|
|
|
| |
[Hieronymus van Alphen]
Alphen (Hieronymus van), een kleinzoon
van den beroemden Utrechtschen hoogleeraar hieronymus van alphen, en zoon van
johan van alphen, raad in de Vroedschap en schepen der stad
Gouda, en wilhelmina lucia van alphen, werd aldaar geboren
den 8 Augustus 1746. Deze waardige man, die de aanzienlijke en gewigtige ambten
van Procureur Generaal van het Hof van Utrecht, van Pensionaris der stad
Leyden en van Thesaurier-Generaal der Unie heeft bekleed, beöefende
niet te min met lust en ijver de fraaije letteren en wetenschappen, zoo wel de
godgeleerdheid als de regtsgeleerdheid, zoo wel de geschiedenis als de
dichtkunst. In alle deze verschillende vakken heeft hij onvermoeid en met
gelukkig gevolg geärbeid. Reeds in zijne jeugd verwierf hij hoogachting en
roem aan de Utrechtsche en Leydsche hoogescholen; op de eerste verdedigde hij,
onder voorzitting van den Hoogleeraar tijdeman, een opstel over de | | | |
Scheiding tusschen tafel en bed, het welk ieders welverdienden lof
wegdroeg; en op de laatste, bij zijne bevordering tot meester in de regten, in
1768, eene verhandeling over den ouden regtsgeleerden javolenus priscus. Zich
vervolgens in Utrecht gevestigd hebbende, gaf hij,
gemeenschappelijk met
p.l. van de kasteele, in 1771 en 1772,
eene Proeve van Stigtelijke Mengelpoëzij in het licht, in 1777
Gedigten en Overdenkingen; vervolgens eene vertaling, of liever
omärbeiding van riedels Theorie der schoone Kunsten en
Wetenschappen, met bijvoegselen, aanmerkingen en eene inleiding, in
1778-1780
1, die hij in 1782 liet volgen door zijne
Digtkundige Verhandelingen; wijders Mengelingen in Poëzij,
in 1783, en Proeven van Liederen en Gezangen voor den openbaren
Godsdienst in 1801-1802. Zeer voordeelig onderscheiden zich zijne
Nederlandsche Gezangen in 1779 uitgegeven, en Kleine Gedigten voor
Kinderen, voor het eerst in 1781 en sedert herhaalde malen gedrukt.
‘Het is niet zoo gemakkelijk,’ zegt de Heer de vries
2, ‘als de meeste in den eersten opslag wanen, Gedichtjes, voor
der kinderen bevatting geschikt, zamen te stellen; die van van alphen zijn
proefondervindelijk welbehagelijk bevonden; zeer velen hebben hetzelfde met hem
gepoogd, en geen is met zoo | | | | gelukkigen uitslag bekroond geworden.
Ik weet, wel dat eene gemakkelijke versificatie hier veel afdoet; maar dit toch
weet ik ook, dat de eenvoudige taal van het kinderlijke hart, zonder plat of
laag te worden, te bezigen, aan weinigen met van alphen gegeven is. De naam van
dezen Kinderlievenden Dichter zal steeds in waarde blijven bij deugdzame ouders
en leergierig kroost.’
Hij heeft ook verscheiden godgeleerde geschriften met en zonder
zijn' naam uitgegeven
1;
zijne verhandeling over de voortreffelijkheid der burgerlijke Wetgeving van
moses boven die van lycurgus en solon, door teijlers
Godgeleerd Genootschap met de gouden medaille bekroond, wordt in het IXe deel
der verhandelingen van dat genootschap gevonden. Ook in de werken der
Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leyden, waarvan hij
sedert derzelver oprigting in 1766 lid was, vindt men verscheiden
verhandelingen en opstellen van zijne hand.
