|
|
|
| |
| |
[89. De stad Hindeloopen]
De bewoners van de eertijds zoo bloeiende maar thans zoo deerlijk
vervallene stad Hindeloopen (friesch Hînlippen) hebben zich,
vooral in hun spraak, kleeding en zeden, steeds bijzonder van de andere Friezen
onderscheiden. Toen in de laatste helft van de zeventiende en in de eerste
helft van de achttiende eeuw Hindeloopen zijn hoogsten trap van welvaart had
bereikt, waren ook de hindelooper eigenaardigheden er het sterkst. Met het
jammerlijke verval van den hindelooper handel en scheepvaart en met den
daardoor veroorzaakten achteruitgang en verarming der Hindeloopers, ging ook
menig eigenaardigheid van die uiterst merkwaardige stad verloren. Vooral
verdween er veel van het bijzondere in de kleeding der inwoners, in hun
huisraad en in den bouwtrant hunner huizen. De kunstig en schoon gebeeldhouwde
hindelooper eikenhouten kasten, | | | |
keeften genoemd, en de
andere eigenaardige, ten deele fraai beschilderde meubelen, werden verkocht aan
liefhebbers van antiquiteiten, en de voortdurende verarming dwong de
Hindeloopers hun uiterst fijn en keurig porcelein, den trots der hindelooper
vrouwen, waar sommige familien honderden van stellen van hadden, bij geheele
scheepsladingen vol aan amsterdamsche kooplieden te verhandelen. De oude
kleederdracht begon, vooral in deze eeuw, al meer en meer buiten gebruik te
raken; de oude, degelijke, fraaie, zwaar fluweelen, fijn linnen en wollen, en
echt oost-indisch-bonte stoffen, waaruit die kleeding was samengesteld werden
hun ten deele te duur, ten deele waren ze niet meer te krijgen. Zoo is
langzamerhand bijna al het eigenaardige uit Hindeloopen verdwenen. In het jaar
1866 ging ik naar Hindeloopen om te zien wat daar nog van de oude
eigenaardigheden mocht aanwezig zijn, vóor het geheel verdween. Men kon
mij slechts enkele oude vrouwen wijzen, die nog de oude hindelooper kleeding
droegen; daaronder was er éen, die, als oude vrijster, nog de kleeding
der meisjes, der ongehuwden droeg, welke verschilt van de kleederdracht der
gehuwde vrouwen; dat was dus de laatste oud hindelooper maagd. Men kon mij
verder slechts éen enkele kamer toonen, die nog, zoo als 't heette,
geheel op oud hindelooper wijze was ingericht en gemeubeld. Maar ook hier
stoorde en bedierf een nieuwerwetsche mahonihouten chiffonière het
schoone geheel en vormde een schreeuwende en leelijke tegenstelling met de oude
gebeeldhouwde en beschilderde hindelooper meubelen.
Maar éen eigenaardigheid van het oude Hindeloopen is er nog
bestaan gebleven, en dat wel niet de minst belangrijke, de hindelooper tongval.
Onder elkander spreken de Hindeloopers nog heden ten dage de oude spraak hunner
voorvaders, met vreemdelingen echter kunnen allen hollandsch spreken en ook
gewoon friesch.
