[116. De stad Amsterdam]Te Amsterdam spreken de deftige burgers en de aanzienlijken tegenwoordig ook, even als men in alle hollandsche steden doet, modern hollandsch. Maar de geringe burgers en de arbeiders, het eigenlijke volk uitmakende, spreken nog steeds amsterdamsch, ofschoon hun amsterdamsch dan tegenwoordig ook veel minder sterk gekleurd is dan vroeger het geval was. De oudste Amsterdammers spraken ongetwijfeld friesch, want ze waren echte Friezen. Of de alleroudste Amsterdammers, de lieden, die vóor er nog een dam in den Amstel lag, aan de oevers van den Amstel, in de gou Amestelle woonden, daar reeds altijd gevestigd waren geweest, dan of ze wellicht van den anderen kant van 't IJ kwamen, is niet zeker; maar 't is bij mij boven allen twijfel verheven dat de echte Amsterdammers van zuiver frieschen bloede zijn en als zoodanig ook friesch spraken. De geleerde J. ter Gouw is eveneens van dit gevoelen, en heeft in zijn talrijke werken meer dan eens op deze omstandigheid gewezen en zijn denkwijze hieromtrent met bewijzen gestaafd. Gedurende de eerste opkomst van Amsterdam echter, in de
middeleeuwen, toen handel en scheepvaart zich al ras te Amsterdam sterk ontwikkelden, grooten bloei en welvaart aan de stad verleenden en de Amsterdammers daardoor met veel vreemdelingen, (Zuid-) Hollanders, Vlamingen, Brabanders, Bovenlanders, Oosterlingen (bewoners van de oevers der Oostzee) enz. in nauwe aanraking en druk verkeer geraakten, toen ook veel vreemdelingen zich in de stad aan den Amstel vestigden, toen schijnt de friesche taal te Amsterdam al ras verloren gegaan en door het nederduitsch verdrongen geworden te zijn, even als dit in menige andere stad van Noord-Nederland 't geval is geweest. Toch bleef er steeds een sterk friesch bestanddeel in de amsterdamsche volkstaal over, dat er nog heden ten dage niet uit verdwenen is. Het amsterdamsch van de 14de en 15de eeuw was nog half friesch (zie vs. 11 bl. 470 I); dat van de 16de eeuw komt nergens meer mede overeen als met de half friesche, half nederduitsche tongval die men nog heden te Leeuwarden en in de andere friesche steden spreekt. Inderdaad, de amsterdamsche volkstongval van de 16de eeuw en van het begin der 17de, is bijna volkomen gelijk aan het tegenwoordige zoogenoemde stadfriesch (zie bl. 464 I); ja, in menig opzicht staat dat oude amsterdamsch nog nader aan het friesch dan de hedendaagsche tongval der friesche steden. Talrijke amsterdamsche schrijvers, vooral dichters en onder dezen voornamelijk de blijspeldichters, geven ons in hun werken proeven van de 16de en 17de eeuwsche amsterdamsche volksspraak. Men sla slechts de werken van den volgeestigen, echt volksaardigen (populairen) Gijsbrand Adriaenszen Bredero op, om, in iederen regel van zijn verzen, talrijke, duidelijke sporen aan te treffen van de friesche taal. Het echte amsterdamsch van die tijden was een krachtigen, kernachtigen, en ook schoonen, geestigen tongval. In de laatste helft der 17de en in de 18de eeuw begon het amsterdamsch reeds te verwateren en tegenwoordig, in de laatste helft der 19de eeuw spreekt kwalijk de helft der (echte) Amsterdammers nog amsterdamsch. Het drukke verkeer met landgenooten en vreemdelingen, het verbeterde onderwijs en de meerdere leeslust, en boven al de mode, die alles wat oorspronkelijk is of een erfdeel onzer voorouders, verwerpt, heeft van het oude amsterdamsch gemaakt wat het thans is. Tot nog toe sprak ik steeds van het amsterdamsch. Men
denke hierbij echter niet aan een enkelen tongval; neen, het groote, het rijke
Amsterdam was ook meer dan éen tongval rijk; verschillende tongvallen,
