XXI. Overijssel.In de provincie Overijssel behoort de volkstaal ten deele tot de zuiver saksische, ten deele tot de friso-saksische groep van neder-duitsche tongvallen. Zuiver saksisch zijn de tongvallen van Twenthe (behalve Friezenveen) en van Salland. Friso-saksisch zijn die van geheel noordelijk Overijssel tot en met Zwolle, benevens de tongval van Friezenveen in Twenthe. Wat op andere plaatsen van dit werk reeds is betoogd, geldt in niet mindere mate van Overijssel: dat namelijk de stedelingen, hoewel het algemeen provinciaal taaleigen in de steden niet minder dan op de dorpen voorkomt, toch minder zuiver overijsselsch spreken en hoe langer hoe meer den hollandschen tongval en de hollandsche uitspraak volgen. In de kleine steden, vooral in die van Twenthe, is dit echter veel minder het geval dan in de grootere, Zwolle, Deventer en Kampen. Al de overijsselsche tongvallen vloeien door zachte overgangen, door tusschentongvallen in elkander en gaan ook op de grenzen langzamerhand in de saksische en friso-saksische tongvallen van de aangrenzende duitsche zoowel als nederlandsche landstreken over. Slechts de tongval van Friezenveen scheidt zich scherp van de omringende twenthsche dialecten af, terwijl er slechts aan den uitersten noordwesthoek der provincie, aan den zeedijk tusschen de Kuinder en de Lemmer, een scherp afgebakende taalgrens ligt, die met de provinciale grens samenvalt, tusschen het friso-saksisch van de Kuinder en het zuivere friesch van Lemsterland. Een belangrijke verzameling van eigenaardige overijsselsche woorden
met geleerde aanteekeningen voorzien, vindt men in den
Overijsselschen Almanak voor oudheid en
letteren van het jaar 1836, onder den titel: Woordenboekje
van het overijsselsch. Proeve van
J.H. Halbertsma, terwijl een andere
belangrijke en beredeneerde woordelijst van den overijsselschen tongval
voorkomt, gedeeltelijk in
Dr. L.A. te Winkel's
Nieuw Nederlandsch |