘Poëzy’, Haarlem 1836, had Potgieter (in De Gids I 1837, bl.
569-577, herdrukt in ‘Kritische Studiën’ I bl. 188-201)
gunstiger geoordeeld dan hij het over Waarheid en Droomen deed. Veel
gunstiger deed het later Taco H. de Beer, in ‘Na eene halve eeuw. Aant.,
Opmerkingen en Verklaringen van Waarheid en Droomen’, Culemborg
1895.
2)Van Bernard Gewin schijnt geene
levensbeschrijving te bestaan. Intusschen is over hem het een en ander
meegedeeld door G. van Rijn, Nicolaas Beets, II blz. 12-41. Zijne
‘Reisontmoetingen’ (Amst. 1841) werden te Arnhem in 1902 nog eens
herdrukt.
1)Over Kneppelhout zie men Gerrit de Clercq
in De Gids VIII (1844) I; C. Busken Huet in ‘Litterarische
Fantasiën’, XXII, bl. 65-101; W.P. Wolters, Het leven van Joh.
Kneppelhout in ‘Levensberichten van de Maatsch. der Ned. Letterkunde te
Leiden’, 1886, bl. 248 vlgg. en Jan ten Brink in de ‘Geschiedenis
der Noord-Ned. letteren’ III (1889), bl. 306-311.
1)Over het studentenleven in Kneppelhout's
tijd, ten deele ook in betrekking tot zijne werken, zie C. Pruys van der
Hoeven, Academieleven, Utrecht-Amst. 1866, en S.A. Naber,
Tafelkout in De Gids 1906 I, bl. 43-69. Het uitvoerigst is over
Kneppelhout en in 't bijzonder over zijne studentenschetsen, ook in verband tot
de voorafgaande studentenlitteratuur, gehandeld door A.J. Luyt, Klikspaan's
Studentenschetsen, Leiden 1910.
2)Over Joh. Kneppelhout en diens
studentenschetsing in 't bijzonder zie men E.J. Potgieter in De Gids V (1841)
bl. 501-522, herdrukt in ‘Kritische Studiën’ I, bl. 368-395 en
over Kneppelhout's ‘Schetsen en verhalen uit Zwitserland’ (1850) in
De Gids XIV (1850) bl. 505-514, herdrukt in ‘Kritische
Studiën’ II, bl. 331-348. Verzameld kwamen Kneppelhout's
Geschriften, Leiden 1860-75 in XII deelen uit, door den schrijver min of
meer ingrijpend herzien. Een 7den herdruk van den ongewijzigden eersten druk
der ‘Studententypen’ en een 6den van het
‘Studentenleven’ gaf Jan ten Brink met uitvoerige inl. en met
‘photogrammen naar teekeningen van Johan Braakensiek’, Leiden 1895
uit.
1)Voor ‘de medewerkers van
Klikspaan’, zie men Johs. Dyserinck, Het studentenleven in de
literatuur, Amst. 1908. Daar vindt men eene reeks van korte
biographieën van alle medewerkers, nl. Chr. H. Riehm, Mr. Pieter Lodewijk
Frans Blussé, Frederik Cornelis van der Meer van Kuffeler, Mr. S.C.
Snellen van Vollenhoven, H.Th. de Blaauw, Jan Bastiaan Molewater, Gerrit de
Clercq en W.J.A. Jonckbloet.
1)Zie daarover en over de vele brochures, die
er tegen en over uitkwamen, Johs. Dyserinck, Het studentenleven in de
literatuur, Amst. 1908.
1)Potgieter's ongunstige beoordeeling van de
‘Camera Obscura’ en van de karakterschetsen ‘De
Nederlanden’, waaraan Hildebrand zijn, later ook in de
‘Camera’ opgenomen, aandeel had, verscheen in De Gids V (1841), bl.
