Algemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon. Deel 2


auteur: Johan Winkler


bron: Johan Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch dialecticon. Deel 2. Martinus Nijhoff, Den Haag 1874  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 264]

[156. De stad Brussel]

Brussel is oorspronkelijk geheel en al een nederduitsche, een echt brabantsche stad; oorspronkelijk en van ouds is deze schoone hoofdstad van Zuid-Nederland niet minder goed en volkomen nederduitsch dan Antwerpen, Gent of Brugge zijn, ja zoo goed en volkomen nederduitsch als eenige stad in Noord-Nederland zijn kan. Al het land rondom Brussel behoort volkomen tot het nederduitsche taalgebied; de taalgrens tusschen nederduitsch en fransch, of tusschen brabantsch en waalsch ligt eerst uren ver bezuiden Brussel. Deze stad is dus in den volsten zin des woords een nederduitsche en niet een fransche of waalsche, of half fransche, half nederlandsche stad, zooals velen meenen. Ik vermeld deze omstandigheid hier niet nadruk en opzettelijk, omdat velen, vooral Noord-Nederlanders en andere vreemdelingen in het denkbeeld verkeeren dat Brussel een stad is waar het fransch de volksspreektaal uitmaakt. Niets minder dan dit is waar. De echte Brusselaars zijn volbloed Brabanders, de kern der brusselsche bevolking, de nakomelingschap van de oude burgers der stad, is door en door dietsch (of tiesj zooals de Brusselaars zeggen), door en door nederduitsch en niet fransch of waalsch. Maar er wordt heden ten dage zeer veel fransch te Brussel gesproken. De taal van het hof en van de aanzienlijken, de taal van de brusselsche aristocraten; ook al zijn ze van goed nederlandsche afkomst, is tegenwoordig fransch en uitsluitend fransch. En even als het overal in de wereld gaat, apen eerst de voorname burgers, daarna de geringere burgerlieden maar al te gretig de dwaasheden der grooten na. Zoodoende is thans te Brussel het fransch ook reeds tot de dagelijksche burgers doorgedrongen en, al spreken dezen in hun eigene huisgezinnen en onder elkander dan ook nog steeds bij voorkeur brabantsch-nederduitsch, bij vreemdelingen en op straat in 't dagelijksche leven of als ze met hun meerderen in aanraking komen, laten ze maar al te gaarne hun fransch luchten, ten einde zich zeker voorkomen van voornaamheid te geven. Want fransch spreken geldt heden ten dage te Brussel als 't kenmerk van fatsoenlijkheid; nederlandsch te spreken staat te Brussel ouderwetsch en burgerlijk, ja volgens de meening van velen niets meer of minder dan gemeen. Er zijn te Brussel dwazen, ja, er zijn er velen zoo, die, ofschoon ze van ouder tot ouder goede nederlandsche of dietsche Brusselaars zijn, wier echte moedertaal het nederlandsch is, en die in hun ouders huis nooit een woord fransch hoorden, toch tot hun eigen kinderen slechts fransch spreken, die met zorg waken dat zoo zelden mogelijk een nederlandsch woord het oor van hun kroost bereike, en die slechts brusselsch-nederlandsch tot hun bedienden willen spreken,

[p. 265]

omdat de noodzakelijkheid hen daartoe wel dwingt. Ook in de andere groote steden van nederduitsch-Belgie zijn velen zoo dom. Maar daarentegen zijn er te Brussel toch ook nog genoeg verstandige menschen, die zich te recht over hun nederlandsche afkomst niet schamen, maar er integendeel fier op zijn, afstammelingen te wezen van die edele, vrijheidminnende brusselsche burgers van voor drie en meer eeuwen; die ook de nederlandsche taal in eere houden, die hun schoonen brusselschen tongval in hun eigen huis en daar buiten zoo veel mogelijk spreken en die niets willen weten van den franschen wind die er heden ten dage te Brussel waait. De zoogenoemde vlaamsche beweging strekt zich ook zoo wel over Brussel, als over Antwerpen en Gent uit, en vindt er ook vele voorstanders en strijders.