De brave werkzame man overleed in 's Hage, den 2 April, 1803
in de ouderdom van 57 jaren. Twee malen was hij gehuwd, eerst met johanna maria
van goens, wier nagedachtenis hij in zijne Gedichten en Overdenkingen
eene aandoenlijke hulde heeft toegebragt, en naderhand met catharina geertruida
van valkenburg, die hem overleef- | | | | de. ‘Van de dagen zijner
jongelingschap,’ getuigt de hoogleeraar j.w. te water
1,
‘tot aan zijnen dood was hij op deze onvolmaakte aarde een blinkend
voorbeeld van zuivere deugd en ongeveinsde godzaligheid, welke hem, zelfs onder
de treffendste rampen, die hem en zijnen huize, vooral sedert weinige jaren,
overgekomen zijn, met ootmoed en eerbied leerde bukken voor Gods albestierende
voorzienigheid en stil berusten in het wijze welbehagen van zijnen hemelschen
Vader.’
Eenige ellendige rijmen, door den Goudschen predikant bussingh
verzameld en onder den titel van Lijkzangen uitgegeven, waren geenszins
geschikt om zijne nagedachtenis te vereeren, die ook toch wel zonder deze
gebrekkige hulde onder onze landgenooten in eere gehouden zal worden, zoo lang
wij nog eenigen prijs stellen op hetgeen zedelijk goed en echt schoon is.
Over het algemeen heerscht in van alphens dichtstukken een
godsdienstig gevoel, het welk bij iemand van minder smaak al ligt in platte of
laffe mystikerij zou ontaarden
2. In de Proeve van
| | | |
Stigtelijke
Mengelpoëzij is niet aangeduid welke stukken van hem zijn en welke van
de kasteele geleverd heeft, en echter zijn ze niet moeilijk te onderscheiden,
niettegenstaande zij vrij gelijkvormig in stijl en denkbeelden zijn.
Van alphen was een warm vriend zijns vaderlands: godsdienst en
vaderlandsliefde vervulden zijn opregt hart. Jammer is het dat hij niet meer
onderwerpen uit onze vaderlandsche geschiedenis bezongen heeft. Welk eene
kracht van uitdrukking, welke foute beelden, welke schoonheden van den eersten
rang treft men in de weinigen reeds aan, die wij van hem bezitten
1! Bij voorbeeld:
De dood van prins Willem den Eersten.
‘Daar ligt de hoop van Staat! wie stuit nu Spanjes
woeden?
De handen hangen slap: de held is bleek van schrik!
Wie leeft er, die na hem ons Neêrland kan
behoeden?’
Zo sprak het weerloos volk; maar Neêrlands God zei:‘Ik
2!’
| | | |
Ik vind dit ‘God zei: Ik’ nog schooner dan het beroemde
Qu'il mourût van den ouden horatius bij corneille.
Los, vloeijens, en toch krachtig, is zijn
Zegezang der matroozen, na de verovering der Spaansche
Zilvervloot.
Hoezee! hoezee! de Spaansche vloot
Bragt haren rijksten schat
Den Nederlander in den schoot,
Eer 't volk gestreden had.
Wat baten goud en zilver daar,
Waar moed en kragt ontbreekt,
Wanneer men, in het grootst gevaar,
In plaats van vegten, smeekt?
Wij maakten op die zeilen jagt;
't Was hein, die 't ons beval.
Zij beefden voor hun rijke vragt,
Wij klommen in de boten neêr,
Zij hoorden pas ons schietgeweer,
Toen speelden wij het schoonste spel;
En, niet belust op moord,
Verleenden wij hun 't leven wel,
Maar sprongen stuks aan boord.
Daar zagen wij de kisten staan,
Daar loeg, aan allen kant
Ons blinkend goud en zilver aan,
| | | |
Daar kregen wij de hoofdsom weêr,
Door Neêrland aan zijn' wreeden heer
Wij hadden lang genoeg geduld,
Betaalt men ons eene oude schuld
En wat, voor 't wagten, toe.
