[Proeve van de tongval van het dorp Kleinenbremen in Schaumburg]De stad Göttingen en omstreken, het zoogenoemde vorstendom Grubenhagen vormt hier de zuidelijkste grens van het nederduitsche spraakgebied. De volkstongval begint hier ook reeds in menig opzicht naar de middenduitsche dialecten van Hessen over te hellen. Een uitmuntend werk over dezen nederduitschen tongval is G. Schambach's Wörterbuchder niederdeutschen Mundart des Fürstenthums Göttingen und Grubenhagen, Hannover 1853. Een bekend duitsch studentelied, dat begint:
is oorspronkelijk in den göttinger tongval opgesteld. Het graafschap Schaumburg of voluit Schaumburg-Lippe is zeer klein van omvang en ligt bijna geheel door Hannover ingesloten, tusschen de steden Hannover en Minden. De tongval die er door het volk gesproken wordt, komt overeen met de volksspraak van het hannoversche en westfaalsche land dat Schaumburg omringt, en kan kwalijk den naam van nedersaksisch dragen, zoo sterk is in dit dialect, de overgang tot het westfaalsch. In het andere lipsche vorstendom, Lippe-Detmold, ten zuiden van Schaumburg, is de tongval der bewoners dan ook reeds geheel westfaalsch, en komt overeen met dien van Paderborn en omstreken. Zie de vertaling in den tongval van de stad Paderborn. Het heeft mij niet mogen gelukken een vertaling van de gelijkenis des verloornen zoons in den tongval van Schaumburg te krijgen. Als proeve van dien tongval en ter aanvulling geef ik dus de volgende sage, die geschreven is in den tongval van het dorp Kleinenbremen in Schaumburg, en die ik heb genomen uit K.H.G. Davin, Die Sprache der Deutschen, Erfurt en Leipzig 1864. Dat Düwelsbad upp 'n Papenbrink bi Kleinenbremen.In olen Tien 1 iss bi uss 2 ene ganz putzige Geschichte passiert. Da boben bi ussen Dörpe am Scharrseewege 3 na Rinteln, rechder Siede, iss en Born 4 , den heite wi Buren alltohope dat Düwelsbad. Ek will auk gliek vertellen worümme. Bi düssen Born hätt et mal dull hergahn. Da iss emal en Pape 5 wäsen, dei hätt nicht an 'n Düwel glöwen wollt un hatt auk den Jungens un Mäkens upp 'n Dansbrinke vör eköret 6 , dat 'r keener wöre. Da heit't et auk: je gelehrter, je verkehrter! Awer hei iss tor Besinnung komen, dat hei er sien Lewe an edacht hätt. De Haare stünnen mi jümmer to Barge, wenn miene Grofmeume uss Kinnern det Awens achter 'n Ra'e 7 davon vertellde. Düsse Pape iss eis buten 'n Dörpe wäsen, da kümmet hei boben up 'n Brink 8 bi 'n Born her un will weer na Hus. Et wass an 'n hellen Middage. Süh! da kümmet ön mit 'n male so'n wunnerliken Kärel entgegengahn, den hei vörher gar nich seihen hätt. Wat is dat vör 'n Kärel? denket hei. Hätt sau 'n Tüg 9 nich anne, asse wi bi uss dräget, hätt düsterbrune Haare upp 'n Balge 10 , |
1 In olen tien, van in olden
tiden, in oude tijden, door uitslijting der zachte d.
2 Uss, ons; zie vs. 23 bl. 129 op 't
woord üsch.
3 Scharseewege, scharseeweg, zoo
noemen de boeren in Schaumburg, door een verkeerde uitspraak van het fransche
woord chaussée, de groote weg of straatweg. Elders in
Neder-Duitschland hoorde ik de straatweg skaussee en
skosee noemen; ook in Holland en Brabant heb
ik door het volk de straatweg wel sjosee hooren noemen, en in
West-Vlaanderen is chaussée tot kausi, kalsi
verbasterd.
4 Born, bron; ook in
Friesland tusschen Flie en Lauwers is
born (spreek uit boon, booan, boan) bron; borne (boone,
booane, boane bwoane) is: drenken, het vee te drinken geven;
bornamer (boonamer, booanemmer), de emmer waar mee dit
geschiedt.
5 Pape, het hoogduitsche
pfaffe, het nederlandsche paap, een roomsche priester.
6 Eköret, van kören,
spreken, babbelen, kletsen; zie vs. 23 bl. 129 op 't woord emakete. Even
zoo gevormd zijn in deze proeve de woorden edacht, ewäsen.