sommigen nog al aanmerkelijk van anderen afwijkende, werden er door echte amsterdamsche burgers, in de verschillende deelen der stad gesproken. Dit feit is volstrekt niet vreemd; integendeel, iets soortgelijks kan men nog in alle groote steden opmerken, ook nog heden ten dage. (Zie het medegedeelde omtrent de tongvallen van Brussel en Gent.) Maar in vorige eeuwen, toen de meeste menschen slechts zelden buiten de poorten van hun stad kwamen en zeer velen hun leven lang in de zelfde buurt of wijk hunner stad woonden, was dit nog veel sterker het geval. Zelfs in sommige dorpen, onder anderen te Molkwerum, had men in de verschillende buurten, een eenigszins verschillende uitspraak; zie bl. 450 I. Tegenwoordig is ook dit onderscheid in tongval in de verschillende buurten die Amsterdam samenstellen, erg in verval, ofschoon het bij lange na nog niet geheel verdwenen is. De geleerde J. ter Gouw, een echte Amsterdammer en een man die Amsterdam en de Amsterdammers door en door kent, zooals wellicht geen tweede, een echte man des volks, heeft mij niet minder dan negentien verschillende amsterdamsche tongvallen opgegeven. Nog heden zijn de meesten daarvan nog wel te bemerken, al zijn ze dan ook erg in verval. In 't laatst der vorige eeuw echter tot aan den ‘franschen tijd,’ toen nog de meeste lieden van geringen stand, maar ook de meeste gezetene burgers, te Amsterdam leefden en stierven in de zelfde buurt waarin ze geboren waren, toen ‘vreemden’ 't nog in menige buurt ‘niet houden’ konden, toen stonden al deze amsterdamsche tongvallen nog tamelijk scherp tegen elkander over. Met voorlichting van den heer ter Gouw bovengenoemd wil ik hier die verschillende tongvallen van Amsterdam opsommen en nader aanduiden. 1. Het Kattenburgsch; deze tongval werd gesproken op het eiland Kattenburg. Het echte kattenburgsch stierf reeds in het begin dezer eeuw allengs uit, tegelijk met de oud kattenburgsche zeden, en zulks ten gevolge der groote verandering die er in den toestand (dat is in den bloei en de welvaart en dus in 't leven) der Kattenburgers kwam, eerst door de omwenteling van 1795 en eindelijk door 't verval der scheepvaart (de Kattenburgers waren grootendeels scheepstimmerlui) in den noodlottigen franschen tijd. Het echte kattenburgsch was een taaltje dat door de Amsterdammers uit de binnenbuurten, door de Kalverstraters b.v. niet licht werd verstaan; het friesche bestanddeel was er rijkelijk in vertegenwoordigd en zelfs noorsch of deensch kwam er in voor. De vraag: moet gij ook geschoren worden b.v. luidde in den kattenburgschen tongval ongeveer als: mójjók geskórre wórre; dit werd dan nog zeer snel en zeer scherp uitgesproken. 2. Het Rapenburgsch. Dit sprak men van de Scharbiersluis tot de Kalkmarktsluis. Het was weleer zeer kennelijk van het kattenburgsch onderscheiden, ofschoon 't er het naaste bij kwam; tegenwoordig echter is er geen verschil meer te hooren. Het eiland Rapenburg is trouwens ook, zoo min als Kattenburg, meer wat het vroeger was en heeft geen eigenaardige bevolking meer. Vroeger noemde men de bewoners van Kattenburg en Rapenburg ‘Bijltjes’. 'T waren echte Oranjeklanten. Tegenwoordig noemt men kattenburgsch de buurttaal der bewoners van Kattenburg, Rapenburg, Oostenburg en Wittenburg met die van den Kadijk, en 't heeft niet veel pittigs meer. Maar vroeger kon een Kattenburger wel goed hooren of hij een mede-eilander of een Wittenburger, een Oostenburger of een Kadijker voor zich had. Ja zelfs verschilde 't nog weer of 't Kattenburger van 't Plein en de Gracht of een van 't Dijkje was. Het kadijksch was ook nog in tweeën gescheiden, in een hoog- en laag-kadijksch; maar 't laatste werd het meest gesproken. 