Verlaat, piet hein! 't Havaansche strand,
Zeil vliegend naar het Vaderland,
En sleep uw' rijkdom meê.
Ontlaad de schatten die men wagt,
Dan zeilen wij, op nieuwe vragt,
Ook in het lierdicht slaagde hij niet ongelukkig. Met genoegen
schrijven wij de volgende proeve af:
De rust in God. Ode.
In God berustend trek ik de wildernis
Der weereld eenzaam, zonder te vrezen, door.
Gij zijt mijn rotssteen, mijn beschermer!
'k Noem u het leven van mijn gezangen.
Welk eene blijdschap, dat zig een arme worm
(die bevend voortkruipt, kruipende wederkeert
Tot stof waaruit hij is genomen,)
Moge in gedagten tot U verheffen.
| | | |
Mijn geest gedenkt thans aan zijne onsterflijkheid,
Mijn geest verheft zich boven het aardsch gewoel;
En zingt, terwijl mijn oogen vloeien,
Blijde, verrukkende hallelujahs.
Wat geeft deze aarde? Moeite met bang verdriet.
Een vreugd van tranen voorgegaan, vaak besproeid,
En agtervolgd. Een vreugd die flikkert
Om in de duisternis te verdwijnen.
'k Wil op de liefde, die mij het leven gaf,
Op die genade, die me vergeving schonk,
Dat vaderhart, die wakende oogen
Mij vergenoegd en gerust verlaten.
Ach! laat uw aanschijn, vriendlijke Vader! mij
Op mijne reize nimmer verborgen zijn.
Laat mijn vermaken, laat mijn smarten
Uwe getrouwheid mij doen bevinden.
Ja 'k zie de rustplaats, schoon ik geen rust geniet,
Dan die de hoop mij schenkt in 't vooruitgezigt,
Die hoop, die mijn velangen koestert,
En mijn bestemming mij doet gevoelen.
Ach! laat me leven, dat ik, der deugd gewijd,
En onverschrokken 't rondom mij stormen laat.
Geen kiel, die Jesus heeft beklommen,
Hebben de wateren ooit verbrijzeld
1.
| | | |
Voor van alphen was het vak der oratorische poëzij in onze
letterkunde nog onbeärbeid. Hij leverde drie cantaten, die, door den
verdienstelijken nieuwenhuizen in muziek gezet zijn. Eene derzelven, in ons oog
de beste, laten wij hier volgen, namelijk
De starrenhemel. Eene cantate.
Nu lust het ons van God te zingen,
Den schepper van het grootsch heel-al;
Den Heer - den Vriend der stervelingen;
Die is; die was; die wezen zal.
Schoon de avond valt, zijn gunstbewijzen
Verdwijnen niet, gelijk de zon.
De nagt zal ons gezang doen rijzen,
Waar nooit de dag het voeren kon.
Sprei uit uw vlerken, stille nagt!
ô Wolken! drijft voorbij!
Dat 's hemels glans in volle pragt
Voor 't menschdom zigtbaar zij!
Sprei uit uw vlerken, stille nagt!
ô Wolken! drijft voorbij!
| | | |
Daar rijst het tintlend starrenheir!
En de aarde zwijgt verbaast.
't Gestarnte spigelt zig in 't meir,
Waarop geen windje blaast.
't Is alles hemel wat men ziet;
Zelfs bergen vlugten heen.
't Verdorde blaadje schuifelt niet;
't Gestarnte spreekt alleen.
Kniel menschdom, kniel! bid zwijgend aan;
Gij englen moet de citers slaan;
Knielt, menschen! ... zwijgt! ... bidt aan.
ô Stilte, die mijn aandagt boeit!...
Die bruischend door mijn boezem vloeit! ...
Hoe zalig zijn die nagten!
Waarin 't gordijn wordt opgehaald,
En mij 't heel-al in de oogen straalt.
