[Proeve van den tongval van Friezenveen]

Een uitzondering op de algemeenen twenthschen tongval is het dialect van het dorp Friezenveen. De bewoners van dit dorp vormen een volksplanting van Friezen te midden van de overige saksische Twenthen. De tijd wanneer de voorouders der hedendaagsche Friezenveeners hun Friesland verlieten en zich te midden der twenthsche veenen en heidevelden vestigden, is mij onbekend; evenmin ken ik de redenen die hen tot deze landverhuizing, bij de oude Friezen zoo zeldzaam, noopten en weet ook niet uit welk Friesland, beoosten of bewesten Lauwers of beoosten Eems, zij naar Twenthe optrokken. Of er over de vestiging dezer volkplanting eenige oude bescheiden en oorkonden bestaan, heb ik evenmin kunnen opsporen. Alleen is mij een brief bekend van 't jaar 1420, waarin de bewoners van Friezenveen met den ouden eerenaam van vrije Vresen worden genoemd, en waarin gezeid wordt dat ze reeds van ouds daar in 't veen woonden.

Maar bij al dit onzekere is het gewis dat de tongval van Friezenveen een mengelmoes van friesch en saksisch is. Wel vormt het saksisch, het twenthsch den eigenlijken grondslag van het friezenveensch maar het friesch heeft er zijn eigenaardig voorkomen aangegeven. Het is twenthsch dat door Friezen met een frieschen tongslag wordt gesproken. Nog hoort men duidelijk aan de Friezenveeners dat hun voorouders friesch spraken, nog treedt het friesche element in hun hedendaagschen tongval duidelijk op den voorgrond. Het saksisch, het twenthsch vormt wel de scheering van 't friezenveensch, maar het friesch is de inslag er van. Het is dus een van de friso-saksische tongvallen, en behoort dus met het stellingwerfsch, het groningerlandsch en het hedendaagsche nederduitsche oostfriesch in éen groep. Maar het friesch treedt in het friezenveensch veel duidelijker op den voorgrond als in eenig anderen friso-saksischen tongval.

Vroeger was het friezenveensch zeker nog veel meer met friesch vermengd dan tegenwoordig. Eerst langzamerhand ongetwijfeld, is het oorspronkelijke friesch van de eerste Friezenveeners, door den

[p. 366]

invloed van het twenthsch hunner nieuwe buren, in het hedendaagsche mengelmoes overgegaan. De juiste tijd wanneer het zuivere friesch te Friezenveen is uitgestorven, is mij niet bekend; maar nog heden ten dage neemt het friezenveensche dialect hoe langer hoe meer saksische elementen in zich op en laat friesche daar voor varen. Het friesch slijt er uit. Ook heeft het friezenveensch tegenwoordig van het hollandsch en het nederlandsch te lijden.

De tongval van Friezenveen is een der merkwaardigste van Nederland en staat eigenlijk geheel op zich zelven. Onverstaanbaar voor vreemdelingen is het echte friezenveensch in hooge mate, zoowel voor Hollanders en andere Nederlanders als voor Friezen zelven en menig Twenth moet, vooral als het snel wordt gesproken, alle moeite doen om de Friezenveeners in hun gesprekken te volgen.

Het is mij niet gelukt uit den hedendaagschen friezenveenschen tongval met eenige zekerheid op te maken uit welk Friesland de Friezenveeners oorspronkelijk afkomstig zijn. Sommige klanken en vormen doen aan het hedendaagsche friesch van Friesland tusschen Flie en Lauwers denken; vele anderen ook zijn gelijk aan die van het hedendaagsche groningerlandsch. Maar wijl het friesch tegenwoordig uit de groninger ommelanden geheel verdwenen is en men daar eveneens saksisch, friso-saksisch spreekt, zoo leit dit laatste argument weinig gewicht in de schaal.

