Algemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon. Deel 1


auteur: Johan Winkler


bron: Johan Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch dialecticon. Deel 1. Martinus Nijhoff, Den Haag 1874  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[19. Het eiland Helgoland]

Het eiland Helgoland, niet minder merkwaardig in alle opzichten dan het eiland Sylt, behoort ook tot Noord-Friesland, ofschoon het sedert 1807 onder engelsche heerschappij staat. Vóor dien tijd behoorde Helgoland, even als alle andere noordfriesche eilanden tot Denemarken, of liever tot Sleeswijk. In overoude tijden maakte Helgoland ongetwijfeld een gedeelte uit van het groote noordfriesche vaste land, en was het met het eiland Sylt en met het reeds lang verzonkene Süderstrand (bewesten het oude, ook al grootendeels verdronkene Nordstand) verbonden. De heugenis hiervan is bij het noordfriesche volk nog bewaard gebleven in menig volksoverlevering of sage. Omstreeks 800 was Helgoland nog een groot eiland, waarop vele kerkdorpen lagen. Thans bestaat het slechts uit een hooge, roode rots, die steil uit zee oprijst, en slechts aan de eene zijde een zandig strand of voorland heeft.

De bewoners van Helgoland zijn echte Friezen, die tot op den huidigen dag de friesche zeden, de friesche inborst en de friesche taal hebben bewaard. Oorspronkelijk was hun taal zuiver friesch; door den tijd en het drukke verkeer met vreemdelingen echter, (want bijna alle Helgolanders zijn zeelieden) zijn er veel vreemde woorden in hun taal opgenomen, voornamelijk nedersaksische of Platduitsche, maar ook eenige hoogduitsche, engelsche en (door de zeevaart) hollandsche woorden. Hierdoor is het helgolander friesch zeer verbasterd en tegenwoordig zelfs zóo verbasterd en van de oor-spronkelijke zuiverheid afgeweken, dat het nog ter nauwernood den naam van een frieschen tongval mag dragen. Het oude, echte hel-

[p. 98]

golandsch kwam zeer veel overeen met het friesch dat op het eiland Sylt wordt gesproken. Nog in de vorige eeuw werd de friesche volkstaal door de Helgolanders ongelijk veel zuiverder gesproken dan thans, en nog in de eerste dertig of veertig jaren van deze eeuw was dit het geval. Toen was natuurlijk de overeenkomst van het helgolander met het sylter friesch ook veel grooter dan tegenwoordig.

In het belangrijke werk van C.P. Hansen, Das Schleswig'-sche Wattenmeer komt een gedichtje voor in het helgolander en sylter friesch, om de overeenkomst die er tusschen beide tongvallen bestaat, aan te toonen. Ik wil het eerste vers daarvan hier afschrijven.

 
Helgolander friesch.
 
 
 
Klaas Werner sät un Fierabend-tid
 
Vör Döör üp Stuhl en sung;
 
Sin Wüf sät prekkelnd bi sin Sid,
 
De Tid wurr jam nig lung.
 
 
 
Sylter friesch.
 
 
 
Klaas Werner seet om Helliginjs-tid
 
Fuar Düür üp Stööl an soong;
 
Sin Wüf seet preklin bi sin Sid,
 
De Tid waard jam ek lüng.

Fierabend is een germanisme; het is het hoogduitsche feierabend; het sylter helliginj daarentegen is zuiver friesch, en komt overeen met het westfriesche hiljûnd (juwn, joun, joen); in den tongval van Leeuwarden zeit men ook heiligavend. Overigens is avond op Helgoland inn, overeenkomende met het sylter inj, het westfriesche jûnd. Maar, in de samengestelde woorden die meestal uit het duitsch zijn overgenomen zeit men abend; b.v. fierabend, abendstär, (sylter friesch injstiar, westfriesch jündstiër) enz.

Prekkelnd is breidende, van prek, prik, waarvoor men in Holland breinaald, maar in West-Friesland breidprik zeit, of ook wel enkel prik, b.v. in de schertsende vraag: hwet hest' up de prikken? (spreek uit: hwet hest op 'e prikken) wat breidt gij? wat voert gij uit? In de friesche steden zeit men voor breinaald priem, ten platten lande echter wordt priem ook wel gebruikt.