3. Het Jonker- en Ridderstraatsch. Deze tongval behoorde 't huis in de beide straten van dien naam met haar dwarsstraten en in 't Kollegat. Sedert den ‘franschen tijd’ zijn deze straten tot een smerige en vervallene achterbuurt geworden, en heeft de bevolking er weinig oorspronkelijks meer. Maar in de 17e en 18e eeuw waren die beide straten vol welvaart en vroolijkheid. Huis aan huis waren 't nagenoeg dans- en speelhuizen, allen zeemanskroegen, waar de vedel lustig ging en Janmaat altijd een meisje vond om mee te dansen, en waar de oud amsterdamsche burgers heengingen ‘om te kijke’ en zich te verlustigen in de (niet altijd kiesche) tooneelen die er voorvielen. In de 17de eeuw huisde een goed deel van de luchtige bevolking dezer buurt des zomers te Smerenburg op 't eiland Spitsbergen. De tongval van de bewoners der Jonker- en Ridderstraten kwam het meest met 't kattenburgsch overeen. 4. Het Jodehoeksch. De bekende en befaamde, haast had ik gezet beroemde amsterdamsche Jodehoek, het ‘Jerusalem der ballingschap’ omvat: de Jode-Breestraat met haar dwarsstraten, de Jode-Houttuinen, de Houtgracht, de St. Anthonie-Breestraat, de eilanden Vlooienburg, Uilenburg, Marken en de Vinkebuurt. In den Jodehoek spreekt men nog heden ten dage drie onderscheidene tongvallen: a. Het Amsterdamsch-joodsch, het afschuwelijkste
dialect der nederduitsche taal. De joodsche tongslag (accent) en
tongval, rijkelijk met slecht hebreeuwsche en slecht hoogduitsche woorden en
vormen vermengd, is overal bekend en overal de zelfde, maar klinkt, zoo als Joden zelven mij meermalen verzekerd hebben, nergens zoo karakteristiek, nergens zoo leelijk als juist hier. Vroeger was er ook nog een duidelijk onderscheid op te merken tusschen de amsterdamsch joodsche tongvallen van de hoogduitsche en van de portugeesche Joden. Vooral zoo lang de portugeesche Joden nog onderling de portugeesche en spaansche talen bleven spreken of althans nog beoefenden, was dit onderscheid groot; ook thans is het nog niet geheel uitgestorven. De hedendaagsche portugeesche Joden van Amsterdam en niet alleen die van den minderen stand, spreken nog leelijker en karakteristieker joodsch dan hun hoogduitsche volksgenooten doen. Velen zijn er onder hen (even als onder de Chineezen) die de letters l, n en r in 't geheel niet of slechts hoogst gebrekkig kunnen uitspreken; hierdoor klinkt hun tongval nog zonderlinger. Een staaltje van dit portugeesch-joodsch-amsterdamsch uit den tijd toen de portugeesche Joden aldaar nog veel portugeesch en spaansch spraken, leveren de werkjes op die getiteld zijn: Khootje, waar bin je? hof conferensje hop de vertrekkie van de colleesje hin de Poortoegeesche Koffij-uijssie, hover de gemaskerde bal ontmaskert, Amsterdam; en Lehrrhede hower de vrauwen, door Raphael Noenes Karwalje (R. Nunez Carvalho), Hopper Rhabbijn te Presburg, Amsterdam, 1820. b. Het Joodsch-hollandsch, dat de meer beschaafde en aanzienlijke Joden heden ten dage spreken; het is modern hollandsch dat met den bekenden joodschen tongslag (onder anderen met talrijke aspiraties) gesproken wordt, en ook nog min of meer met enkele hebreeuwsche en hoogduitsche vormen en woorden is vermengd. Fraaie proeven in dichtmaat van dezen tongval vindt men in van Lennep en ter Gouw's Boek der opschriften bl. 71-73 en in 't jaarboekje Castalia, jaargang 1868, bl. 178-180. c. De tongval der Christenen die in den Jodehoek wonen en die natuurlijk iets, in woorden en zegswijzen, bij menschen die niet of kwalijk lezen kunnen zelfs in de aspiraties, van den joodschen trant heeft overgenomen. Bij voorbeeld: maak me zoo'n lawaai'm niet! ik sta je toch te zegge dat 't waar is; - 'k weet 't van 'n knappe jodeman, die 't me zellef op sabbes (of sjabbes) verteld het. 5. Het Nieuwmarktsch, dat van de Nieuwmarkt langs
Boomsloot tot de Oude Schans, in de daartusschen liggende straten en aan de
