|
|
|
| |
| |
[96. Het dorp Noordwolde]
De andere niet-friesche, nederduitsche tongval die ten platten
lande in de provincie Friesland wordt gesproken is het dialect van
de beide gemeenten (grietenijen) Oost- en
West-Stellingwerf.
Het zijn twee groote gemeenten, die talrijke dorpen
(Wolvega, Oldeen Nije Berkoop,
Noordwolde, Appelscha) omvatten en in het zuidoosten
der provincie, aan de grenzen van Drenthe en
Overijssel gelegen zijn.
De stellingwerver tongval is friso-saksisch en verwant met den
tongval van het naburige Drenthe. Het is eigenlijk drenthsch, dat met friesche
klanken, woorden, woordvormen, uitdrukkingen en zinwendingen sterk is vermengd
en met een min of meer sterken frieschen tongslag wordt gesproken. Maar juist
door den sterken invloed die de friesche taal door haar meerdere welluidendheid
en zoetvloeiendheid en door haar zuiverdere vormen op den saksischen grondslag
van den stellingwerver tongval heeft uitgeoefend, onderscheidt dit dialect zich
bijzonder gunstig van andere friso-saksische tongvallen door grootere
zachtheid, welluidendheid en netheid, als ik 't zoo eens noemen mag, in de
uitspraak. Volgens mijn gehoor en naar mijn smaak is het stellingwerfsch het
eenigste van alle neder- en friso-saksische dialecten, voor zoo verre ze in
Nederland worden gesproken, dat inderdaad bevallig, aangenaam en welluidend
klinkt.
De Stellingwervers hebben in oude tijden ongetwijfeld de friesche
taal gesproken; hierdoor laat zich dan ook den buitengewoon sterken invloed
verklaren, die het friesch in die landstreek op het saksisch heeft uitgeoefend
en tevens den frieschen tongslag (accent) der bewoners. Maar den tijd
wanneer de Stellingwervers de aloude friesche taal hebben laten varen en
verwisseld met het hedendaagsche friso-saksisch, kan ik niet aangeven. Het
heeft mij niet mogen gelukken, niettegenstaande talrijke nasporingen die ik in
het werk stelde, daaromtrent eenige zekerheid te verkrijgen; ik durf zelfs geen
gissing wagen. Mij is ook geen enkele oude oorkonde bekend, die in Stellingwerf
geschreven en in de friesche taal opgesteld is. Het komt mij waarschijnlijk
voor dat de Stellingwervers van een eenigszins anderen stam zijn als de overige
Friezen in de Zevenwolden. Stellingwerf maakte
trouwens ook in de middeleeuwen met Schoterland, dat toen Schoterwerf werd
genoemd, Steenwijk, Giethoorn,
Vollenhove, de Kuinre en Drenthe een
afzonderlijk zeeland uit van de zeven zeelanden waarin het vrije Friesland toen
verdeeld werd. Steenwijk, | | | | Giethoorn, Vollenhove, de Kuinder en
Drenthe kwamen in de macht van de bisschoppen van Utrecht, die dit gedeelte des
lands geheel van Friesland afrukten, waardoor wellicht de friesche taal aldaar
geheel verloren ging. Herhaalde malen beproefden de bisschoppen van Utrecht met
geweld van wapenen om Stellingwerf ook in hun macht te krijgen, wat hun echter
nooit gelukt is; de dappere stellingwerver Friezen wisten steeds hun aloude
friesche vrijheid tegenover den utrechtschen kerkvorst te behouden. Toch bleef
de verovering en de aanhoudende bezetting door den bisschop, van Vollenhove, de
Kuinder, enz. niet zonder grooten invloed op de Stellingwervers; zouden zij
toen wellicht, even als hun stamgenooten die de bisschop bedwong, en aan welke
zij steeds zoo nauw verbonden waren geweest, de friesche taal voor 't saksisch
hebben verruild?