Tegenwoordig verbastert de helgolander tongval van de friesche taal hoe langer hoe meer, en neemt hoe langer hoe meer hoog- en nederduitsche woorden, klanken en uitdrukkingen in zich op. Vooral

[p. 99]

is dit het geval sedert Helgoland een in geheel noordelijk Europa beroemde zeebadplaats is geworden, waar jaarlijks een zeer groot aantal vreemdelingen, vooral Duitschers, naar toe stroomt en er eenigen tijd verblijf houdt. Ook worden vele zuiver friesche woorden door het jongere geslacht op Helgoland zoo verknoeid en zoo jammerlijk uitgesproken, omdat de friesche volksgeest er verloren gaat en men er de beteekenis en den aard en de kracht der friesche klanken en woorden niet meer kent, verstaat noch begrijpt, dat ze bijna geheel onkenbaar worden; dit voor het bestaan blijven van de friesche taal zoo treurige verschijnsel, neemt men ook waar bij het jongere geslacht op de friesche eilanden Wangeroog, Schiermonnikoog, ter Schelling, in Sagelterland en elders. Een duidelijk voorbeeld er van teeken ik aan op vs. 22 van de vertaling in den tongval van Helgoland hier beneden.

Even als overal in Noord-Friesland is ook op Helgoland de hoog-duitsche taal kerk-, school- en schrijftaal.

In de talrijke, meestal hoogduitsche beschrijvingen van Helgoland, gidsen voor de helgolander badgasten en ook in andere werken, (Vrije Fries, Friesche Volks-Almanak, Germaniëns Yölkerstimmen, enz.) komen proeven voor van den helgolander tongval, die echter grootendeels zeer weinig waarde hebben of zeer onnauwkeurig zijn. In de Haan Hettema's Frieske, Hilgelaonner en Noardfrieske rymkes, Dockum 1841, komen een paar aardige gedichtjes in het helgolander friesch voor.

19. De gelijkenis van den verlorenen zoon in den tongval van het eiland Helgoland.

Medegedeeld door den heer Claus Rock, scheepstimmerman van Helgoland. Februari 1871. (In eigene friesche spelling.)

Det glîknis fan 'n ferlêsen sön.

 

11. Diar wiar ianmâl 'n man, de hîd tau jongen.

12. De jongst fan jam said to herrem fâr: fâr! do mi det dêl

[p. 100]

fan 't gòd wat mi tohiart. En da dêlt de ò;l man jam del gôd.

13. En ni long dar na sammelt de jongst sön alles 't öb en reist fìr over d' lun; da levved he fergnögt en brocht sîn gôd hendêr.

14. Da he ne sîn gôd hendêr hîd wur alles so jür un det frem lun en da mos he hongere.

15. He ging hen na 'n bür en de sand hem üp sîn akker, de swîn to hoddern.

16. En he ferlangd' sîn honger to stillen fan det swìniten; over ken mensk wul hem det do

17. Da said he bi hem sall'f: ha fel deiluaners hat mîn fâr, de iten en drinken un overflud ha, muar as nug, en ik mut hîr ferhongere.

18. Ik wel mi klâr makke en na mîn fâr hengung en ik wel sai to him: fâr! ik ha sün dên un de hemmel en for de.

19. Ik ben ni muar wort dat ik dîn sön hît; mak me to ian fan dîn deiluaners.

20. En he ging weg en kim bi sîn far. De öl karmen sag hem al fan firen kemen; he lîp hen, fung un to gallen, nim hem um sîn hals en kussed hem.

21. De sön overs said to hem: fâr! ik ha sün dên un de hemmel en for di; ik ben ni muar wort dat ik dîn sön hît.

22. Man de öl man said to sîn knechter: bringt de bast klör duat en tîd hem det un en död hem 'n ring om sîn finger en sku over sîn futten.

23. En bringt 'n fat kallevken duat en slachtet det; liat üs ît en fergnögt wês.

24. Den mîn sön hat duad wên en hi es wer lebendi wurn; he hat ferlêsen wên en es wer fin wurn. Da fung jar un fergnögt to wên.

25. Over de oldst sön wiar un 't feld en as he nei bi de hjüs kim, hiard he det singen en springen.

26. Da rîp he ian fan de knechter en fraged hem wat diar wiar.

27. De said to hem: dîn brur es kimmen en din fâr hat en fat kallevken slachtet, dat he hem sün wer hat.

28. Da wur he del en wul ne henin gung; da ging sîn fâr üt en bed hem.

29. Man de jong said: so fel juarn ba ik de tînt en dîn gebot

[p. 101]

ha ik ken ianmal overtreden, en de has me na sîndag ken letj bock dên, dat ik met mîn fren fergnögt wês kîd.

