Aanteekeningen.
12. Heit, vader; in 't oudfriesch was vader feder;
te Hindeloopen is vader nog feer. Heit en
mem, de hedendaagsche dagelijksche friesche woorden voor vader en
moeder, zijn eigenlijk vocativen van feder, feer en moder,
moor, moar, moer. Zie vs. 12 bl. 86 op fader, vs. 12 bl. 91 op
atj, vs. 12 bl 94, vs. 12 bl. 161 op babe, vs. 12 bl. 174 op
bab, vs. 12 bl. 292 op vajer en bl. 385.
13. Oerdwealsk, weelderig; zie vs. 13 bl 448 op
oerwealdsk.
14. Brekme, gebrek, begint tegenwoordig in de spreektaal
reeds sterk te verouderen en voor het hollandsche gebrek plaats te
maken.
20. Stoe, stond; ook wel stie.
22. Tsiean, trek; zie vs. 22 bl. 179 op tjôt,
vs. 13 bl. 162 op tôg, vs. 22 bl. 155 en vs. 22 bl. 106.
31. Bern, kind, spreek uit bern, ben; in
den oud workummer tongval is het barn, barn, in den oud
makkummer bjern, bjern, en in den hindelooper en schellinger
born, born; in het wangerooger friesch
bern, in het sagelter friesch berden; in
het noordfriesch biarn, bjarn, barn; deensch en zweedsch
barn.