Het friesche element in den tongval van Friezenveen bestaat niet zoo zeer in bepaald friesche woorden als wel in friesche klanken en vormen. Zoo moet de r, dat struikelblok voor de Friezen, ook in den friezenveenschen tongval dikwijls achterwege blijven, nog meer zelfs dan in de hedendaagsche echt friesche tongvallen; maar eveneens als in Friesland, geeft ook de r, al wordt zij niet uitgesproken, aan den voorafgaanden klinker een gewijzigden klank. Ook dit komt in het friezenveensch sterker en meer voor dan in de zuiver friesche tongvallen. Zoo zeit men waaik voor werk, kaaimse voor kermis, haaibaaig voor herberg, aaimoud voor armoede, kaaike voor kerk, kwot voor kort, hatte voor hart, vót voor voort, kanen voor karnen. Een andere eigenaardigheid van den friezenveenschen tongval, waaruit de invloed van de friesche taal vooral ten duidelijkste blijkt, is de breking der tweeklanken, die ook aan het hedendaagsche friesch, vooral aan het gewone friesch dat men tusschen Flie en Lauwers spreekt, eigen is. Maar ook voor dit eigenaardig friesche kenmerk geldt ten opzichte van het friezenveensch het spreekwoord: plus royaliste que le roi. In deze breking der tweeklanken is het friezenveensche dialect friescher dan de zuiver friesche tongvallen

[p. 367]

zelven zijn. Want terwijl het westerlauwersch friesche kort of koart ongeveer als ko-at, koe-at (met den klemtoon op at) wordt uitgesproken, klinkt dit woord te Friezenveen slechtweg kwot. De twenthsche è of æ en ö en eu, zoowel als de friesche ea en ie worden te Friezenveen ook gebroken en dat wel sterker dan in Friesland zelve geschiedt. Talrijke voorbeelden van deze sterke friesche breking der tweeklanken levert de volgende proeve van den friezenveenschen tongval op.

Tot mijn spijt heb ik geen vertaling van de gelijkenis des verloornen zoons in den tongval van Friezenveen kunnen bemachtigen. Het eenige wat, volgens mijn weten, ooit in het friezenveensch is geschreven vindt men ik den Overijsselschen almanak voor oudheid en letteren, namelijk in dien van 1842, een Breef van nen ingezjàttenen van 't Friezenvjenne an ziinen zjunne, dei saldôt is vuur de kwennik eerst op de cikkedelle bi'j Antwaaipen en nów te Nimwjágen van H. Smelt (Brief van een ingezetene van Friezenveen aan zijn zoon die soldaat is voor den koning, eerst op de citadel bij Antwerpen en nu te Nijmegen) en in dien van 1845, een vers getiteld: Gespràk tusschen ennige vente waver nen den vuerigen aovend biëwaond spinnemaol van L. ter Brake (Gesprek tusschen eenige jongelingen over een den vorigen avond bijgewoond spinmaal).

Uit eerstgenoemde proeve volgen hier eenige gedeelten; de spelling er van heb ik gemeend hier en daar eenigszins te moeten veranderen, b.v. ie waar dit de zuivere lange i moet voorstellen, in ii; of ik ook de nederduitsche v als beginletter in de friesche f, en de z als begin-letter in s mocht veranderen, even als de sch in sk, daar over ben ik niet zeker, ofschoon ik meen te mogen vooronderstellen dat deze letters op de friesche wijze worden uitgesproken. Ik heb dit echter, omdat ik niet zeker was van mijn zaak, onveranderd gelaten. Overigens hebben de letters de geijkte nederlandsche waarde.

 

Leive  1   Vrjàrik  2  ! Um dà 'k kwòttens  3   gein  4   schriiven van òw ontvungen hebbe, wa'k wal 'n bjettien  5   bange da' i neit goud  6   gejond zóllen wjàzen  7  . Ik wappe  8   effenwal da'k te vergiieves  9   bange vuur òw mag ewjàst  10   wjàzen; mi-j dunk' a'i neit goud gezond wazzen dan ha'i doch ók neit ezwiiegen; die zeik  11   of zuchtig is schrif toch nog wal es nô ziine òlders; en dôrumme: geine tiidinge, gouwe tiidinge, zeg 't sprjàkwôrd  12  , Wi-j zint ók alle-môle nog zoo bi-j 't óle; wi-j lustet van 'n klàinsten tot 'n greutsten  13   geerne wat jatten  14  .