andere zijde langs de Kloveniersburgwal en de Hoogstraat gesproken wordt. Het platste nieuwmarktsch hoorde men op de Nieuwmarkt aan de lappekramen en op 't Kleereslootje. ‘Lapduyvels’ noemden de 17de eeuwsche Amsterdammers die kleerekramers, die nu ook al nagenoeg uitgestorven zijn, hoe wel er nog altijd een paar lappekramen op de Nieuwmarkt staan. Het fatsoenlijke nieuwmarktsch werd gesproken in de winkels, vooral in de talrijke linnen-, mutse-, sajet- en breikatoenwinkels op de Nieuwmarkt en bij de bewoners van de aangeduide grachten en straten. Voor vijftig jaren kon men dezen tongval nog in al zijn oorspronkelijkheid hooren. Zoo stond er b.v. een kalverstraatsche juffrouw in zoo'n mutsewinkel voor de toonbank, en de nieuwmarktsche winkelierster achter de toonbank had haar schaar noodig om wat af te knippen, en riep: jung's, jung's! kom 's gau-w-en raik me de schaar! Toen zei de kalverstraatsche jufvrouw: wel nou, kom an! je het ommers g'n-een jonge-n-achter de toonbank; want de winkelierster had geen zoons, maar twee dochters. Wel me liefe mins! antwoordde deze: 't sin m'n jung's, want out sin se nog niet! (Zie vs. 11 bl. 304 I op zeuns). In de Bethaniënstraat en -dwarsstraat en in de Hoogstraat was oudtijds het nieuwmarktsch nog met matrozetaal vermengd, door den invloed van 't Oostindischhuis en van de talrijke matrozekroegen waar de ‘drie Oostinjevaarders, straat Sunda, Sumatra, Batavia’, enz. uithingen. 6. Het Zeedijksch. Men spreekt het op den Zeedijk en in de aangrenzende straatjes, met het achtereind van de Warmoesstraat, Scheiershoek, Geldersche Kaai, Bantammerstraten en Schippersstraat. Het is nieuwmarktsch met veel zeemanstaal doormengd. 7. Het Bierkaaisch. De Bierkaai is een labyrint van steegjes en dwarssteegjes, gelegen in den vierhoek tusschen Warmoesstraat, Oudekerksplein, Voorburgwal en Pijlsteeg, en daar spreekt men den bierkaaischen tongval. De Bierkaai heeft nog een zeer oorspronkelijke bevolking; nog kan men er op de Bierkaai vinden, die roemen dat ze van ouder tot ouder Bierkaaiers zijn, en dat hun voorouders nooit ergens anders gewoond hebben. Het is een ruw volkje en vechtersbazen zijn er in menigte. Hun tongval is zeer klankrijk, maar ik zie geen kans hem met letters af te beelden; men moet hem uit den mond der Bierkaaiers hooren. 8. Het komkommerbuurtsch, dat in de Komkommerbuurt, 't Weesperplein, Roeterseiland, Varkenseiland en Weesperveld, ten oosten van den Amstel achter de Prinsegracht gesproken wordt. Het is verwant, maar toch nog goed te onderscheiden van 9. 't zoogenoemde Noorsebossies. Het Noordschebosch of
't Noorsebossi strekt zich uit ten Westen van den Amstel achter de Prinsegracht tot aan de Spiegelgracht. Een Noordschebosscher zeit: nau-w-ik weit wel dat vaaf m'l vaaf vaventwentig is; nu ik weet wel dat vijf maal vijf vijfentwintig is. 10. Het Leidschebuurtsch, dat achter de Prinsegracht van de Spiegelgracht tot de Leidschegracht in gebruik is. De kinderen zingen er b.v. als zij schommelen: Schoppe, schoppe maaie, de brouit-ti kompt fan Laaie! Fan Laaie kompt 'e brouit, enz. 11. Het Jordaansch. De Jordaan strekt zich uit tusschen Prinse- en Baangracht, van de Passeerdergracht tot de Lindegracht. De jordaansche tongval onderscheidt zich nog al duidelijk van andere amsterdamsche dialecten; de haarlemsche l en n (zie bl. 78 II) en de oi klank in plaats van ui spelen er een grooten rol in; het is platter hollandsch en minder met friesche bestanddeelen vermengd dan eenig andere amsterdamsche tongval. Oorspronkelijk is het jordaansch een boeretongval; in het begin der 17de eeuw was de zoogenoemde Jordaan een dicht bevolkte buitenbuurt, waar tuiniers en hoveniers woonden, en die in 1612 binnen de wallen van