[51. De stad Maastricht]

De tongval van de stad Maastricht, en die van het omliggende land tot aan de luiksche grenzen, welke laatste wel eenigszins van den maastrichtschen tongval verschilt, maar in hoofdzaak daarmede toch overeenkomt, is zeker een der meest bijzondere van alle limburgsche dialecten en moet als type van het limburgsch beschouwd worden. Onder al de nederduitsche tongvallen van Nederland is het maastrichtsch een van die tongvallen die het minst van den invloed van het hollandsche dialect en van de nederlandsche boeketaal geleden hebben. Het maastrichtsch is ongetwijfeld een van de zuiverste, echt frankische tongvallen van Nederland; het wordt door de Maastrichtenaren zuiver en met nauwkeurige inachtneming van zijn eigene regels gesproken. Toch hebben ook de Maastrichtenaren hun tongval niet volkomen vrij en zuiver van het hollandsch kunnen houden. Vooral sedert de scheiding van Nederland en Belgie, waarbij Maastricht nauw met Holland en de andere noordelijke nederlandsche gewesten verbonden bleef en niet even als Tongeren, St. Truiden, Hasselt en andere naburige limburgsche steden aan Belgie verviel, dagteekent het meerdere gebruik van het hollandsch te Maastricht, en den invloed, die het hollandsch en het nederlandsch, zij het dan ook, tot nog toe, in zeer geringe mate slechts, op het maastrichtsch uitoefenen.

De maastrichtsche tongval is in deze stad niet uitsluitend tot den geringen burgerstand en de eigenlijke volksklasse beperkt, even als dit in de meeste steden, vooral hoofdsteden, met den eigenen stedelijken tongval het geval is. Integendeel, het maastrichtsch wordt door alle echte Maastrichtenaren, zoowel door voornamen als door geringen, in het dagelijksche leven onder elkander gesproken. Deze omstandigheid die hoewel misschien in eenigszins geringere mate, onder anderen ook te Leeuwarden plaats heeft, is zonder twijfel de hoofdoorzaak waarom de echte maastrichtsche tongval zoo zuiver is gebleven. Wanneer toch de kleine burger en de geringe man in eenige stad van Nederland buiten Holland, bemerkt dat zijn voornamen en aanzienleken stadgenoot den ouden, eigenen stadstongval

[p. 272]

veracht en niet meer spreekt, maar dien met een beter of slechter gelukte navolging van het hollandsch verruilt, volgt eerstgenoemde maar al te spoedig en te gretig die dwaasheid na, tot groote schade van de schoonheid en ongekunsteldheid, van het eigenaardige en de zuiverheid van menig goed nederduitschen tongval.

Onder menig andere eigenaardigheid van den maastrichtschen tongval, is dit schoone dialect vooral merkwaardig door de zuiverheid van de verschillende klanken, die bijna allen hun umlaut hebben, welke deze klanken aannemen in de verschillende meervouds-, verkleinings-, verbuigings- en vervoegingsvormen van de woorden waarin ze voorkomen. Zoo heeft de geslotene a tot umlaut de ä (of e) als in het hoogduitsch; van hand b.v. komt händje, hendje, handje. De volkomene a heeft tot umlaut de volkomene e; b.v. aap wordt in den verkleinvorm eepke, aapje. De umlaut van de korte, geslotene o is ö als in 't hoogduitsch; zoo komt van trom, trommel, het verkleinwoord trömke. De lange, opene o wordt eu (lange, opene ö;) b.v. book, boek, wordt beukske, enz.

In het derde deel van Dr. A. de Jager's Archief voor nederlandsche taalkunde komt een belangrijk en nauwkeurig, maar helaas al te beknopt opstel voor, over den tongval van Maastricht, van Mr. G.D. Franquinet, onder den titel: Proeve over het taaleigen der stad Maastricht. Van den zelfden schrijver bestaat nog een werkje in den maastrichtschen tongval, getiteld Jonk bij jonk en auwt bij auwt. Verder vindt men nog een vertaling van de gelijkenis des verloornen zoons in den tongval van Maastricht in F.J. Mone's Anzeiger für Kunde der teutschen Vorzeit, 5de jaargang, 1836, en een in het 3de deel van het Belgisch museum van J.F. Willems. Beide vertalingen zijn in een ongeschikte, onduidelijke spelling opgesteld en moeten niet onvoorwaardelijk vertrouwd worden.

51. De gelijkenis van den verlorenen zoon in den tongval van de stad Maastricht.

Medegedeeld door den heer Prof. P. Willems, hoogleeraar te Leuven. Maart 1873. (In nederlandsche spelling.)

11. Doa wos ins 'nne maan, dee hat twie zeuns.



[p. 273]

12. De jongste van die twie knape zag teege ze vajer: vajer! geef mich 't deil van et goot, wat mich toukump. En doe verdeilden er ze goot onder z'n twie zeuns.