 1  Leive, lieve, even als in de friso-saksische tongvallen van Groningerland. Zoo ook hier, even als daar, gein, geen; neit, niet; dei, die; zeik, ziek; verdreit, verdriet; scheiten, schieten, enz.
 2  Vrjàrik, Frederik, van Freark, zooals deze naam in Friesland luidt; de Friezen tusschen Flie en Lauwers breken dezen tweeklank in dit woord ook, maar bij lange na zoo duidelijk en sterk niet als de Friezenveeners; ze zeggen Frjeark, Frjerk.
 3  Kwòttens, binnen korten tijd, het friesche kortens, koartens, met den sterk gebrokenen tweeklank oa en de versletene r, geheel op zuiver friesche wijze uitgesproken; de Friezen tusschen Flie en Lauwers breken echter ook dezen tweeklank minder sterk dan de Friezenveeners; zij zeggen: ko-åttens, koe-attens, koe-ottens of kwottens even als de Friezenveeners, maar dan met de friesche of engelsche, nooit met de duitsche of hollandsche w. Even als kwòttens is ook gebroken: wappen (met verlies der h, omdat de w reeds als halve medeklinker dienst doet), van hoapen, hopen; denstbwaân van denstboaden, 'boa'en, dienstboden; schwatteltien van schoateltien, schoteltje (het friesch heeft voor schotel om van te eten, skûtel, maar voor schotel tot sluiting der deur, skoattel, sko-attel, enz.); kwàllechien van koallechien, kooltje vuur (het friesch heeft koalle, waarvan in 't spreken de klank niet gebroken wordt); stwave van stoave, stoof (ook dit woord wordt tusschen Flie en Lauwers niet gebroken); schwastein van schoarstein, schoorsteen, fr. skoarstien, spreek uit sko-åstien, skoe-astien, skwastien (met friesche w), met gebrokenen klank; Bwarne van Boarne, de naam van het twenthsche dorp Borne; ook in 't friesch wordt borne, boarne, bron, even als bornen, boarnen, drenken, en de dorpsnaam Boarn, Aldeboarn (Oldeboorn) met sterk gebrokenen klank en zonder r uitgesproken; kwommen van koamen, komen, welk woord in 't zuivere friesch den tweeklank oa niet heeft, maar, als in 't hollandsch, de doffe, geslotene o; bwaam van boadem, boa'em, boam, bodem; waver van oaver, het saksische aver, aover; het friesch heeft oer, over; kwakken van koaken, koken; het friesch heeft zoowel koakje als koaitse; bwatter van boater, boter; het friesch heeft bûter; esprwàkken van esproaken, gesproken; bwaven van boaven, het saksische baven of baoven, boven; waven van oaven, het saksische aven of aoven, oven; wappen van oapen, het saksische apen of aopen, open; Wakkesbaaigen van Hoaksebargen, twenthsch-saksisch Hoksebarg, naam van 't dorp Haaksbergen.
 4  Gein, geen; zie 1 bl. 369.
 5  Bjettien, beetje, door breking van den frieschen tweeklank ea, die met de saksische è (als in 't fransche père ongeveer) overeenkomt. Ook in 't gewone friesch van tusschen Flie en Lauwers breekt men deze tweeklank op de zelfde wijze, b.v. earîser wordt jerîser (— — υ) oorijzer; beane wordt bjentsjes, boontjes, enz, Even als in dit bjettien wordt de tweeklank ea en de saksische è gebroken in de friezen-veensche woorden: vjenne van veane, (fean) veen; schjellen van schealen schèlen, schelen, verschelen; sljept van sleapt, slèèpt, sleept; Djemter van Deamter, Dèèmter, Deventer, fr. Dimter, Demter; wjetten van weaten, wèten, weten: verzjekkeren van verzeakeren, verzèkeren, verzekeren; tjekken van teaken, fr. tîken, teken, zeker soort van insecten; enz.
 6  Goud, goed, even als in de friso-saksische tongvallen van Groningerland. Zoo ook doun, doen; tou, toe; ploug, ploeg; gouensdag voor goensdag, woensdag; boukwàite, boekweit; aaimoud, armoed; kou, koe, even als in 't friesch en in 't engelsch; vout, voet, bedroufd, bedroefd; enz. De umlaut die te Friezenveen van dezen klank in gebruik is, is öu en klinkt ongeveer, even als in 't groningsch, als ui. Zoo is b.v. koetje, köuchien; zij noemden, ze nöumden; bloedig, blöudig; te gemoet, te möute; duur of eigenlijk zeldzaam, betöune, enz.
 7  Wjàzen, van weasen, wèzen, wezen, is een andere breking van de friesche tweeklanken ea en ie of ia, die in 't gewone friesch bij lange na zoo veelvuldig en zoo sterk uitgedrukt niet voorkomt en daarenboven ook slechts bij de ie of ia in gebruik is. Even als wjàzen, worden in den friezenveenschen tongval gebroken: Vrjàrik van Freark, Vreark, Vrearik, Frederik (zie 2 bl. 369); ewjàst van eweast, geweest; sprjàkwôrd van spreakwôrd, spreekwoord; jàtten van eaten, iaten, ieten, eten; grjaven van greaven, graven; plaggenstjàkker van plaggensteaker, plaggensteker; vrjatten van vreaten, vreten; esljàgen van esleagen (fr.: slein, saamgetrokken uit sleagen), geslagen; eljàzen van eleasen, gelezen; ik ljà van ik lea, ik leide; kjattene van keatene (fr.: kjetting), keten; djàlle van deale, deel of vloer; kjàren van kearen, keren of vegen; gjàl van gial, giel, geel; mjàr van mear, merrie; zjà van zea, zeide; jagde van eagde (fr.: eide, westvlaamsch: eegde), egge; wjàkke van weake, week (hebdomas); zi-j wjaget van weaget, zij wegen; pjapper van peaper, peper; mjàlle van meal (fr.: moal), meel; wjàge van weage, wegen; enz.
 8  Ik wappe, ik hoop, zie 3 bl. 369.
 9  Vergiieves, vergeefs, even als tiiegen, tegen; niigen, negen; ezwiiegen, gezwegen; ekriiegen, gekregen.
 10  Ewjàst, geweest; zie 7 bl. 370.
 11  Zeik, ziek; zie 1 bl. 369.
 12  Sprjàkwôrd, spreekwoord; zie 7 bl. 370.
 13  Greutsten, grootsten; het friesche great, wordt ook in vele streken van Friesland tusschen Flie en Lauwers als greut, grut uitgesproken.
 14  Jàtten, eten; zie 7 bl. 370.


