|
|
|
| |
| |
[186. Het vlaamsche roodwaalsch van Zeele]
b. Het vlaamsche roodwaalsch.
Het vlaamsche roodwaalsch wordt gesproken te Zeele,
een dorp in het Land van Waas (Oost-Vlaanderen),
tusschen Lokeren en Dendermonde gelegen, en dat wel
niet in het eigenlijke dorp, maar in een paar aanzienlijke buurten of gehuchten
onder Zeele behoorende. De inwoners van die buurten zijn ten deele wevers, ten
deele reizende kooplieden. De wevers weven een soort van zeer grof linnen of
pakdoek, dat de kooplieden wijd en zijd uitventen. Dit grove linnen draagt den
naam van drol, en daarom noemt men, vooral in West-Vlaanderen, deze
zeelsche wevers en kooplieden drolgasten. De andere Zeelenaars, de
bewoners van het eigenlijke dorp, spreken niet roodwaalsch, maar de gewone
vlaamsche landtaal van die streken; niet te min kunnen allen het roodwaalsch
verstaan. Of dit vlaamsche roodwaalsch ook nog hier en daar elders in
Vlaanderen gesproken wordt, weet ik niet. Aan
J.F. Willems werd verzekerd dat een
soortgelijke taal ook nog omstreeks Oudenaarde gesproken werd.
| | | |
Het vlaamsche roodwaalsch draagt bij het volk ook den naam van
bar-goensch, of boergoendsch, even als ook het westermaassche
roodwaalsch of teutsch (zie bl. 416 II), waar mede het ook verwant is. De
Zeelenaars zelven echter noemen hun taal brigade; b.v. treuvelde ge
brigade? spreekt gij roodwaalsch? De grondslag van het vlaamsche
roodwaalsch is de gewone vlaamsche landtaal van het Land van Waas; dat is: de
kleine rededeelen, de lidwoorden, voorzetsels, voegwoorden en ten deele ook de
voornaamwoorden zijn de zelfden als in het waassche vlaamsch, en dat zijn ook
de vervoegings- en verbuigings-vormen. De hoofdwoorden zijn nagenoeg allen
vreemd, niet vlaamsch, onduitsch. In dit vlaamsche roodwaalsch komen zeer veel
woorden voor die van het nederduitsch zijn afgeleid, en wel op eigenaardige
wijze afgeleid, namelijk van de werking of van eenig verschijnsel uitgaande van
het voorwerp dat genoemd wordt, door bijvoeging van eenigen uitgang, zooals dit
ook in het oostermaassche en vooral ook in het westermaassche roodwaalsch
voorkomt en eveneens zeer veelvuldig in het hoogduitsche roodwaalsch het geval
is (zie bl. 412 II). Zulke woorden zijn b.v. vliegerik, vogel, van
vliegen; porterik, deur van poort of van 't fransche porte;
lichterik, dag, van licht; erterik, kei of steen, van ert, hert,
hard; zitterik, stoel, van zitten; bijterik, mosterd, van bijten;
terterik, voet, van terten, het vlaamsche woord voor treden,
trappen; zwemmerik, visch, van zwemmen, enz. De bijvoegelijke
naamwoorden gaan veelal op ig uit, b.v. grandig, groot, van het
fransche grand; kiwig, schoon; jannig, boos, grassig, vet,
van 't fransche gras, enz.
In het eerste deel van
J.F. Willems's
Belgisch museum, 1837, komt een bijdrage
voor over het vlaamsche roodwaalsch, van
J.B. Courtmans, onder den titel:
Zonderlinge taal te Zele, met aanteekeningen van
J.F. Willems. Daaruit is ook de volgende
vertaling, met kleine veranderingen, overgenomen.
| |
186. De gelijkenis van den verlorenen zoon in het roodwaalsch
van Zeele.
(In nederlandsche spelling.)
11. Daar modeerdegen 'ne keer 'ne grandigen bol, die deus knullen
maasden. | | | |
12. De klitste knul kabeeldegen aan zijn aken: bol! stuipt michels
de splent, die mij grandig modeert. En den bol doktegen de splent.
