[22. De stad Bremen]Alles wat op bl. 108 gezeid is van den nederduitschen tongval van Hamburg en van de onderlinge verhouding van hoog- en nederduitsch aldaar, geldt ook van den tongval van de stad Bremen en van haar naasten omtrek. Hoogst belangrijk voor de studie van den bremer tongval en van het nedersaksisch in 't algemeen is het werk: Versuch eines bremisch-niedersächsischen Wörterbuchs, waarvan, hoewel 't reeds voor honderd jaren in 't licht verscheen, nog in 1869 te Bremen een zesde deel uitkwam met ‘Zusätze und Verbesserungen van den geleerden taalkundige Dr. J.H. Dreyer te Bremen. 22. De gelijkenis van den verlorenen zoon in den tongval van de stad Bremen.Medegedeeld door den heer Dr. J. H. Dreyer, Gymnasiallehrer te Bremen. October 1870. (In hoogduitsche spelling.)11. Dār was en minsch de har twe jungens. 12. Un de jungste van jem s 13. Un nig lange dārna nēm de jungste s 14. As he nu all sīn gōd vert 15. Do gung he hen un hung sick an enen borgersmann van dem sulwige lanne; de schickede em hennūt up sīn feld, dat he dār de swine höden scholl. 16. Un he har gērne sinen būk fullt mit dem rūgfo'er dat de swine freten; un nüms gēw em dat. 17. Do gung he in sick un s 18. Ick will mi upmaken un to minem vader gān, un will to em
seggen: vader! ick hew sunnigt g 19. Ick bünn nig mēr wērt dat ick dīn s 20. Un he makede sick up un kēm to sinem vader. As he nog
wīt w 21. De s 22. De vader averst s 23. Un bringt en mēsted kalw her un slagded id; wi willt id
24. Denn minn s 25. Aver de olste s 26. Un he rēp enen van den knechten to sick un fragde jem, wat dat wer. 27. De s 28. Do wurd he vergrellt un wull nig in 't hūs gān. Do kēm sīn vader herūt un gēw em gode wörde. 29. Aver he anterde un s 30. Un nu disse minsk da, dīn s 31. He s 32. Man ick kunn nig anners, ick moste mi h Aanteekeningen.In bovenstaande vertaling zijn de klanken van de geslotene
lettergrepen, die lang moeten worden uitgesproken, niet op nederlandsche wijze
verdubbeld noch op hoogduitsche wijse met een h (als dehnungs
zeichen) voorzien, maar met een dwarsstreepje boven den klinker geteekend;
dār spreekt men dus uit als daar of beter nog doar
(zie de aanteekening op bl. 10 vs. 12 aangaande de uitspraak der nedersaksische
lange a); dēlede, spreek uit deelede, met den
klemtoon op de eerste lettergreep; gōd, spreek uit good;
nēm, spreek uit neem; wīt, spreek uit wiit;
sīn, spreek uit siin; kēm, spreek uit keem;
nōd, spreek uit nood, enz. De klank o moet uitgesproken
worden als middenklank tusschen oe en ae of ö en
ä; ze klinkt te Bremen nagenoeg als ae of ä; dus s n
klinkt te Bremen bijna als seen; deze bremer klank is de zelfde als åe;
zie bl. 22. De klank ö is de lange oe of ö;
is de lange ae of
ä.