Wie kan al de starren meeten?
Wie spreekt hun getalen uit?
Wie hun doel en duuring melden,
Of den kring, die hun besluit?
| | | |
Hij, die al wat hij formeerde,
Met een wenk regeeren kan,
Noemt de starren bij hun namen,
Meet den hemel met een span.
Eeuwig God! onze oogen scheemren;
Wat is groot dan gij alleen?
Eeuwig God! uw magt en goedheid
Drijft de starren voor zig heen.
Zonnestelsels! kleinste stofjes!
Zingt zijn liefde en majesteit!
Ja, een schepsel Gods te wezen,
Laat dan dit stipje van 't heel-al,
Een droppel aan den emmer wezen;
Waar ooit een schepsel wonen zal,
Wordt nimmer God vergeefs geprezen.
Ja noemt deze aarde een niet,
De Godheid hoort haar lied.
| | | |
De Godheid hoort ons lied; wij zingen,
Het hoofd omhoog, een vrolijk lied.
Al is 't maar taal van stervelingen,
Het choor der englen woont hier niet.
Maar hunne taal zal de onze wezen,
Als 't licht rijst uit de duisternis;
Wanneer de dooden zijn verrezen,
En de aarde op nieuw een Eden is.
Is de nagt niet reeds een Eden?
Schenkt de nagt geen zaligheden,
Bij het licht der avondster?
Ja, door zonnenglans beschenen,
Reist Saturnus vrolijk heenen;
Naast hem wandelt Jupiter.
Spoort mij de dag tot danken aan,
De nagt doet mij verstommen;
En ik zie duizend starren staan,
'k Zie duizend heiligdommen,
Waarin mijn Schepper wordt geëerd,
Als die 't heel-al regeert.
Als die 't heel-al regeert.
| | | |
Zou 't Christendom zig niet verblijden,
Wanneer hun oog de starren ziet?
Daar staan de grenzen van het lijden;
De starbewooners weenen niet.
Eedle grijzaarts, die met zilvren hairen
Bukkend, wagg'lend, neerziet in het graf,
Ziet de wooning, waar ge heen zult varen:
Legt gerust het aardsche leven af.
Jongelingen, maagden, frisch van kragten,
Uwe vroome vadren woonen daar;
Staan met open armen u te wagten:
Eert hunn' God en streeft hun deugden naar!
Menschdom! zie het huis van Jezus Vader!
Zie den troon, waarop hij zelf gebiedt.
Zondig menschdom, tree eerbiedig nader:
't Is de troon, dien hij om u verliet.
Gij, ô melkweg! zijt zijn pad;
Juicht, wanneer ge hem moogt dragen,
Die geen starren tot zijn wagen
| | | |
Deze aarde zelf heeft hem gedragen;
Zij is de parel van 't heel-al.
In haar schiep Jezus welbehagen,
Hij nam haar op in haren val.
Al rollen daar tienduizend zonnen
Rondom het ongenaakbaar licht,
Hier is zijn levensloop begonnen,
Hij heeft zijn zetel hier gestigt.
Gij englen, die op starren treedt,
Aanschouwt met eerbied onze woning;
Schoon gij met luister zijt bekleed,
Uw vorst is hier ook koning.
Wij zijn ook schakels van 't heel-al,
En leden van het rijk dat eeuwig bloeijen zal.
Juich, hemel, juich! de Koning leve!
Zijn rijk groei aan in deugd en magt.
Dat al wat leeft hem eere geve,
Voor 't geen zijn goedheid heeft volbragt.
Grijpt moed, bedrukte stervelingen!
Loopt hier uw pad door een woestijn,
De schepping zal eens samen zingen,
En God in allen alles zijn
*.
| | | |
Hoe teder, roerend, troostrijk en opbeurend tevens zijn de stukjes,
vervaardigd bij gelegenheid van het overlijden van zijn' oudsten zoon, die,
gedurende deszelfs krankte, door zijn eenig kind in het graf voorgegaan, en
door zijne eenentwintigjarige weduwe spoedig gevolgd werd! Zij zijn niet
openlijk uitgegeven, en dus in weinige handen, waarom wij des te gereeder er
eenige fragmenten van afschrijven.