13. Jetse lichterikken nog, de klitste knul flikten splent en dos,
en foktege foei naar 'ne lensen paï, daar e de poen verspleitte in de
trankkeetjes en in doddigheid.
14. As al den dos en den splent verspleit modeerdegen, veen-degen
er see lichterikken in da' paï; de knul begost krot te verpassen, en
maasdegen het doddig en klits.
15. Hij foktegen bij 'nen bekker van 'n viilazje om hem te
verpassen voor te trafakken. Dien bekker kabeeldegen hem: fokt naar michels
granze om de tjuttens kiwig te besjoeren, dan ze nie foei en fokken.
16. De knul kreeg grandige schrans en zou van den tjuttens bik
gewild ein, maar hij maasdege 'r 'nen egel af.
17. Tein veendegen de knul paf en treuvelde: kombjen trafakkers
modeeren d'r nie in mijn akens keete, die kiwig oeft mazen en michels molt van
de schrans!
18. Michels zal bij zijnen bol fokken en hem kabeelen: bol!
michels heet 'n klitsige oewrazje geflikt tegen de kiwige lichterik en veur
ou.
19. En michels en meriteert nie da' g' 'em as ou knul sjoert; pakt
michels as eenen van ou trafakkers!
20. Die klitsten leveerdegen hem tein en foktegen naar zijn akens
granze; den dieën sjoerdegen den knul in de lense, veen-degen kiwig bij
hem, paktegen hem in zijn klampen en maasd hem kiwig geflikt.
21. De knul treuveldegen: bol! michels heet'n klitsige oewrazje
geflikt tegen de kiwigen lichterik en veur ou.
22. Maar den bol kabeeldegen aan 'nen trafakker: viit! dokt den
grandigen dos aan den knul en dost hem kiwig; dokt hem 'n ronderik aan z'nen
feem en trederikken aan zijn terterikken.
23. Port den grassigen vaurik en kiecht hem, voor kiwig te bekken
en een grandige karmoelje te flikken.
24. Michelse knul modeerdegen mol en maasd nou kiwig; hij
modeerdegen foei en nou in de keete. En ze bektegen en buisdegen grandig.
| | | |
25. De kantigste knul trafaktegen in den operik, en as hij naar de
granze veendegen, sjoerdegen hij parnassen en flikkeren.
26. De knul vlamdegen naar de trafakkers en kabeelde: wa' modeerd
da?
27. 'Nen trafakker treuveldegen hem: ou frère maasd geveend
en ou aken maasd geflikt kichen den grassigen vaurik, omdat den bol nou z'nen
knul kiwig sjoert.
28. De kantigsten modeerdegen jan en wildegen in de keete nie
fokken. Tein veendegen den bol en nosterden hem kiwig.
29. Maar den kantigsten knul kabeeldegen in jannigheid: bol!
michels maasd veur ou zoo veel grandige lichterikken getrafakt en ze leven nie
klitsig geflikt, en ge maasd michels noppe ge-steupen, of geen fopperiksken om
een karmoelje te dokken aan michels kiwerikken.
30. Maar as ou klitste knul geveend maasd die dos en splent bij de
tranken en in de doddige keeten verspleit heet, flikt den bol den grassigen
vaurik kichen.
31. Tein treuveldegen den bol: knul! ge modeerd me michels, en da
michels maasd, maasd de knul!
32. Wij zullen een kiwige en grandige karmoelje flikken en
schoenkelen; want ou frère modeerdegen mol en maasd kiwig; hij
modeerdegen foei en nou in de keete.
| |
Aanteekeningen.
Ook deze vertaling is onjuist; ze gaat aan het zelfde euvel mank
als de voorgaande. De vreemde, de eigenlijke roodwaalsche woorden zijn wel goed
aangeduid, maar de kleine rededeelen, de nederduitsche woorden zijn niet, zoo
als het zijn moest, in het vlaamsch geschreven, in den zuiveren vlaamschen
tongval van 't Land van Waas, maar in geijkt nederlandsch, waaraan slechts een
flauwen tint van vlaamsch is gegeven. De volkomene a b.v. wordt in dit
roodwaalsch, even als in het vlaamsch, als oa en zelfs als o en
ou uitgesproken; de h als beginletter, is altijd stom, enz. Maar
al deze eigenaardigheden van de vlaamsche uitspraak en van den vlaamschen
tongval zijn in deze vertaling niet uitgedrukt.