7 Achter'n Ra'e, achter het rad of
het wiel, namelijk het spinnewiel. Ra, ra'e is ontstaan uit rad,
rade door uitslijting der zachte d.
8 Brink, is een plein, een met gras
begroeide vlakte. De meeste westfaalsche of westsaksische dorpen, en dus ook
vele drenthsche en twenthsche en geldersche, ja zelfs nog gooische dorpen, zijn
rondom zulk een hoogte, zulk een brink gebouwd. Zoo heeft men te
Dwingelo, te Deventer, te Hilversum en
waar al niet, een brink, een plein nudden in het dorp of de stad. Zulk een
brink of hoog plein dient tot verzamelplaats en uitspanningsplaats voor de
ouden, tot speelplaats voor de jeugd en bij gelegenheid tot dansplaats ook voor
de jongelingen en meisjes. Van daar de naam dansbrink hier boven.
9 Tüg, kleeding; algemeen in
gebruik, overal waar de volksspraak nedersaksisch en westfaalsch is, zoo wel in
Duitschland als in Nederland. Zie vs. 22 bl. 61 en vs. 22 van de vertaling in
den tongval van Oldenzaal.
10 Balge, lichaam, is een zeer goed
nederduitsch woord, dat tegenwoordig echter in de meeste streken waar
nederduitsch wordt gesproken, reeds verouderd is; vooral in Holland en elders
in Nederland is dit het geval. Balg komt overeen met het friesche
bealg bealch, bealich, dat slechts voor het lichaam van dieren wordt
gebruikt en voor het lichaam van menschen slechts in een zeer verachtelijken
zin.
|
|
grote ruhe Poten un saugar 'ne Stärd von annerthalf Ehlen lank, den hei risk 11 in de Höchte hält, ass en Dragunerpärd. Dem Pape feel dat Harte in de Unnerböxen 12 . Awer dat durte nich lange, sau hadd 'n dei Düwel bi 'n Schlafittke 13 un segget: ‘Gauden dag, Pape! Wat makest du hier?’ De Pape hätt awer nich dat Harte to antworren. Da röpt 'n dei Düwel noch eenmal in't Ohr: ‘Gauden dag, Pape! segge ek; wo bist du hen ewäsen?’ Jetz, denket de Pape, iss et Tied, jetz moss' de spräken un di helpen, sau gaut ass de kannst. - En zoo voort. |
11 Risk, rechtop, is verwant met het
nederlandsche rijzen, oprijzen, rijzig. Komt ook in Oost-Friesland
voor.
12 Unnerböxen, onderbroek.
Broek, korte broek (niet de lange, fransche pantalon) is in de meeste
nedersaksische tongvallen böks, buks, boks, of liever
böksen, buksen, boksen, want het woord wordt altijd in het meervoud
gebruikt. Boks in 't enkelvoud beteekent eigenlijk slechts een pijp van
de broek. Boksen staat in dit opzicht gelijk met het engelsche
trousers, a pair of trousers en breeches, welke beiden woorden,
ofschoon ze slechts een broek, een korte broek
beteekenen, toch steeds in het meervoud gebruikt worden. Boksen voor
broek, korte broek, (ook steeds in 't meervoud) komt ook in 't friesch
voor; maar het woord zoowel als de nationale korte broek zelve, begint in
Friesland tusschen Flie en Lauwers tegenwoordig zeer te verouderen.
13 Schlafitke, arm. Schlafitke
is een verkleinvorm van schlafit, en schlafit is een verbastering
van schlagfittig, terwijl schlagfittig komt van schlag,
slag en fittig, vlerk, vleugel, wiek. Schlagfittig is dus
slagwiek of slagvlerk, een vleugel waarmede men slaan kan, zooals
de zwanen en andere vogels ter hunner verdediging wel met hun vleugels slaan.
Ook in Nederland zeit men wel m'n vlerk schertsender wijze voor mijn
arm. Maar niet alleen dat schlagfittig, schlafit de beteekenis van
arm heeft gekregen, langzamerhand is men dat woord gaan gebruiken voor
het kleedingstuk van den arm, voor de mouw en zelfs voor den
kraag van 't een of ander kleed, en ook voor de lange slippen van
den ouderwetschen mansrok. Zoo zeit men in Oost-Friesland eene bi 't
schlafittje kriigen voor: iemand bij den kraag pakken en afranselen.
|
Aanteekeningen.De klank ie in siede (zijde), gliek (gelijk, terstond), tied (tijd) enz. is een zuivere lange i-klank en niet de tweeklank ie. |