Mijne gedachten na het afsterven van mijnen oudsten
zoon.
Met een bewogen ziel sta ik voor U, ô God!
Mijn Vader! moest uw kind ook dezen last nog dragen!
Dat hij, in 't hart gewond, bij 't dierbaar overschot
Van zijnen oudsten telg, na korte vreugd, moet klagen.
Mijn zoon, waaraan natuur, bij sterkte, schoonheid gaf;
Met gaven rijk voorzien, die geest en hart verçieren;
Zonk, als een lentebloem verwelkt, in 't zwijgend graf;
En dringt ons, bij zijne asch een somber feest te vieren.
Een plant, waarvan men reeds gebloemte en vrugten las,
Moest voor een knagend gif, na langen weêrstand, bukken.
Een steen, die glans verspreidde, en 't slijpen waardig was,
Zag ik aan mijne kroon, helaas! zo vroeg ontrukken.
Wat kleefde uw ziel aan mij, in uwen jongsten nood,
Mijn raad, mijn onderwijs, mijn troost kon u behagen.
Ik was, in Jesus hand, uw leidsman tot den dood;
En 'k bleef bij Hem voor u steeds om genade vragen.
Bewondrend peinze ik soms op uwen laatsten tijd,
Toen vaderlijke liefde u hulp en moed mogt geven;
'k Was bij uw krankbed zelfs wel eens in God verblijd;
Als ik uw heldren geest tot Hem zag opgeheven.
| | | |
Viel u het scheiden bang, wanneer ge aan scheiden dagt;
En 't ongetemd gemoed zig niet naar God wou voegen;
Genade boog uw hart; zij gaf in zwakheid kragt;
Een zagte en stille vreê verving uw angstig zwoegen.
Toen zaagt gij, hoe het leed ons dient tot artzenij.
Hoe lijden 't paadjen is, om hooger op te streven.
Hoe diep Gods wegen zijn; hoe onverstandig wij;
Hoe veilig 't is, zijn lot in 's Hemels hand te geven.
De zorg voor uwe gade ontweek uw egter niet.
De teêrste liefde bleef 't gebogen hart bewoonen.
Gij bleeft weemoedig zien op haar, die gij verliet;
En wees haar op dien God, die hare min zou loonen.
Hoe dankbaar was uw hart toen voor 't genoten goed.
Dit deed u 't langsaam kruis, eerbiedig lijdsaam, dragen.
Zoude ik (dus sprak uw mond) na zulk een overvloed,
Om 't lijden, dat mij drukt, mij over God beklagen?
Gij dagt aan 't bloedig zweet, toen, in uw laatsten stond,
Het doodzweet uw gelaat deed kwijnen en verbleeken.
Een droppel lieflijk vogt, gebragt aan uwen mond,
Deed u van Hem, wien galle en edik laafde, spreken.
Wij zagen saam op God, die zig met ons belaadt;
En spraken in den strijd reeds van triumphgezangen.
Uw oog zag toen op 't rijk, dat eeuwig zeker staat;
En waar geen snaarentuig zal aan de wilgen hangen.
Wat klonk uw Amen schoon, te midden van den strijd;
Toen mijn geloof en liefde u gaf den laatsten zegen;
Toen 'k u aan Vader, Zoon en Geest heb toegewijd;
En u, van 't altaar zelfs, verhoogd heb weêrgekregen.
'k Heb zelf uw veege hand gelegd in Jesus hand;
Toen gij het eenzaam dal des doods stondt in te treden;
Ik wees u opdien gids, door 't onbetreden land;
En volgde u, in den geest, al worstelend, met gebeden.
| | | |
Toen 'k, na uw laatsten snik, uw mond en oogen sloot,
Zei 'k weenend: Rust, mijn kind! uw baan is afgeloopen.