Maar hoe dit dan ook zij, dat de Stellingwervers wel degelijk in
vorige eeuwen friesch spraken, blijkt ook uit de namen hunner dorpen:
Wolvega, Sonnega, Peperga,
Makkinga, Finkega, Spanga (ook wel
Spangen) en misschien ook uit Haule,
Haula
1 en Appelscha, Appelsche
(Appelsga?). Maar dat er volkplantingen van Saksen of van Franken in den ouden
tijd waren gevestigd onder de stellingwerver Friezen blijkt, dunkt mij, even
eens uit de echt saksische en frankische dorpsnamen Fochtelo,
Elslo, Olde- en Nije-Berkoop. Immers,
namen van plaatsen op lo eindigende, vindt men, bijna zonder eenige
uitzondering, slechts in streken, die door nakomelingen der Saksen bewoond
worden, of waar, in vroegere eeuwen, saksische stammen verblijf gehouden
hebben. Geen Fries die ooit zijn woonplaats of zijn dorp lo noemde, maar
wel ga of gea, zooals Minnertsga,
Oudega, Nijega, Loienga,
Goënga, Follega, Jubbega,
Schurega, Brongerga, St. Jan's- en
St. Nicolaas's-ga, enz. Bij
Gysbert Japicx en ook bij latere friesche
schrijvers komt dit woord gea, in den zin van dorp, nog voor. Plaatsen
die op koop en kop eindigen vindt men in Holland en
Utrecht, als Boskoop, Heikop of
Heikoop, Boeikop, Benschop beter
Benskop of Benskoop) Tekkop,
Honkoop, enz., maar niet elders in Friesland.
De stellingwerver tongval wordt zoowel in Oost- als
in West-Stellingwerf tamelijk gelijkvormig gesproken. In het eene
dorp mag men er wat meer friesche woorden en friesche vormen in gebruiken en in
het andere wat meer saksische, in hoofdzaak is de tongval toch de zelfde. Als
proeve van het stellingwerfsch volgt hier een vervaling in den tongval van het
dorp Noordwolde in West-Stellingwerf, die als type
van den stellingwerver tongval kan worden aange- | | | | merkt, omdat
Noordwolde nagenoeg in het midden van beide Stellingwerven gelegen
is.
Er is slechts zeer weinig in het stellingwerfsch, geschreven. Ik
ken slechts een paar versjes in dien tongval opgesteld, en die voorkomen in den
Frieschen Volksalmanak; namelijk: de
Zoemmer van 1837, door S. B., in dien van 1839;
S.L. Brug, Nijjoarsweensk, in dien
van 1842; S.L. Brug, Eigen heërd is gäold
weërd, in dien van 1843, en in dien van 1846: De belaoden
aoren.
| |
96. De gelijkenis van den verlorenen zoon in den tongval van
het dorp Noordwolde.
Medegedeeld door den heer J. Frederiks, hoofdonderwijzer te
Noordwolde. October 1870. (In nederlandsche spelling.)
11. 'N zeker meens hadde twiee zeunen.
12. En de jonkste van heur zee tegen ziin heit: heit! geef mi-j 't
diel van goeed dat mi-j toekomp. En hi-j dielde heur 't
goeed.
13. En niet veule dægen d'rnoa is de jonkste zeune, toe i-j
alles bi-j enander pakt hadde, wegreisd noa 'n veer laand, en doar het i-j ziin
goeed deurbrocht in 'n ri-j leven.
14. En toe hi-j alles verteerd hadde, kwam 'r 'n groote
hongersnood in dat laand, en hi-j begon gebrek te liiden.
15. En hi-j gong henne en kwam bi-j iene van de borgers van dat
laand, en die stuurde hom op ziin laand, om de vaarkens te huden.
16. En hi-j wol grææg ziin liif vullen met 't
vaarkenvreten, moar gien ieene gaf hom dat.
17. En toe kwam hi-j tot hom zels en i-j zee: hoe veule aarbeiders
van onze heit hebben roem heur brood en ik kom omme van honger.
18. Ik zal opstoan en noa onze heit goan en ik zal hom zeggen:
heit! ik hè zundigd tegen de hemel en tegen jou.
19. En ik bin niet langer weerd jou zeune nuumd te worden;
mææk mi-j as ieene van jou aarbeiders.
20. En hi-j stond op en gong noa ziin heit. En toe hi-j nog
| | | | veerre of was, zag ziin heit hom en die wordde mit diep medeliiden
beweugen; en op hom anloopende, vul hij hom om 'e haals en tuutte hom.
21. En de zeune zee tegen hom: heit! ik hè zundigd tegen de
hemel en tegen jou en ik bin niet langer weerd jou zeune nuumd te worden.
22. Moar ziin heit zee tegen ziin knechten: breng hier aanstons 't
beste klied en trek 't hom an en geef 'n rink an ziin haand en schoenen an 'e
bieenen.