In de groote winkels (magasins), in de voorname herbergen (hôtels), in de fijne koffij- en bierhuizen (cafés en estaminets), in de sierlijke straten der bovenstad, in het park en op andere openbare wandelplaatsen, op de zoogenoemde bolwerken (boulevards) en in de doorgangen (passages of galleries), kortom overal waar de zoogenoemde beschaafde (!) en fijne (!) wereld, waar de domme mode den toon aangeeft of 't hoogste woord voert, overal waar juist de vreemdeling komt, is alles fransch, althans oppervlakkig fransch. Maar op de markten en in de straten van het oude Brussel, van de oude benedenstad, waar geen nietsnutte leegloopers ronddrentelen, maar waar nijverheid bloeit en handel tiert, waar zelfverdiende welvaart heerscht, overal waar de nijvere burgerstand woont, daar spreekt men nederlandsch, daar is men door en door nederlandsch in taal en in zin, in neigingen en gevoelens, al ziet de vreemdeling ook hier menigmaal een oppervlakkig fransch verguldsel aan voor de werkelijkheid en het wezen der zaak. In de voorsteden en overal waar de handwerksman en de arbeider woont is alles volkomen nederduitsch, en al laat het fransch zich ook hier al eens op straat hooren, binnen de deur van het huis van den brusselschen werkman, in zooverre hij een echten Brusselaar is en geen Waal, zoo als er velen zijn, komt het fransch niet.

Velen zijn van meening dat de grensscheiding tusschen het nederlandsche en het waalsche of het fransche taalgebied juist midden door de stad Brussel loopt, zoodat de zoogenoemde bovenstad tot het fransche, de benedenstad tot het nederlandsche taalgebied behoort. Dit is een dwaling, en slechts zeer in het algemeen, maar volstrekt niet in het bijzonder waar. Wel wonen juist de aanzienlijken en voornamen en rijken, de franschsprekende Brusselaars meestal in de bovenstad

[p. 266]

en juist de geringere burgers met de ambachtslieden en werklui grootendeels in de benedenstad, maar op dezen regel zijn zoo veel uitzonderingen, dat er van een grensscheiding tusschen fransch en nederlandsch in de stad Brussel geen sprake kan zijn.

De volkstaal van Brussel, de echte brusselsche tongval van de nederlandsche taal is goed brabantsch en komt in hoofdzaak tamelijk wel met den tongval van Leuven overeen. Toch heeft het brusselsch zijn eigenaardigheden, waar door het zich van het leuvensch en van andere zuidbrabantsche tongvallen onderscheidt. Een der meest bijzondere eigenschappen van den tongval van Brussel is het voorkomen van den zoogenoemden niesklank. Men laat namelijk achter de letters t en d en s, als deze een woord of een lettergreep sluiten, een klank hooren die niet beter beschreven kan worden, dan door te zeggen dat hij luidt alsof de spreker werkelijk zou niezen of proesten. Men verandert de sluit-t, -d of -s in een tsje, dsje, sje of ook tjsje, djsje, jsje. 1) Het woord maand b.v. luidt in den brusselschen tongval ten naasten bij als mondjsj, munt (geld) als moentjsj, muts als moesj, juist zoo als mouche in 't fransch; verder vriend als vrindjsj, punt als poentjsj, pols als pulsj of poelsj. Voor 't voorkomen van den niesklank midden in een woord, aan 't einde van een lettergreep, kunnen de volgende woorden tot voorbeeld dienen: goesjpennink, godspenning, handpenning; masjer, metser, metselaar; grosjel, raadsel (g'roodsjel, geraadsel); rosjeer, raadsheer; rendjsjvleesch, rundvleesch; grischjel, gritsel of hark, knijsjenbeet, knijssenbeet, het brusselsche woord voor klok- of kernhuis (in een appel), enz. En niet alleen in zelfstandige naamwoorden, ook in werk- en bijvoegelijke naamwoor-

[p. 267]

den komt deze niesklank even veelvuldig voor. Zoo luidt b.v. ik kwets in het brusselsch als ik kwesj, gij braadt als ge bretjsj, hij zweet als aai zwitjsj, wij plaatsen als we plosje, zij baden als ze bidjsj; blootshoofd is bloesjoot, barrevoets berrevoesj, grootste groesjtje, schoonste schoensjtje, enz.