De landman ploegt niet meer. Hij draagt reeds in zijn schoot
De garf, waarop de Heer des oogstes hem deed hoopen.
- - -
Bij het graf van mijne lieve schoondogter.
Uw diepe kelk is dan ook uitgeledigd!
Doorworsteld is het strijdperk van verdriet.
Gij hebt ook zelf dit hongrig graf bevredigd;
Daar 't u, bij uw beweenden, rusten ziet.
Ik zong, verheugd, drie jaaren pas geleden,
Op uwen egt een lied van dankbaarheid
1:
De hoop dies daags ligt voor mijn voet vertreden:
En op mijn tent is nu een floers gespreid.
Gij zaagt uw kind, het eerste, in 't graf besloten;
Uw gade, toen reeds tot zijn prooi bestemd;
Werd, naast u, door den pijl de dood doorschoten!
Daar stondtge alleen - rondom in smart geklemd.
Uw leven, enkel rouw, werd enkel kwijnen.
Uw geest, geheel in 't weduwkleed gehuisd!
Doorwandelde, in 't vooruitzigt, slegts woestijnen,
Waarin geen muschje tjilpt, geen beekje ruischt.
Mijn Aagje lief! hoe schielijk moest gij lijden,
Na 't morgenrood van opgerezen vreugd.
U kwam een storm, die eiken velt, bestrijden,
En sloeg al 't loof van uw ontloken jeugd.
| | | |
'k Zag soms op u . . . met naauw bedwongen traanen:
En dagt: ‘ô God! waarom die drank zo wrang!
Zal dan haar zon nooit moede zijn van tanen;
Of volgt voor haar het banger slegts op bang?
Zij heeft met hem, dien wij nu saam beweenen,
Zo veel getorst, om hem zo bang getreurd;
Ach werd haar tent door uwe zon beschenen!
En 't hart, door druk bezweken, opgebeurd!
Toen haar en mij, bij 't zien der hooge wegen,
Waar langs gij haar, een bange weduw, leidt;
Dat blijvend heil wordt in dat spoor verkregen;
En dat het eind eens zijn zal: zaligheid!
Gij tog alleen zijt wijs! wij? enkel dwazen!
Gij goed, ook daar, waar 't oog slegts strengheid ziet.
't Is schijn, waarop wij, steeds kortzigtig, azen:
En op de schelp zien wij de paerel niet.’
Ja, Aagje lief! de kelk is uitgeledigd!
Verbroken ligt de smeltkroes van verdriet,
Uw lieve gaê is door uw komst bevredigd,
Daar hij zijn wensch voldaan, u bij zig, ziet.
Gij hebt dan 't kruis tog niet vergeefs gedragen;
De hand, die u op doorens heeft geleid,
Heeft niet vergeefs u afgemat door plagen,
Gods doen was liefde; en niet slegts majesteit.
Dien God in weinig stonden veel wil leeren,
Die rijpen moet in de ugtend zijner jeugd,
Moet rozenpaên verwagten noch begeeren.
Een scherpe klip leidt naar geloove en deugd.
Uw leidsman scheurde u los van al wat de aarde
Bevallig kent; van al wat schepsel heet.
Hij riep: ‘Verbrijzeld hart! gevoel uw waarde!
Verdenk mij niet, bij 't klimmen van uw leed.
| | | |
Voor u is ook bij mij verkwikking, vrede;
Voor u is kragt; en licht in duisternis:
Wie mij verwagt, schoon hij op adders trede,
Bevindt in 't eind, wie God, wie Jesus is.’
Die stem drong soms ook u, met kragt, in de ooren,
Een zagte lagch was dan de stille taal
Van 't hart, waar in 't geloof, uit God geboren,
In 't lijden zag de kiem der zegepraal.