Amsterdam getrokken is. 12. Het Franschepadsch. Dit werd gesproken op de Goudsbloemgracht, in de Goudsbloemstraat en Palmstraat en in de dwarsstraten en gangen daartusschen, zoo ook in eenige enclaves in de Jordaan, als: op 't Schoone en op 't Vuile Weespad, 't Hof van Parijs, en 't Fort van Sjaco. Het zoogenoemde Fransche Pad lei eertijds op een zeer slechten naam en de franschepadsche tongval kenmerkte zich door een rijkdom van woorden en uitdrukkingen uit de dieve- en bedelaarstaal. Maar thans is 't Fransche pad weg, 't Hof van Parijs is weg en 't Fort van Sjaco is weg, - alles is er beschaafd en verbeterd en de oude eigenaardige tongval bestaat ook niet meer. Zij spreken nu op het, in Willemsstraat omgedoopte Fransche pad, in de Goudsbloem- en Palmstraten haarlemmerdijksch. 13. Het Haarlemmerdijksch, dat van de Haarlemmersluis
tot de Haarlemmer- (nu Willems-) poort en van den Zandhoek tot de Lindegracht
gesproken wordt en zich onder anderen door de sterk rochelende (haarlemsche)
uitspraak der g onderscheidt. Het meest bijzondere kenmerk van den
haarlemmerdijkschen tongval is de zware uitspraak der volkomene a, die
sterk naar de oa der Groningers, Gelderschen, enz. overhelt. Deze
uitspraak wint, zonderling genoeg, hoe langer hoe meer veld in dit gedeelte van
Amsterdam. (Zie bl. 61 II.) De echte Haarlemmerdijkers houden
oorspronkelijk de a in woorden als maan, staan, enz. lang aan en
dat wel geheel op den zelfden toon als waar mee ze de a begonnen,
terwijl andere Nederlanders in den regel de stem aan 't einde iets laten dalen bij 't uitspreken der lange a en dus met zuivere a beginnen en met een korte, toonlooze e eindigen; b.v. ma-en of maa-en, snel uitgesproken, terwijl de Haarlemmerdijkers ma-an of maa-an, bijna moa-an zeggen. Dat ook vreemdelingen reeds voor langen tijd opmerkten dat de haarlemmerdijksche Amsterdammers er een eigene uitspraak op na hielden, bewijst de omstandigheid dat men in Friesland gewoon is te zeggen van iemand die een gemaakt en onnatuurlijk hollandsch of boeketaal spreekt: die spreekt hoog-haarlemmerdijksch. 14. Het Nieuwendijksch. Deze tongval strekt zich uit langs den Nieuwendijk, oostwaarts over de Haringpakkerij en het Damrak, tot de Warmoesstraat, van den Dam tot de Oude Kerk, en westwaarts langs de Heere- en Keizersgrachten, van de Leliegracht tot de Brouwersgracht, en behoort dus tot een der meest verspreide tongvallen van Amsterdam. Het kenmerkt zich door een noordhollandschen tint en houdt veel van een uithaal en om de korte klinkers te rekken. Men spreekt er (en schrijft er zelfs) van Raamskooi voor Bamskooi, (zie 't naambordje op den hoek dier straat) van Kaaleferstraat voor Kalverstraat, van Haarelemmerdei-ik voor Haarlemmerdijk, enz. Dezen tongval sprak Vondel; daarom kwam hij er toe om verzen te maken als de volgende, die in zijn Gijsbrecht van Aemstel voorkomen: - En vlughten haestigh langs de Haerelemmer dijck. - - Terstond vermeesteren de Haerelemmer poort, - - Hij sellef was de voorste om elleck moet te geven. - - En 't heerelijck gebouw sagh branden lichter laegen. - 45. Het Kalverstraatsch, de tongval van 't hartje van Amsterdam en als het beste en welluidendste amsterdamsch aangemerkt. Het strekt zich uit in de lengte langs de geheele Kalverstraat, van den Dam tot den Munttoren; voorts westwaarts langs Voor- en Achterburgwallen en Singel, en ook langs een goed deel van de Heere- en Keizersgracht, waar 't natuurlijk ‘zeer fatsoendelijk’ gesproken wordt en vermengd is met de fraaie ‘expressies’ die de ‘elegante’ wereld er op na houdt. Bij bejaarde heeren echter, die op dit gedeelte van de Heere- en Keizersgracht zijn geboren en opgevoed, hoort men nog duidelijk het echte kalverstraatsch. Oostwaarts strekt het kalverstraatsch zich uit langs 't Rokin, de Nes en den Fluweelen Burgwal, maar neemt in de dwarsstraten en stegen tusschen Nes en Voorburgwal reeds een bierkaaischen (zie bl. 89 II) tint aan, zoodat men dáar 16. het Gebed-zonder-endsch hoort. 