[p. 368]

'Nen knecht of 'ne màgt hè we neit; die denstbwaan  15   he'i ók lange neit vuur niks en daghuren kriigen, dôr geit ók al 'ne zwôre wiize op; dei kiiket ów s'ôvends ók al nô de vingers. Wi-j wòsselt  16   er, met ons eigen volk, leiver vró  17   en làte op an, zoo goud a'w kjunt  18  ; en da'we dan neit doun  19   kjunt dàt lôt liggen; kju'we dan zoo vjeule tjurf neit grjaven en zoo vjeule vjenne  20   neit hauwen, dàt lôt hen; wi-j kjunt ók minder tou  21   as da' we dôr zoo 'nen ballast van volk bi-j menkaar jaagt, dàt wöl  22   vjeule schjellen.  23   'Nen enkelden greusmeeier  24   of 'nen plaggenstjàkker,  25   dàt zint alle daghuren dei wi-j nog ehad hebbet. Ik za' mi wa' waren  26   dà 'k mi-j neit lôte opvrjatten  27   van 't vreumde volk. - - -

De vente  28   sljept  29   er op de kaaimse  30   ók al mangs nô de haaibaaigen  31  , en lesten hebt er menkaar ók al 's tweie umme eslagen  32  , mêer dôr hef um ów moeder de planeete ók 's recht nô ràk waver  33   vuur eljazen  34  ; ik leuve neit dàt zoo'n dinge lichte wier gebuurt. Het zòl wal en foezelgebed wjàzen, mêer dàt lôt doun  35  ; ik wil doch neit hebben dà ze menkaar blöudige  36   neuzen zjult slôn um onze Gaidine  37  ; ik ljà  38   um nog leiver an de honde-kjàttene  39  . - - -

De djàlle  40   ofkjàren  41  , en schwattellien  42   koffi zetten, en kwàllechien  43   in de stwave  44   doun, dôr wil alleene de schwastein  45   neit van rooken. - - -