Zo hebtge u, als eene eenzame, opgedragen
Aan 't heerlijk hoofd, dat voor zijn huisgezin
Verlaatnen zoekt, hen plaatst naar welbehagen,
En staat voor 't eind zo wel als voor 't begin.
Al moest gij, in verscheurende oogenblikken,
Bedwelmd van rouw, ontzenuwd door verdriet;
Van angst doorknaagd; voor dood en leven schrikken;
't Ontwrong u tog aan uwen Heiland niet.
Hebt gij den strijd, aêmegtig soms, gestreden,
Gij streedt hem tog. Hij, die uw kragten woog,
Zag uw geloof: Hij heeft voor u gebeden:
Een kleine vonk is kostlijk in zijn oog.
Hij kende uw smart, waarop alle artzenijen
Vergeefs hun kragt beproefden - maar zijn bloed.
Had kragts genoeg: dit kon u gantsch bevrijen;
En scheppen, door den dood, uit bitter, zoet.
Zong ik dan blij, drie jaaren slechts geleden,
Op uwen egt een lied van dankbaarheid;
Nog ligt mijn hoop niet gantsch in 't stof vertreden;
Op 't grove floers ligt fijner glans verspreid.
't Zegt veel, een zondig lijf zo kort te dragen,
Zo ras bevrijd van 't gif des doods te zijn;
Van 't weduwkleed, reeds voor den tijd, ontslagen,
Slegts agter zig te laten een woestijn.
| | | |
Wat hebtge nu, mijn treurster! meer verloren?
Al uwen schat vindt gij bij Jesus weer.
Nu zijtge opnieuw, en voor elkaêr geboren;
En saam bekroond met reine vreugd en eer.
Moet ik uw huis zien voor mijn oog verzinken;
Treurt mijne ziel, gelijk een vader treurt;
Ik zie een star door al die nevels blinken;
En mijn geloof wordt hoog om hoog gebeurd.
Rust, heilig drietal! in dit graf geborgen!
Smaak zaligheid, in uwen Heer verheugd!
Mijn taak liep af. Daar God voor u wou zorgen,
Ben ik voldaan. Uw vader gunt u vreugd.
Ik zwijg, aanbid - ik wil mijn God verbeiden;
Schoon Hij voor mij zig met een kleed bedekt;
Hij zal ook mij, op 't einde, naar 't graf geleiden;
Dan rust ik ook, tot mij een Engel wekt.
Was van alphen gelukkig in het treffen van den kindertoon, niet
minder slaagde hij in den populairen stijl; ook zelfs in dezen bleef hem eene
deftige eenvoudigheid bij, die ernstig tot het hart spreekt. Hoe nadrukkelijk
prijst hij, onder anderen, de naarstigheid aan:
Werden kunsten en fabrieken, als voorheen, alom geagt,
Hoe veel afgeleide beeken zag men weêr terug gebragt!
Ziet men nu verbleekte wangen door gebrek met kommer aan,
Op die treurige aangezigten zouden roozen bloeiend staan.
Luiheid baart verdriet en armoê; bang gebrek aan kleed en
brood:
Vlijt geeft beide, en koos gezondheid tot haar disch- en
reisgenoot.
Waar de voorspoed harten kluistert aan 't belang van 't
vaderland,
Neemt men graag voor huis en akker zwaard en spiessen in den
hand.
| | | |
Men verkoopt zijn eigen have niet, dan met verlies van bloed;
Stijdt voor vrouw en kroost gewillig met voorzigtigheid en
moed.
Armoê, dogter van de luiheid, is te vrede, wien zij
dient,
Kweekt zelfs slangen in haar boezem, vreest geen vijand, kent geen
vriend.
Zij verheft, in alle streken, klagten van het bangst verdriet;
Maar een vaderland, en pligten, daaraan schuldig, kent ze
niet.