11. Modeerdegen, was, van modeeren, zijn. Een ander
woord | | | | voor 't hulpwerkwoord zijn, in dit roodwaalsch, is
mazen. Buitendien wordt zijn zelve ook wel gebruikt in alle
wijzen en tijden.
Grandig, groot, van 't fransche grand.
ol, man, heer, vader, en ook hoofd, van het
duitsch-joodsche bal, baal. Zie bl. 412 II en 413 II op benk en
blag en vs. 11 bl. 419 II.
Deus, twee, van het fransche deux.
Knullen, zonen; zie bl. 415 II en vs. 11 bl. 419 II.
Maasden, had, van mazen, hebben, dat ook wel voor
zijn gebruikt wordt. Buitendien wordt hebben, of op vlaamsche
wijze als en of ein uitgesproken, ook wel in alle wijzen en
tijden in dit roodwaalsch gebruikt. Zie vs. 11 bl. 423 II op
modeerdegen.
12. Klitste, kleinste, van klits, klein, jong,
weinig.
Kabeeldegen, zei, van kabeelen, zeggen, spreken,
verhalen. In deze zelfde beteekenis is treuvelen ook in gebruik.
Kabillen of ka-beelen is in West-Vlaanderen ook in gebruik voor
snateren, babbelen, rellen, ook voor kijven, krakeelen.
Aken, vader; bol is ook voor vader in
gebruik. Zie vs. 11 hier boven op bol.
Stuipt, geef, van stuipen, geven, aanreiken,
toebrengen. In Zuid-Nederland en vooral in West-Vlaanderen heeft
stuipen de beteekenis van buigen, neigen, bukken.
Michels, ik, ook in alle vervoegingsnaamvallen. Een enkele
keer wordt michels ook wel voor 't mannelijke bezittelijke voornaamwoord
gebruikt, zooals in vs. 24: michelse knul, mijn zoon en 29: michels
kiwerikken, mijn vrienden. Zie bl. 414 II op minotes.
Splent, geld, bezitting, erfdeel, kapitaal. Overal in
Nederland is splent of splint in de beteekenis van geld in
de volkstaal bekend. Zie bl. 415 II op droath, vs. 12 bl. 417 II en vs.
13 bl. 419 II op poen.
Doktege, gaf, van dokken, geven. Dokken en
opdokken is overal in Nederland, in de zelfde beteekenis, in de
volkstaal bekend.
13. Lichterik, dag, afgeleid van licht.
Flikten, van flikken, maken, doen, hier ook
verzamelen. In beide eerstgenoemde beteekenissen komt flikken
overal in Nederland in de volkstaal voor,
Dos, kleeding, het zelfde woord als het nederlandsche
dosch, dat trouwens slechts weinig, en dan nog slechts bij dichters in
gebruik is. Dosseflikker is kleermaker; zie 't voorgaande woord.
Feem-dos is handschoen.
Foktege, ging, van fokken, gaan, loopen;
Kiliaan geeft focken als een oud woord
voor zeilen en vluchten op.
Foei, weg. | | | |
Lensen, van lens, ver.
Paï, land, van 't fransche pays. Zie vs. 13 bl.
419 II op pie.
Poen, geld, goed, bezitting, is ook elders in de
nederlandsche volkstaal niet onbekend. Zie vs. 12 bl. 424 II op
splent.
Verspleitte, door bracht, van verspleiten,
verzwieren.
Trankkeetjes, hoerehuizen, van tranke, hoer, en
keete huis.
Doddigheid, liederlijkheid.
14. Veendegen, kwam, van veenen, komen, afgeleid van
het fransche venir.
Krot, armoede, gebrek, van 't fransche crotte. Krot
verkoopen is in Zuid-Nederland vrij algemeen voor armoede lijden in
gebruik.