De hindelooper tongval maakt een onderdeel uit van het oude
zoogenoemde zuidhoeksch friesch waarvan op bl. 436 is gesproken, en vertoont de
eigenaardigheden van dien tongval in hooge mate. Van alle andere zuidhoeksch
friesche tongvallen, als die van Workum, Koudum,
Staveren, Molkwerum, enz. wijkt het hindeloopersch
af. Niettemin is het zuiver friesch, niet minder zuiver dan de gewone friesche
landtaal is. Het heeft veel oude en echt friesche woorden langer en zuiverder
bewaard dan het gewone friesch. Ook is het in de uitspraak veel netter en
fijner, veel gekuischter, bevalliger, beschaafder en welluidender en veel
minder afgesleten. Al deze deugden, die het zuidhoeksch friesch boven de gewone
friesche landtaal vooruit heeft, zijn in den hindelooper tongval sterk
ontwikkeld. | | | |
Het staat veel nader tot de oude, oorspronkelijke, friesche taal
en dus ook nader tot het angelsaksisch en tot het oudsaksisch, de stamtaal van
het hedendaagsche nedersaksisch. Merkwaardig moet het genoemd worden dat er in
het hindelooper friesch enkele vormen en klanken voorkomen, die ook in de
nederfrankische tongvallen gehoord worden, maar in de andere friesche dialecten
niet 't huis behooren. Hiertoe behooren iik koast en iik begoast,
ik kon en ik begon, nederfrankisch: ik kost en ik begost:
hoenger, honger, joeng, jong, enz., even als in eenige deelen van
Zeeland en in geheel Zuid-Nederland.
Hij die meer van de eigenaardigheden der Hindeloopers wil weten,
moet lezen:
S.O. Roosjen,
N.D. Kroese en
W. Eekhoff,
Merkwaardigheden van Hindeloopen; bevattende historische
bijzonderheden omtrent de woningen, kleeding, gebruiken en taal der
Hindeloopers, benevens taalproeven in rijm enonrijm, Leeuwarden,
1855. Zoo als de omslachtige titel reeds meldt, worden eenige proeven van den
hindelooper tongval in dit werkje gevonden. Ze zijn niet zonder verdienste,
maar de spelling er van is slecht. Verder komen er in de meeste werken waarin
over Hindeloopen en zijn merkwaardigheden gehandeld wordt, proeven van
hindelooper friesch voor; ook in
J.H. Halbertsma,
Hulde aan Gysbert Japiks, tweede stuk. In
het jaar 1679 kwam er een werk uit, een almanak voor de hindelooper zeelui, dat
geheel in den hindelooper tongval is opgesteld en in vele opzichten bijzonder
belangrijk is. De titel er van is: Hynlepre Seemans-almenak op it
1679 jeer, mekke fan en stirman oen laand. Tu Leeuwert by Johannes de
Ruiter. Deze geheele almanak staat ook afgedrukt in bovengenoemde
Hulde aan Gysbert Japiks; de spelling er van is ook bijzonder
slecht.
| |
89. De gelijkenis van den verlorenen zoon in den tongval van
de stad Hindeloopen.
Medegedeeld door den heer N.D. Kroese, oud hoofdonderwijzer te
Hindeloopen. Januari 1871. (In eigene friesche spelling.)
11. Siker minske heéb twa soons. | | | |
12. De joengste fan jem seé tjen siin feer: feer! jaon mi't
deel fan 't good dat mi tokomt. In hi deelde jem 't good.
13. In naat fuele deggen dernei is de joengste soon, dæ 't
er alles binnen pakt heéb, weireisge nei en laand der fier fan denne in
der het er al dot er heéb, oerwealdsk trochbroat.
14. En dæ hi alles op heéb, koam er 'n grate
hoengersnood iin dot laand in hi bigoast gebrek to liën.
15. In hi geéng henne en ferfoge him bi eén fan de
burgers iin dot laand in di steérde him op siin laan om op de bargen to
pasjen.
16. In hi freége of 't er ek het ite mocht fan 't
barge-iten; mar nimmen jooch it him.
17. In dæ 't er good to him selm komd
weér, seé er iin him selm: ho fuele knechten fan miin
feer hebbe fol op jer bra, in iik sterf fan hoenger!
18. Iik sol opstaan in nei miin feer to gaan in iik sol tjen him
sizze: feer! iik heb soendige tjen de himel in for ji.
19. Iik bin naat meer wordich jiin soon næme to
worden; mæækje mi as eén fan jiin knechten.
