[100. Het eiland Flieland]De Fliestroom scheidt in de hedendaagsche provincie Noord-Holland
de friesche taal van de nederduitsche. De tongval van het eiland Flieland dat
bewesten Flie ligt, is, even als overal in Noord-Holland aan dien kant van 't
Flie, nederduitsch. Niettemin wijkt de tongval van Flieland van de andere
noordhollandsche, ja ook van alle andere nederduitsche tongvallen aanmerkelijk
af en is zeer bijzonder en hoogst merkwaardig. Het flielander dialect
onderscheidt zich door de eigenaardige uitspraak van vele klanken, die door
letters onmogelijk nauwkeurig kan afgebeeld worden, door de van alle andere
nederduitsche zoowel als friesche tongvallen afwijkende klanken in eenige
woorden en door de verkeerde plaatsing der letter h, die in geen een
nederduitsch dialect zóo sterk plaats heeft. Zoo heeft 't woord
tijd in 't flielandsch een klank die tusschen tiid, tuud, tid en
tud in ligt, en zoo is 't met de meeste woorden die in 't hollandsch
ij in 't friesch een lange i hebben; ik beeld dien klank in de
vertaling hier beneden eenvoudig door u af. Zoo ook heeft 't woord huis en andere woorden met ui, in 't flielandsch een klank die tusschen lange i en korte u in ligt; men spreekt ongeveer iis voor huis, enz. Men kan werkelijk dikwijls op Flieland het woord ijs als huis en het woord huis als ijs ongeveer hooren uitspreken. En wat de letter h betreft, de Flielanders spreken niet slechts even als de Zeeuwen en Vlamingen doen, de h niet uit waar deze letter behoort, maar, even als de Zwollenaars uit den geringen stand (en even als de Zeeuwen als ze deftig, hoog, willen spreken), plaatsen ze en spreken ze de h dáar waar die letter volstrekt niet behoort. Maar deze dwaze uitspraak is op Flieland zeer veel sterker in zwang dan te Zwolle, Breda, of elders, sterker dan in eenige plaats van Nederland, behalve te Egmond aan Zee. Even min als te Zwolle, is op Flieland deze verkeerde uitspraak der h aan eenigen regel onderworpen. Alleen het gehoor van den spreker geeft hier den regel aan, en dit is bij de verschillende individuën zeer ongelijk. Daarom is het moeielijk, ja onmogelijk deze flielandsche verwarring en verwisseling der h in geschrifte af te beelden. De oorzaak, waardoor de flielandsche tongval zoo bijzonder is, ken ik niet. In oude tijden, vóor dat Flieland een eiland was, woonden hier aan den westelijken oever van den mond van het Flie, ongetwijfeld echte Friezen, die natuurlijk ook de friesche taal spraken. Maar het komt mij hoogst waarschijnlijk voor dat de hedendaagsche Flielanders niet de afstammelingen van deze oorspronkelijke flielandsche bevolking zijn; zuivere, onvermengde afstammelingen daarvan zijn ze zekerlijk niet. Denkelijk zijn deze oude flielandsche Friezen, die zekerlijk ook niet in grooten getale hier woonden, allen uitgestorven (bij overstrooming verdronken?); of zij hebben hun erfgrond met der woon verlaten (toen Flieland een eiland geworden was?). Waarschijnlijk vestigden er zich toen op het verlatene eiland lieden die eertijds aan de oevers van het Fliemeer, op den bodem van de hedendaagsche Zuiderzee dus, woonden en die ook door overstroomingen uit hun erfland verdreven waren. Dit waren geen Friezen, althans geen Friezen van den zelfden stam als die tusschen Lauwers en Flie of tusschen Flie en Kinnem woonden. Het waren leden van den zelfden volksstam, waarvan ook de hedendaagsche Urkers, Schokkers, Huizers en misschien de oud-Enkhuizers afstammen. Want zeker is het, dat de hedendaagsche flielandsche tongval de meeste overeenkomst vertoont met de tongvallen van Urk, Schokland, Huizen, enz. en dit pleit sterk voor de waarschijnlijkheid van bovenstaande