Verpassen, verkoopen; verpatsen is in de volkstaal
van vele streken van Nederland in gebruik voor verkwanselen. Verpassen
is ook verhuren; zie vs. 15 van deze vertaling.
Doddig, slecht, gemeen, liederlijk.
15. Bekker, boer, in 't westermaassche roodwaalsch
tropper, in 't oostermaassche kluf.
Viilazje, dorp, het fransche village.
Verpassen, verhuren; zie vs. 14 hier boven op
verpassen.
Trafakken, werken, arbeiden, van 't fransche
travailler?
Kiwig, schoon, goed, lekker, wel, overvloedig.
Besjoeren, waken, oppassen, eigenlijk bezien, van
sjoeren, zien.
16. Schrans, honger, ook elders in de nederlandsche
volkstaal in gebruik, en verwant aan schransen, eten, smullen.
Bik, kost, eten. Bik voor eten is ook elders
in de spreektaal van Nederland niet onbekend, en verwant aan bikken,
eten, smullen, ook aan pikken..
Ein, en, het vlaamsche woord voor hebben; zie hier
boven vs. 11 op maasden, en vs. 14 bl. 310 II.
Egel, niets.
17. Tein, toen; zie vs. 15 bl. 310 II.
Treuvelde, sprak, van treuvelen, spreken, zeggen;
zie vs. 12 bl. 244 II op kabeeldegen.
Kombjen, hoeveel, het fransche combien.
Trafakkers, knechten; zie vs. 15 hier boven op
trafakken.
Keete, huis; het duitsch joodsch heeft kit, huis.
Keet is in de beteekenis van hut, strooien of leemen hut in den
vorm van een huisdak, overal in Nederland in gebruik. Dit keet, keete,
is ongetwijfeld verwant aan 't latijnsche casa. Zie vs. 17 bl. 419 II op
kas.
Oeft, brood; dit woord beteekent op het Bildt in Friesland
azing, | | | |
gading, en als zoodanig ook spijze of
brood. Oeftflikker is brood-bakker.
Molt, sterf, van mollen, sterven; zie vs. 17 bl. 420
II op moolen.
18. Oewrazje, werk, daad, het fransche ouvrage.
Kiwige lichterik, God, beteekent woordelijk: schoone dag;
zie zie vs. 13 hier boven. Een ander woord in dit roodwaalsch voor God
is: grandige machoefel, woordelijk; groote heer, en ook
gran-derik, de groote. Zie vs. 18 bl. 418 II.
19. Meriteert, verdient, van meriteeren, verdienen,
afgeleid van 't fransche mériter.
Sjoert, erkent, van sjoeren, dat eigenlijk
zien beteekent; zie vs. 15 bl. 425 II op besjoeren.
20. Leveerdege, stond op, van leveeren, opstaan,
afgeleid van 't fransche lèver.
Klampen, armen.
22. Viit, gauw, spoedig, haastig, 't fransche
vite.
Dost, kleedt, van dossen, kleeden; zie vs. 13 bl.
424 II op dos.
Ronderik, ring, afgeleid van rond.
Feem, hand, vinger, in het duitsch-joodsch ook feem,
fehm.
Trederikken, schoenen, en
Terterikken, voeten, zijn beiden afgeleid van trappen,
treden of terten, het vlaamsche woord voor het nederlandsche
treden.
23. Grassig, vet, van 't fransche gras.
Vaurik, kalf, ook wel van; beide woorden zijn
afgeleid van het fransche veau.
Bekken, eten, van bek = mond afgeleid. Zie vs. 16
bl. 425 II op bik.
Karmoelje, feest.
24. Michelse knul, mijn zoon; zie vs. 12 hier boven op
michels.
Bektegen en buisdegen, aten en dronken, van bekken
en buizen; zie vs. 23 hier boven. Buizen is nog overal in
Zuid-Nederland in de beteekenis van onmatig drinken, zuipen, bekend.
Kiliaan heeft het woord buysen ook in
deze beteekenis.
25. Parnassen, zingen.
Flikkeren, dansen. Een flikker is overal in de
nederlandsche volks-spraak een danspas; zie bl. 277 II.