17. Tusschen het kalverstraatsch en 't nieuwendijksch in liet zich weleer nog een anderen tongval hooren en wel op de groote Vischmarkt. Van dien amsterdamschen vischwijvetongval geeft Bredero een proefje in zijn Moortje. Dat was in 't begin der 17de eeuw en twee eeuwen later was die taal nog al tamelijk de zelfde; - nu bestaat zij niet meer; de heele vischmarkt, met al haar schilderachtige oorspronkelijkheid is verdwenen. 18. Het Botermarktsch. Men sprak het van den Munttoren tot de Blauwbrug (Reguliersbreestraat, Botermarkt, Amstelstraat, Halvemaansteeg, Reguliersdwarsstraat, Utrechtsche straat, met alle dwarsstraten en stegen). Deze tongval is 't naast aan het kalverstraatsch verwant, maar hij is platter. Zoo zeggen de Kalverstraters boter en schotel, maar de Botermarkters botter en schottel. Daarom als iemand zich eens wat plat uitdrukte, dan zeiden de oude Kalverstraters: hè, da' s nou recht op z'n Bottermarks! Maar een dialect waarvan, men zeide dat de ‘duvel’ zelf 't niet verstaan kon was (was, - ook hier is al veel veranderd), 19. Het Duvelshoeksch. De Duivels- of Duvelshoek is een labyrint van stegen en dwarsstegen, gelegen tusschen de Reguliersbreestraat, Reguliersdwarsstraat en Vijzelstraat. Het duvelshoeksch was het botermarktsch in zijn platste platheid, doormengd met tal van woorden uit de dieve- en bedelaarstaal, uit het mofsch en koeterwaalsch der kermisgasten, negociants, nomades, colporteurs, vagabonds, chevaliers d'industrie, duitsche kwakzalvers, luikerwaalsche tooverlantaarn- en rarekiekvertooners, keulsche potte- en kannewijven, fransche goochelaars, rottevangers en ‘verdrijvers van wandgedierten,’ savooische lieremannen, orgeldraaiers en marmottejongens, italiaansche schoorsteenvegers, tot verloopende en verwaaide duitsche en brabantsche studenten incluis, die er allen hun verblijf hielden en er te zamen een duvelshoeksch jargon revelden. Bij de opsomming van alle deze bovenstaande amsterdamsche tongvallen, moet men in aanmerking nemen, dat dit alles meerendeels op vroegere toestanden doelt, daar er van deze zaken in onze eeuw onder de vijl der moderne beschaving en centralisatie al veel hoekigs en puntigs verdwenen is, waarover politiken en philantropen juichen mogen, maar waarover oudheidkundigen en beminnaars van 't schilderachtige volksleven treuren. Het gaat niet aan om algemeene regelen, al zijn 't dan ook nog zoo
weinigen, voor de amsterdamsche tongvallen op te geven. Eene bijzonderheid
echter is aan alle amsterdamsche tongvallen eigen; ze is dit tevens, hoewel dan ook minder sterk, aan alle hollandsche tongvallen. Het is de gewoonte om tusschen twee klinkers een n of eenig andere medeklinker, die er maar best past, in te schuiven, om daardoor elke storende gaping te vermijden en de woorden zoetjes in elkander te doen vloeien. De Amsterdammers maken hier door dikwijls van twee, drie en meer woorden als éen, of plakken de slotmedeklinker van een voorgaand woord vóor het begin van 't volgende woord, als dit met een klinker begint. Een echte Amsterdammer b.v. die het bekende rijmpje van Vondel opdreunt, zal dit zóo doen:
De volgende vertaling in den kalverstraatsch-amsterdamschen tongval kan als type van amsterdamsche volksspreektaal gelden, niet te plat noch te hoog. Ze is zóo als een burgerjufvrouw van den ouden, echt amsterdamschen stempel de gelijkenis van den verlorenen zoon ‘op 'n zondag-en-avend bij 'n koppi suikelaat en 'n kaki-j-an 'r kindere’ zou vertellen. Dit echte amsterdamsch uit de Kalverstraat is tegenwoordig ook al sterk in verval. Allerlei vreemdelingen hebben het gebied van de Kalverstraat veroverd, en van de echte oude Amsterdammers zijn er in de Kalverstraat nog maar weinige exemplaren over. De hedendaagsche bewoners van de Kalverstraat spreken fransch, hoogduitsch, italiaansch, vlaamsch en brabantsch, of joodsch- en modern hollandsch. 116. De gelijkenis van den verlorenen zoon in den tongval van de stad Amsterdam. (Kalverstraatsch).Medegedeeld door den heer J. ter Gouw te Amsterdam. November 1870. (In nederlandsche spelling.)H. D'r was-ereissies 'n man-en die hat twee zoons. D'ouste was 'n beste jonge, ma'r de kleinste was 'n platje. 12. Toe ze nou-w-allebei groot ware geworde, zei de jonkste teuge z'n vader: vader! uwe zou m'n 'n groot plesier doen-as-uwe mijn m'n errefporsie gaf. Goet-jonge! zei de vader, en hij gaf 'm zooveel-as 'm toekwam. 13. En toe pakte-n-i z'n boeltje bij mekaar-en nam-afscheit van z'n vader-en z'n heele femielje-n-en maakte dat-i de poort-uit kwam. Hij reisde heel ver weg na'n vreemd land, waar-i Got noch goet mensch kende. Maar-omdat-i de gebraaie haan-uithing, kreeg-i heel gou 'n heele boel goeie vrinde, die 'm van de wal in de sloot hielepe. En zoo verteerde dat wittebrooskeentje-n-al z'n lieve duitjes-op 'n heel onordenteleke menier. 14. Ma'r 't brak 'm leelik-op! Toen-i geen duit meer hat, ginge de goeie vrinde schoot-en lieten 'm zitte as 'n-uil-in doosnoot. 'T was net 'n dure tijt-ook-en en d'r kwam 'n-erge hongersnoot-in dat lant-en hij lee gebrek. 15. Toe ging-i huis-an huis vrage-n-of ze-n-ook 'n knecht-of 'n jonkmaatje fan-noode hadde, ma'r niemand wou 'm hebbe-n-om-dat-i-j-er zoo pieterig-uitzag. Eindelik kwam-i-j-'n varrekesboer teuge-n-en die zei: ga ma'r na buite-n-op me lant, tan kei-j-op me varrekes passe. 16. Ma'r-och, ma'r-och! wat hat-i 't da'r miserabelig! Te veul om te sterreve-n-en te weinig-om te leve. Hij kreeg niet-eens 'n botram-op z'n tijd. Hij soebatte-n-of-i niet 'n happi mee mocht-ete van 't voer dat de varrekes krege, ma'r dat wou z'n baas niet-eensies hebbe. 17. Eenseres-op 'n ochend zat-i z'n beste dage te overpeinze-n-en toe brak 'm z'n hart van de narigheid. Jonges-jonges! zeid-i, 't is toch-erreg met me! M'n vaders knechs krijge-n-'r buik vol-en-ik-arreme stakkert! ik zit hier te rammele van de honger. - 18. Weet-je wat! 'k stap-op-en 'k ga m'n vader weer-op zoeke-n-en-ik zel zegge: och, vadertje lief! och-ik hep gezondigt teuge-n-onze Lieve Heer-en teuge-n-uwee. 19. En-as-uwe me nou niet meer-as kint-in huis wil neme, laat 'k tan-asjeblieft ma'r-uwes knecht magge weze! 20. En foort stapte-n-i-j-op-en liet de varrekes de varrekes-en
nam de reis-an-om na z'n vader te gaan. En toen-i-j-al dichte bij huis was
gekomme, toe zag z'n vader 'm-al van verre; en d'ouwe man z'n hart sprong-op toen-i-'m zag-en-i liep na 'm toe-w-en viel 'm-om z'n hals-en zoende-n-'m-asterantoe. 21. Toe zei de zoon: och, vadertje lief! och-ik hep gezondigt teuge-n-onze lieve Heer en teuge-n-uwee; 'k bin nie meer waart uwes soon genoemt te worde. 22. Ma'r de vader zei: kom, m'n jonge! laat 'k je ma'r gou-w-'n beetje-opknappe, want je ziet-'r veul te schooierig-uit. En toe riep-i-j-'n knecht-en zei: haal jij reis-as-te-wint m'n zondagse rok hier-en trek 'm die-j-an-en geef 'm-as 'n fatsoendelik mans kind 'n ring-an z'n vinger;-en ja, schoene mot-i-j-ook-an hebbe! zeg! breng me beste nuwe ma'r mee-j-en doe 'm die-j-an z'n voete. 23. En teuge-n 'n-andere knecht zeid-i: breng 't gemeste kallef-n slacht jelui dat. 24. 