Onze óle gjàlle  46   mjàr  47   he 'k lesten te Djemter  48   op 't maaik  49   verkoft an 'nen kèel  50   dei zjà dàt 'e bi-j Wakkesbaaigen  51   van dan was. Het was nog en goud peerd; ik wappe dàt 't er den man goud met gôn zal. Het hatte  52   dee mi-j zeer in 't liif dow 'e der met vót  53   gunge; ik dachte bi-j mi-j zeulven: dôr geit dàt aaime  54   deer nów hen; het hef zoo lange miin vóór egjàtten  55  , miine ploug  56   en miine jagde  57   etreukken, en nów möut  58   't op ziinen ólen dag nog verhuzen, zonder te wjetten  59   woer dat 't wier komt of woe dàt 't et nów kriigen zal - ik kan ów zàggen, jonge, ik was bi-j 't griinen  60   of!

't Is nów drei wjàkke  61   eliien, dów he 'k 'n vaaiken  62   van Bwarne  63   van 't maaik ehaald, en drechtig möttien  64  ; ik verzjekkere  65   ów dàt dàt vaaikengoud rechtevoort betöune  66   is; zi-j wjàget  67   tiiegen gòld op: dôr is den hôste vuur en gemein mensche gein bi-j kwommen an. Zi-j kost mi-j twei en datig  68   geulen  69   en

 15  Denstbwaân, dienstboden; zie 3 bl. 370.
 16  Wòsselt, worstelen, door uitslijting der r.
 17   Vró, vroeg.
 18  Kjunt, kunnen, door breking der korte ö van könt. Even als kjunt zijn gebroken: tjurf van törf, turf; zjult van zölt, zult: bjurgemaister van börgemaister, burgemeester. Ook de lange ö, de nederlandsche eu, wordt te Friezenveen in enkele woorden gebroken, ofschoon in Friesland zelve, deze breking van eu niet voorkomt. Zoo komt van veule, veel, vjeule; van scheutte, schoot (fr.: skerte), schjeutte, enz.
 19  Doun, doen; zie 6 bl. 370.
 20  Vjenne, veen; zie 5 bl. 370.
 21  Tou, toe; zie 6 bl. 370.
 22  Wöl, wil, in de beteekenis van het nederlandsche zal; het gebruik van wöl, wil, in dezen zin is echt oud friesch en komt ook met het hedendaagsche engelsche spraakgebruik overeen.
 23  Schjellen, schelen; zie 5 bl. 370.
 24  Greusmeeier, grasmaaier.
 25  Plaggenstjàkker, plaggensteker; zie 7 bl. 370.
 26  Ik za' mi-j wa' waren, ik zal oppassen, of: ik zal mij wel wachten. Waren, weren, verdedigen? Of waren, warten. wachten? Zie vs. 15 bl. 189.
 27  Opvrjatten, opvreten; zie 7 bl. 370.
 28  Vente, jongelingen; zie vs. 22 van de vertaling in den tongval van het Bildt, en vs. 11 bl. 174 op fent.
 29  Sljept, sleept; zie 5 bl. 370.
 30  Kaaimsen, door uitslijting der r van kaarms, karms, karmis, kermis, even als
 31  Haaibaaigen, van haarbaarg, harbarg, herberg.
 32  Esljàgen, geslagen; zie 7 bl. 370.
 33  Waver, over, zie 3 bl. 369.
 34  Eljàzen, gelezen; zie 7. bl. 370.
 35  Mèer dàt lôt doen, woordelijk: maar dat laat doen, waarmee men zeggen wil: laat dat zijn zoo als 't is. Zie vs. 22 bl. 43.
 36  Blöudige, bloedige; zie 6 bl. 370.
 37  Gaidine, Gerardina, Gerritje, Geertje.
 38  Ik lja, ik lei; zie 7 bl. 370.
 39  Hondekjàttene, hondeketen; zie 7 bl. 370.
 40  Djàlle, deel, vloer; zie 7 bl. 370.
 41  Ofkjàren, afvegen; zie 7 bl. 370.
 42  Schwàtteltien, schoteltje; zie 3 bl. 369.
 43  Kwàllechien, kooltje; zie 3 bl. 369.
 44  Stwave, stoof; zie 3 bl. 369.
 45  Schwastein, schoorsteen; zie 3 bl. 369.
 46  Gjàlle, gele; zie 7 bl. 370.
 47  Mjàr, merrie; zie 7 bl. 370.
 48  Djemter, Deventer; zie 5 bl. 370.
 49  Maaik, markt; zie 30 hier boven.
 50  Kèel, kerel; door uitslijting der r; zie vs. 11 bl. 174 op sjêrl.
 51  Wakkesbaaigen, Haaksbergen; zie 3 bl. 369 en 30 hier boven.
 52  Hatte, hart; in 't leeuwarder dialect hart, door de friesche uitslijting der r, even als
 53  Vót, voort, te Leeuwarden furt, in 't friesch foart, foart, met zwak gebrokenen klank.
 54  Aaime, arme; zie 30 hier boven.
 55  Egjàtten, gegeten; zie 7 bl. 370.
 56  Ploug, ploeg; zie 6 bl. 370.
 57  Jagde, egge; zie 7 bl. 370.
 58  Möut, moet; zie 6 bl. 370.
 59  Wjetten, weten; zie 5 bl. 370.
 60  Griinen, schreien; te Leeuwarden grine, in 't hoogduitsch greinen.
 61  Wjàkke, weken; zie 7 bl. 370.
 62  Vaaiken, varken; zie 30 hier boven.
 63  Bwarne, Borne, zie 3 bl. 369.
 64  Möttien, zeugje, van mot, zeug. Zie vs. 23 van de vertaling in den tongval van Tienen.
 65  Verzjekkere, verzeker; zie 5 bl. 370.
 66  Betöune, duur, zeldzaam, in Drenthe: beteune, betüne; zie 6 bl. 370.
 67  Wjàget, wegen; zie 7 bl. 370.
 68  Datig, dertig, door uitslijting der r van dartig; ook te Leeuwarden dartig. Zie vs. 25 van de vertaling in den tongval van Diest.
 69  Geulen, gulden.