27. Frère, broeder, van 't fransch afgeleid. Zie vs.
32 bl. 404 II op freere.
28. Jan, ook jannig, boos, kwaad, nijdig.
Nosterden, noodigde. Nosteren heeft in den regel de
beteekenis van lezen en bidden, en komt van
paternoster. | | | |
29. Jannigheid, boosheid, nijdigheid.
Noppe, niets, niet, neen. Zie bl. 414 II op
nobis.
Kiwerikken, vrienden, van kiwig; zie vs. 15 bl. 425
II.
30. Tranken, hoeren; zie vs. 13 bl. 425 II op
trankkeetjes.
32. Schoenkelen, lachen, gekheid maken, vroolijk zijn.
Zeer veel beter en nauwkeuriger volgens de echte, roodwaalsche
spreektaal van Zeele opgesteld en afgebeeld, is het werkje 'Ne
knul en 'n geeze of 'n spreiing in de brigade; het is een vertaling in
het zeelsche roodwaalsch van het bekende vlaamsche volksboekje
Jelle en Mietje, gentsche vrijagie, door
Karel Broeckaert, en wordt, met nog een
roodwaalsch drinklied en een roodwaalsch woordelijstje achter den vijfden druk
van dat werkje, Gent, 1841, gevonden. Om wille der meerdere nauwkeurigheid van
dat werkje, en omdat de vlaamsche uitspraak, de vlaamsche tongval daarin beter
is aangeduid en afgebeeld, heb ik er hier eenige zinsneden, een gesprek
tusschen twee buurvrouwen, uit overgenomen en geef die als een proeve van de
echte roodwaalsche spreektaal van Zeele.
As michels
1 geen deuze
2 keeren op den lichterik
3 m'nen zwer-terik
4 kan buizen
5, en sjoer
6 ik nie woar ik rits
7.
- Michels moast
8 doar kiwig
9 van, 'k kan zwerterik buizen, en zonder fee
ritsen uek
10; doar ritsen a' veel lichterikken
voie
11, zonder da' 'k 'n buis, al es 't da' 'k 'm zelf
verpas.
12
Da' michels 'ne lichterik zonder zwerterik moest moazen, 'k
ver-ritste van de maladigheid
13 in m'nen bol
14.
- Al loens, al loens! wa' dee 't geschoor
15 eer d'r
zwerterik modeerde
16? Z'en buisden noch ploemp
17, noch fee
18, en ze moas-den kiwiger as da' me ze
nou sjoeren. As de lichterik veent
19 bek
20 ik main vinne
21 mee 'ne
pommerik
22; as ik grandigen
23 buis moas, dan flik ik ploemp, en g'en sjoert
michels nooit mee maladigheid in de bolle. -
En as ge malade moast, dan?
- Dan buis ik calisseploemp. -
Azue
24 es 't kiwig om fok te wurren.
- 'T moast eer in den posch
25, as ze me nie te grandig bekken of buizen of verdossen
26, as gezeupen. Deuze halve oncen zwerterik op 'nen lichterik
moast 'ne grandige som op e jantje; en asse me zwerterik buist, wurdt er nie
getrafakt.
27 - | | | |
Nou, michels wilt kiwig buizen en bekken, doar veur trafak ik. Al
da' ge in ou geul
28 nie en draait, da' ritst
toch de bie; da moast veur de marik
29 of veur den uiven
30. En zou dan en
pover
31 mosse
32, die van
den lichterik tot den duemerik
33 veur euren bol moe trafakken, dan nog moetcn
krot
34 verpassen, as euren pitjau
35 alles in de roei
36 en in snaps
37 verbuist?
De vertaling hier van is, volgens het gentsche volksboekje:
Het is eene aerdige zake, ik en kan mynen kaffé niet
missen, ik loope gelyk verloren, as ik hem geen tweemaal daegs en drinke.
- Ik wel, ik kan alles doen en laten, en daer passeert menige
week, as er niemand en komt, dat ik op geenen kaffé en peize, al es 't
dat ik hem zelve verkoope. -
Hoe es 't meugelyk, gebuervrauw! Da' 'k 'nen dag zonder
kaffé moest zijn, ik verging van d'hoofdpyne en van de stekingen aan myn
mage.