Zou men helden zien verschijnen, als de welvaart ons verlaat?
Neen, de welgezeten burgers zijn de helden van den staat.
Burgers, die door vlijt en ijver deelen in het ruim genot
Van de gaven, hun geschonken door een vlijtbeminnend God,
Dragen willig pest en honger. Tuig dit Leidens burgerij!
Uw standvastigheid in 't strijden roemen en vereeren wij.
Naarstigheid kweekt dan ook helden. Hij, die naarstigheid
beloont,
Geeft der dapperheid een vesting, waar zij eeuwen veilig woont
1.
Behalve zijne hier opgenoemde en meer andere oorspronkelijke
schriften, leverde van alphen ook nog eenige vertalingen van goede
buitenlandsche werken, onder anderen reeds in 1777 de verhandeling van th. abbt
over de Verdiensten. ‘Hoe veele lezers,’ zegt zeker
beöordeelaar, door den hoogleeraar te water aangehaald
2, ‘hij moge aantreffen, die over verscheidene onderwerpen
anders dan hij denken, zal echter dat verschil in denkwijze bij verstandigen
geen oorzaak zijn, dat iemand hem dien lof weigere, welke aan eene matige
juistheid van oordeel, aan uitgebreidheid van kennisse, | | | | aan
beschaafdheid van vernuft en aan netheid van taal en stijl behoort gegeven te
worden.’
|
1De uitgave van dit werk gaf aanleiding tot eene
briefwisseling tusschen de perponcher en van alphen, over het Schoone, welke in
1783 in het licht verscheen.
2Gesch. der Nederd. Dichtk. II Deel, bladz.
286.
1Eenige Leerstukken van den Prot. Godsdienst
verdedigd, tegen eberhard; Gronden mijner Geloofsbelijdenis; De Christelijke
Spectator; Predikt het Euangelium allen Creaturen, en meer anderen.
1Aanspraak in de jaarlijksche alg. vergad. van
de Maatschappij der Ned. Letterk. te Leyden, den 8 Oct. 1803, blz. 35.
2Bij voorbeeld, deze vier laatste regels van een
overigens fraai dichtstuk:
Gods reinigend bloed heeft het vuil niet verborgen,
Maar mogt ons waarachtige reinheid bezorgen,
Wier luister in 't gloeien der zon niet verteert,
Maar eeuwig, door Jesus beschenen, vermeêrt.
Pr. v. St. Mengelp. blz. 53.
1‘Byzonder wel,’ schreef de heer de
perponcher aan den dichter, ‘hebt gy in alle deeze stukjes den toon gevat
des tyds, dien gy u hadt uitgekosen. De roemrykste en beste tyd voorwaer van
ons gemeenebest! Een tyd, daer ik niet aen denken kan, zonder myn boezem van
ontroering, vregd en dankbaerheid te voelen kloppen, en die my doet trots zyn,
een Nederlander te zyn gebooren! Hou u nog lang by dien tyd op. Tragt den geest
deszelven in onze harten te doen herleven; dan is ons Vaderland gered,
enz.’
1Gedigten en Overdenkingen, blz.
40.
*Mengelingen in Proze en Poëzij, tweede
druk, blz. 283, alwaar ook de aanmerkingen over de Cantate, blz. 299 zeer
lezenswaardig zijn.
1Dit vers wordt insgelijks gevonden in het
bundeltje, waaruit de hier aangehaalden zijn overgenomen, en hetwelk, onder den
titel: Ter Gedagtenis, in 1800, bij j. thierrij en c. mensing, in 's
Hage is gedrukt.
1Aanspraak aan de Leden des Oeconomischen
Taks, departement Utregt; bij gelegenheid van de uitdeeling der prijzen op het
spinnen, den 5 April 1781. blz. 9.
2Aanspraak in de Maatsch. der Nederl. Letterk.
blz. 33.
|
|