vooronderstelling. Zie over deze zaak nader het medegedeelde bij de behandeling der tongvallen van Urk, Huizen en Enkhuizen. Of er in der tijd in het dorp West-Flieland, dat in de eerste helft van de achttiende eeuw langzamerhand verdronken, en omstreeks 1736 door de laatste bewoners verlaten is, een anderen tongval gesproken is als in het nog bestaande Oost-Flieland, is mij niet bekend. Misschien ook zijn de echte, oude, friesche Flielanders, nadat Flieland een eiland was geworden, nog op West-Flieland blijven wonen, terwijl de vreemdelingen, de voorouders van de hedendaagsche Flie-landers, zich op Oost-Flieland neer zetten, en bleven ze dáar friesch spreken, tot zij, door overstroomingen en zandverstuivingen genoodzaakt werden hun dorp te verlaten en zich her- en derwaarts verspreidden of wel zich met de Oost-Flielanders vermengden. Behalve een weinig, dat voorkomt in F. Allan, Het eiland Vlieland en zijne bewoners (Amsterdam 1857), is er, voor zoo verre ik weet, nooit iets aangaande den flielandschen tongval te boek gesteld, evenmin als er ooit iets in het flielandsch geschreven is. 100. De gelijkenis van den verlorenen zoon in den tongval van het eiland Flieland.Medegedeeld door den heer J. Kooy, hoofdonderwijzer op Flieland. October 1870. (In nederlandsche spelling.)11. Deer was d'ris 'n man, hen die ad twie seens. 12. De jongste see teugen sin taat: taat! je most me 't deil geven van 't goed dat me toekomt. Hen taat deilden 't goed honder um hen sin houdsten broer. 13. Hen niet feul tud d'r nee et de jongste seen halles bij melkaar pakt, hen ij his fard weg reisd hin 'n freimd land, hen et deer sin goed deurbrocht hin weelden en hoverdaad. 14. Hen toe ij halles ferteerd ad, kwam deer 'n groote ongersnood hin dat land, hen ij begon hook gebrek te kruggen. 15. IJ gong een, hen foegden 'm bij ien fan de birgers fan dat land hen die sond em hop sin land hom de swunnen te weien. 16. Hen ij wou sin buuk fillen met 't swunnefoer, maar gin mens gaf 't em. 17. Hen toe ij bij em selvers kommen was seed ij: oefeel ierlingen fan min taat ebben hoverfloed fan brood hen hik fergaan fan onger. 18. Hik sel opstaan hen nee min taat gaan, hen hik sel teugen em seggen: taat! hik eb sondigd teugen jou hin teugen den emel. 19. Hen hik bin niet meer weerd je seen te eeten; maak me hals ien van je ierlingen. 20. So seid, so deen; ij stond hop hen gong nee sin taat toe en toe ij nag eel fard weg was, sag sin taat 'm, hen ij wier uselik naar blud; ij gong hop em hof, fiel em hom sin als hen soenden em. 21. Hen de seen see teugen em: taat! hik eb sondigd teugen den emel hen teugen jou, hen hik bin niet meer weerd je seen te eeten. 22. Maar taat see teugen sin knechs: breng jelui 't knapste pak ier hen trek 't em han, hen geef 'n ring han sin angd, hen skoenen han sin foeten. 23. Hen breng 't kalf dat we hop 't ok mest ebben, slacht 't, hen late we heten en froolik wezen. 24. Wangt deuse min seen was dood, hen ij his weer levendig worden; ij was weg, hen ij his fonden. Toe begonnen se hallemaal froolik te wezen. 25. Hen de man sin houdste seen was hop 't feld, hen toe die nee iis kwam, oorden ij 't gesing hen 't gedans. 26. Hen ij wonk ien fan 't folk, in fraagde wat leven wat dat was. 27. Hen die see 'm: je broer is t' iis kommen, hen je taat et t fette kalf slacht, homdat ij 'm fris en gesond weerom kruggen et. 28. Maar ij wier fuul en nidig, hen ij wou niet in iis gaan. Deerom gong sin taat nee 'm toe hom em te bidden dat ij kommen sou. 29. Maar ij hantwoordde, hen see teugen sin taat: sie! hik dien je nou hal so feul jaar, hen hik eb nag nooit niet je gebod hovertreden, hen j' eb me nag nooit geen bokje geven hom 'ris froolik te wezen met min maats. 30. Maar nou deuse seen fan je weerom kommen is, die jou