20. In hi stoog op in geéng nei siin feer to. In dæ
't er jitte fier oaf weér, soog siin feer him al, in siin
hert waard boppe meéte fol fan meiliën; hi
ron nei him to, faal him om'e hals in paaike him.
21. In de soon seé tjen him! feer! iik heb soendige tjen de
himel in for ji; iik bin naat meer wordich jiin soon næme to
worden.
22. Mar de feer seé tjen siin tæænstboaden:
briing hir daadlik 't beste pak klaan in dwaan it him oon in jaon him en riing
oon siin haand in skoon oon siin futten.
23. In briing 't meste kaal in slachtje it; in leét ues ite
in nochlik wæze.
24. Want dizze miin soon weér da, in hi iis wor libbendich
worden; hi weér forlornd in hi iis wor foenden. In
jæ bigoasten nochlik to wæzen.
25. In siin ealste soon weer iin 't fild in dæ hi ticht bi
hues koam, heerde hi 't gesoeng in 't gedoens.
26. In dæ 't hi eén fan de knechten bi him roapt
heéb, freége hi het dot bitudde. | | | |
27. In dizze seé tjen him: diin broer iis komd, in diin
feer het 't meste kaal slachte, omdot er him gesoend wor heéb.
28. Mar hi waard kwa in wood naat iin hues gaan.
Dæ geéng siin feer nei him to in baad him der om.
29. Mar hi joog siin feer to 'n antwoord:
sææn 'r is! so fuele jeéren tæænje ik ji al in
nooit heb iik jiin gebod oeërtredden; in ji hebbe mi nooit nog eén
liitjen bok joend, dot iik mei miin freénden ek 'ris nochlik wæze
koast.
30. Mar no dizze soon komd iis, di 't, jiin good mei hoeren in
snoeren trochbroat het, no heb ji 't meste kaal for him slachte.
31. Dæ seé de feer tjen de ealste soon:
born! doe bist altiid bi mi, in al dot iik heéb iis
diines.
32. Mar wi biheerden den no wol nochlik in bli to
wæzen; want dizze diin broer weér da, in hi iis wor libbendich
worden; hi weér forlornd, in hi iis wor
foenden.
| |
Aanteekeningen.
De eé moet uitgesproken worden als een scherp lange
e, die eenigermate naar de friesche uitspraak van den tweeklank
ie zweemt. De oe in joengste, hoengersnood, soendige, foenden,
gesoeng, gedoens, gesoend, joend, moet als de gewone, zuivere, hoogduitsche
u worden uitgesproken, vooral niet als de tweeklank oe. De
klanken ao en oa worden gesproken als het midden houdende
tusschen a en o; de ao helt eenigszins meer naar de
a over; de oa een weinig meer naar de o. De æ
houdt het midden tusschen a en e; het is de blatende,
blœrende aklank. De ea is de gewone friesche
tweeklank ea. De aa is de zuivere, lange, italian a. De
letters die kleiner zijn en wat lager gedrukt, moeten niet uitgesproken, maar
wel gehoord worden.
12. Jem, hen, van het oud friesche hiam, hjam; zie
vs. 12 bl. 119 op jem.
Feer, vader; zie bl. 439 op heit en mem.
13. Dæ;, toen, als, daar; zie vs. 16 bl. 394 op
doa.
Laand, land; zoo ook haand, hand, sa and,
zand. In het gewone landfriesch worden deze woorden als laon, haon, saon
uitgesproken; daar is de d er achter weg gesleten. Zoo is ook een andere
letter, de l, in sommige hindelooper woorden nog aanwezig, terwijl ze in
het gewone friesch en ook in het hollandsch en vlaamsch reeds lang daaruit
gesleten is. De Hindeloopers zeggen: saalt voor het gewoon friesche
salt, spreek uit: saot, hollandsch zout; hindel.
| | | |
hoolt, gewoon fr. hout, holl. hout; hindel.
aald, gewoon fr. ald, spreek uit aod, holl. oud;
hind. hueshaalding, gew. fr. hûshalding, spr.
huushaoding, holl. huishouding; hind. ealders,
gew. fr. alders, spreek: aoders, holl. ouders;
hindel. skoolder, gewoon fr. en holl. skouder en schouder.
