[p. XI]

Inhoud.


EERSTE AFDEELING.    
     
OVER DE NATUUR EN HET DOEL VAN HET SCHRIFT. § 1-33.
DE ALGEMEENE SPELREGELS EN HUNNE ONDERLINGE VERHOUDING.    
Algemeene vereischten der spelling. § 34 - 39.
De Regel der Beschaafde Uitspraak. § 40 - 54.
De Regel der Gelijkvormigheid. § 55 - 60.
De Regel der Afleiding. § 61 - 65.
De Regel der Analogie. § 66 - 67.
     
TWEEDE AFDEELING.    
     
DE BIJZONDERE SPELREGELS, WAAROMTRENT VERSCHIL VAN GEVOELEN BESTAAT.    
     
De klinkers.    
Verlenging van a en u in geslotene lettergrepen. § 68
Verdubbeling van e en o in opene lettergrepen. § 69
Verdubbeling van e en o in de achtervoegsels. Opgave der woorden, in welke de spelling van e, o, of ee, oo, ten gevolge van het aangenomen beginsel, veranderd behoort te worden. §

 



[p. XII]


Wereld, wareld of waereld. Vers of vaers  *   § 71
De ie of i in de achtervoegsels -ief, -iek, -iet met hunne verbuigingen en afleidingen. § 72
Oliën, traliën, maar knieën, drieën enz. § 73.
Het achtervoegsel -isch of -iesch. § 74.
De ij en y. § 75
De woorden, waarin ij door ie vervangen moet worden. § 76.
De woorden, waarin ij door ei, of ei door ij vervangen moet worden. § 77.
De ij of y in bij, mij enz. en in het achtervoegsel -ij. § 78.
Het uitlatingsteeken (') in de verbuiging van vreemde woorden, die op heldere of lange klinkers eindigen, en van eigennamen. § 79.
Verdubbeling der klinkers met i. Aar of air, meer of meir, door of doir; heir of heer, oir of oor, enz. § 80.
     
De medeklinkers.    
De overgangsletter, waar tweeklanken op i door een klinker gevolgd worden. Zaayen, zaaijen, zaaien of zajen. § 81.
De geaspireerde keelklank vóór de t. Waar cht, waar gt te spellen? § 82.
De ch na kort afgebroken klinkers al of niet te verdubbelen? Lachen, lagchen of lachchen, enz. § 83.
Nogtans, nogthands of nochtans. § 84.
Koninkrijk, jonkheid, of koningrijk, jongheid, enz. § 85.
De spelling van ts of ds. Gutsen, guts, knots, ritselen, maar loods, smidse, gids. § 86.
Het achtervoegsel -aard, -erd, of -aart, -ert. § 87.
Het zelfst. naamw. aard of aart. § 88.
De t of d in rit, bint, metgezel. De t of dt in beeltenis en verbintenis. § 89.
Ant of and, in antwoord en Antwerpen. § 90.
De s achter een langen klinker of tweeklank al of niet te verdubbelen? Asem, geesel, IJsel, of aassem, geessel, IJssel, enz. § 91.
De medeklinkers (k, t en m) na toonlooze klinkers al of niet te verdubbelen? Monniken, kieviten, Dokkumer, of monnikken, kievitten, Dokkummer, enz. § 92.
Dievegge of diefegge. § 93.

 

 *  Tot gemak van den lezer is daar, waar bij het vermelden van verschillende spellingen het woordje of gebezigd wordt, altijd die schrijfwijze vooraan geplaatst, aan welke de Redactie de voorkeur heeft gegeven. Zoo kan het bloote naslaan dezer Inhoudsopgave bij een aantal vragen terstond doen zien, in welken zin zij beantwoord zijn.


[p. XIII]


Zamen of samen. § 94.
Ontvangen en ontvonken, of ontfangen, ontfonken. § 95.
Juffrouw of jufvrouw. § 96.
Vonkelen en fonkelen. § 97.
De toonlooze e vóór de achtervoegsels -ling, -lijk en -loos.
Moeilijk of moeyelijk, enz. Ordelijk, ordenlijk, of ordentlijk.
§ 98.
De enkele of dubbele l in woorden op -ling of -lijk. Hemeling of hemelling; adellijk en middellijk, of adelijk, middelijk. § 99.
Middel- of midden- in zamenstellingen. § 100.
De invoeging der t in woorden op -lijk, voorafgegaan door het toonlooze -en. Eigenlijk of eigentlijk, enz. Gansch of gantsch. § 101.
De verkleinwoorden. -je of -jen, -ke en -ken. § 102.
Behalve, derhalve, allenthalve enz., of behalven enz. § 103.
Bezijden of bezijde. § 104.
Thans, althans, doorgaans, nopens enz., of thands, althands, doorgaands, nopends, enz. § 105.
De stomme ch achter de s. Waar sch, waar s te schrijven?
Harnas, los, was, of harnasch, losch, wasch; druisen of druischen; bitsch of bits, enz.
§ 106.
Alleszins, eenigszins, of allezins, eenigzins, enz. § 107.
Verf, verven, of verw, verwen; murw of murf. § 108.
Buskruit en rattenkruit, of buskruid en rattenkruid. § 109.
Dinsdag of Dingsdag. § 110.
Schepter, septer of scepter. § 111
Ambt, ampt of amt. § 112
Nog en noch. § 113.
     
Zamenstellingen. § 114.
A. Welke woorden en uitdrukkingen moeten aaneengeschreven worden? welke in hunne deelen gescheiden blijven?    
Zamengestelde woorden in 't algemeen. § 115.
Eigenlijke zamenstellingen. § 116.
Koppelingen. § 117.
De drie gevallen, waarin zamengestelde uitdrukkingen aaneengeschreven behooren te worden. § 118.
Het eerste geval. § 119 - 121.
Het tweede geval. § 122 - 133.
Het derde geval. § 134.
Het gebruik van het koppelteeken. § 135 - 139.
B. Hoe te handelen met de verbindingsletters tusschen de leden eener zamenstelling?    
Algemeene aanmerking. § 140.

 



[p. XIV]


De spelling der bastaardwoorden.    
Drie klassen van woorden, aan vreemde talen ontleend. § 141.
Eerste klasse: die geheel Nederlandsch zijn geworden. § 142.
Tweede klasse: die geheel vreemd zijn gebleven. § 143.
Derde klasse: de eigenlijke bastaardwoorden. § 144 - 147.
Spelling van de woorden der eerste klasse. § 148 - 149.
Spelling van de woorden der tweede klasse. § 150.
De oudere en de nieuwere richting in het spellen van de woorden der derde klasse. § 151 - 154
Voordeden der oudere richting. § 155.
Voordeelen der nieuwere richting. § 156.
Onderlinge vergelijking en waardeering der beide richtingen. § 157 - 164.
Welke keuze te doen? § 165.
Zwarigheden, uit den aard der zaak aan de spelling der bastaardwoorden verbonden. § 166 - 167.
Grondbeginsel, door de Redactie aangenomen. § 168.
Noodzakelijke wijzigingen aan het einde der woorden. § 169 - 170.
Noodzakelijke wijzigingen in het lichaam der woorden. § 171.
Aanmerking omtrent de woorden, aan het Grieksch ontleend. § 172.
Noodzakelijke uitzonderingen op het aangenomen grondbeginsel. § 173 - 177.
Besluit. § 178.