Maar achter iedere t, d of s, als deze letters een woord of een lettergreep sluiten, wordt de niesklank niet gevoegd. Integendeel, de niesklank wordt even dikwijls wel als niet uitgesproken. Maar de niesklank wordt niet zoo maar willekeurig dan eens wel, en dan weer eens niet achter eenig woord uitgesproken; de Brusselaars springen niet met den niesklank om als b.v. de Zwollenaren met de h, en de welluidendheid en de zoetvloeiendheid spelen bij het wel of niet uitspreken van den niesklank volstrekt geen rol. Integendeel bij het éene woord spreekt men steeds den niesklank uit, bij het andere, schoon dan overigens ook geheel gelijksoortige woord nooit. Zoo is plasregen te Brussel plasjregen, maar regenplas is slecht weg plas, zonder niesklank. Gij gaat is ge gotjsj, maar hij gaat is aai of a goot; worst (pens) is pansj, maar grens verandert niet; slons is slonsj, maar spons en dons veranderen niet; ik stort is ik steut, maar gij stort is ge steutjsj, enz. Ja zelfs kan van twee woorden, die zeer na aan elkander verwant zijn of die den zelfden oorsprong hebben, het eene woord den niesklank, het andere dien niet hebben. Zoo zeit men b.v. A klitjsj em in ze nuut kleed, hij kleedt zich in zijn nieuw kleed; a bretjsj gebrood, hij braadt gebraad, 't doe ma spijt dat a da' spijtjsj, het doet mij spijt (het spijt mij) dat u dat spijt, enz. De niesklank verleent aan den tongval van Brussel zeer veel eigenaardigs en kenmerkends. Sommige woorden, b.v. rosjeer en grosjel, raadsheer en (ge)raadsel verkrijgen door den niesklank zulk een vreemd voorkomen, dat andere Nederlanders ze niet verstaan en soms voor fransche of waalsche woorden houden, terwijl ze toch goed nederduitsch zijn.

Zoo verre mij bekend is, komt de niesklank, behalve te Brussel en in eenige aan Brussel grenzende landstreken van westelijk Zuid-Brabant en oostelijk Oost-Vlaanderen ('t Land van Aalst, Ninove en Geeraardsbergen, 't Paiottenland, enz.) in geen enkelen nederduitschen tongval voor. Slechts de j op fransche wijze uitgesproken, die in vele h'mburgsche tongvallen (Hasselt, St. Truiden, Sittard), in sommige woorden achter d en t en enkele medeklinkers voor komt, is aan dezen brusselschen niesklank verwant.

In het tijdschrift De Toekomst, jaargang 1872, komt een hoogst belangrijk opstel voor Over den zoogezegden brusselschen

[p. 268]

niesklank, door S.C.A. Willems. Daar uit zijn ook de bovenstaande voorbeelden ontleend.

Overigens verschilt de brusselsche tongval niet bijzonder van andere zuidbrabantsche tongvallen. De volkomene a wordt er, in de meeste gevallen, zoo zwaar in uitgesproken dat ze slechtweg een volkomene o, soms ook oe is geworden; deze o in de plaats van a klinkt echter in den regel niet zoo dof als te Leuven. De ij luidt in den brusselschen tongval als a of als ai en aai, en zoo doet de ei ook. De scherp lange o klinkt er gewoonlijk als ooi, de ui ook als ooi, de h is er altijd stom, enz. De herhaling van het voornaamwoord, zelfs de dubbele herhaling, een eigenschap vooral van de zuiver vlaamsche tongvallen, komt ook in den tongval van Brussel voor.

Ook van den tongval van Brussel geldt in sterke mate, wat in 't algemeen van alle zuidnederlandsche tongvallen kan gezeid worden, dat het eigenlijk een zware en grove tongval is met harde en scherpe klanken, maar dat de Brusselaars een zoetvloeienden en welluidenden, ongekunsteld en bevallig klinkenden tongslag (accent) hebben. Door dezen aangenamen tongslag wordt ruimschoots goed gemaakt, wat de op zich zelven onaangename tongval bederft, zoo dat toch de spreektaal der Brusselaars den vreemdeling niet minder liefelijk in de ooren klinkt dan eenig anderen zuidnederlandschen tongval.

In J.F. Mone's Anzeiger für Kunde der teutschen Vorzeit, jaargang V, 1836, komt een vertaling voor van de gelijkenis des verlorenen zoons in den tongval van Brussel, opgesteld door J. de Saint-Genois, en een andere in den 1sten jaargang van J.F. Willems's Belgisch Museum, 1837; beide deze vertalingen zijn in een ongeschikte spelling geschreven.

156. De gelijkenis van den verlorenen zoon in den tongval van de stad Brussel.

Medegedeeld door den heer S.C.A. Willems, letterkundige te Brussel. Februari 1873. (In nederlandsche spelling.)

11. Doe was 'ne ki 'ne man die twieje zonen a.

[p. 269]

12. En de joenkste van eule za oen ze voor: voor! geef ma 't poot da' ma toekomt; en de voor gaf oen ieder ze poot.

13. Eenige doege d'rnoe, as en g'ieël ze kindjsj-gedieltjsje oenfangen a, goenk de joengste zoon g'ieël waaid van oois en verspeldjsjdje doe al dat en a mee slechte vrave.