Vergelijk vs. 13 bl. 393 op laand.
Oerwealdsk, in beteekenis overeenkomende met het gewoon
friesche oerdwealsk, is woordelijk vertaald: overweelderig, meer
dan weelderig, zeer weelderig, en komt van het oud friesche weald, het
engelsche wealth, weelde. Het hindelooper oerwealdsk is een
zuivere vorm; het gewoon friesche oerdwealsk is verbasterd. Zie vs. 13
bl. 435.
Trochbroat, doorgebracht, van briinge, broat, broat,
brengen, bracht, gebracht. Dit broat wordt volkomen gelijk uitgesproken
als het engelsche brought. Zoo ook toat, gedacht, van tiinse,
tiinke, denken, even als het engelsche thought. Zie vs. 13 bl. 175
op brôet.
14. Grate, groote; veel woorden die in het gewone friesch
den ea-klank hebben en in het hollandsch oo, hebben in den
hindelooper tongval een volkomene, zuivere italian a; b.v. graat,
great, groot; bra, brea, brood; ra, read, rood; da,
dea, dood; aast, east, oost.
Hi bigoast, hij begon, gewoon friesch: hi
bigûn; het hindelooper bigoast komt overeen met het
nederfrankische begost; even als het hindelooper iik koast,
gewoon friesch: ik koe, met het nederfrankische ik kost, ik kon,
Zie vs. 29 bl. 246 op 't woord koss, en vs. 14 bl. 249.
16. Het, wat; het oud friesch heeft: huet
(hvet) hwet, hwat; het hedendaagsche gewone friesch hwet,
hwat, en in den laatsten tijd ook wat en wet. In de vorige
eeuw en vroeger kwam de vorm het en hette ook elders in
Friesland voor; bij
Gysbert Japicx wordt hij vaak gevonden. Zie
vs. 23 bl. 279 op get de gek afgève.
17. Selm of sem, zelf, in verbuiging
to him selm; zie vs. 17 bl. 443.
Bra, brood; zie hier boven vs. 14 op het woord
grate.
20. Boppe meéte, boven mate, gewoon fr.:
buppa (boppe) miete.
Paaike, zoende, van paaikje, zoenen; het gewone
friesch heeft: patsje, patte, patte; een zoen is te Hindeloopen en
paaik, gewoon friesch en patsje, oudtijds, ook bij Gysbert
Japicx nog, en pea.
23. Nochlik (met doffe o), ook in het gewone friesch
voorkomende, en tevens in den nederduitschen tongval der grootere friesche
steden; de vorm noflik (f en ch zijn wisselletters:
gracht en graft, gekocht en koft) wordt even dikwijls
gebruikt. Nochlik en noflik is woordelijk vertaald:
genoegelijk.
24. Da, dood; zie hier boven vs. 14 op het woord
grate.
25. Ealste, oudste, van aald, oud. | | | |
29. Liitjen, klein; gewoon friesch lîts
(liits); schiermonnikooger friesch liitjen; sagelter friesch
lîtje, liitje, litik, lîttik; wangerooger friesch
litk; helgolander friesch letj; noordfriesch lit, let,
leit; engelsch little; deensch lille, liden; zweedsch
liten; nedersaksisch lütje, lüt, lütk, enz. Zie
vs. 29 bl. 411, vs. 12 bl. 402, vs. 29 bl. 459 en vs. 13 van de vertaling in
den tongval van Eede en Heille.
Iik koast, ik kon; zie hier boven vs. 14 op hi
bigoast.
30. Hoeren in snoeren; zie vs. 13 bl. 197 op hoar'n un
snoar'n.
31. Born, kind; zie vs. 31 bl. 435.
|
|
|