11. Minsch, mensch, is de hedendaagsche uitspraak te Bremen; vroeger zei men minsk; dit laatste wordt ten platten lande in den onmiddellijken omtrek van Bremen nog gezeid. 12. Jem, hen, komt denkelijk even als het hamburger jüm, van een ouden vorm hiem of hjem; zie vs. 12 bl. 110. Jem wordt te Bremen zoowel voor den derden als voor den vierden persoon, zoowel in het enkel- als in het meervoud gebruikt. Het gebruik van jem wisselt af met dat van em in den bremer tongval. Een vaste regel voor het gebruik van jem en em kan niet opgegeven worden; dit hangt van de welluidendheid af. Gif mi van dem gode, wat mi tokummt; in plaats van deze omslachtige uitdrukking zal het volk eerder zeggen: giff mi mīn arwdeel; zie vs. 12, bl. 66. Unner jem; unner em was even goed.gezeid; unner se wordt te Bremen ook wel gezeid; maar dit is een barbaarsche spreekwijze, die in het nedersaksisch niet te huis behoort, maar daarin is opgenomen sedert de ‘spraeckmakende gemeente’ geen gevoel en gehoor meer heeft voor taalzuiverheid. De zelfde dwaze spreekwijze begint heden ten dage ook in Holland sterk in zwang te komen. 13. Trock wīt weg, zeit men te Bremen in de stad; op het land zou men hiervoor zeggen: tōg wīt weg, toog wiit weg. Slampampen, komt ook in 't hoogduitsch (schlampampen) en in 't nederlandsch voor. 16. Rūgfo'er, door uitslijting der d van rūgfoder, woordelijk: ruigvoeder. 18. G 19. Ick bünn; tegenwoordig zeit men te Bremen in de stad meer: ick bin. W 20. W Barm, een zeer goed duitsch woord, zoowel hoog- als nederduitsch, voor medelijden. Het is 't grondwoord van het nederlandsche barmhartig, het hoogduitsche barmherzig, ook van erbarmen, erbarmelijk, enz. He bemodde em, is de onvolmaakt verleden tijd van
bem 22. Tēt van teeën, tehen; zie vs. 22 bl. 106. 25. Dūn, dicht, na; dūn bi, dicht bij, nabij. Dit bremer dūn is volkomen het zelfde, ook in beteekenis, als het oostfriesche dane, ook wel döne, het deun van de stedelingen in de nederlandsche provincie Friesland, het wangerooger dûn (doen) en het maastrichtsche doon. Zoo zeit men voor de bremer uitdrukking: as he dūn bi huse kēm, te Leeuwarden: doe hij deun bij huus kwam. Te Emden zeit men: he wahnt dane an de kark voor: hij woont nabij de kerk, het engelsche close to the church; te Leeuwarden: hij woont deun an 'e kerk, op Wangeroog: dûn an dait sjirîk, dicht bij de kerk, en te Maastricht: doon bij hoes, dicht bij huis. In de nederlandsche taal en in het hollandsch ontbreekt een woord voor het bremer dūn, het emder dane of döne, het leeuwarder deun, het maastrichtsche doon, het engelsche close. Dus hebben de hollandsche zeelieden het engelsche close in hun scheepstaal opgenomen, en hoort men somtijds uitdrukkingen als de volgende: kloos an de fokkemast, kloos an 't grootwant, we zeilden kloos onder de Goudstaart 1 , ze waren kloos bij de Hoofden 2 , enz. Dat singende un danzende; vergelijk deze woorden in vs. 25 bl. 48. Singende, danzende, is een eigenaardigen, oud nedersaksischen verbuigingsvorm voor de onbepaalde wijs van de werkwoorden singen en danzen. zoo ook sittende, drinkende, enz.; b.v. It is so ein licht dink nicht alse bi den beerpotten to sittende und half und heel to drinkende. 26. Wer wordt te Bremen ook wel in afwisseling met het oudere en zuiverdere was gebruikt. 29. Anterde van anteren, antwoorden, komt meer overeen met het friesche (westfriesche) anderde van anderje, antwoorden. Anterde, anteren begint te Bremen al te verouderen; men zeit het meer ten platten lande in den omtrek der stad; in de stad zeit men tegenwoordig antworde. Schull, zoude; zie vs. 32 bl. 58. 30. Verd |
1 De hollandsche zeelui noemen
Startpoint in het (de) engelsche kanaal: Goudstaart.
2 De Hoofden is de naam die de
hollandsche zeelieden geven aan het zoogenoemde Nauw van Calais, Pas de
Calais, in het (de) engelsche kanaal.
|
|
eers) het hollandsche aars, het eers der friesche stedelingen, podex, anus. Verd rērsen is dus woordelijk per anum
mittere. Zoo zeit men hier en daar in de hollandsche volkstaal van iemand
die zijn vermogen ‘verzwijnd’ heeft: hij het 't deur de billen
gelapt of verpoepelt. Als men in den bremer tongval het niet zeer
fijne woord verd rērsen wil
vermijden, kan men ook zeggen d rbringen, d rbrocht.
31. Jümmer, altijd, immer; zie vs. 31 bl. 112. 32. H
Nog ontving ik van den heer A. Brinkmann, Lehrer te Walle bij Bremen, een vertaling in den tongval van zijn woonplaats, welke vertaling ik hier niet zal mededeelen, omdat de tongval van Walle niet of slechts uiterst weinig van het gewone bremer dialect verschilt. |