[127. De stad Rotterdam]

In het overige gedeelte van Zuid-Holland, behalve op het eiland Over-Flakee (Flak-ee, ee= water), worden tongvallen gesproken, die te zamen een tamelijk afgerond geheel vormen, dat ik het hollandsch van de Maas, het maashollandsch noem. Dit maashollandsch spreekt men in het zoogenoemde Overmaassche, het Land van Overmaze, dat is op de eilanden IJsselmonde, Beierland met Strijen of de Hoeksche Waard, in 't Land van Putten en op 't eiland Voorne of eigenlijk Oost-Voorne met Rozenburg, en op het eiland van Dordrecht. Verder nog aan de zuidelijke en westelijke zoomen van de Alblasserwaard, terstond beneden de stad Gorinchem bij Hardinksveld beginnende en zich over Sliedrecht en Papendrecht, langs den Kinderdijk en Alblasserdam uitstrekkende. Eindelijk nog langs den noorder oever van de Maas, van (en met) de Krimpenerwaard tot den Hoek van Holland, langs Kralingen, Rotterdam, Delftshaven, Schiedam en Vlaardingen tot Maassluis.

Het maashollandsch onderscheidt zich in vele opzichten gunstig van de andere hollandsche tongvallen; het is krachtig en degelijk in hooge mate en heeft niets van het flauwe, laffe, lijmerige en gekunstelde van veel andere hollandsche tongvallen, b.v. van sommige amsterdamsche dialecten, van het haarlemsch, het leidsch en vooral van het haagsch. Het maashollandsch staat in dit en in enkele andere opzichten nader tot het strandhollandsch dan andere hollandsche tongvallen.



[p. 144]

De verschillende woorden worden in het maashollandsch goed op zich zelven uitgesproken, kort en krachtig afgebeten en slechts weinig door ingevoegde letters aan elkanderen gelijmd. Daardoor moge het maashollandsch minder zoetvloeiend zijn dan 't amsterdamsch, 't haagsch, enz., het is daarom volstrekt niet minder welluidend; het tegendeel is waar; het maashollandsch klinkt aan vreemdelingen, aan niet-hollandsche Nederduitschers en aan Friezen veel beter in de ooren dan ander hollandsch. Van het lijmerige, gekunstelde haagsch, van het ontzenuwde, gemeene leidsch en haarlemsch, van het soeperige amsterdamsch wendt de Fries, die nog niet door den franschhollandschen zwijmelsoes is aangetast en die, gelijk in den regel 't geval is, met een fijn taalgehoor is begaafd, dikwijls met walging het oor. Het maashollandsch echter, zoomin als het strandhollandsch, zal hem nooit hinderen noch zijn gehoor kwetsen; veeleer zal hij met genoegen naar de korte en krachtige, heldere, fiks rond afgebetene klanken van het maashollandsch luisteren.

Het maashollandsch onderscheidt zich weinig of in 't geheel niet door eigenaardige woorden van ander hollandsch en ook van de uitspraak der klanken in dezen tongval valt weinig te zeggen. Men zou in dit opzicht het maashollandsch een tamelijk kleurloos dialect kunnen noemen, naardien de klinkers en klanken er zeer zuiver, volgens hun juiste waarde, worden uitgesproken, terwijl de klinkers en klanken in de andere hollandsche dialecten dikwijls geheel anders worden uitgesproken, dan de werkelijk beschaafde uitspraak van het hollandsch eischt. Dit vormt dus een negatief kenmerk van het maashollandsch. Maar een bijzondere eigenaardigheid van het maashollandsch is het sterk uitgedrukte onderscheid in de uitspraak van de scherpe en zachte opene e en de scherpe en zachte opene o. De echte Maaskanter vergist zich nooit in de rechte uitspraak dezer klinkers, terwijl in het overige Holland dit onderscheid in uitspraak veel minder wordt in acht genomen, ja, in veel streken en plaatsen, b.v. in een groot deel van Noord-Holland (Waterland) en te Amsterdam geheel wordt verwaarloosd, even als dit ook in Friesland gebeurt. De Friezen kunnen zelfs geen onderscheid hooren tusschen scherpe en zachte opene e en o, veel minder dus in de uitspraak dit onderscheid doen uitkomen. Wat de uitspraak van deze e en o aangaat, en tevens wat enkele andere eigenaardigheden betreft, vormt het maashollandsch een overgang van de andere hollandsche tongvallen tot het zeeuwsch en het vlaamsch.

Ofschoon de klinkers en klanken in het maashollandsch over 't algemeen zeer zuiver worden uitgesproken, zoo heeft deze regel toch

[p. 145]

ook zijn uitzonderingen. De ei en ook de ij hellen in eenige maashollandsche tongvallen zeer sterk naar de ai over; vooral in den tongval van Rotterdam is dit het geval.