13. Wienig doag doa noa, doe de jongste zoon al ze goot bij ein gedoon had, is er wiid van z'n awershoes gegange noa e vreemp lant, boe er alle ze goot in euverdoad verteert heet met 't vrouvolk woe er met leefde.

14. Noadat er alles bat opgemaak, kwoam doa 'nne groeten hongersnoed en er begos gebrek te lije.

15. Doarum gong er eweeg um werk te zeuke, en er verheurde zich bij 'nnen hier van dat lant, en dee sjikten em noa ze goot um de verkes te heuje.

16. En er hat geere z'ne boek gevult met d'n draf dee de verkes oate, mè doa woas gei mins dee 'm dat goaf.

17. Toe dach er in z'n eigen en zag: wie veul werklui van me vajer ziin doa neet, die euvervleujig hun broet hubbe, en ich moot hei van honger vergoon.

18. Ich wel zoe neet mie blive; ich goon eweeg! Ich zal weer noa me vajer truk goon en ich zal em zegge: vajer! ich hub teegen uch en teege den hiemel zwoer gezundig.

19. Ich bin neet mie weert dat geer mich eure zoon neumpt; mè doot met mich wie met eine van eur knechs.

20. Wie er dat bij z'n eige bedach had, pakten er zich op en gong noa ze vajer truk. En al van veere zoag em ze vajer oankomme; er woas ontdoon, leep noa 'm tou, veel em um d'n hals en puunden em.

21. De zoon dee zag toe teege ze vajer: vajer! ich hub teegen uuch en teege den hiemel zwoer gezundig; ich bin neet mie weert eure zoon geneump te weurde.

22. Mè de vajer zag teege z'n knechs: brink seffens ein van de beste kleier en doot et em oan; gef em 'nne rink oan z'n vinger en doot 'm sjeun oan z'n veut!

23. Slacht auch zoegeliik 't vetste kaaf en loat us ins 'nne lustige middag hawe.

24. Want dee zoon van mich woas doet en noe is er weer leevetig gewoorde; heer woas verlore en noe is er weer gevonde. Doe begoste ze met veul plezeer te eete.



[p. 274]

25. Den awtste zoon woar nog op 't veld, en wie er teruk koam en al kort bij z'n hoes woar, huurden er doa zinge en danse.

26. Doe reep er op ein van de knechs um te vroage wat dat woas.

27. Dee zag em: eur broor is weer gekomme en eur vajer heet et vetste kaaf geslach, umdat er gezond weer gekomme is.

28. Mè er woord doa euver koet en er wou neet binne goon. Ze vajer is toen oet gekomme en heet den stierkop komme verzeuke.

29. Mè er antwoorde oan ze vajer: ich deen uuch noe al zoe veul joar en ich hub uuch altiid in alles voldoon, en geer hub mich nog noet ins e bökske gegeve um m'n vrun ins te trakteere.

30. Mè noe umdat eure zoon, dee al ze goot met hoore versloeierd heet, truk kump, noe slach ger veur hum eus vet kaaf.

31. Doe zag ze vajer: huur ins hei, jong! dich bis altiid bij mich en wat van mich is, is auch van dich.

32. De moos te vreie ziin en veer moste 'nne lustige middag hawe; want de broor was doet en noe is er weer leevetig gewoorde; er woas verloore en noe is er weer gevonde.

Aanteekeningen.

De oa klinkt midden tusschen volkomene a en o in. De è als in 't fransch.

11. Ins, eens; zie vs. 11 bl. 149 en vs. 11 bl. 152.

'Nne, kan ook ene geschreven worden; beide letters e zijn toonloos. Dit limburgsche en ook brabantsche 'nne klinkt alsof het hollandsche 'n voor 't onbepalend lidwoord, nog door een toonlooze e werd gevolgd.

Maan, man, luidt ook wel man; het verkleinwoord er van is männeke, mäntje, het meervoud maander.

Zeuns, zonen, meervoudsvorm van zoon; eu is umlaut van volkomene o.

12. Zag, zei, zeide; het werkwoord zeggen wordt te Maastricht op deze wijze vervoegd: zeggen (met zeer zachte gg, bijna zekgen), ich zag, ik zei; veer zagte, wij zeiden; gezag, gezeid. Eveneens leggen, lag, lagte, gelag, lei, leiden, geleid.

Vajer, vader, heeft een heldere, tamelijk korte, volkomene a. De d vervloeit in het limburgsch, zooals trouwens in alle zuiver

[p. 275]

frankische en friso-frankische tongvallen dikwijls tot j. Zoo heeft het maastrichtsche broed, brood, tot meervoud broejer; blaad, blad, blajer; de klok luiden is loeje; voorspoedig veurspeujig; besteden besteie; bidden beie; bode boai; schadelijk sjoajelik; moeder mojer, enz.

Geef is de gebiedende wijs enkelvoud; gef meervoud; zie vs. 22 van deze vertaling.

