|
|
|
| | | | | |
II. Duitschland.
Door een groot gedeelte van het volk in Duitschland
wordt de nederduitsche taal gesproken. Over geheel het vlakke land in 't
noorden van Duitschland is zij verspreid. De grenzen van haar gebied in
Duitschland komen ten naasten bij overeen met een denkbeeldige lijn die men
trekt van Aken op Keulen of Bonn, van
daar over Göttingen en Wittenberg op
Berlijn en van Berlijn op Koningsbergen. Alles wat in Duitschland
benoorden die lijn ligt, behoort tot het spraakgebied der nederduitsche taal,
met uitzondering van een paar kleine gedeelten van Oldenburg en Sleeswijk, waar
men friesch, en van eenige gedeelten van Pommeren, Oost- en West-Pruissen, waar
men kassubisch, poolsch en litthausch spreekt.
Die in Duitschland nederduitsch spreken zijn voor 't grootste
gedeelte afstammelingen van de oude Saksen, en voor een kleiner deel, dat aan
den Rijn woont, nakomelingen van de oude Franken. De tegenwoordig zoogenoemde
Saksers, de inwoners van het koninkrijk Saksen en yan de Saksische
hertogdommen, moet men niet met deze oude Saksen en hun afstammelingen
verwarren. De eerstgenoemden toch zijn grootendeels van thüringschen en
ook van slavischen, en wel wendischen, dus volstrekt niet van echt
oud-saksischen oorsprong.
Aan de beide nederduitsche taaltakken van Duitschland geeft men te
recht de namen van nedersaksisch, niedersächsisch, voor den eenen,
en nederfrankisch, niederfränkisch, voor den anderen tak.
Hoogsaksisch, obersächsisch, heeten de tongvallen van 't koninkrijk
Saksen; hoog-frankisch, oberfränkisch, die van de provincie Franken
in Beieren; beiden zijn niet nederduitsch. De volkseigene naam echter, die het
nederduitsch in zijn geheelen omvang, voor zoo verre het in Duitschland
gesproken wordt, bij het duitsche volk draagt, is: platduitsch,
plattdütsk, plattdeutsch. Deze min of meer verachtelijke naam is
door Duitschers van hoogduitschen stam, sedert het hoogduitsch in Duitschland
den voorrang begon in te nemen, geheel ten onrechte aan het nederduitsch
gegeven. | | | |
De nederduitsche taal is ouder, rijker, schooner, oorspronkelijk
veel ontwikkelder en altijd veel welluidender dan haar hoogduitsche zuster.
Niettemin neemt ze tegenwoordig in Duitschland een veel lageren rang in dan de
hoogduitsche, ja, laat men haar, de schoone en bevallige, ten opzichte van haar
veel minder schoone, maar aanmatigende zuster, de rol van asschepoester spelen.
Eens was in geheel Noord-Duitschland nederduitsch niet slechts de geijkte taal
der regeering, maar ook der schrijvers en dichters. Het was de taal van de
vrije, rijke, ondernemende burgers der machtige Hansesteden; het was de taal
van het beste, het meest ontwikkelde deel des ganschen duitschen volks. Thans
is dit alles veranderd. Het hoogduitsch is opgekomen, het nederduitsch is in
Duitschland blijven staan op den trap waarop het in de zestiende eeuw reeds
stond; ja, in menig opzicht is het achteruit gegaan of zelfs hier en daar
geheel verstorven en verdwenen. In alle duitsche staten, ook in de geheel
nederduitsche, zooals in Mecklenburg en anderen, is het hoogduitsch reeds
sedert lang als geijkte schrijftaal ingevoerd. Het nederduitsch, uit school en
kerk en rechtszaal verbannen, leeft in Noord-Duitschland, sedert ruim twee
eeuwen reeds, slechts voort als volksspraak, als een, bij vele dwazen en
onverstandigen verachte tongval, die kwalijk goed genoeg is om in het
dagelijksche leven, in huis en op straat, als zoogenoemd platt gesproken
te worden
1. Dezen smaad verdient het nederduitsch
volstrekt niet. Vele bekwame mannen, vele groote taalgeleerden, velen van de
uitstekendste duitsche letterkundigen hebben dan ook in de laatste jaren zich
het lot der lang miskende en verachte, maar edele en schoone nederduitsche taal
aangetrokken, haar opgeheven uit het slijk, met roem voor haar gestreden en met
hun beste lettervruchten haar getooid en versierd. Mannen als Klaus Groth,
Fritz Reuter en zeer veel anderen hebben niet slechts zich zelven door hun
geschriften grooten, welverdienden roem verworven, maar ook hun nederduitsche
moedertaal op nieuw, naar verdienste, opgericht, verheven en gekroond. Hun
nederduitsche geschriften en daaronder vooral de Quickborn van den
eersten, de Olle Kamillen van den laatsten, zijn wereldberoemd
geworden. Hun streven werd met het gunstigste gevolg bekroond; hun doel is
bereikt; de nederduitsche taal is in Duitschland op nieuw in waarde en in eere,
en tal van kundige en geleerde mannen wijden er hun | | | | beste krachten
aan de beoefening der oude en der nieuwe nederduitsche taalkunde.