442-460 en 577-594, herdrukt in zijne ‘Kritische Studiën’ I
bl. 343-367 en 395-419. Zeer opmerkelijk is het, dat, terwijl in onzen tijd
Nurks (ook niet zonder eenzijdigheid) voor Hildebrand's meestertype werd
verklaard, Potgieter, Krit. Stud. bl. 363 ‘er evenveel talent aan
verkwist vond als aan Quilp van Dickens’ en vraagt, of verschillende
overwegingen Hildebrand ‘niet hadden moeten bewegen, ons die schets te
sparen.’
1)Voor Cornelis Elisa van Koetsveld zie men
Jer. de Vries in ‘Eigen Haard’ 1887, bl. 260 vlgg., Jan ten Brink,
Geschiedenis der Noord-Ned. letteren I (1888) bl. 242-281. met
bibliographie, en zijne levensbeschrijving door J.J. Prins in
‘Levensberichten van de Maatsch. der Nederl. Letterkunde te
Leiden’, 1893. Te ‘Eik en Duinen’ (Den Haag), waar hij
begraven werd, is 7 Nov. 1895 een gedenkteeken voor hem onthuld, met eene
toespraak van C.A. van der Kemp. Van de Schetsen uit de Pastorij te
Mastland verscheen te Amsterdam in 1911 de veertiende druk. Ook werd het
werk vertaald: in het Engelsch door Thomas Keightley als ‘The Mans of
Mastland. Sketches serious and humorous from the life of a village pastor in
the Netherlands’, London 1860, en in het Hoogduitsch door H.R.
Schollenbruch als ‘Skizzen aus dem Pastorat zu Mastland. Aus dein Leben
eines holländischen Dorfpastors’, Elberfeld 1865. Gunstig
werden de ‘Schetsen uit de Pastorij te Mastland’ beoordeeld door
E.J. Potgieter in De Gids VIII (1844) bl. 27-40, herdrukt in ‘Kritische
Studiën’ II bl. 70-87. Ook gaf Potgieter van Van Koetsveld's
Snippers van de schrijftafel, Schoonhoven 1852 eene beoordeeling in De
Gids XVII (1853) bl. 260-267, herdrukt in ‘Kritische Studiën’,
II bl. 349-359.
1)Het leven van Alexander Lodewijk Lesturgeon
is beschreven door W. Hecker in ‘Levensberichten van de Maatsch. der
Nederl. Letterkunde te Leiden’ 1879 bl. 153 vlgg.
2)Van Bartholomeus Theodorus Lublink Weddik is
het leven beschreven door K.N. Meppen in de ‘Levensberigten van de
Maatsch. der Ned. Letterkunde te Leiden’ 1863, bl. 295 vlgg.
3)Het leven van Jacobus Leunis van der Vliet of
Boudewijn werd in ‘De Tijd’ 1851 beschreven door C. van Schaick.
Van zijn bundel Beelden en Schaduwen, 's-Grav. 1847, was reeds in 1851
een derde druk noodig en zijne Jonge-Jufvrouwen werden nog eens in 1875
te Breda herdrukt.
1)Voor Van Lennep's Ferdinand Huyck
zie men o.a. T. Terwey, Ferdinand Huyck en de Hollandsche Spectator in
‘Taal en Letteren’ I bl. 287-291 en verder de litteratuur over Van
Lennep boven, bl. 516 vlg. Een zestiende (geillustreerde) druk er van verscheen
te Leiden 1907 in IV dln., eene Duitsche vertaling: Die Abenteuer Ferdinand
Huycks, Aachen 1841 III dln., eene Engelsche: The count of Talavera
by A. Arnold, London 1880 en twee Fransche: Les aventures de Ferdinand
Huyck par Léon Wocquier et D. van Lennep, Paris 1858 en Le fils
du Bailli in ‘Journal pour tous’, XI Paris 1862-63. In 1912
werd de ‘Ferdinand Huyck’ door Anna van Gogh-Kaulbach ook voor het
tooneel bewerkt, en ook in dien vorm met bijval begroet.
|
|