Sommige eigenaardigheden in de uitspraak, die andere hollandsche tongvallen zoo zeer ontsieren, als het walgelijke gerochel dat de Amsterdammers, de Haarlemmers en anderen in de plaats der g doen hooren, de zoogenoemde haarlemsche l, enz. zijn aan de tongvallen van de Maas geheel vreemd. In éen woord, men kan van het maashollandsch met recht zeggen, dat het een kernachtigen, degelijken, levensfrisschen tongval is, die onder de verschillende hollandsche tongvallen de eerste plaats verdiende in te nemen. De spreektaal b.v. der echte Rotterdammers uit den deftigen burgerstand, verdiende wel als richtsnoer voor een algemeene, beschaafde uitspraak van het hollandsch te worden aangenomen, en is waardig, zoowel de amsterdamsche en haagsche uitspraak, als ook het zoogenoemd moderne hollandsch te verdringen. Te recht noemt dan ook de taalgeleerde Bilderdijk den omtrek der Maas: ‘de echte zetel van ons hollandsch.’

Natuurlijk oefent ook op het maashollandsch het moderne hollandsch zijn invloed uit, en trachten vele Maaskanters, even als vele Nederlanders in alle oorden des lands, vooral vele stedelingen uit de voornaamste kringen, zooveel mogelijk modern hollandsch te spreken en hun tong te verkrachten. Toch is het getal dezer dwazen te Rotterdam en elders aan de Maas oneindig veel kleiner dan in andere streken van Holland 't geval is. De ijverige kooplieden, scheepsbouwmeesters, fabrikanten, zeelieden, enz. aan de Maas hebben het te druk en zijn te rusteloos werkzaam om op een gemaakte wijze te spreken. Ze spreken ‘frisch voor de lever weg,’ slecht en recht, eerlijk en rond, zonder vreemde en flauwe ‘snarepijperijen’ in hun taal te halen. Ze zijn er zooveel te beter om!

127. De gelijkenis van den verlorenen zoon in den tongval van de stad Rotterdam.

Medegedeeld door den heer Dr. A. de Jager, letterkundige te Rotterdam. December 1870. (In nederlandsche spelling.)

11. D'r was ies 'n man die twee zeuns had.



[p. 146]

12. In de jongste zee teugen z'n vader: vader! je mos me m'n porsie geve, die me toekomt van je goed; in de vader gaf 'm z'n porsie.

13. Derop pakten-i alles bai mekaar in gong er mee na 'n land heel ver uit-'e buurt. Daar leefden-i rojaal in brocht al z'n goed d'r deur.

14. Toe nou alles op was, ontstong er hongersnood in dat land in-i lee gebrek.

15. Nou was goeie raad dier! Hij nam z'n beenen op in gong na 'n boer om z'n dienst te presenteere; deuzen stierden-'m na z'n land om de varrekes op te passe.

16. Daar leed-i zukken honger dat-i vroeg om de spoeling uiten troch te magge ete; maar dat woue ze nog geen eens hebbe.

17. Toe kreeg-i berou in-i zee bai z'n aige: hoeveul knechs hait me vader, die volop ete hebbe, in ik stik van den honger.

18. Weet je wat? zeed-i, ik ga weer na m'n vader toe in ik zel teugen 'm zegge: vader! 'k heb me zwaar bezondigd teugen God in teugen jou.

19. Ik verdien niet dat je me je zeun hiet; la-me maar bai je weze net as 'n knecht.

20. Toe stong-i op en gong-i na z'n vader; in z'n vader, net as of-i op-ten uitkaik stong, hat-'m gau in 't oog en kreeg meelaie mit em; hai liep na 'm toe en zoenden 'em.

21. Toe zee de zeun, zooveul as-i zegge kon: vader! zeed-i, 'k heb me erg bezondigd teugen God en teugen jou, in 'k verdien niet je zeun te hieten!

22. Maar de vader liet 'm niet eens uitspreke, maar zee teuge z'n knechs: haal me ies gau de beste kleeren uit 'e kast in doet 'm die an; geef 'm 'n ring an z'n vinger in schoene an z'n voete.

23. Neem, zeed-i, ook 't vette kalf in slacht 't. We motte van middag ies smulle in plezier hebbe!

24. Want, zie je, me zeun die 'k doch dat dood was, is weer levendig geworde, in die 'k kwait was, heb ik weerom gevonde.

25. Toe ze nou braaf an de gang ware, kwam de ouste zeun die van 't geval nog niet en wist, in i hoorde ze zingen in dansen.

26. Toe vroeg i een van de knechs wat-tat 'r te doen was.



[p. 147]

27. In die zee-j-'em: wel! je broer is weerom gekomme in nou hait je vader 'n heel maal voor 'm angelege.

28. En wat zee nou dien ouste jonge? Hij zee niks, maar wier dik in liep weg. Maar z'n vader schoot toe en die soebatten 'm om toch maar in huis te komme.

