[Proeve van den tongval van Noordoostelijk Westfalen, het stadje Brakel]In noordoostelijk Westfalen, waar dit land aan Hannover en de vorstendommen Lippe grenst, in de omstreken van Minden, Herford, Bielefeld, Brakel, Carlshafen, in het vorstendom Lippe-Detmold, te Hofgeismar en Wolfhagen in noordelijk Hessen-Kassel, enz is de volkstaal nog wel westfaalsch, maar begint reeds naar het nedersaksische taaleigen over te hellen en langzamerhand daarin over te gaan. De tongval die men in dit gedeelte van Westfalen spreekt, is na verwant aan den tongval van het aangrenzende zuidelijke Hannover, van Schaumburg, enz.; zie bl. 130 en 123. Het heeft mij niet mogen gelukken een vertaling van de gelijkenis des verloornen zoons in den tongval van deze landstreek te bekomen; daarom geef ik hier als proeve van dezen tongval een van de Volksmärchen van de gebroeders Grimm, dat opgesteld is in het dialect van het stadje Brakel bij Minden. Dat Mäken 1 von Brakel.Et gienk 2 emal 'n Mäken von Brakel na de Sünt'-Annen-Kapellen unner de Hinnenborg, un weil et giärne 'n Mann heven 3 wulle un auk meinde, et wäre 4 süss 5 Neimes 6 in de Kapellen, sau sank et:
De Köster stund awerst hinger 10 den Altare un haurte dat. Da reep he met 'ner ganz schröerigen 11 Stimme: ‘Du kriggest 'n nich! du kriggest 'n nich!’ Dat Mäken awerst meinte, dat Marien-kinneken 12 , dat bi de Mudder Anne steit, hädde üm dat toroopen. Da wor et beuse un reep: Päpperlepäp! dumme Blae 13 ! halt de Snute 14 un lat de Möhme 15 küren 16 ! |
1 Mäken, meisje, meiske, mädchen.
2 Et gienk, woordelijk het
ging, zie vs. 11 bl. 38.
3 Heven, hebben.
4 Et wäre, woordelijk het
ware, het nederlandsche daar was of er was. Zie vs. 11 bl.
38.
5 Süss, westfaalsche uitspraak
voor het hoogduitsche sonst.
6 Neimes, niemand, het nedersaksische
nüms.
7 Balle, spoedig, het hoogduitsche
bald.
8 Suttmerdore, volksuitspraak voor
Südheimer Thor, een poort te Brakel.
9 Gäle Hoare, gele haren; de
gele, goudgele, glanzend gele, hoogblonde kleur van het hoofdhaar gold oudtijds
bij de Friezen en Saksen voor de schoonste haarkleur en was zelfs eenigen tijd
in het oude, weelderige Rome zeer in trek. Nog in de zeventiende eeuw verwden
de friesche knapen en jongelingen hun hoofdhaar goudgeel, zoo dit van nature
niet die gewenschte, ook werkelijk schoone kleur vertoonde; op het eiland
Schiermonnikoog was dit nog in de vorige eeuw het geval. Bruin en zwart haar te
hebben, was oudtijds bij de onverbasterde Friezen en Saksen een schande; donker
haar was een teeken dat de drager er van een bastaard was, die vreemd.
uitlandseh, waalsch bloed in zijn aderen had, en niet van zuiveren, volbloed
germaanschen stam was. Ook het meisje van Brakel, een saksische, vindt de gele
haren van heur minnaar bijzonder mooi, wijl zij die zoo opzettelijk
vermeldt.
10 Hinger, achter, van hinder,
het hoogduitsche hinter. Zie 8 bl. 134.
11 Schröerîg, fijn,
piepend, zoo als een man spreekt die een vrouwestem nabootst.
12 Marienkinneken, het kindje
(kindeke) Maria, de dochter van St. Anna.
13 Dumme Blae! dom meisje!
Blae is de westfaalsche uitspraak van het nederduitsche blage,
blaag, dat echter in de hollandsche, brabantsche en vlaamsche tongvallen
(naar mijn beste weten) niet voorkomt, evenmin als in de nederlandsche
schrijftaal. Blaag beteekent eigenlijk een half volwassen, neuswijs,
onaangenaam meisje, geen kind meer en geen maagd nog; 'n opsloopen meiske,
'n opsloopene flarde zeit men te Leeuwarden, 'n healwoeksen
famke in 't gewone westfriesch, ein Backfisch in 't hoogduitsch. Ik
heb dit woord overal waar het bekend is, slechts voor meisjes, nooit voor
knapen hooren gebruiken. Maar Stürenburg heeft in zijn
Ostfriesisches Wörterbuch: Blage, unerwachsener, unreifer Mensch
(beid. Geschl.) en oppert het vermoeden dat blage slechts een
letterkeer van balg is.
14 Snute, snuit, mond; zie vs. 20 bl.
111.
15 Möhme, moeder, verwant aan
het hoogduitsche muhme, moei, of nieuw-nederlandsch tante, en aan
het friesche mem, mäm; zie vs. 18 bl. 164 op memme.
16 Küren, spreken; zie vs. 28
bl. 227.
|