- Al grillen, al grillen! wat deden de menschen in den ouwen tyd?
Z'en dronken noch thé, noch kaffé, en ze waren gezonder as
tegenwoordig; ik eet 's morgens 'nen botram met 'n waerm-appel; as 'k durst
hebbe, ik drinke een teuge water, en ik en heb van myn leven noch hoofdpyne
noch maegpyne gevoeld. -
En as ge ziek zyt?
- Dan drink ik thébloemekens, die ik in den zomer zelve
gaen plukken, wat calissewaeter of iets diergelyks. -
Azoo es 't gemakkelyk ryke worden!
- Oh! oh! 't es eer gespaerd as gewonnen; twee alf oncen ka
ffé daegs es een schoone rente op een jaar, en terwyl men aen de
kaffétaefel zit, wordt er niet gebreid noch genaeyd. -
Nu, ik doen er 't myne veuren af; doar veuren werken wy. Al dat gy
spaert uit den mond, es voor de katte of den hond; zou eene aerme vrauwe die
van den morgend tot den avond eur vente moet oppassen, moeten gebrek lyen en
krebbyten, terwyl het zwyn van euren man alles in bier en genuiver
verzuipt?
|
1Michels, ik; zie vs. 12 bl. 424 II
op michels.
2Deuze, twee; zie vs. 11 bl. 424 II
op deus.
3Lichterik, dag; zie vs. 13 bl. 424
II op lichterik.
4Zwerterik, koffij, van
zwert, zwart.
5Buizen, drinken; zie vs. 24 bl. 426
II op buisdegen.
6Sjoer, zie; zie vs. 19 bl. 426 II
op sjoert.
7Rits, ga, van ritsen, gaan,
haastig gaan, hard loopen.
8Moast, heeft; zie vs. 11 bl. 424 II
op maasden.
9Kiwig, goed, schoon; zie vs. 15 bl.
425 II op kiwig.
10Uek, oostvlaamsche uitspraak van
ook. Zie vs. 23 bl. 327 II.
11Voie of foei, weg, voorbij;
zie vs. 13 bl. 424 II.
12Verpas, verkoop; zie vs. 14 bl.
425 II op verpassen.
13Maladigheid, ziekte, pijn, van 't
fransche malade.
14Bol, hoofd, komt ook wel in andere
streken van Nederland in den volkstongval voor.
16Modeerde, was; zie vs. 11 bl. 423
II op modeerdegen.
17Ploemp, thee, en ook
water.
18Fee, koffij, maar minder algemeen
dan zwerterik in gebruik.
19Veent, komt; zie vs. 14 bl. 425 II
op veendegen.
20Bek, eet; zie vs. 23 bl. 426 II op
bekken.
22Pommerik, appel, van 't fransche
pomme.
23Grandig, groot; zie vs. 11 bl. 424
II op grandig.
24Azue, zoo; zie vs. 12 bl. 313 II
op azue.
25Posch, zak, van 't fransche
poche.
26Verdossen, met pronken verdoen,
verzwieren, van dos, kleeding; zie vs. 13 bl. 425 I op
dos.
27Getrafakt, gewerkt, zie vs. 15 bl.
425 II op trafakken.
28Geul, mond, ook aangezicht en
keel, afgeleid van 't fransche gueule.
29Marik, eigenlijk mauwerik,
kat, van mauwen, miauwen.
31Pover, arm, van 't fransche
pauvre.
32Mosse, vrouw, gehuwde vrouw, ook
te Stamproi in gebruik, het duitsch-joodsch heeft mosch zoowel voor
gehuwde vrouw als voor vrijster en bruid.
33Duemerik, avond, nacht, van
duem, doom, in Zuid-Nederland algemeen voor damp, mist of
nevel in gebruik.
34Krot, armoede; zie vs. 14 bl. 425
II op krot.
35Pitjau, zwijn, varken, als
scheldwoord.
37Snaps, jenever, sterke drank, van
het hoogduitsche schnaps.
|
|