14. As en alles verspeldjsj a, kwamp er 'nen dieren taaid in da' land en aai begost gebrek te laaie.

15. Aai trok er den mo van deu' en veruden em baai 'nen beurger och 'nen boer, 'k kan 't ni just zegge, mo 't was toch 'ne raaiken aaigeneer en dane zond em seffes noer een van z'n pachtoven oem de verkes t' ave.

16. Aai zo 'ne ki gere z'nnen booik wel deugd gedoën emme met de kost van de verkes, mo niemand gaf er em van.

17. Den begost en alles in ze zelve wel 't overpaze en aai za in z'n aaige: oe veul betoldjsj knechte zaain er toch nie in 't oois van me voor, die brooid, mieër as te veul, emme, terwaailet da' 'k ik ie van den oenger vergoën.

18. Ewel! 'k zal van-er baai me voor wee' goën en em zegge: voor! 't es woor! 'k em ik ik veul, g'ieël veul kwood gedoën tegen den emel en tegen a.

19. 'K ben ik ik nie mi weeit da' ge ma a zoon itjsj, mo' nem ma van-er wee', al was 't da' 'k een van a knechte moest saain.

20. Zoe gezeed, zoe gedoën, en aai kiedde van-er wee' baai ze voor. As en nog ver van oois was, zag en op insjsj ze voor, die wieëmoeiig wid van em te zien. Aai liep seffes noë z'nne zoon, vloog oen z'nnen als en kusten em.

21. Den za em z'nne zoon: voor! 'k em ik ik veul kwood gedoën tege den emel en tegen a, en 'k ben ik ik nie mie weeit da' ge ma a zoon itjsj.

22. Seffes kiedde ze voor em oem en za tege z'n knechte: spoeid aailen isjsj al ga, oltjsj e schooi nuut klieët veu' em oen te doen, stekt em 'nen rink oen z'nne vinger en geefd em e poor schoenen oen z'n voete!

23. Sloëgd ooik e vet kalf en lotjsj ons isjsj vroolaaik eten en drinken en 'ne zwakken als mooken!

24. Want m'ne zoon doe was dooid en aai es na van-er levetig

[p. 270]

geweudde; aai was ferlore en na emme we 'm wee' gevonne. Ze begoste den mo ver goed kermes 't ave.

25. Mo den oudste zoon was booite noe 't feldjsj geweest en as em zoe ewad in de gebure van z'n oois kwamp, ooiden aai al 't singen en dansen.

26. Aai riep den een van de knechten en vroeg em wat-tat da' to' veu' e lawaaid was.

27. De knecht za em: a bruu' es wee' gekomme en doe veu' eed a voor 't vet kalf geslooge, wand aai was zoe blaa da' s'nne zoon gezond wee' gekomme was.

28. Mo den andere wid kwood en aai wa ni binne goën. Dorop kwamp den de voor noe booiten en aai begost em schoen te spreke.

29. Mo aai antwoodde oen ze voor: zied isjsj! 'k dien ik ik a na al zoe veul jooren en nooit em ik ik a iet mispikkeld in alles da' ge ma doen doen etjsj, en ge etjsj ga pertang veu' ma nooit 't klaainsjte boekske dooid gedoën om mee m'n kamerooden isjsj bra' te smullen.

30. Mo zoe ga as aan andere zoon, die al ze goed met de oere verteed eet, wee' gekommen es, den weudjsj er veu' em mo seffes 't vet kalf geslooge.

31. Ie op za den de voor: zoon! ge zaai ga immes altaaid baai ma t' oois, en al wa' da' van ma es, es ooik van a.

32. Me moete na isjsj ver goed vroolaik saain en fel smulle, want a bruu' was veu' ons dooid en aai es na van-er levetig geweudde; aai was ferlore en na emme me 'm wee' gevonne.

Aanteekeningen.

De ieë luidt als een gerekte tweeklank ie, die door een naslag van toonlooze e wordt gevolgd.

11. 'Ne ki, een keer, eens; zie vs. 11 bl. 223 II.

12. Eule, heule, heur lie, heur lieden; zie vs. 12 bl. 161 II.

Poot, gedeelte, van part; zie vs. 12 bl. 263 II op poat.

13. En, eigenlijk hen, hem, wisselt in den brusselschen tongval af, even als in de meeste vlaamsche en zeeuwsche tongvallen, met hij, of volgens den brusselschen uitspraak met aai of a, en vervangt dus

[p. 271]

de plaats van het er der Limburgers, Friezen en van sommige Friso-Saksen. Zie vs. 13 bl. 240 II op em.