goed niet oeren en sloeren d'r deurbrocht et, nou eb jen em 't meste kalf slacht. 31. Hen de taat see teugen em: kiind! je bint haltud bij me, hen hal 't mine his jouë. 32. We motten wel froolik hen blude wezen; wangt deuse broer fan je was sturven, hen ij his weer levendig worden; ij was weg, hen ij his fonden. Aanteekeningen.11. Deer, daar, even als neer of nee, naar, na, weer, waar, enz. De verwisseling van de lange a in deze en in eenige andere woorden met de lange e, is aan alle nederduitsche tongvallen van West-Friesland bewesten Flie eigen, en bijna over het geheele Noord-Holland benoorden het IJ verspreid. Zee bl. 484 I. Seen, zoon, zie vs. 11 bl. 12 II op sins. 12. Taat, vader; zie vs. 12 bl. 12 II. Moeder is op Flieland mem, zuiver friesch dus. Zie bl. 9 II, bl. 484 I en vs. 18 bl. 164 I op memme. 13. Tud, tijd, wordt uitgesproken met een klank, dien ik niet met letters kan afbeelden; het is niet tud, niet tuud, niet tiid en niet tid, maar van alles wat. Even zoo is het met de woorden swun, zwijn, kruggen, krijgen. Nee, na; zie hier boven vs. 11. Fard, verre, komt overeen met het strandhollandsche vort, met het vord der Vlaardingers enhet vaarde van de Ouddorpers op Goeree. Deze vorm, die ouder en zuiverder schijnt te zijn dan het gewone ver of verre, is dus voornamelijk bij de hollandsche visscherlui, loodsen, en andere zeelui, in gebruik. 14. Kruggen, krijgen; zie vs. 13 hier boven 't woord tud. 15. Swunnen, zwijnen, zie hier boven vs. 13 op 't woord tud; ferkens is op Flieland ook in gebruik. 16. Buuk of buk, buik; men zeit even dikwijls luf of liif, lijf. Fillen, vullen. 17. Ierlingen, huurlingen. Huur en hier, vuur en vier, duur en dier wisselen in de verschillende nederduitsche tongvallen af. 20. Deen, gedaan, wordt ook wel in den tongval der friesche steden gezeid en komt overeen met het friesche dien. Zie hier boven vs. 11 en vs. 18 bl. 472 I op deend. Nag of liever nach, nog, komt ook in sommige zuiver friesche tongvallen voor (zie vs. 29 bl. 79 I, vs. 29 bl. 83 I en vs. 30 bl. 102 I), en tevens in sommige andere nederduitsche van West-Friesland; zie vs. 13 bl. 38 II. Uselik naar blud, woordelijk ijselijk naar blijde, voor bewogen, half van blijdschap, half van droefheid. Zie over de uitspraak hier boven vs. 13 op 't woord tud; en verder vs. 16 bl. 328 I op zoo noar greege en vs. 20 bl. 417 I. 22. Angd, hangd, hand. In den flielandschen tongval maakt men van menige n een ng, of liever men spreekt de n met een sterken neusklank uit, even als de Franschen en sterker nog, zoo als b.v. de Hoogduitschers doen als ze fransch spreken en van raisong, enz. praten. Deze eigenaardige uitspraak der n is aan vele nederduitsche, vooral nederrijnsche en hollandsche tongvallen eigen, ofschoon ze tegenwoordig overal afneemt. In vorige eeuwen schijnt deze dwaze uitspraak ten platten lande vrij algemeen geweest te zijn. Zie vs. 12 bl. 352 I op ming, vs. 22 bl. 252 I op hangk en bl. 18 I. Het verkleinwoord van hand is op Flieland angtje, van mand mangtje, van hond ongtje, enz. 24. Wangt, want; zie hier boven vs. 22. 25. Iis, hiis, huis, heeft op Flieland een zeer eigenaardigen klank, tusschen iis en us in. Zie bl. 429 I. 28. Fuul, boos, kwaad, even als in de friesche steden; zie vs. 28 bl. 321 I. 29. De dubbele ontkenningen in dit vers, nag nooit niet en nag nooit geen, behooren tot het friesche taaleigen. Zie vs. 29 bl. 480 I. 30. Oeren en sloeren, hoeren en sloeren of snoeren; zie vs. 13 bl. 197 I op hoar'n un snoar'n. 31. Kiind, kind; zie vs. 31 bl. 475 I. |