23. En breng 't vette kaalf en slaagt 't; loat ons eten en bliide
wezen.
24. Want dizze zeune van mi-j was dood en hi-j is weer levendig
worden; hi-j was verleuren en nou is hi-j vunnen. En toe begonnen zi-j bliide
te wezen.
25. En ziin olste zeune was op 'e akker en toe i-j kwam en bi-j
huus was, heurde hi-j 't zingen en joelen.
26. En hi-j reup iene van 'e knechten, en vreug hom, wat dat
beduudde.
27. En die zee tegen hom: jou breur is kommen en jou heit het 't
vette kaalf slaagt omdat hi-j hom gezond weeromme kregen het.
28. Moar hi-j wordde kwoad en wol niet in huus kommen. Toe gong
ziin heit buten deure en vreug hom.
29. Moar hi-j antwoordde en zee tegen ziin heit: kiik
is! ik diene jou nou zooveule joaren en i-j hemmen mi-j nooit 'n bokkien geven
om mit miin kameroaden vroolik te wezen.
30. Moar nou dizze jou zeune kommen is, die jou goed mit hoeren
deurbrocht het, nou hè-j-om 't vette kaalf slaagt.
31. En toe zee hi-j tegen hom: kiind! i-j bin altiid bi-j mi-j; al
miines is jouës!
32. Men mos doarom vroolik en bliide wezen; want dizze jou breur
was dood en is weer levendig worden en hi-j was verleuren en hi-j is weer
vunnen.
| |
Aanteekeningen.
De oa wordt niet zoo zwaar uitgesproken als in andere
friso-saksische tongvallen geschiedt; ze helt meer naar de zuivere a
over. De | | | |
oee en iee klinken
als op bl. 470 is vermeld. De kleine, lager geplaatste letters worden niet
uitgesproken, maar wel gehoord. De i-j klinkt als een onvolkomene
i met een j tot naslag.
11. Meens, mensch; in andere stellingwerfsche dorpen meer
op friesche wijze: meensk; zoo ook weens en weensk,
wensch.
12. Heit, vader: heit is zuiver friesch; zie vs. 12
bl. 435.
13. Ri-j, is het friesche ry, verkwistend; ry
komt in de zelfde beteekenis ook in den tongval der friesche stedelingen voor.
Ry is zekerlijk van den zelfden afkomst als het hollandsche ruw
en rauw (en ruig?); zoo heeft men ook het friesche ly voor
het hollandsche luw en lauw, lyte voor luwte. Het friesche
ry heeft uitsluitend de beteekenis van: verkwistend; zoowel voor
ruw (ruw weder) en rauw (rauwe vruchten) gebruikt men in
Friesland ten platten lande en in de steden: rou; voor
luw (voor den wind beschut) steeds ly, in de steden en op 't
land; maar voor lauw (lauw water) lou en ly beide.
17. Roem, ruim, overvloedig; het friesch heeft rom;
in den tongval der friesche stedelingen is het: ruum.
19. Nuumd, genoemd, luidt in andere stellingwerfsche dorpen
ook wel: neumd.
20. Tuutte hom, zoende hem; zie vs. 20 bl. 473.
Er is nog een zeer klein gedeelte van Friesland, waar niet de
friesche taal, maar een friso-saksisch dialect de volkstaal uitmaakt. Dit is
het oostelijkste gedeelte van de gemeente (grietenij)
Kollummerland en Nieuw-Kruisland, het dorp
Burum (friesch Bûrum, spreek uit: Boerum), met het
gehucht Munnikezijl of Muntjezijl (friesch:
Mûntzesîl) bevattende. De volkstaal is er gelijk aan den tongval
van het aangrenzende deel van Groningerland en behoort dus tot de
groninger tongvallegroep. De grensscheiding tusschen de friesche taal en het
friso-saksische dialect loopt hier juist door het vlek Kollum. Te
Kollum zelve wordt tegenwoordig door de burgerij bijna uitsluitend het
zoogenoemde stadfriesch (zie bl. 461) gesproken; in de vorige eeuw was het
friesch er de eenigste volksspraak. Het kollummer stadfriesch verschilt weinig
van het dokkummer. Maar de kollummer boeren die bewesten de bebouwde kom der
gemeente wonen, spreken zuiver friesch en die, welke beoosten wonen, even als
de Burummers, groninger friso-saksisch.
|
1Of komt Haule, Haula van het latijnsche
aula?
|
|