G'ieël, g'hieël, gehieël, geheel. Zie vs. 28 bl. 188 II.

15. Veruden, veruurden, verhuurden, verhuurde. Zie vs. 15 bl. 263 II op verieden-em.

Em, woordelijk hem, in plaats van zich; zie vs. 15 bl. 175 I op hi farhürd him.

Och, of; zie vs. 20 bl. 259 II op och.

Just, juist, wordt geheel op fransche wijze uitgesproken.

Aaigeneer, eigenaar; de volkomene a van den uitgang aar wordt in geen enkelen zuidnederlandschen tongval als zware a, als oa of o uitgesproken, zooals in den regel met de volkomene a het geval is, maar in den regel als de zoogenoemde zware, vlaamsche e. Zie vs. 15 bl. 258 II op èjenēēr.

Seffes, terstond; zie vs. 22 bl. 238 II op seffes.

Ave, have, houden; zie vs. 15 bl. 263 II op ave.

16. Gere, gaarne; zie vs. 16 bl. 258 II op gēre.

Emme, hemme, hebben; zie vs. 16 bl. 252 II op hemme.

17. Overpaze, overpeinzen, overdenken; zie vs. 17 bl. 259 II.

In z'n aaige, in zich zelven; zie vs. 17 bl. 244 II op en z'n eëgen.

Betoldjsj, betaalde.

Da 'k ik, dat ik ik, dat ik; zie vs. 17 bl. 218 II.

Ie, hie, hier; zie vs. 17 bl. 237 II op .

18. Ewel (υ —), ook awel, (al wel? of ah wel, ach wel?), is in de zuidnederlandsche tongvallen als stopwoord zeer algemeen in gebruik. Zie vs. 15 bl. 275 I op eweeg en vs. 19 bl. 390 I.

Van-er, van her, weer; zie vs. 24 bl. 256 II op vanèèr.

Es, is; zie vs. 30 bl. 229 II op es.

'K em ik ik, uitgesproken kemmekik, ik heb ik ik, ik heb; zie vs. 17 bl. 218 II.

19. 'K ben ik ik, uitgesproken 'k bennekik, ik ben ik ik, ik ben; zie vs. 17 bl. 218 II.

Mie, meer; zie vs. 19 bl. 241 II op mie.

Itjsj, hitjsj, heet.

20. Kiedde, kierde, keerde. Zie vs. 17 bl. 255 II.

Insjsj, eens. Zie vs. 11 bl. 149 I.

22. Ga, gauw, even als vrave, vrouwen, ave, houden, enz. Zie vs. 22 bl. 259 II op a'gô.

Oltjsj, holtjsj, haalt. Zie vs. 22 bl. 245 II op oilt.

Schoei, schoon, mooi; zie vs. 22 bl. 256 II.

[p. 272]

Nuut, nieuw; oud-amsterdamsch nuw, zie vs. 22 bl. 96 II.

Veu', veur, voor, in plaats van om; zie vs. 15 bl. 241 II op ver.

23. 'Ne zwakken als mooken, een zwakken hals maken, is een brusselsche spreekwijze voor feest houden, rinkelrooien, piere-waaien.

24. Levetig, levendig; zie vs. 24 bl. 252 II.

Kermes, kermis, feest; zie vs 23 bl. 238 II.

25. Ewad, ewat, wat, ietwat; zie vs. 18 bl. 271 II op ewel.

Ooiden, hooiden, hoorde. Zie vs. 25 bl. 263 II op ooden-em.

26. Lawaaid, laweit; zie vs. 25 bl. 211 II.

27. Bruu', bruur, broeder; zie vs. 27 bl. 263 II.

29. 'K dien ik ik, uitgesproken 'k dienekik, ik dien ik ik, ik dien; zie vs. 17 bl. 218 II.

Mispikkeld, van mispikkelen, in West-Vlaanderen mispekkelen, dat in Vlaanderen en Brabant algemeen in gebruik is voor misdoen, misdrijven, een misdaad uitvoeren, enz. Dit woord is verwant aan het hollandsche woord pekelzonde.

Da' ge ma doen doen etjsj, woordelijk: dat gij mij doen doen hebt, in plaats van: dat gij mij hebt laten doen; deze onbeholpene uitdrukking zal wel een gevolg wezen van den invloed die de fransche taal op den brusselschen tongval uitoefent.

Ge etjsj ga, gij hebt gij, gij hebt; zie vs. 17 bl. 218 II.

Pertang, toch; zie vs. 29 bl. 259 II op pertang.

31. Ge zaai ga, gij zijt gij, gij zijt, zie vs. 17 bl. 218 II.