Mich, mij. De tongval van Maastricht en tevens alle tongvallen van zuidelijk Limburg, zoowel van het noord- als van het zuidnederlandsche gedeelte, is zeer merkwaardig, vooral wat de persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden betreft. De maastrichtsche persoonlijke voornaamwoorden zijn: ich, de, heer, veer, geer, ze. De wordt dich, als de klemtoon er op valt. Heer wisselt af met er, al naar de klemtoon er op valt of niet. Eveneens is het met veer en geer, die met ver en ger afwisselen. Verbogen, wordt ich tot mich, de wordt dich of tich, al naar de welluidendheid dit vereischt; heer wordt heum, hum, em; het vrouwelijke zij of zi wordt heur; veer wordt us, geer wordt uuch en zij, zi of ze wordt hun. De bezittelijke voornaamwoorden zijn, als de klemtoon er op valt: miin, mine, mi; diin, dine, di; ziin, zine, zi; meervoud: euse, eus; eure, eur; hunne, hun; als de klemtoon er niet op valt, is het m'n, m'ne, me; d'n, d'ne, de; z'n, z'ne, ze.

Even als bijna overal, zoo is het ook te Maastricht gebruikelijk om, wanneer men tot iemand spreekt, wien men achting betoont, de tweede persoon meervoud van 't persoonlijke voornaamwoord te gebruiken. Daarom spreekt de zoon zijn vader met geer aan, de vader echter den zoon met de, dich.

Deil, deel, even als breid, breed; kleid, kleed; weiskeend, weeskind; zeip, zeep, enz.

13. Doag, dagen, meervoud van daag of dag.

Zoon; zie vs. 11 hier boven, op zeuns

Boe, waar, wisselt af met woe; zie dit zelfde vers.

15. Eweeg, weg of heen, is echt frankisch, even als azeu, ezeu, esu, zoo. Vroeger schreef men ook enwegh, enweghe, inwegh. In somige vlaamsche tongvallen is het nog 'nweg. Zie vs. 29 bl. 257 op esu en vs. 13 bl. 243.

Zeuke, zoeken; zoo ook bedreuve, greun, keul, reume, reuze, vergeuje, vreug, zeut, enz. voor bedroeven, groen, koel, enz.

Hier, heer, even als mie, (mier), meer, enz.

Sjikten, zond, eigenlijk schikte; de sch wordt te Maastricht op hoogduitsche wijze uitgesproken.



[p. 276]

16. Geere, gaarne, graag; luidt in andere limburgsche tongvallen ger, in Zuid-Brabant gerre, te Aken gere. Zie vs. 16 bl. 263.

17. Hei, hier; zie vs. 17 bl. 260 op hee.

18. Mie, meer; zie hier boven vs. 15 op hier, en vs. 19 bl. 260.

Uch u; zie hier boven vs. 12 op mich.

19. Geer, gij; zie hier boven vs. 12 op mich.

Eure, uwe; zie hier boven vs. 12 op mich.

Wie, als; zie vs. 13 bl. 245.

20. Puunden, zoende, van pune, zoenen; in andere streken van Limburg zeit men peune, punne, pone, poene enz. Men zeit ook puuntje, poentje voor kus en poenhandje, puurihändje, puunänje voor kushand. Zie vs. 20 bl. 264 op pützschet.

22. Seffens, spoedig, gauw, terstond; een zeer goed nederlandsch woord, dat in de spreek- en schrijftaal van Noord-Nederland niet en in die van Zuid-Nederland veelvuldig voorkomt. Van daar het zeeuwsche spreekwoord: as 't komt, komt 't seffens, zeggen de poepen. In Zeeland noemt men de Vlamingen en Brabanders poepen, even-als men in Friesland de Neder-Saksen poepen noemt.

23. Zoegeliik, volkomen het zelfde woord, ook in beteekenis, als het hoogduitsche sogleich.

Kaaf, kalf; de Maastrichtenaars spreken dit woord juist zóo uit, slechts met een ietwat meer helderen a-klank, als de Engelschen. Zoo zeggen ze ook haaf voor half: paam, palm; wouf (meervoud, wuif, wolf, enz. Zie vs. 20 bl. 264 op hoos en vs. 23 bl. 264.

24. Leevetig, levend, even als roazetig, brannetig, speuletig voor razend, brandend, spelend. Leevetig wordt ook in belgisch Limburg en in veel andere deelen van Zuid-Nederland gezeid.

25. Kort bij hoes, dicht bij huis; men zeit ook wel: doon bij hoes. Zie vs. 25 bl. 120.

26. Doe reep er op ein van de knechs, is woordelijk: toen riep hij op een van de knechten. De spreekwijze op iemand roepen is ook in gebruik in sommige noordfriesche tongvallen. Zie vs. 26 bl. 79 en vs. 26 bl. 82.

28. Stiirkop, is een verbastering van stiifkop, stijfkop. Stierkop is het niet; het nedelandsche stier is te Maastricht deur.

31. Dich bis, gij zijt. Het onredelijke dich vervangt hier het zuivere de (du) bis, omdat de klemtoon er bijzonder op valt. Zie hier boven vs. 12 op mich.