'T is vetpot van daag; want me zoon was zoo goet-as doot voor me-n-en-i-j-is weer levendig geworde; hij was verlore-n-en 'k heb 'm weerom gevonde! En toe begon de pret. 25. En d' ouste zoon wiste-'r nog niks niemendal van, want hij was net niet 'thuis. Ma'r toen-i na huis kwam, hoorde-n-i dat-'r braaf gezonge-n-en gedanst wier-en dat-te viool ging. 26. En hij riep-een van de knechs-en zei: zeg-eris-even! wat-is dáar-an 't hantje? houwe ze kerremis? 27. En de knecht zei: wel, nou kom-an! weet uwe dat nog met? Wel! uwes broer is weerom gekomme-n-en-uwes vader heit-et gemeste kallef geslacht-en-ons-allemaal-'n vrooleke dag gegeve! 28. Ma'r toe wier die-j-ouste zoon nijdig-in z'n hart; hij wou niet naar binne gaan. Toe kwam z'n vader na buite-n-en zei: och toe kom nou ma'r! Wees jij nou geen spulbreker! 29. Ma'r de zoon zei teuge z'n vader: hoor 'reis, vader! 'k heb nou-w-al zoo veul jare trou bij-j-uwee gewerrekt-en- alles gedaan wat-uwe me gehiete heit, ma'r 'k heb nog d' eerste keer te goet-tat-uwe mijn-eensies 'n geitebokki geve zel-om 'n vrindemaaltje met m'n kennisse te houwe. 30. Ma'r nou dat lievertje weer 't huis gekomme-n-is, die 'r wet z'n pierewaaiers-alles hed deurgelapt, nou heit-uwe wel 't gemeste kallef geslacht! 31. Kind! zei de vader toe, heb-je-'n-'t niet-alle dage vol-op bij me gehat? En is niet-alles wat-ik heb voor jou? 32. Ma'r nou mot je vroolik-en blij weze, want je broer was doot-en-i-j-is weer levendig geworde; hij was verlore-n-en-i-j-is weer gevonde. Aanteekeningen.Het koppelteeken scheidt de letters, die voor de welluidende zoetvloeiendheid tusschen klinkers worden geplaatst, of geeft te kennen dat de slotmedeklinker van het éene woord half overgaat op den beginklinker van het volgende. B.v. dat-ik luidt niet als dat ik en ook niet als dattik, maar de helft der t blijft aan dat hangen, en de andere helft kleeft aan ik vast. 12. Groot, luidt in sommige amsterdamsche tongvallen niet slechts als chroot, maar zelfs als chrout. Zie vs. 14 bl. 416 I. Uwe, gij; zie vs. 12 bl. 83 II op geef u. Het ouderwetsche uwe, afwisselende met uwee is reeds bijna volkomen door het nieuwerwetsche, helaas niet betere, u vervangen. 13. Gebraaie, goeie, enz. voor gebraden, goede; zie vs. 17 bl. 84 II. Wittebrooskeentje, wittebroodskindje. Zie vs. 31 bl. 57 II. 14. Doosnoot, doodsnood. 15. Tan-kei-j-op, dan kunt gij op. 16. Botram, boterham. Soebatte, smeekte; zie vs. 28 bl. 70 II. 18. Zel, zal; zie vs. 18 bl. 47 II. 20. Asterantoe, woordelijk als er aan toe, is een ouderwetsche uitdrukking van vergelijking die vroeger in de nederlandsche spreektaal veelvuldig in gebruik was en hier en daar tegenwoordig nog niet geheel verdwenen is. Ook in de friesche taal kwam en komt nog deze uitdrukking onder den vorm astrenta, (as der oan ta) voor; b.v. in 't bekende liedje: De wrald dy is up stelten:
In Oost-Friesland is deze uitdrukking onder den vorm as-d'r-to, in gebruik. 22. Nuwe, nieuwe, is echt amsterdamsch; zoo zeit men er ook
Nuwendijk en Nuwendam; zelfs wordt dit laatste, als amsterdamsche
geslachtsnaam, zóo geschreven. Het amsterdamsche nuw strekt zich ook over een gedeelte van Noord-Holland benoorden het IJ uit en wordt op het eiland Wieringen als noud, nouwe uitgesproken. Daar wordt b.v. van iemand gezeid: hij krijgt 'n noud huus, hij krijgt een nieuw huis, 'n nouwe skuut, eene nieuwe schuit; dit klinkt voor niet-Wieringers juist zoo als of men zei dat iemand een oud huis of een oude schuit kreeg. Zie bl. 30 II. In den jaargang 1845 van den Overijsselschen Almanak voor Oudheid en Letteren komt een uitmuntende proeve voor van den amsterdamschen tongval en wel van haarlemmerdijksch en kattenburgsch, onder den titel van Plat amsterdamsch; dat stuk is geschreven door Mr. J. van Lennep, en Dr. J.H. Halbertsma schreef er eenige geleerde Aanmerkingen op de platamsterdamsche zamenspraak achter. |