[p. 369]

'n dubbeltien en 't is nog mêer 'n klain dink; nów gôt 's nô of dat ók pjàpperdeur  70   is. Mêer nów wil dat schremmechien goud vrjatten, dà 's wier 'n touval; a' we 'm wat vuurhoold dàn vret 't 'n bwaam  71   van 'n zomp hôste met op, vuural a' we 'm der en hentien  72   vol raggenmjàlle  73   waver hen streeiet. En gouensdagenacht  74   um twàlf uur, hé we d'r niiegen kuechies  75   bi-j ekriiegen, dà 's leifhebberije! zi-j kjunt zoegen as tjekken  76  . Ik wappe dôr zal ók nog wier wat uut te maken wjàzen, as allens goud geit, mêer ik wil d'r ein van hoolen tot en vàzelvaaiken  77   um dàt 't zu'k goud soort is.

Nów Vrjàrik! hoold ów goud, jonge! en gôt op geine verkeerde wjàge; lôt ów neit verlàiden tot kwôd en hoold ówwe wàverighàid  78   vuur oogen; de tiid za' wal hôste anscheiten, da' i wier kwòmt.

 70  Pjàpperdeur, peperduur, zie 7 bl. 370
 71  Bwaam, bodem; zie 3 bl. 369.
 72  Hentien, beter häntien, handje. Zie vs. 22 bl. 279 op enj.
 73  Raggenmjàlle, roggenmeel; zie 7 bl. 370.
 74  Gouensdagenacht, woensdagnacht; zie 6 bl. 370. Goensdag is even goed nederduitsch en even goed friesch als woensdag en wânsdei; het komt ook in enkele andere friesche en nederduitsche tongvallen voor.
 75  Kuechies, biggetjes.
 76  Tjekken, teken of tiken, zeker soort van insecten; zie 5 bl. 370.
 77  Vazelfaaiken, zeug die gehouden wordt om biggen te fokken, Züchtsau, is een woord dat ook in den friso-saksischen tongval van Oost-Friesland voorkomt. Fasel is bij Kiliaan foetus in utero.
 78  Waverigheid, overigheid, overheid; zie 3 bl. 369.