De nederduitsche taal die in Duitschland wordt gesproken, wordt in
twee hoofdtongvallen of liever in twee groote groepen van tongvallen verdeeld,
namelijk in nedersaksisch en in nederfrankisch. Het nedersaksisch vervalt nader
in twee afdeelingen, in het eigenlijke nedersakisch en in het westfaalsch, dat
men ook westsaksisch kan noemen. Het nederfrankisch draagt ook den naam van
nederrijnsch. Deze benaming dient echter om verschillende redenen, in onbruik
te raken. De genoemde tongvallegroepen omvatten ieder zeer veel verschillende,
maar na verwante tongvallen, die gewoonlijk op de grenzen van hun gebied door
zachte overgangen, door zoogenoemde tusschentongvallen in elkander vloeien en
versmelten.
De tongvallen die de nedersaksische groep vormen, zijn het zuiverste
en hebben het minst door den invloed van het hoogduitsch geleden. In vele
tongvallen van de eigenlijke nedersaksische onderafdeeling echter, is de
invloed van de friesche taal zeer duidelijk merkbaar. Deze laatsten vormen de
zoogenoemde friso-saksische tongvallen, die zoowel in Duitschland (Oldenburg,
Oost-Friesland) als in Nederland (Groningen) voorkomen. De eigenlijke
nedersaksische tongvallen (noord-saksische zou men ze kunnen noemen) worden
over de grootste uitgestrektheid lands gesproken, want hun gebied in
Duitschland strekt zich uit van de nederlandsche tot de russische grenzen langs
de kusten der Noord- en Oostzee en omvat nagenoeg het geheele voormalige
koninkrijk Hannover met Oldenburg (gedeeltelijk) en Bremen, Brunswijk, Hamburg,
Lübeck, Sleeswijk (gedeeltelijk), Holstein, Lauenburg, Mecklenburg, de
pruissische provinciën Saksen, Brandenburg, Pommeren, Oost- en
West-Pruissen; de drie laatste landstreken ook slechts ten deele. De tongvallen
die de westfaalsche onderafdeeling vormen, worden hoofdzakelijk door geheel
Westfalen, maar ook in de zuidelijke streken van Hannover en in een klein
gedeelte van noordelijk Keur-Hessen, benevens in Lippe gesproken.
Het gebied van de nederduitsche tongvallen die de nederfrankische
groep uitmaken, strekt zich hoofdzakelijk langs den Rijn uit, van Bonn en
Keulen naar beneden (het Zevengebergte en de Aar gelden hier als grens), Aken,
Gulik, 't graafschap Meurs en 't hertogdom Kleef omvattende. Aan de
nederlandsche en aan de westfaalsche grenzen zijn de nederfrankische, de
eigenlijke nederrijnsche tongvallen zeer onzuiver en gaan spoedig in de
limburgsche en geldersche (ook nederfrankische) en in de westfaalsche
tongvallen over.
|
1Over de hedendaagsche verhouding tusschen
hoog- en nederduitsch in Duitschland leze men het hoogst belangrijke werkje van
Klaus Groth, Briefe über Hochdentsch und
Plattdeutseh, Kiel, 1858.
|
|