30. Ne overs dîn jong kimmen es, de sîn gôd ferhôrt hat, ne has de 'n fat kallevken slachtet.

31. He overs said to hem: mîn lif jong! de has alle tiden bi mi wên, en alles wat mîn es, dat es dîn.

32. De skus liver fergnögt en gód to mud wês; den dîn brür wiar duad en he es wér lebendi wurn; he wiar ferlêsen en he es wer finn wurn.

Aanteekeningen.

De opene, lange a wordt als oa, bijna als o uitgesproken. De e, i, o, ei, ai, als in 'thoogduitsch en 't nederlandsch. De u en ü als in 't hoogduitsch. Bij de tweeklanken ia en ua worden beide letters volkomen gehoord en volgen snel op elkander. De letters die met een Λ geteekend zijn, worden lang, gedehnt, uitgesproken.

11. Jongen, jongens, zonen; de o wordt in dit woord zeer dof uitgesproken en klinkt bijna als u. Zoo ook in long (vs. 13), hongere (vs. 14). enz.

13. T' ôb, verkeerde uitspraak van t' ôp, to hoop, bij elkander op een hoop; zie vs. 13 bl. 91 en vs. 13 bl. 16.

Fergnögt, germanisme van vergnügt, vergenoegd.

14. Jür, duur; de spelling djür is beter; het westfriesch heeft diür, jür (spreek uit joer;) zie vs. 14 bl. 94. Men kan ook zeggen kim der 'n grôt hongersnuad.

15. Üp, op, klinkt tegenwoordig meestal als ip.

16. Do, geven, eigenlijk doen; zie vs. 12 bl. 80.

20. Galle, schreien, komt ook in de tongvallen van den vasten wal in Noord-Friesland voor. Het wangerooger friesch heeft hûl, het gewone westfriesch gûle (eigenlijk in de beteekenis van schreeuwen), het hindelooper friesch geale. Al deze woorden, met het nederlandsche gillen en huilen, het leeuwarder güle, het sagelter friesche hule, zijn van de zelfde afkomst.

22. Klôr, saamgetrokken uit klodere, kleederen. Het enkelvoudige woord is klêd. Zie vs. 22 van de vertalingen in de tongvallen van Wangeroog en Sagelterland en vs. 22 bl. 79, 90 en 94.

Duat, hier. Dit is een sterk sprekend voorbeeld van helgolander taalverbastering. Het woord hier is oorspronkelijk in den frieschen tongval van Helgoland hjuart; dit hjuart is zuiver noordfriesch en

[p. 102]

komt overeen met het sylter hjaart of jaart, het hjurt van den vasten wal in Noord-Friesland en het ed der Wangeroogers (zie vs. 22 bl. 96.) De h en de r werden, naar de gewone uitspraak der Friezen, slechts weinig in dit woord gehoord en sleten, daar de Helgolanders hun taal nooit schreven of geschreven zagen, er weldra geheel uit, zoodat er slechts juat ('juat') overbleef; maar de j neemt gaarne (men denke aan de engelsche uitspraak) een d voor zich; zoo werd van juat, djuat, en eindelijk, wijl het gemakkelijker is om duat te zeggen dan djuat, is van het oorspronkelijke en zuivere woord hjuart in den mond der Helgolanders het verknoeide duat geworden. Hoe vreemd dit ook schijne, is zoowel het helgolander duat als het wangerooger ed het zelfde woord.

Tîd hem dat un, trek het hem aan; zie vs. 22 van de vertaling in den tongval van Schlutup.

Sku over sîn futten, schoenen aan zijn voeten; zie vs. 22 bl. 80.

24. Wên, samengetrokken uit wesen, geweest.

25. Hjüs, huis, klinkt tegenwoordig bijna als hiis

29. De, gij, luidt oorspronkelijk du (doe), maar wordt tegenwoordig bijna als de met een toonlooze e uitgesproken.

30. Na, verkorte uitspraak van nag, nog.

Dên, gegeven; zie vs. 12 bl. 80, op de woorden dou me.

Kîd is de'tegenwoordige, verkeerde helgolandsche uitspraak van het noordfriesche küd, küüd of kud, kuud voor konde of kon; westfriesch koed, koe, engelsch could.

Ferhôrt of ferhoort; zie vs. 30 van de vertaling in den tongval van Oldendorf.