29. Maar toe zeed-i teugen z'n vader dat-i-'m altoos trou in eerlik gediend had, in dat er nooit zie zooveul op 'm te zegge geweest was, in dat-i voor hum of z'n vrinde nog nooit zoo uitgehaald had,

30. as nou voor die jonge, die berooid 't huis gekommen is, nadat-i al z'n goed mit hoere d'r deur gelapt hait.

31. Toe zee de vader teugen 'm: wel, kind! bedaar toch! je bint ummers altoos bai me; wat ik heb, heb-i ummers ook!

32. Maar moste we dan niet blai weze in pret make? want m'n jonge was zoo goed as dood in nou is i weer levendig geworde; hij was verlore in nou heb 'k 'm weerom gevonde.

Aanteekeningen.

De klank ai moet vooral niet te volmondig worden uitgesproken; hij klinkt tusschen ei en ai in; de spelwijze äi (met hoogduitsche ä) komt het naaste bij de uitspraak.

13. Rojaal, basterdwoord; zie vs. 13 bl. 380 I op nojaal.

14. Ontstong, ontstond, even als in vs. 20 stong voor stond; zie vs. 20 bl. 47 I op stong.

15. Dier, duur, even als stieren, sturen, volgens de oudhollandsche, zeeuwsche en vlaamsche uitspraak, die ook nog in het strandhollandsch voorkomt, maar in het maashollandsch, vooral in dat van de stedelingen reeds sterk begint te verouderen. Zie vs. 14 bl. 124 II.

Presenteere, basterdwoord van 't fransche présenter, dat overal in de nederlandsche volkstaal, in den zin van aanbieden, zeer algemeen in gebruik is.

16. Spoeling; zie vs. 16 bl. 136 II op spoeling.

18. Zel, zal, klinkt in den rotterdamschen tongval bijna als zil, even als wel gelijk wil klinkt, als de klemtoon er niet op valt; zie vs. 18 bl. 47 II.

25. Die van 't geval niet en wist; dit en tusschen niet en wist

[p. 148]

is een ontkennend woordje dat niet vergezelt, volkomen zoo als in het fransch ne een ontkenning uitdrukt en pas vergezelt. Dit en behoort tot het frankische taaleigen; in de hedendaagsche friesche en saksische tongvallen komt het niet voor, maar wel in het oud friesch uit de middeleeuwen. Vroeger was het gebruik van dit ontkennende en in de hollandsche tongvallen zeer algemeen en behoorde het ook tot de schrijftaal. In de vorige eeuw verdween het uit de schrijftaal der Hollanders en heden ten dage is het reeds grootendeels uit de hollandsche spreektaal ook verdwenen. Door jonge lieden in Holland wordt het slechts zelden meer gebruikt; men hoort het nog slechts van oude en ouderwetsche burgerluidjes, zoowel in de steden als ten platten lande in Holland. Het is jammer dat dit woordje, dat in de schrijftaal had behooren te blijven, uit de spreektaal over korten tijd geheel zal verdwenen zijn; het geeft iets vloeiends aan de taal; het klinkt bevallig en ongekunsteld. In Zuid-Nederland is dit ontkennende en nog steeds in de spreektaal in volle gebruik, en was dit, tot voor weinige jaren, ook nog wel in de schrijftaal. Sedert zijn de beste zuid-nederlandsche schrijvers begonnen dit woordje uit hun geschriften te laten, in navolging der Noord-Nederlanders. Toch zijn er in Vlaanderen nog mannen van naam op taal- en letterkundig gebied, als Prof. L.L. de Bo te Brugge, die ook in hun geschriften nog aan dit en zijn recht laten behouden. In het vierde deel van J.F. Willems's Belgisch Museum komt zelfs een groot dichtstuk voor om 't gebruik van dit woordje en te verdedigen, onder den titel, Beklag en Verontweerdiging wegens het verbannen, uit de tael, van het expletivum en, by ontkenningen, van C. Duvillers. Zie vs. 19 bl. 304 I.

26. Angelege, aangeleid, alsof 't een verleden deelwoord van aanliggen was; dit verkeerde gebruik komt door de in Holland zeer algemeene verwisseling van de woorden liggen en leggen, even als dit ook met kennen en kunnen, lijden en leiden, rijzen en reizen, enz. het geval is. Zie vs. 13 bl. 128 II op ereze.

28. Soebatten, smeeken; zie vs. 28 bl. 70 II.

 

Ook in het zesde deel van J.F. Willems's Belgisch Museum komt een vertaling voor van de gelijkenis des verlorenen zoons in den tongval van Rotterdam; ze is zonder waarde.

De tongval van den naasten omtrek van Rotterdam, van Kralingen, Hillegersberg, Overschie, Schiedam en Delftshaven, komt geheel met dien van Rotterdam overeen, met dit onderscheid dat men in Schieland,

[p. 149]

dus te Overschie en vooral te Schiedam de gewoonte heeft om de h in 't geheel niet uit te spreken.